Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Beroep tot nietigverklaring - Beroep krachtens artikel 33 KS - Beroep ingesteld door decentrale overheid - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 33 KS)
2. Beroep tot nietigverklaring - Beroep krachtens artikel 33, tweede alinea, KS - Beperkende voorwaarden voor ontvankelijkheid - Beperking gecompenseerd door soepele interventieregeling
(Art. 33, tweede alinea, KS; Statuut-EGKS van het Hof van Justitie, art. 34)
3. Beroep tot nietigverklaring - Beroep krachtens artikel 33, tweede alinea, KS - Uitlegging contra legem van voorwaarde dat verzoekende partij procesbevoegdheid moet hebben - Ontoelaatbaarheid
(Art. 33, tweede alinea, KS)
Samenvatting
$$1. Artikel 33 KS geeft een limitatieve opsomming van de rechtssubjecten die bevoegd zijn om een beroep tot nietigverklaring in te stellen, en maakt daarbij geen melding van de decentrale overheden, die dus geen geldig beroep tot nietigverklaring kunnen instellen.
( cf. punt 27 )
2. De beperkende ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 33, tweede alinea, KS worden gecompenseerd door een soepele interventieregeling. Op grond van artikel 34 van het Statuut-EGKS van het Hof van Justitie mogen alle natuurlijke en rechtspersonen, dus ook decentrale overheden, die kunnen bewijzen dat zij belang hebben bij het geding, tussenkomen in een beroep tot nietigverklaring dat door een lidstaat tegen een op het EGKS-Verdrag gebaseerde beschikking is ingesteld.
( cf. punt 32 )
3. Hoewel de voorwaarden voor het instellen van een beroep bij de gemeenschapsrechter moeten worden uitgelegd in het licht van het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming, kan een dergelijke uitlegging niet leiden tot het negeren van een in het EGKS-Verdrag uitdrukkelijk vastgelegde voorwaarde, zoals de voorwaarde dat de verzoekende partij procesbevoegdheid moet hebben ingevolge artikel 33, tweede alinea, KS; anders worden de door dit Verdrag aan de gemeenschapsrechter toegekende bevoegdheden overschreden.
( cf. punt 34 )
Partijen
In zaak C-75/02 P,
Territorio Histórico de Álava - Diputación Foral de Álava,
Territorio Histórico de Bizkaia - Diputación Foral de Bizkaia,
Territorio Histórico de Gipuzkoa - Diputación Foral de Gipuzkoa y Juntas Generales de Gipuzkoa
en
Comunidad Autónoma del País Vasco - Gobierno Vasco, vertegenwoordigd door R. Falcón y Tella, abogado,
rekwiranten,
betreffende hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer - uitgebreid) van 11 januari 2002, Diputación Foral de Álava e.a./Commissie (T-77/01, Jurispr. 2002, blz. II-81), waarmee het Gerecht het door rekwiranten ingestelde beroep tot nietigverklaring van beschikking 2001/168/EGKS van de Commissie van 31 oktober 2000 betreffende de Spaanse wetgeving inzake de vennootschapsbelasting (PB 2001, L 60, blz. 57) niet-ontvankelijk heeft verklaard, en strekkende tot vernietiging van deze beschikking van het Gerecht,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Rozet en J. L. Buendía Sierra als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet (rapporteur), kamerpresident, C. Gulmann, F. Macken, N. Colneric en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 6 maart 2002, hebben Territorio Histórico de Álava - Diputación Foral de Álava, Territorio Histórico de Bizkaia - Diputación Foral de Bizkaia, Territorio Histórico de Gipuzkoa - Diputación Foral de Gipuzkoa y Juntas Generales de Gipuzkoa en Comunidad Autónoma del País Vasco - Gobierno Vasco, krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EGKS en artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld, strekkende tot vernietiging van de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 11 januari 2002, Diputación Foral de Álava e.a./Commissie (T-77/01, Jurispr. blz. II-81, hierna: bestreden beschikking"), waarmee dit hun beroep tot nietigverklaring van beschikking 2001/168/EGKS van de Commissie van 31 oktober 2000 betreffende de Spaanse wetgeving inzake de vennootschapsbelasting (PB 2001, L 60, blz. 57, hierna: litigieuze beschikking"), niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Wettelijk kader
2 Artikel 230, vierde alinea, EG luidt:
Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder dezelfde voorwaarden beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken."
3 Artikel 33, eerste en tweede alinea, KS luidt:
Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen op elk door een deelnemende staat of de Raad ingestelde beroep tot nietigverklaring van beschikkingen en aanbevelingen van de Commissie op grond van onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van het Verdrag of van enige uitvoeringsregeling daarvan dan wel van misbruik van bevoegdheid. Het onderzoek door het Hof van Justitie kan echter geen betrekking hebben op een beoordeling van de toestand die voortvloeit uit economische feiten of omstandigheden, met het oog op welke toestand de beschikkingen zijn gegeven of de aanbevelingen zijn gedaan, tenzij de Commissie het verwijt wordt gemaakt, dat zij haar bevoegdheden heeft misbruikt over de bepalingen van het Verdrag of enige op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregel klaarblijkelijk heeft miskend.
Voor de ondernemingen en verenigingen, bedoeld in artikel 48, staat onder dezelfde voorwaarden beroep open tegen de hen individueel betreffende beschikkingen en aanbevelingen of tegen algemene beschikkingen en aanbevelingen, die volgens hun mening te hunnen opzichte misbruik van bevoegdheid inhouden."
De feiten
4 De Territorios Históricos Álava, Bizkaia en Gipuzkoa, die op fiscaal gebied over autonome bevoegdheden beschikken, hebben de in artikel 34 van wet nr. 43/1995 van 27 december 1995 inzake de vennootschapsbelasting (BOE nr. 310 van 28 december 1995), bedoelde belastingaftrek voor exportactiviteiten in hun belastingwetgevingen overgenomen. In het Territorio Histórico de Álava gaat het om artikel 43 van Norma Foral nr. 24/1996 van 5 juli 1996 (Boletín Oficial del Territorio Histórico de Álava nr. 90 van 9 augustus 1996), in het Territorio Histórico de Bizkaia om artikel 43 van Norma Foral nr. 3/1996 van 26 juni 1996 (Boletín Oficial de Bizkaia nr. 135 van 11 juli 1996), en in het Territorio Histórico de Gipuzkoa om artikel 43 van Norma Foral nr. 7/1996 van 4 juli 1996 (Boletín Oficial de Gipuzkoa nr. 138 van 17 juli 1996).
5 Bij brief van 7 augustus 1997 stelde de Commissie, van oordeel dat deze aftrek de plaatselijke staalbedrijven bevoordeelde, de Spaanse regering in kennis van haar beslissing om de procedure van artikel 6, lid 5, van beschikking nr 2496/96/EGKS van de Commissie van 18 december 1996 houdende communautaire regels voor steun aan de ijzer- en staalindustrie (PB L 338, blz. 42) in te leiden.
6 Op 31 oktober 2000 gaf de Commissie de litigieuze beschikking, waarvan het dispositief luidt als volgt:
Artikel 1
Alle steun die door Spanje op grond van:
a) artikel 34 van wet 43/1995 van 27 december 1995 inzake de vennootschapsbelasting;
b) artikel 43 van Norma Foral 3/96 van 26 juni 1996 inzake de vennootschapsbelasting, door de Diputación Foral de Bizkaia goedgekeurd;
c) artikel 43 van Norma Foral 7/1996 van 4 juli 1996 inzake de vennootschapsbelasting, door de Diputación Foral de Gipuzkoa goedgekeurd; of
d) artikel 43 van Norma Foral 24/1996 van 5 juli 1996 inzake de vennootschapsbelasting, door de Diputación Foral de Álava goedgekeurd,
is verleend aan in Spanje gevestigde EGKS-staalbedrijven is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal.
Artikel 2
Spanje treft onverwijld de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat in Spanje gevestigde EGKS-staalbedrijven niet de in artikel 1 genoemde steun ontvangen.
[...]"
7 Bij op 30 maart 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift stelden verzoekers een beroep tot nietigverklaring van de bestreden beschikking van de Commissie in.
8 Bij op 2 juli 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, met als motivering dat verzoekers, die decentrale overheden zijn, niet de procesbevoegdheid hadden om de gemeenschapsrechter om nietigverklaring van de litigieuze beschikking te verzoeken.
9 Tegelijkertijd stelde het Koninkrijk Spanje bij op 29 december 2000 onder nummer C-501/00 ter griffie van het Gerecht ingeschreven verzoekschrift bij het Hof beroep in tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking. In laatstgenoemde zaak heeft de president van het Hof bij beschikking van 13 juni 2001 rekwiranten in de onderhavige zaak toegelaten tot interventie in het geschil ter ondersteuning van het Koninkrijk Spanje.
De bestreden beschikking
10 Met de bestreden beschikking heeft het Gerecht de conclusies van de Commissie toegewezen. Het heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard en de verzoekers in de kosten van het beroep verwezen.
11 Ter inleiding verklaarde het Gerecht in punt 21 van de bestreden beschikking dat de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring van een beschikking op basis van het EGKS-Verdrag, uitsluitend moest worden beoordeeld in het licht van de bepalingen van dat Verdrag.
12 Het Gerecht oordeelde namelijk in punt 22 van de bestreden beschikking dat de vraag of de betwiste belastingmaatregelen binnen de werkingssfeer van het EGKS-Verdrag vielen hoewel zij onder dezelfde voorwaarden voor zowel staalondernemingen als andere ondernemingen golden, dan wel of de Commissie met de bestreden beschikking, misbruik van haar bevoegdheid had gemaakt, de zaak ten gronde betrof en geenszins rechtvaardigde dat de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring van een op het EGKS-Verdrag gebaseerde beschikking aan de bepalingen van artikel 230 EG werd getoetst.
13 In de eerste plaats herinnerde het Gerecht er in de punten 23 tot en met 27 van de bestreden beschikking aan dat de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring van een op het EGKS-Verdrag gebaseerde beschikking valt onder artikel 33 KS, waarvan de eerste alinea de lidstaten en de Raad, en niet de decentrale overheden, de bevoegdheid verleent om beroep in te stellen bij de gemeenschapsrechter. Het Gerecht wees erop dat het Hof deze regel strikt toepast (beschikkingen van 21 maart 1997, Waals Gewest/Commissie, C-95/97, Jurispr. blz. I-1787, punt 6, en 1 oktober 1997, Regione Toscana/Commissie, C-180/97, Jurispr. blz. I-5245, punt 6).
14 Ook verklaarde het Gerecht - in de punten 28 tot en met 31 van de bestreden beschikking - dat artikel 33, tweede alinea, KS de bevoegdheid om een beroep tot nietigverklaring in te stellen, afgezien van de in de eerste alinea genoemde partijen, slechts verleent aan ondernemingen en ondernemersverenigingen. Het wees op de rechtspraak van het Hof, inhoudende dat artikel 33 KS strikt moet worden uitgelegd (arrest van 11 juli 1984, Gemeente Differdange e.a./Commissie, C-222/83, Jurispr. blz. 2889, punt 8).
15 In de tweede plaats stelde het Gerecht, in de punten 32 tot en met 34 van de bestreden beschikking, dat de verzoekers niets hadden aangevoerd waaruit bleek dat het beroep ontvankelijk moest worden verklaard om de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht of het in het EGKS-Verdrag neergelegde institutionele evenwicht te waarborgen.
16 In de laatste plaats verwierp het Gerecht in de punten 35 tot en met 39 van de bestreden beschikking het argument van de verzoekers, ontleend aan het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming. Het verklaarde namelijk dat artikel 33 KS weliswaar restrictiever is dan artikel 230 EG, maar dat daar tegenover staat dat de interventiemogelijkheden in beroepen op basis van het EGKS-Verdrag soepeler zijn dan bij beroepen op basis van het EG-Verdrag. Het wees er in dit verband op dat de verzoekers waren toegelaten tot interventie in het in zaak C-501/00 door Spanje tegen de bestreden beschikking ingestelde beroep.
De hogere voorziening
17 Met hun hogere voorziening, die zij op drie middelen baseren, concluderen de rekwiranten dat het het Hof behage:
- de bestreden beschikking van het Gerecht te vernietigen en het bij het Gerecht ingestelde beroep ontvankelijk te verklaren;
- het beroep terug te verwijzen naar het Gerecht en dit te gelasten uitspraak ten gronde te doen, onverminderd zijn beslissing inzake de mogelijkheid om de procedure op te schorten tot de uitspraak van het Hof in de zaak Spanje/Commissie (C-501/00);
- de Commissie in de kosten van deze hogere voorziening en van de procedure in eerste aanleg te verwijzen.
18 De Commissie verzoekt het Hof, het beroep ongegrond te verklaren en de rekwiranten in de kosten te verwijzen.
19 Op grond van artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer de hogere voorziening geheel of gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, dit op ieder moment bij met redenen omklede beschikking geheel of gedeeltelijk afwijzen, zonder de mondelinge procedure in te leiden.
Het eerste middel
20 Met hun eerste middel betogen rekwiranten dat het Gerecht, alvorens hun het recht te ontzeggen om beroep in te stellen krachtens artikel 230 EG, had moeten nagaan of de bestreden beschikking van de Commissie, zoals zij stelden, op het EG-Verdrag en niet op het EGKS-Verdrag had moeten worden gebaseerd. Indien de redenering van het Gerecht in de punten 20 en 21 van de bestreden beschikking zou worden aanvaard, had de Commissie naar hun mening, om te voorkomen dat enige decentrale overheid een beroep tegen een van haar beschikkingen zou instellen, ermee kunnen volstaan deze te baseren op het EGKS-Verdrag hoewel zij op het EG-Verdrag had moeten worden gebaseerd.
21 Gesteld dat de redenering van rekwiranten juist is, blijkt duidelijk uit de bestreden beschikking dat deze slechts betrekking heeft op de door rekwiranten toegekende steun aan in Spanje gevestigde EGKS-staalbedrijven". Daarom kan deze beschikking slechts een rechtsgrondslag in het EGKS-Verdrag hebben en kan de ontvankelijkheid van het hiertegen ingestelde beroep slechts worden getoetst aan dat Verdrag, met name aan artikel 33 ervan.
22 Daarom is het middel, inhoudende dat het Gerecht ten onrechte heeft geweigerd de ontvankelijkheid van het beroep aan artikel 230 EG te toetsen, kennelijk ongegrond.
Het tweede middel
23 Met hun tweede middel stellen rekwiranten dat een letterlijke uitlegging van artikel 33 KS, en met name de tweede alinea ervan, niet aanvaardbaar is. Naar hun mening moet de context van dit artikel in aanmerking worden genomen.
24 Artikel 33 KS moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van het EG-Verdrag en het EGKS-Verdrag, en met name artikel 230, vierde alinea, EG. Dit laatste verleent procesbevoegdheid aan een ieder die rechtstreeks en individueel wordt geraakt door rechtshandelingen die niet tot hem zijn gericht. De beperkingen van artikel 33, tweede alinea, KS zijn volgens rekwiranten slechts een gevolg van het feit dat de auteurs van het EGKS-Verdrag niet hadden voorzien dat andere personen dan kolen- of staalproducerende ondernemingen door een op dit Verdrag gebaseerde rechtshandeling konden worden geraakt.
25 Rekwiranten betogen eveneens dat de term ondernemingen" in artikel 33, tweede alinea, KS niet letterlijk moet worden uitgelegd omdat het eerder een economisch dan een juridisch begrip betreft. Zij stellen dus voor, deze term op te vatten in de zin van natuurlijke of rechtspersoon die een ondernemingsactiviteit verricht of zich in een vergelijkbare situatie bevindt". De regionale of territoriale autoriteiten die een maatregel hebben vastgesteld die door een beschikking van de Commissie als steun is aangemerkt, bevinden zich volgens verzoekers in een soortgelijke situatie als de ontvanger, en hebben daarom procesbevoegdheid, aangezien zij door genoemde beschikking rechtstreeks en individueel worden geraakt.
26 De Commissie repliceert dat uit een vergelijking van de artikelen 33, tweede alinea, KS en 230, vierde alinea, EG ondubbelzinnig blijkt dat de procesbevoegdheid bij een beroep tot nietigverklaring in deze bepalingen verschillend is geregeld. Daarom kan de door de ene bepaling ingestelde regeling niet onder het voorwendsel van een dynamische uitlegging op de andere worden toegepast.
27 Anders dan rekwiranten beweren, is er geen reden om een afwijking van de tekst van artikel 33, tweede alinea, KS toe te staan. Men kan er immers redelijkerwijze van uitgaan dat de opstellers van het op 25 maart 1957 te Rome ondertekende Verdrag op de hoogte waren van het EGKS-Verdrag dat zes jaar eerder was vastgesteld, en met name van de inhoud en strekking van artikel 33 KS, en dat zij aan de bepalingen van artikel 173 EEG-Verdrag (dat, na wijziging, artikel 173 EG-Verdrag, en vervolgens, na wijziging, artikel 230 EG is geworden) bewust een andere strekking hebben gegeven. Volgens vaste rechtspraak van het Hof bevat artikel 33 KS een limitatieve opsomming van de rechtssubjecten die bevoegd zijn om een beroep tot nietigverklaring in te stellen (arrest Gemeente Differdange e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 8).
28 Daarom is het middel, ontleend aan een onjuiste uitlegging van artikel 33, tweede alinea, KS kennelijk ongegrond.
Het derde middel
29 Met hun derde middel stellen rekwiranten dat hun beroep in elk geval ontvankelijk had moeten worden verklaard op grond van het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming. Zij betogen dat de toelating tot interventie in een door een lidstaat ingesteld beroep niet voldoet aan de vereisten van dit beginsel, aangezien de staat kan beslissen om geen beroep in te stellen of, indien hij het instelt, om niet de argumenten aan te voeren die de regionale autoriteit relevant acht, of om afstand van geding te doen.
30 Zij stellen eveneens dat het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming, weliswaar niet impliceert dat aan eenieder in alle gevallen het recht wordt toegekend om beroep in te stellen bij het Gerecht, maar wel vereist dat er een doeltreffend beroepsmechanisme wordt ingesteld, zelfs intern. In het onderhavige geval beschikken de rekwiranten evenmin over een dergelijke beroepsmogelijkheid.
31 De Commissie stelt dat artikel 33, tweede alinea, KS de decentrale overheid geen rechtstreekse beroepsmogelijkheid tegen de beslissingen van de Commissie op basis van het EGKS-Verdrag biedt, maar dat zij daarom nog niet van iedere rechterlijke bescherming zijn verstoken. Zij betoogt dat er juist in Spanje interne coördinatiemechanismen bestaan waardoor de regionale autoriteiten bij verschillen van mening met de centrale overheid hun standpunt geldend kunnen maken.
32 Het Gerecht heeft in zijn bestreden beschikking terecht verklaard dat de uit artikel 33, tweede alinea, KS voortvloeiende beperkingen worden gecompenseerd door een soepele interventieregeling. Op grond van artikel 34 van 's Hofs Statuut-EGKS mogen alle natuurlijke en rechtspersonen, dus ook decentrale overheden, die kunnen bewijzen dat zij belang bij het geschil hebben, tussenkomen in een beroep tot nietigverklaring dat door een lidstaat tegen een op het EGKS-Verdrag gebaseerde beschikking wordt ingesteld. Zoals het Gerecht heeft vastgesteld, zijn de rekwiranten overigens toegelaten als interveniënten in het onder zaaknummer C-501/00 door het Koninkrijk Spanje bij het Hof ingestelde beroep tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking.
33 Anders dan rekwiranten beweren, heeft deze procedure hun in het onderhavige geval een doeltreffende rechterlijke bescherming kunnen bieden.
34 Bovendien moeten de voorwaarden voor het instellen van een beroep bij de gemeenschapsrechter weliswaar worden uitgelegd in het licht van het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming, maar een dergelijke uitlegging kan niet leiden tot het negeren van een in het EGKS-Verdrag uitdrukkelijk vastgelegde voorwaarde, zonder dat de door dit Verdrag aan de gemeenschapsrechter toegekende bevoegdheden worden overschreden (zie in deze zin arrest van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C-50/00 P, Jurispr. blz. I-6677, punt 44).
35 Uit een en ander volgt dat het middel, ontleend aan schending door het Gerecht van het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming, kennelijk ongegrond is.
36 Derhalve moet het beroep kennelijk ongegrond worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
37 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie heeft geconcludeerd tot verwijzing van rekwiranten in de kosten en deze laatsten in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer)
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Territorio Histórico de Álava - Diputación Foral de Álava, Territorio Histórico de Bizkaia - Diputación Foral de Bizkaia, Territorio Histórico de Gipuzkoa - Diputación Foral de Gipuzkoa y Juntas Generales de Gipuzkoa, Comunidad autónoma del País Vasco, - Gobierno Vasco, worden in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy