Zaak C-35/02
Landeszahnärztekammer Hessen
tegen
Markus Vogel
(verzoek van het Bundesverwaltungsgericht om een prejudiciële beslissing)
«Artikel 104, lid 3, van Reglement voor procesvoering – Vrijheid van vestiging – Vrij verrichten van diensten – Richtlijnen 78/686/EEG en 78/687/EEG – Beoefening van tandheelkunde door arts»
Beschikking van het Hof (Vierde kamer) van 17 oktober 2003 I - 0000
Samenvatting van de beschikking
Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Vrij verrichten van diensten – Beoefenaars van tandheelkunde – Coördinatie van nationale bepalingen – Richtlijn 78/687 – Nationale regeling volgens welke artsen tandheelkunde mogen beoefenen zonder door richtlijn vereiste opleiding – Ontoelaatbaarheid – Titel waaronder deze activiteiten worden uitgeoefend – Geen invloed
(Richtlijn 78/687 van de Raad, art. 1, lid 1)Richtlijn 78/687 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, zoals gewijzigd door de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling die artsen die de door artikel 1 van de richtlijn vereiste opleiding in de tandheelkunde niet hebben afgerond, algemene toegang geeft tot de uitoefening van de werkzaamheden van beoefenaar van de tandheelkunde; dit geldt ongeacht de titel waaronder die werkzaamheden worden . punt 38 en dictum
BESCHIKKING VAN HET HOF (Vierde kamer)
17 oktober 2003 (1)
„Artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering – Vrijheid van vestiging – Vrij verrichten van diensten – Richtlijnen 78/686/EEG en 78/687/EEG – Uitoefening van werkzaamheden van beoefenaar der tandheelkunde door arts”
In zaak C-35/02,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Landeszahnärztekammer Hessen
en
Markus Vogel, in tegenwoordigheid van: Landesärtztekammer Hessen, Oberbundesanwalt beim Bundesverwaltungsgericht,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde (PB L 233, blz. 10), zoals gewijzigd door de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB C 241, blz. 21, en PB 1995, L 1, blz. 1),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans (rapporteur), kamerpresident, A. La Pergola en S. von Bahr, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: R. Grass, na de verwijzende rechterlijke instantie ervan in kennis te hebben gesteld dat het Hof voornemens is, overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering te beslissen bij met redenen omklede beschikking, na de in artikel 23 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie bedoelde belanghebbenden te hebben verzocht, hun opmerkingen dienaangaande in te dienen,
de advocaat-generaal gehoord, de navolgende
Beschikking
1 Bij beschikking van 8 november 2001, ingekomen bij het Hof op 12 februari 2002, heeft het Bundesverwaltungsgericht krachtens artikel 234 EG twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde (PB L 233, blz. 10), zoals gewijzigd door de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB C 241, blz. 21, en PB 1995, L 1, blz. 1; hierna: toetredingsakte).
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen de Landeszahnärztekammer Hessen (vereniging van tandartsen in de deelstaat Hessen) en M. Vogel over de afwijzing van zijn verzoek om bij deze vereniging te worden ingeschreven en de titel Zahnarzt te mogen voeren.
Rechtskader
Gemeenschapsrecht
3 Artikel 1, leden 1 en 2, van richtlijn 78/687, zoals gewijzigd bij de toetredingsakte (hierna: richtlijn 78/687) luidt:
1. De lidstaten stellen de toegang tot de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, die worden uitgeoefend onder de in artikel 1 van richtlijn 78/686/EEG bedoelde titels, en de uitoefening ervan afhankelijk van het bezit van een diploma, certificaat of andere titel als bedoeld in artikel 3 van dezelfde richtlijn, waardoor wordt gewaarborgd dat de betrokkene gedurende zijn totale opleidingstijd:
a) voldoende kennis heeft verworven van de wetenschappen waarop de tandheelkunde berust, alsmede een goed inzicht heeft verkregen in de wetenschappelijke methoden en met name de beginselen van de meting van biologische functies, in de beoordeling van wetenschappelijk vastgestelde feiten alsmede in het analyseren van gegevens;
b) voldoende kennis heeft verworven van het gestel, de fysiologie en het gedrag van gezonde en zieke personen, alsmede van de wijze waarop de gezondheidstoestand van de mens wordt beïnvloed door zijn natuurlijke en sociale omgeving; een en ander voorzover dat in relatie staat tot de tandheelkunde;
c) voldoende kennis heeft verworven van structuur en functie van de tanden, de mond, de kaken en de omliggende weefsels, zowel in gezonde als zieke toestand, en de relatie daarvan tot de algemene gezondheidstoestand en het fysiek en sociaal welzijn van de patiënt;
d) voldoende kennis heeft verworven van de klinische studievakken en methoden, die een samenhangend beeld geven van de anomalieën, kwetsuren en ziekten van tanden, mond, kaken en omliggende weefsels, alsmede van de odontologie ter zake van preventie, diagnose en therapie;
e) voldoende klinische ervaring heeft opgedaan onder deskundige leiding .
Deze opleiding moet hem de nodige kundigheden verschaffen voor alle werkzaamheden verband houdende met het voorkomen, de diagnose en de behandeling van afwijkingen en ziekten van tanden, mond, kaken en omliggende weefsels .
2. Deze tandheelkundige opleiding omvat in totaal ten minste vijf studiejaren full-time theoretisch en praktisch onderwijs in de in de bijlage genoemde vakken aan een universiteit, aan een hoger instituut van een als gelijkwaardig erkend niveau of onder toezicht van een universiteit.
4 Artikel 5 van richtlijn 78/687 luidt: De lidstaten dragen er zorg voor dat de beoefenaars der tandheelkunde algemeen toegang hebben tot de werkzaamheden verband houdende met het voorkomen, de diagnose en de behandeling van afwijkingen en ziekten van tanden, mond, kaken en omliggende weefsels, en tevens die werkzaamheden mogen uitoefenen, onder eerbiediging van de reglementaire bepalingen en de voorschriften inzake deontologie die voor het beroep gelden op het tijdstip van kennisgeving van deze richtlijn.De lidstaten die dergelijke bepalingen en voorschriften niet hebben, kunnen de uitoefening van bepaalde, in de eerste alinea bedoelde werkzaamheden nader omschrijven of beperken in een mate die vergelijkbaar is met die welke voorkomt in de overige lidstaten.
5 Richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, zoals gewijzigd bij de toetredingsakte (PB L 233, blz. 1; hierna: richtlijn 78/686) bepaalt in artikel 1: Deze richtlijn is van toepassing op de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde zoals deze zijn omschreven in artikel 5 van richtlijn 78/687/EEG en die worden uitgeoefend onder de volgende titels:
─ in de Bondsrepubliek Duitsland: Zahnarzt,
[...]
6 Artikel 2 van richtlijn 78/686 bepaalt: Elke lidstaat erkent de door de overige lidstaten aan de onderdanen van de lidstaten overeenkomstig artikel 1 van richtlijn 78/687/EEG afgegeven en in artikel 3 van deze richtlijn vermelde diploma's, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde door daaraan, met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hemzelf uitgereikte diploma's, certificaten en andere titels.
7 Artikel 7, lid 1, van richtlijn 78/686 luidt: Elke lidstaat erkent, ten aanzien van onderdanen van de lidstaten welker diploma's, certificaten en andere titels niet beantwoorden aan het geheel der minimumopleidingseisen bedoeld in artikel 1 van richtlijn 78/687/EEG, als genoegzaam bewijs de voor de inwerkingtreding van genoemde richtlijn door die lidstaten afgegeven diploma's, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, indien deze vergezeld gaan van een verklaring waarin wordt bevestigd dat deze onderdanen de bedoelde werkzaamheden gedurende ten minste drie jaren achtereen tijdens de vijf jaren die aan de afgifte van de verklaring voorafgaan daadwerkelijk en op wettige wijze hebben verricht.
Nationaal recht
8 § 1, lid 1, van het Gezetz über die Zahnheilkunde (ZHG) van 31 maart 1952 (BGBl. 1952 I blz. 221) in de versie van 16 april 1987 (BGBl. 1987 I, blz. 1225) bepaalt: Voor de permanente beoefening van de tandheelkunde binnen de werkingssfeer van deze wet is een toelating ( Approbation) als Zahnarzt overeenkomstig deze wet of als Arzt overeenkomstig de federale wetgeving vereist. De toelating geeft het recht de titel van Zahnarzt of Zahnärztin te voeren. Voor de tijdelijke uitoefening van de tandheelkunde is een te allen tijde herroepelijke toelating vereist.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
9 In 1994 rondde Vogel zijn artsenopleiding af. Daarop verkreeg hij zijn toelating als arts en sindsdien is hij als zodanig werkzaam.
10 Begin 2000 wilde hij zich als tandarts vestigen en onder de titel Zahnarzt binnen het gebied van de Landeszahnärztekammer Hessen werken. Bij brief van 15 januari 2000 maakte hij de Landeszahnärztekammer zijn voornemen kenbaar. De vereniging antwoordde dat hij geen lid kon worden en op het bord aan zijn praktijkpand evenmin enige titel van beoefenaar van de tandheelkunde mocht vermelden, daar de titel Zahnarzt is voorbehouden aan hen die een Approbation als tandarts hebben gekregen. Op 28 maart 2000 stelde Vogel bij het bevoegde Verwaltungsgericht beroep in en vorderde voor recht te verklaren dat hij in de deelstaat Hessen de tandheelkunde permanent mag beoefenen en bevoegd is de titel Zahnarzt te voeren.
11 Bij vonnis van 5 april 2001 heeft het Verwaltungsgericht de vordering van Vogel volledig toegewezen. Het overwoog dat het recht van Vogel om als toegelaten arts de tandheelkunde permanent te beoefenen voortvloeit uit § 1, lid 1, ZHG, die een Approbation als tandarts of arts vereist. Het doel van deze wet is niet de toegelaten artsen van dit gebied van de geneeskunde uit te sluiten, maar het dualisme van Zahnärzten en Dentisten (tandheelkundigen zonder academische opleiding) op te heffen. Volgens de richtlijnen 78/686 en 78/687 moet elke lidstaat de onderdanen van andere lidstaten gelijk behandelen als de eigen onderdanen; deze richtlijnen bepalen evenwel niet de voorwaarden waaraan de Bondsrepubliek Duitsland het recht op permanente uitoefening van het beroep van tandarts moet onderwerpen. Tegen deze uitspraak heeft de Landeszahnärztekammer Hessen beroep in Revision bij het Bundesverwaltungsgericht ingesteld.
12 In zijn verwijzingsbeschikking verklaart het Bundesverwaltungsgericht dat het vonnis van het Verwaltungsgericht volledig moet worden bekrachtigd ingeval het geding zuiver naar intern recht wordt beoordeeld. Het betwijfelt evenwel of deze uitlegging van het nationale recht verenigbaar is met richtlijn 78/687 en in het bijzonder artikel 1 ervan, dat duidelijk preciseert welke opleiding een tandarts op het gebied van de tandheelkunde moet hebben doorlopen. Een algemene toegang voor toegelaten artsen tot de beoefening van de tandheelkunde is onverenigbaar met de vereisten van deze richtlijn. Indien het Hof tot de conclusie komt dat § 1, lid 1 ZHG niet met het gemeenschapsrecht verenigbaar is, kan en moet daarmee rekening moet worden gehouden door het nationale recht in overeenstemming met het gemeenschapsrecht uit te leggen.
13 Artikel 1, lid 1, eerste alinea, eerste zin, van richtlijn 78/687, aldus de nationale rechter verder, verwijst evenwel naar de werkzaamheden van de beoefenaar van de tandheelkunde die worden uitgeoefend onder de in artikel 1 van richtlijn 78/686 bedoelde titels. Die bepaling kan aldus worden opgevat dat de lidstaten de uitoefening van de tandheelkunde vrij kunnen toelaten zonder de opleidingseisen van richtlijn 78/687 in acht te nemen, zolang deze activiteit maar niet onder de in artikel 1 van richtlijn 78/686/EEG bedoelde titels, in Duitsland dus onder de titel Zahnarzt, wordt uitgeoefend. De nationale rechter vraagt zich af of deze uitlegging verenigbaar is met de doelstellingen van deze twee richtlijnen. Het arrest van 1 juni 1995, Commissie/Italië (C-40/93, Jurispr. blz. I-1319) neemt zijns inziens niet alle twijfel op dit punt weg, daar het is gewezen in een inbreukprocedure en de gebruikte formuleringen in diverse passages de activiteit van tandarts betreffen, zonder dat duidelijk is welk belang aan de titel dient te worden gehecht.
14 In deze omstandigheden heeft het Bundesverwaltungsgericht wegens twijfel omtrent de uitlegging van de gemeenschapsregels in de voor hem aanhangige zaak en een beslissing hieromtrent noodzakelijk achtend voor de beslechting van het geding, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1. Is het verenigbaar met artikel 1 van richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, dat een nationale regeling artsen algemene toegang geeft tot de permanente beoefening van de tandheelkunde zonder dat zij de door de richtlijn vereiste en uit een desbetreffend diploma blijkende opleiding in de tandheelkunde hebben gevolgd?
2. Hangt het antwoord op deze vraag af van de omstandigheid of de werkzaamheid onder de titel Zahnarzt wordt uitgeoefend?
De prejudiciële vragen
Bij het Hof ingediende opmerkingen
15 Volgens de Landeszahnärztekammer Hessen, de Duitse, de Italiaanse en de Oostenrijkse regering alsook de Commissie bestaat, naar duidelijk blijkt uit de richtlijnen 78/686 en 78/687, geen enkele twijfel aan de rechtssituatie op dit gebied: wie niet het door deze richtlijnen vereiste diploma van tandarts bezit, mag de tandheelkunde in Duitsland niet beoefenen. Anders gezegd, een als Arzt toegelaten arts mag het beroep van Zahnarzt slechts uitoefenen indien hij in het bezit is van het Zeugnis über zahnärzliche Staatsprüfung (getuigschrift betreffende het tandheelkundig staatsexamen) in de zin van artikel 3, sub a, van richtlijn 78/686 en dus de opleiding bedoeld in artikel 1 van richtlijn 78/687 heeft doorlopen.
16 Ter ondersteuning van hun uitlegging herinneren de Landeszahnärztekammer Hessen, de genoemde regeringen en de Commissie eraan dat volgens vaste rechtspraak (zie arresten Commissie/Italië, reeds aangehaald, en 29 november 2001, Commissie/Italië, C-202/99, Jurispr. blz. I-9319) richtlijn 78/687 zich ertegen verzet dat een lidstaat voorziet in een tweede studieprogramma dat toegang geeft tot het beroep van beoefenaar der tandheelkunde, bestaande in een basisartsenopleiding aangevuld met een specialisatie in de tandheelkunde. Indien het beroep van tandarts niet kan worden uitgeoefend door iemand die een artsendiploma bezit en een driejarige specialisatie tandheelkunde heeft gevolgd, dan behoort het huns inziens in het Duitse systeem evenmin te kunnen worden uitgeoefend door een onderdaan die alleen over een artsendiploma beschikt.
17 Volgens Vogel daarentegen zijn de richtlijnen 78/686 en 78/687 niet op hem toepasselijk. Dienaangaande merkt hij met name op dat een richtlijn secundair gemeenschapsrecht is en geen rechtstreeks rechtsgevolg heeft. In casu gaat het om een omgekeerd verticale werking van richtlijnbepalingen. Het Hof heeft beslist dat een lidstaat zich jegens zijn onderdanen niet rechtstreeks op de bepalingen van een richtlijn kan beroepen. Dat betekent dat een richtlijn niet rechtstreeks verplichtingen voor particulieren kan scheppen of hen hun rechten kan ontnemen. Een lidstaat kan zich niet ten nadele van zijn onderdanen beroepen op de niet-omzetting of de gebrekkige omzetting van een richtlijn (zie arresten van 26 februari 1986, Marshall, 152/84, Jurispr. blz. 723, en 8 oktober 1987, Kolpinghuis Nijmegen, 80/86, Jurispr. blz. 3969).
18 Rechtstreekse toepasselijkheid van de richtlijnen 78/686 en 78/687 in Duitsland zou bovendien in strijd zijn met de grondwettelijke transparantieplicht. Wanneer de genoemde richtlijnen werden geacht voorrang op het ZHG te hebben, zou dit ook in strijd zijn met het rechtsstaatbeginsel, het gelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel alsook met het verbod van terugwerkende kracht. De richtlijnen kunnen zonder omzetting in Duits recht niet in Duitsland worden toegepast.
19 Volgens artikel 27 van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels (PB L 165 blz. 1), zoals gewijzigd bij de toetredingsakte (hierna: richtlijn 93/16), behoort de stomatologie (een discipline van de tandheelkunde) bovendien tot de geneeskunde, aldus Vogel. Uit deze richtlijn volgt dus rechtstreeks dat artsen in de Europese Unie de stomatologie, dus de tandheelkunde, mogen beoefenen. Voorts beperken noch richtlijn 93/16, noch de richtlijnen 78/686 en 78/687 het werkterrein van artsen. De richtlijnen 78/686 en 78/687 betreffen alleen de uitoefening van de tandartspraktijk onder de in artikel 1 van richtlijn 78/686 bedoelde titels en verbieden artsen dus niet de tandheelkunde uit te oefenen. Indien het Hof zou beslissen dat alleen tandartsen en niet artsen volgens deze richtlijnen de tandheelkunde mogen beoefenen, zouden deze richtlijnen in strijd zijn met richtlijn 93/16, volgens welke artsen de tandheelkunde mogen beoefenen.
Antwoord van het Hof
20 Met zijn twee vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter te vernemen of richtlijn 78/687 zich verzet tegen een nationale regeling die artsen, zonder de door artikel 1 van de richtlijn vereiste opleiding in de tandheelkunde te hebben afgerond, algemene toegang geeft tot de uitoefening van de werkzaamheden van de beoefenaar van de tandheelkunde, en of het antwoord op deze vraag afhangt van de titel waaronder die werkzaamheden worden uitgeoefend.
21 Aangezien het antwoord op deze vragen duidelijk uit de rechtspraak is af te leiden, heeft het Hof overeenkomstig artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering de verwijzende rechter in kennis gesteld van zijn voornemen, te beslissen bij met redenen omklede beschikking, en de belanghebbenden bedoeld in artikel 23 van het Statuut betreffende het Hof van Justitie verzocht hun eventuele opmerkingen dienaangaande in te dienen.
22 Alleen Vogel heeft opmerkingen bij het Hof ingediend. Zijns inziens is het onjuist dat het Hof de in het hoofdgeding gestelde vragen reeds heeft beantwoord.
23 Dienaangaande stelt hij met name dat de richtlijnen 78/686 en 78/687 alsook de desbetreffende eerdere arresten van het Hof betrekking hebben op het recht om de tandheelkunde onder de titel tandarts te beoefenen en niet, zoals in casu, op het recht om als arts de tandheelkunde te beoefenen. Deze arresten zijn hoe dan ook gewezen geruime tijd nadat hij zijn studie geneeskunde had aangevat, die, waarop hij had vertrouwd, hem de mogelijkheid zou bieden om overeenkomstig § 1, lid 1, ZHG de tandheelkunde te beoefenen; deze arresten kunnen op hem dus niet zonder schending van het beginsel van niet-terugwerkende kracht worden toegepast.
24 Om te beginnen is in artikel 1, lid 1, van richtlijn 78/687 bepaald dat voor de uitoefening van de werkzaamheden van de beoefenaar van de tandheelkunde onder de in artikel 1 van richtlijn 78/686 bedoelde titels het bezit van een diploma, certificaat of andere titel als bedoeld in artikel 3 van deze richtlijn vereist.
25 Alleen de afwijkingen die uitdrukkelijk zijn bepaald in het Verdrag of de relevante richtlijnen, zijn toegestaan (zie arrest van 1 juni 1995, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 23). In zoverre bestaan er drie soorten afwijkingen: in de eerste plaats die bedoeld in artikel 7 van richtlijn 78/686, vervolgens die bedoeld in de artikelen 19,19 bis en 19 ter van deze richtlijn en ten slotte die bedoeld in artikel 1, lid 4, van richtlijn 78/687 (zie arrest van 1 juni 1995, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 21).
26 Artikel 1, lid 4, van richtlijn 78/687 is evenwel uitsluitend van toepassing op de erkenning van in een derde land behaalde diploma's, certificaten of andere titels (zie arrest van 1 juni 1995, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 22). Artikel 7 van richtlijn 78/686 is uitsluitend van toepassing op onderdanen van lidstaten, die in het bezit zijn van diploma's, certificaten of andere titels die vóór de inwerkingtreding van richtlijn 78/687, namelijk vóór 28 januari 1980, door de lidstaten zijn afgegeven. De artikelen 19, 19 bis, en 19 ter van richtlijn 78/686 bevatten enkel overgangsbepalingen voor hen die hun opleiding in de tandheelkunde in Italië, Spanje respectievelijk Oostenrijk hebben afgerond of aangevat onder de regeling die gold vóór de inwerkingtreding van de genoemde richtlijnen in deze lidstaten.
27 § 1, lid 1, ZHG, die artsen zonder de door artikel 1 van richtlijn 78/687 vereiste opleiding in de tandheelkunde na 28 januari 1980 algemene toegang geeft tot de permanente uitoefening van de tandheelkunde, valt dus onder geen van de in punt 25 van de onderhavige beschikking genoemde afwijkingen op deze bepaling.
28 Bovendien staat het de lidstaten niet vrij om een categorie van beoefenaars der tandheelkunde in het leven te roepen, die met geen enkele door de richtlijnen 78/686 en 78/687 voorziene categorie overeenkomt (zie arrest van 1 juni 1995, Commissie/Italië, reeds aangehaald,punt 24, en beschikking van 5 november 2002, Klett, C-204/01, Jurispr. blz. I-10007, punt 33).
29 Krachtens deze uitlegging van de genoemde richtlijnen heeft het Hof geoordeeld dat zelfs degene die in bezit is van het diploma van arts en een driejarige specialisatie tandheelkunde heeft gevolgd, niet de werkzaamheden van de beoefenaar van de tandheelkunde mag uitoefenen (zie voormelde arresten van 1 juni 1995, Commissie/Italië en 29 november 2001, Commissie/Italië, alsook beschikking Klett). Dit moet te meer gelden voor degene die slechts een diploma van arts bezit.
30 Artsen algemene toegang geven tot de permanente beoefening van de tandheelkunde zonder dat zij in het bezit zijn van de door artikel 1 van richtlijn 78/687 vereiste diploma's, certificaten of andere titels bedoeld in artikel 3 van richtlijn 78/687, is dus in strijd met het gemeenschapsrecht.
31 De titel waaronder deze artsen voornemens zijn de werkzaamheden van de beoefenaar van de tandheelkunde uit te oefenen, is in dit opzicht volledig irrelevant. Wanneer Duitse artsen zonder de door artikel 1 van richtlijn 78/687 vereiste opleiding de tandheelkunde onder een andere titel dan Zahnarzt zouden mogen beoefenen, zou namelijk een categorie beoefenaars van de tandheelkunde worden gecreëerd die niet beantwoordt aan een van de categorieën van de richtlijnen 78/686 en 78/687.
32 Vogel stelt evenwel dat richtlijn 93/16 noch de richtlijnen 78/686 en 78/687 het werkterrein van artsen beperken. Indien het Hof zou beslissen dat artsen ingevolge de richtlijnen 78/686 en 78/687 niet de tandheelkunde mogen beoefenen, zouden deze richtlijnen zijns inziens in strijd zijn met richtlijn 93/16, volgens welke artsen bevoegd zijn om de stomatologie, een tak van de tandheelkunde, te beoefenen.
33 Dienaangaande kan worden volstaan met eraan te herinneren dat de richtlijnen 78/686 en 78/687 naar een duidelijke scheiding tussen het beroep van beoefenaar der tandheelkunde en dat van arts streven (zie arrest van 29 november 2001, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 51). Deze richtlijnen zijn namelijk van toepassing op de beoefenaars van de tandheelkunde, terwijl richtlijn 93/16 van toepassing is op artsen en specialisten. Ook al kunnen specialisten volgens artikel 27 van deze richtlijn de stomatologie beoefenen, moeten zij aan de door deze richtlijn gestelde opleidingsvereisten, namelijk ten minste drie jaar specialisatie, hebben voldaan.
34 Vogel stelt voorts, dat de bepalingen van de richtlijnen 78/686 en 78/687 geen toepassing kunnen vinden in het hoofdgeding aangezien de bepalingen van een richtlijn geen rechtstreekse werking jegens particulieren hebben.
35 Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd, dat de uit een richtlijn voortvloeiende verplichting van lidstaten om het daarmee beoogde resultaat te bereiken, alsook de verplichting krachtens artikel 10 EG om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren, voor alle met overheidsgezag beklede instanties in de lidstaten geldt, en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor de rechterlijke instanties (zie inzonderheid arresten van 26 september 1996, Arcaro, C-168/95, Jurispr. blz. I-4705, punt 41, en 11 juli 2002, Marks & Spencer, C-62/00, Jurispr. blz. I-6325, punt 24).
36 Dit brengt mee dat een nationale rechter bij de toepassing van het nationale recht, ongeacht of het om vóór dan wel na de richtlijn vastgestelde bepalingen gaat, dit recht zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, teneinde het ermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 249, derde alinea, EG te voldoen (arresten van 13 november 1990, Marleasing, C-106/89, Jurispr. blz. I-4135, punt 8, en Marks & Spencer, reeds aangehaald, punt 24).
37 In casu heeft het Bundesverwaltungsgericht zelf vastgesteld dat het mogelijk is de betrokken nationale regeling aldus uit te leggen, dat zij alleen van toepassing is op de beoefenaars van de tandheelkunde die het volgens artikel 1 van richtlijn 78/687 vereiste diploma hebben behaald.
38 Uit een en ander volgt dat op de vraag moet worden geantwoord dat richtlijn 78/687 zich verzet tegen een nationale regeling die artsen, zonder de door artikel 1 van de richtlijn vereiste opleiding in de tandheelkunde te hebben afgerond, algemene toegang geeft tot de uitoefening van de werkzaamheden van de beoefenaar van de tandheelkunde; dit geldt ongeacht de titel waaronder die werkzaamheden worden uitgeoefend.
Kosten
39 De kosten en van de Duitse, de Italiaanse en de Oostenrijkse regering alsook van de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesverwaltungsgericht bij beschikking van 8 november 2001 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, zoals gewijzigd door de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, verzet zich tegen een nationale regeling die artsen, zonder de door artikel 1 van de richtlijn vereiste opleiding in de tandheelkunde te hebben afgerond, algemene toegang geeft tot de uitoefening van de werkzaamheden van de beoefenaar van de tandheelkunde; dit geldt ongeacht de titel waaronder die werkzaamheden worden uitgeoefend.
Luxemburg, 17 oktober 2003.
De griffier
De president
R. Grass
V. Skouris
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy