Zaak C‑418/02
Praktiker Bau‑ und Heimwerkermärkte AG
(verzoek van het Bundespatentgericht om een prejudiciële beslissing)
„Merken – Richtlijn 89/104/EEG – Dienstmerken – Inschrijving – Diensten verricht in kader van detailhandel – Specificatie van inhoud van diensten – Soortgelijkheid van betrokken diensten enerzijds en waren of andere diensten anderzijds”
Conclusie van advocaat-generaal P. Léger van 13 januari 2005
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 7 juli 2005
Samenvatting van het arrest
1. Harmonisatie van wetgevingen – Merken – Richtlijn 89/104 – Dienstmerken – Begrip „diensten” – Gemeenschapsbegrip – Eenvormige uitlegging
(Richtlijn 89/104 van de Raad)
2. Harmonisatie van wetgevingen – Merken – Richtlijn 89/104 – Dienstmerken – Begrip „diensten” – Detailhandel in waren – Daaronder begrepen – Voorwaarden voor inschrijving
(Richtlijn 89/104 van de Raad, art. 2)
1. Het is aan het Hof, in de communautaire rechtsorde een eenvormige uitlegging te geven van het begrip „diensten” in de zin van richtlijn 89/104 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten.
De aard en de inhoud van de dienst die door een ingeschreven merk kan worden beschermd, wordt namelijk niet bepaald door de regelingen inzake de inschrijvingsprocedures, ten aanzien waarvan de lidstaten iedere vrijheid behouden, maar door de materiële voorwaarden voor de verkrijging van het door het merk verleende recht. Bovendien, indien de lidstaten bevoegd waren voor de bepaling van het begrip „diensten”, zouden de voorwaarden voor inschrijving van dienstmerken naar gelang van de betrokken nationale wetgeving kunnen variëren. Het doel, verkrijging van het recht op het merk in alle lidstaten onder „gelijke voorwaarden”, zou dan niet worden bereikt.
(cf. punten 30‑33)
2. Het begrip „diensten” in de zin van richtlijn 89/104 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten omvat de diensten die in het kader van de detailhandel in waren worden verricht. Uit de richtlijn of de algemene beginselen van gemeenschapsrecht blijkt namelijk niet van een dwingende reden die zich ertegen verzet dat deze prestaties onder het begrip „diensten” in de zin van de richtlijn vallen, en dat derhalve de handelaar het recht heeft om door inschrijving de bescherming van zijn merk als aanduiding van de herkomst van de aangeboden diensten te verkrijgen.
Voor de inschrijving van een merk voor deze diensten is het niet noodzakelijk de betrokken dienst(en) concreet te omschrijven. Een nadere omschrijving van de waren of soorten waren waarop deze diensten betrekking hebben, is daarentegen wel noodzakelijk.
(cf. punten 35, 39, 52, dictum 1‑2)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
7 juli 2005 (*)
„Merken – Richtlijn 89/104/EEG – Dienstmerken – Inschrijving – Diensten verricht in het kader van detailhandel – Specificatie van de inhoud van diensten – Soortgelijkheid van betrokken diensten en waren of andere diensten”
In zaak C‑418/02,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Bundespatentgericht (Duitsland) bij beslissing van 15 oktober 2002, ingekomen bij het Hof op 20 november 2002, in de procedure
Praktiker Bau‑ und Heimwerkermärkte AG
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, C. Gulmann (rapporteur), R. Schintgen, N. Colneric en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: M. Múgica Arzamendi, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 1 juli 2004,
gelet op de opmerkingen ingediend door:
– Praktiker Bau‑ und Heimwerkermärkte AG, vertegenwoordigd door M. Schaeffer, Rechtsanwalt,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en A. Bodard‑Hermant als gemachtigden,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door E. Riedl als gemachtigde,
– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door K. Manji als gemachtigde, bijgestaan door M. Tappin, barrister,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. B. Rasmussen en S. Fries als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 januari 2005,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2, 4, lid 1, sub b, en 5, lid 1, sub b, van de Eerste Richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB L 1989, L 40, blz. 1; hierna: „richtlijn”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Praktiker Bau‑ und Heimwerkermärkte AG (hierna: „Praktiker Märkte”) en het Deutsche Patent‑ und Markenamt (Duits octrooi‑ en merkenbureau) over de inschrijving van een merk voor diensten die in het kader van de detailhandel worden verricht.
Rechtskader
3 Artikel 2 van de richtlijn bepaalt:
„Merken kunnen worden gevormd door alle tekens die vatbaar zijn voor grafische voorstelling, met name woorden, met inbegrip van namen van personen, tekeningen, letters, cijfers, vormen van waren of van verpakking, mits deze de waren of diensten van een onderneming kunnen onderscheiden.”
4 Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:
„Een merk wordt niet ingeschreven of kan, indien ingeschreven, worden nietig verklaard:
a) wanneer het gelijk is aan een ouder merk en wanneer de waren of diensten waarvoor het merk is aangevraagd of ingeschreven, dezelfde zijn als de waren of diensten waarvoor het oudere merk is ingeschreven;
b) wanneer het gelijk is aan of overeenstemt met een ander merk en betrekking heeft op dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende de mogelijkheid van associatie met het oudere merk.”
5 Artikel 5, lid 1, bepaalt:
„Het ingeschreven merk geeft de houder een uitsluitend recht. Dit recht staat de houder toe iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, het gebruik van een teken in het economisch verkeer te verbieden:
a) wanneer dat gelijk is aan het merk en gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het merk ingeschreven is;
b) dat gelijk is aan of overeenstemt met het merk en gebruikt wordt voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende het gevaar van associatie met het merk.”
6 Volgens de twaalfde overweging van de considerans van de richtlijn moeten de bepalingen ervan volledig stroken met die van het verdrag tot bescherming van de industriële eigendom, ondertekend te Parijs op 20 maart 1883, herzien te Stockholm op 14 juli 1967 en gewijzigd op 28 september 1979 (Recueil des traités des Nations Unies, deel 828, nr. 11851, blz. 305; hierna: „Unieverdrag”), dat verbindend is voor alle lidstaten van de Gemeenschap.
7 De overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd (hierna: „overeenkomst van Nice”), is gesloten krachtens artikel 19 van het Unieverdrag, waarin de Uniestaten het recht is voorbehouden om onderling bijzondere overeenkomsten ter bescherming van de industriële eigendom te sluiten.
8 In de bij deze overeenkomst ingevoerde classificatie (hierna: „classificatie van Nice”) luidt klasse 35, betreffende diensten, als volgt:
„Reclame;
beheer van commerciële zaken;
zakelijke administratie;
administratieve diensten.”
9 De toelichting bij deze klasse preciseert:
„[…]
Deze klasse omvat met name:
– het verzamelen voor rekening van derden van verschillende waren (uitgezonderd het vervoer ervan) om de consument in staat te stellen ze gemakkelijk te bekijken en te kopen.
[…]
Deze klasse omvat met name niet:
– de activiteit van een onderneming die als hoofdfunctie de verkoop van waren heeft, dat wil zeggen een zogenoemde handelsonderneming;
[…]”
10 Artikel 2 van de overeenkomst van Nice luidt:
„1) Onder voorbehoud van de door deze [o]vereenkomst opgelegde verplichtingen is de draagwijdte van de classificatie die, welke daaraan door elk land van de bijzondere Unie wordt toegekend. In het bijzonder bindt de classificatie de landen van de bijzondere Unie noch wat de beoordeling van de omvang van de bescherming van het merk, noch wat de erkenning van de dienstmerken betreft.
2) Elk land van de bijzondere Unie behoudt zich de bevoegdheid voor, de classificatie toe te passen als hoofdsysteem of als hulpsysteem.
3) De bevoegde instanties van de landen van de bijzondere Unie zullen in de officiële documenten en bekendmakingen van de merkinschrijvingen de nummers van de klassen der classificatie vermelden van de waren of diensten waarvoor het merk is ingeschreven.
[…]”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
11 Praktiker Märkte heeft bij het Deutsche Patent‑ und Markenamt een aanvraag tot inschrijving van het merk Praktiker ingediend, met name voor de dienst „detailhandel in bouw‑, doe-het-zelf‑ en tuinartikelen en andere verbruiksgoederen voor de doe-het-zelver”.
12 Het Deutsche Patent‑ und Markenamt heeft de aanvraag afgewezen. Zijns inziens is het begrip „detailhandel” geen aanduiding voor zelfstandige diensten met een autonome economische betekenis. Het doelt alleen op de distributie van waren als zodanig. De economische activiteiten die de kern van de distributie van waren vormen, namelijk de koop en verkoop ervan, zijn geen diensten waarvoor een merk kan worden ingeschreven. Merkbescherming kan alleen worden verkregen door middel van een aanvraag om inschrijving van een merk voor de verschillende verkochte producten.
13 Tegen deze afwijzing heeft Praktiker Märkte beroep bij het Bundespatentgericht ingesteld. Zij heeft met name gesteld dat de economische ontwikkeling naar een dienstenmaatschappij een herwaardering van de detailhandel als dienst vereiste. De koopbeslissing van de consument wordt steeds meer beïnvloed door niet alleen de beschikbaarheid en de prijs van een product, maar ook andere aspecten, zoals de omvang en sortering van het aanbod van producten, de presentatie, de door het personeel verleende service, de reclame, het imago en de ligging van de winkel enz. Door het verrichten van die diensten in het kader van de detailhandel kan de detailhandelaar zich onderscheiden van zijn concurrenten. Voor deze diensten moet bescherming als dienstmerk mogelijk zijn. Merkbescherming voor de door detailhandelaars verrichte diensten zou thans niet alleen door het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (hierna: „BHIM”), maar ook in de meerderheid van de lidstaten worden verleend. Deze vraag dient binnen de Gemeenschap uniform te worden beoordeeld.
14 In deze context heeft het Bundespatentgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Is de detailhandel in waren een dienst in de zin van artikel 2 van de richtlijn?
Zo ja:
2) In hoeverre moeten dergelijke diensten van een detailhandelaar inhoudelijk nader worden gespecificeerd om te garanderen dat het voorwerp van de merkbescherming voldoende bepaald is, zoals wordt vereist door:
a) de in artikel 2 van de richtlijn gedefinieerde functie van het merk, waren en diensten van een onderneming te onderscheiden,
b) de noodzakelijke afbakening van de omvang van de bescherming van een dergelijk merk in geval van collisie?
3) In hoeverre moet de soortgelijkheid [artikel 4, lid 1, sub b, en artikel 5, lid 1, sub b, van de richtlijn] van dergelijke diensten van een detailhandelaar en
a) andere, met de distributie van waren samenhangende diensten,
of
b) de door de betrokken detailhandelaar verhandelde waren
worden afgebakend?”
15 De verwijzende rechter merkt op dat artikel 2 van de richtlijn de daarin gebezigde termen „waren” en „diensten” niet definieert.
16 Zijns inziens resteren als kern van de zelfstandige activiteiten van een detailhandelaar, waardoor hij in rechtstreekse concurrentie met andere goederenhandelaars treedt en waarvoor de autonome bescherming van een dienstmerk noodzakelijk zou kunnen zijn, de specifieke handelsactiviteiten die de afzet van de waren mogelijk maken, zonder zich te beperken tot de afwikkeling ervan. Zij omvatten het verzamelen van waren van verschillende ondernemingen tot een assortiment en het ten verkoop aanbieden ervan in één distributie-eenheid – in de vorm van een traditionele winkel, verkoop per postorder of langs elektronische weg. Ook al worden de betrokken diensten niet afzonderlijk aan een bepaalde klant gefactureerd, kunnen zij worden geacht via de handelsmarge onder bezwarende titel te zijn verricht.
17 Wil het merk zijn functie van herkomstaanduiding vervullen, moet volgens het Bundespatentgericht evenwel voldoende duidelijk zijn bepaald waarop de verleende bescherming betrekking heeft. Algemene omschrijvingen als „detailhandelsdiensten” voldoen niet aan de eis van voldoende bepaaldheid van exclusiviteitsrechten. Beperkingen die alleen de verhandelde waren betreffen, nemen het onbepaalde karakter van de vermelding „detailhandel” op het betrokken gebied niet weg. Zij laten in het midden welke diensten naast de gewone verkoop van deze waren worden bedoeld. Soortgelijke bezwaren kunnen worden aangevoerd tegen preciseringen die de aard van het verkooppunt betreffen, bijvoorbeeld „warenhuis” of „supermarkt”.
18 De noodzaak het begrip „diensten van een detailhandelaar” bij de inschrijving van merken inhoudelijk af te bakenen, is nog pregnanter bij de uitlegging van het begrip gevaar van „verwarring” in de zin van de artikelen 4, lid 1, sub b, en 5, lid 1, sub b, van de richtlijn. Ook een passende inhoudelijke omschrijving van het begrip „diensten van een detailhandelaar” in de inschrijvingsprocedure kan uiteindelijk onvoldoende blijken, indien het ingeschreven dienstmerk door een ruime uitlegging van het begrip „soortgelijke waren of diensten” een niet te controleren beschermingsomvang zou krijgen.
De prejudiciële vragen
De eerste twee vragen
19 Met zijn eerste twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst het Bundespatentgericht in wezen te vernemen of het begrip „diensten” in de zin van de richtlijn, met name artikel 2 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het diensten verricht in het kader van de detailhandel in waren omvat en, zo ja, of de inschrijving van een dienstmerk voor deze diensten afhankelijk is van bepaalde nadere preciseringen.
Bij het Hof ingediende opmerkingen
20 Volgens Praktiker Märkte vormt de detailhandel in waren een dienst in de zin van de richtlijn. Een merk dat deze als dienst beschermt, kan de functie van herkomstaanduiding van het merk vervullen. De diensten hoeven niet inhoudelijk te worden gespecificeerd ter bepaling van het voorwerp van de bescherming.
21 De Franse regering heeft ter terechtzitting verklaard dat zij thans aanvaardt dat bepaalde specifieke diensten in verband met de detailverkoop, die wel inhoudelijk moeten worden gespecificeerd, autonome prestaties ten opzichte van de verkoop vormen en dus in aanmerking kunnen komen voor merkbescherming.
22 Volgens de Oostenrijkse regering vormt de kern van de detailhandel, namelijk de verkoop van waren, geen dienst die als zodanig in aanmerking kan komen voor merkbescherming, zoals de toelichting bij klasse 35 van de classificatie van Nice haars inziens bevestigt. Alleen prestaties die verder gaan dan deze kern, die inhoudelijk moeten worden gespecificeerd, zouden als dienstmerk kunnen worden ingeschreven.
23 In de opvatting van de regering van het Verenigd Koninkrijk kan een merk geldig voor een dienst worden ingeschreven, indien de consumenten onder dit merk een identificeerbare dienst wordt aangeboden, die verder gaat dan de gewone handel met waren. De toelichting bij klasse 35 van de classificatie van Nice bevestigt dat de gewone verkoop van waren geen identificeerbare dienst vormt; niettemin kunnen de aspecten van de detailhandelactiviteit verband houdend met het verzamelen van verschillende waren voor rekening van derden, om de consument in staat te stellen ze gemakkelijk te bekijken en te kopen, een dienst vormen die door een merk kan worden beschermd. Voor inschrijving ervan moeten de aspecten van de activiteit waaruit de dienst bestaat, alsook het of de gebied(en) van de detailhandelsactiviteit waarvoor de bescherming geldt, worden gespecificeerd om de bepaaldheid van het voorwerp van de bescherming te garanderen.
24 Volgens de Commissie vormt de detailhandel in waren een dienst in de zin van de richtlijn, wanneer is voldaan aan de voorwaarden van artikel 50 EG. De door een dienstmerk geboden bescherming kan van toepassing zijn op alle activiteiten die geen zuivere verkoopactiviteiten zijn. Een uitputtende opsomming van alle betrokken diensten is niet mogelijk. Het kan daarbij gaan om de wijze van presentatie van de producten, de locatie, het algemene comfort, de houding en de inzet van het personeel, de aan de klanten bestede aandacht.
25 De kwestie van de inhoudelijke precisering van de diensten doet zich volgens de Commissie formeel‑juridisch voor bij de merkinschrijving. Deze kwestie valt onder de bevoegdheid van de lidstaten, zoals blijkt uit de vijfde overweging van de considerans van de richtlijn volgens welke de lidstaten de procedurebepalingen voor de inschrijving, dat wil zeggen bijvoorbeeld de vorm van de inschrijvingsprocedure, vaststellen. Wat dit betreft kan een merk voor de detailhandel alleen worden ingeschreven voor klasse 35 van de classificatie van Nice. De overeenkomst van Nice stelt geen voorwaarden aan de omschrijving van de dienst.
Antwoord van het Hof
26 Volgens de eerste overweging van de considerans beoogt de richtlijn een aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten om verschillen ongedaan te maken, die het vrije verkeer van goederen en het vrij verrichten van diensten kunnen belemmeren en de mededingingsvoorwaarden op de gemeenschappelijke markt kunnen vervalsen.
27 Ingevolge artikel 1 is de richtlijn van toepassing op „merken voor waren” en „merken voor diensten”.
28 De richtlijn bevat geen definitie van de term „diensten”, die artikel 50 EG omschrijft als „dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden”.
29 Evenmin preciseert zij de voorwaarden waaraan de inschrijving van een merk voor een dienst is onderworpen, wanneer de nationale wetgeving voorziet in een dergelijke inschrijving.
30 In dit verband wordt in de vijfde overweging van de considerans van de richtlijn verklaard dat de lidstaten iedere vrijheid behouden, de inschrijvingsprocedure vast te stellen, bijvoorbeeld de vorm van de procedure te bepalen. Volgens de zevende overweging van de considerans kan het doel van de aanpassing evenwel alleen worden bereikt, indien de verkrijging van het recht op een ingeschreven merk in alle lidstaten in beginsel afhankelijk wordt gesteld van gelijke voorwaarden.
31 De aard en de inhoud van de dienst die door een ingeschreven merk kan worden beschermd, wordt echter niet bepaald door de regelingen inzake de inschrijvingsprocedures, maar door de materiële voorwaarden voor de verkrijging van het door het merk verleende recht.
32 Indien de lidstaten bevoegd waren voor de bepaling van het begrip „diensten”, zouden de voorwaarden voor inschrijving van dienstmerken naargelang van de betrokken nationale wetgeving kunnen variëren. Het doel, verkrijging van het recht op het merk in alle lidstaten onder „gelijke voorwaarden”, zou dan niet worden bereikt.
33 Het is derhalve aan het Hof, in het gemeenschapsrecht een eenvormige uitlegging te geven van het begrip „diensten” in de zin van de richtlijn (zie naar analogie arrest van 20 november 2001, Zino Davidoff en Levi Strauss, C‑414/99–C‑416/99, Jurispr. blz. I‑8691, punten 42 en 43).
34 In dit verband dient te worden opgemerkt dat het doel van de detailhandel de verkoop van waren aan consumenten is. Deze handel omvat naast de verkoop als rechtshandeling, alle activiteiten die de marktdeelnemer verricht om de totstandkoming van die verkoop te bevorderen. Deze activiteiten omvatten onder meer de selectie van een assortiment te koop aangeboden waren en het aanbod van verschillende prestaties die de consument moeten overhalen bij de betrokken handelaar in plaats van bij een concurrent te kopen.
35 Uit de richtlijn of de algemene beginselen van gemeenschapsrecht blijkt niet van een dwingende reden die zich ertegen verzet dat deze prestaties onder het begrip „diensten” in de zin van de richtlijn vallen en dat derhalve de handelaar het recht heeft om door inschrijving de bescherming van zijn merk als aanduiding van de herkomst van de aangeboden diensten te verkrijgen.
36 Dit wordt geïllustreerd door de toelichting bij klasse 35 van de classificatie van Nice, volgens welke deze klasse omvat „het verzamelen voor rekening van derden van verschillende waren […] om de consument in staat te stellen ze gemakkelijk te bekijken en te kopen” („the bringing together, for the benefit of others, of a variety of goods […] enabling consumers to conveniently view and purchase those goods” volgens de Engelse versie van de toelichting).
37 Wat verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1) betreft, aanvaardt het BHIM thans dat de door detailhandelsondernemingen aangeboden diensten als zodanig kunnen worden ingeschreven als gemeenschapsmerk en onder klasse 35 van de classificatie van Nice vallen (zie mededeling nr. 3/01 van de voorzitter van het BHIM van 12 maart 2001 inzake de inschrijving van gemeenschapsmerken voor detailhandelsdiensten).
38 Overigens wordt in de opmerkingen voor het Hof algemeen aanvaard dat althans bepaalde in het kader van de detailhandel verrichte diensten diensten in de zin van de richtlijn kunnen vormen, en blijkens inlichtingen waarover het Hof beschikt, vindt dit standpunt weerklank in een thans in de lidstaten ruim gevolgde praktijk.
39 Bijgevolg moet worden beslist dat het begrip „diensten” in de zin van de richtlijn de diensten omvat die in het kader van de detailhandel in waren worden verricht.
40 De vraag rijst of in het bijzondere geval van de detailhandel het begrip „diensten” in de zin van de richtlijn moet worden gepreciseerd.
41 In dit opzicht is in de bij het Hof ingediende opmerkingen gesteld dat de diensten die als detailhandelsdiensten voor bescherming in aanmerking kunnen komen, moeten worden geïdentificeerd op een wijze die hen onderscheidt van de diensten waarvoor, wegens hun nauwe band met de verkoop van de waren, inschrijving van een merk niet in aanmerking kan komen. Voorts zou de aanvraag tot inschrijving van het merk concreet de dienst(en) moeten specificeren waarvoor de aanvrager bescherming wenst.
42 Deze specificering zou met name noodzakelijk zijn ter vrijwaring van de wezenlijke functie van het merk, namelijk de garantie van de herkomstidentiteit van de onder het merk verkochte waren of diensten, en om te voorkomen dat merken voor detailhandelsdiensten een te ruime en onbepaalde bescherming krijgen.
43 De moeilijkheid van deze vragen wordt geïllustreerd door de uiteenlopende antwoorden die zijn voorgesteld, alsook door de inlichtingen waarover het Hof beschikt inzake de actuele praktijk van de lidstaten.
44 Om de hierna te noemen redenen behoren „detailhandelsdiensten” in de zin van de richtlijn niet enger te worden opgevat dan hetgeen voortvloeit uit de beschrijving in punt 34 van het onderhavige arrest.
45 Om te beginnen zou een onderscheid tussen de verschillende categorieën bij de verkoop van waren verrichte diensten, dat voor een engere afbakening van het begrip „detailhandelsdiensten” zou moeten worden gemaakt, kunstmatig zijn tegen de achtergrond van de realiteit in de belangrijke economische sector die de detailhandel vormt. Een dergelijk onderscheid zou onvermijdelijk moeilijkheden veroorzaken bij de algemene definitie van de te hanteren criteria en de praktische toepassing daarvan.
46 Het is juist, dat een engere afbakening van het begrip „detailhandelsdiensten” de aan de merkhouder verleende bescherming zou verminderen, en dus het aantal gevallen waarin vragen over de toepassing van de artikelen 4, lid 1, en 5, lid 1, van de richtlijn zouden rijzen.
47 Dit volstaat echter niet ter rechtvaardiging van een enge uitlegging.
48 Uit niets blijkt namelijk dat eventuele moeilijkheden als gevolg van de inschrijving van merken voor detailhandelsdiensten niet zouden kunnen worden opgelost op basis van de twee genoemde bepalingen van de richtlijn zoals deze door het Hof zijn uitgelegd. Volgens de rechtspraak van het Hof dient het verwarringsgevaar globaal te worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval (zie arresten van 11 november 1997, SABEL, C‑251/95, Jurispr. blz. I‑6191, punt 22, en 29 september 1998, Canon, C‑39/97, Jurispr. blz. 5507, punt 16). In het kader van deze globale beoordeling kan zo nodig rekening worden gehouden met de bijzonderheden van het begrip „detailhandelsdiensten” die samenhangen met de ruime werkingssfeer ervan, met inachtneming van de rechtmatige belangen van alle belanghebbende partijen.
49 In deze omstandigheden is het voor de inschrijving van een merk voor diensten verricht in het kader van de detailhandel niet noodzakelijk om de dienst(en) concreet te omschrijven, waarvoor de inschrijving wordt aangevraagd. Voor de identificatie ervan kan worden volstaan met algemene formuleringen als „verzamelen van verschillende waren om de consument in staat te stellen ze gemakkelijk te bekijken en te kopen”.
50 Daarentegen dient van de aanvrager te worden verlangd dat hij de waren of soorten waren waarop deze diensten betrekking hebben, specificeert door middel van omschrijvingen zoals bijvoorbeeld voorkomend in de in het hoofdgeding ingediende inschrijvingsaanvraag (zie punt 11 van het onderhavige arrest).
51 Deze nadere omschrijvingen vergemakkelijken de toepassing van de artikelen 4, lid 1, en 5, lid 1, van de richtlijn, zonder de merkbescherming merkbaar te beperken. Zij vergemakkelijken ook de toepassing van artikel 12, lid 1, van de richtlijn, volgens hetwelk „[e]en merk kan vervallen worden verklaard wanneer het gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar niet normaal in de betrokken lidstaat is gebruikt voor de […] diensten waarvoor het ingeschreven is en er geen geldige reden is voor het niet gebruiken”.
52 Op de eerste twee prejudiciële vragen dient dus te worden geantwoord dat het begrip „diensten” in de zin van de richtlijn, met name in artikel 2 ervan, de diensten omvat die in het kader van de detailhandel in waren worden verricht.
Voor de inschrijving van een merk voor deze diensten is het niet noodzakelijk de betrokken dienst(en) concreet te omschrijven. Een nadere omschrijving van de waren of soorten waren waarop deze diensten betrekking hebben, is daarentegen wel noodzakelijk.
De derde vraag
53 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip „soortgelijk” in de zin van de artikelen 4, lid 1, sub b, en 5, lid 1, sub b, van de richtlijn, waarbij in voorkomend geval verwarringsgevaar in de zin van deze bepalingen kan ontstaan, voor de dienstmerken die de in het kader van de detailhandel in waren verrichte diensten beschermen, moet worden uitgelegd op basis van specifieke restrictieve criteria.
54 Blijkens de verwijzingsbeschikking is de aanvraag tot inschrijving van het merk Praktiker voor detailhandelsdiensten in het hoofdgeding afgewezen op grond dat de opgegeven omschrijving „detailhandel” geen diensten aanduidt waarvoor een merk kan worden ingeschreven
55 Het verzoek om een prejudiciële beslissing bevat geen informatie waaruit blijkt dat de verwijzende rechter zich zou moeten uitspreken over het begrip „soortgelijk” in de zin van de artikelen 4, lid 1, sub b, en 5, lid 1, sub b, van de richtlijn in verband met een verwarringsgevaar in de zin van deze bepalingen.
56 Deze bepalingen zijn weliswaar relevant voor het antwoord op de eerste twee vragen, maar niet in het kader van de derde vraag.
57 Het Hof is niet bevoegd om te antwoorden op prejudiciële vragen, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke of juridische gegevens die het voor een nuttig antwoord op de gestelde vragen nodig heeft (zie onder meer arrest van 16 oktober 2003, Traunfellner, C‑421/01, Jurispr. blz. I‑11941, punt 37).
58 In deze omstandigheden dient de derde prejudiciële vraag als hypothetisch te worden beschouwd voor het hoofdgeding en dus niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Kosten
59 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1) Het begrip „diensten” in de zin van de Eerste Richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, met name in artikel 2 ervan, omvat de diensten die in het kader van de detailhandel in waren worden verricht.
2) Voor de inschrijving van een merk voor deze diensten is het niet noodzakelijk de betrokken dienst(en) concreet te omschrijven. Een nadere omschrijving van de waren of soorten waren waarop deze diensten betrekking hebben, is daarentegen wel noodzakelijk.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy