BESCHIKKING VAN HET HOF (Eerste kamer)
22 maart 2002 ( *1 )
In zaak C-24/02,
betreffende een verzoek aan het Hof van het tribunal de commerce de Marseille (Frankrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen
Marseille Fret SA
en
Seatrano Shipping Company Ltd,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, b1z. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en — gewijzigde tekst — blz. 77), bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1), bij het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1) en bij het Verdrag van 29 november 1996 betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB 1997, C 15, blz. 1), alsmede van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann (rapporteur), kamerpresident, M. Wathelet en A. Rosas, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1
Bij vonnis van 22 januari 2002, ingekomen bij het Hof op 31 januari daaraanvolgend, heeft het tribunal de commerce de Marseille vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en — gewijzigde tekst — blz. 77), bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1), bij het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1) en bij het Verdrag van 29 november 1996 betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB 1997, C 15, blz. 1; hierna: „verdrag”, respectievelijk „toetredingsverdragen”), alsmede van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).
2
Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Marseille Fret SA (hierna: „Marseille Fret”), een te Marseille gevestigde vennootschap, en de Seatrano Shipping Company Ltd (hierna: „Seatrano Shipping”), een te Limassol gevestigde vennootschap (Cyprus).
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
3
Op 6 november 2000 heeft Marseille Fret bij het tribunal de commerce de Marseille tegen Seatrano Shipping een vordering ingesteld tot vergoeding van de financiële schade die zij zou hebben geleden door het oogmerk van laatstgenoemde haar te schaden in het kader van een vorig geschil, dat in oktober 1999 leidde tot een tussenvonnis van een scheidsgerecht te Londen (Verenigd Koninkrijk).
4
Op 20 maart 2001 heeft de High Court of Justice (Verenigd Koninkrijk) op verzoek van Seatrano Shipping een „anti suit injunction” gegeven, krachtens welke Marseille Fret moest afzien van haar vordering voor het tribunal de commerce de Marseille, op straffe van sancties in het Verenigd Koninkrijk.
5
Marseille Fret heeft vervolgens afstand gedaan van instantie. Seatrano Shipping heeft zich daartegen verzet en in reconventie schadevergoeding wegens misbruik van procedure gevorderd.
6
In deze omstandigheden heeft het tribunal de commerce de Marseille onder verwijzing naar artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende vier prejudiciële vragen gesteld:
„1.
Staan de bepalingen van titel II van het Executieverdrag van 27 september 1968, overgenomen door verordening (EG) nr. 44/2001 van 22 december 2000, een rechterlijke instantie van een lidstaat toe, een onderdaan van een andere verdragsluitende staat te verbieden een vordering in te stellen bij de rechterlijke instanties van zijn staat op grond van zowel diens nationale recht als het gemeenschapsrecht?
2.
Kan een Engelse rechterlijke instantie door middel van de ‚anti suit injunction'-procedure de toegang tot een andere rechter in de Gemeenschap verbieden, die bevoegd is krachtens het Executieverdrag van 27 september 1968, overgenomen door verordening (EG) nr. 44/2001 van 22 december 2000?
3.
Kan een Engelse rechterlijke instantie door die procedure de andere rechters in de Gemeenschap de mogelijkheid ontnemen uitspraak te doen over hun eigen bevoegdheid, terwijl die bevoegdheid lijkt voort te vloeien uit de bepalingen van hoofdstuk II van verordening (EG) nr. 44/2001 van 22 december 2000?
4.
Is het feit dat een gemeenschapsonderdaan, onder bedreiging van de strafsancties in het kader van de Engelse ’anti suit injunction'-procedure, wordt gedwongen af te zien van een autonome, reeds voor een Franse rechterlijke instantie ingestelde rechtsvordering, verenigbaar met het fundamentele rechtsbeginsel van toegang tot de rechter, zoals dit wordt beschermd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen?”
De bevoegdheid van het Hof
7
Volgens artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer het kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een beroep of wanneer het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, de advocaatgeneraal gehoord, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking.
8
Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat de vier prejudiciële vragen die aan het Hof zijn gesteld, weliswaar verschillend zijn geformuleerd, maar hetzelfde onderwerp hebben. Met deze vragen wenst de verwijzende rechter namelijk in wezen te vernemen welke gevolgen een „anti suit injunction” van de High Court of Justice volgens het verdrag en verordening nr. 44/2001 kan hebben in het kader van de voor hem aanhangige procedure.
9
De bevoegdheid van het Hof om het verdrag uit te leggen is vastgesteld in het protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het verdrag (PB 1975, L 204, blz. 28), zoals gewijzigd door de toetredingsverdragen (hierna: „protocol”).
10
Anders dan het geval is met artikel 234 EG, dat in casu niet van toepassing is, kunnen volgens het protocol alleen bepaalde rechterlijke instanties, die in artikel 2 worden genoemd, het Hof verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over een vraagstuk van uitlegging van het verdrag, zodat in dit opzicht moet worden nagegaan of het Hof bevoegd is om de gestelde vragen te beantwoorden.
11
De punten 1 en 3 van artikel 2 van het protocol noemen uitdrukkelijk en limitatief — het eerste rechtstreeks en het tweede door verwijzing naar artikel 37 van het verdrag — de rechterlijke instanties die zich tot het Hof kunnen wenden. Volgens punt 2 van dit artikel zijn daartoe ook bevoegd de rechterlijke instanties van de verdragsluitende staten, wanneer zij recht spreken in hoger beroep.
12
Het Franse tribunal de commerce wordt niet genoemd in artikel 2, punt 1, van het protocol of in artikel 37 van het verdrag. Voorts blijkt uit het dossier van het hoofdgeding dat het verwijzingsvonnis in een procedure in eerste aanleg is gewezen.
13
Bijgevolg is het tribunal de commerce de Marseille in het hoofdgeding niet bevoegd om het Hof te verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de uitlegging van het verdrag.
14
Wat verordening nr. 44/2001 betreft, hoeft er alleen op te worden gewezen dat deze pas op 1 maart 2002, dat wil zeggen na de uitspraak van het verwijzingsvonnis, in werking is getreden. Bovendien dient te worden opgemerkt dat, aangezien deze verordening op basis van artikel 61, sub c, EG is vastgesteld, uit artikel 68, lid 1, EG volgt dat alleen de rechterlijke instanties waarvan de beslissingen naar nationaal recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, bevoegd zijn het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de uitlegging ervan.
15
Derhalve moet artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering worden toegepast en moet worden vastgesteld dat het Hof kennelijk onbevoegd is om te beslissen op de vragen van het tribunal de commerce de Marseille.
Kosten
16
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
beschikt:
Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is kennelijk onbevoegd om te antwoorden op de door het tribunal de commerce de Marseille bij vonnis van 28 februari 2002 gestelde vragen.
Luxemburg, 22 maart 2002.
De griffier
R. Grass
De president van de Eerste kamer
P.Jann
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy