Zaak C-204/02 P
Colin Joynson
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
Hogere voorziening ? Overeenkomsten ? Standaardhuurovereenkomsten voor drankgelegenheden ? Hogere voorziening die kennelijk niet-ontvankelijk en kennelijk ongegrond is”
Beschikking van het Hof (Derde kamer) van 10 december 2003
Samenvatting van de beschikking
1. Hogere voorziening ? Middelen ? Verkeerde beoordeling van feiten ? Niet-ontvankelijkheid ? Afwijzing
(Art. 225 EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea)
2. Hogere voorziening ? Middelen ? Middel voor het eerst aangevoerd in hogere voorziening ? Niet-ontvankelijkheid
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 113, lid 2)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Derde kamer)
10 december 2003 (1)
„Hogere voorziening – Overeenkomsten – Standaardhuurovereenkomsten voor drankgelegenheden – Hogere voorziening die kennelijk niet-ontvankelijk en kennelijk ongegrond is”
In zaak C-204/02 P,
Colin Joynson, wonende te Manchester (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door S. Ferdinand, solicitor,
rekwirant,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer) van 21 maart 2002, Joynson/Commissie (T-231/99, Jurispr. blz. II-2085), en strekkende tot vernietiging van dit arrest,
andere partijen bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Wiedner als gemachtigde, bijgestaan door N. Khan, barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,verweerster in eerste aanleg,
Six Continents plc, voorheen Bass plc, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door J. Block en J. Baxter, solicitors, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann (rapporteur), waarnemend voor de kamerpresident, J. N. Cunha Rodrigues en J.-P. Puissochet, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord, de navolgende
Beschikking
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 mei 2002, heeft Joynson krachtens artikel 49 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 21 maart 2002, Joynson/Commissie (T-231/99, Jurispr. blz. II-2085; hierna: bestreden arrest), waarbij het Gerecht zijn beroep heeft verworpen, dat strekte tot nietigverklaring van beschikking 1999/473/EG van de Commissie van 16 juni 1999 inzake een procedure op grond van artikel 81 EG (zaak IV/36.081/F3 ─ Bass, PB L 186, blz. 1; hierna: bestreden beschikking) waarbij een individuele vrijstelling voor bepaalde tijd is verleend voor de door Six Continents plc, voorheen Bass plc (hierna: Bass), aan huurders van haar drankgelegenheden voorgelegde standaardhuurovereenkomsten alsook voor de exclusieve afnameverplichting en het concurrentieverbod ( beer-tie) die zij bevatten.
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
2 De aan het geding ten grondslag liggende feiten worden in de punten 1 tot en met 13 van het bestreden arrest weergegeven als volgt:
1 Bass PLC (hierna: Bass) is een naamloze vennootschap die genoteerd staat aan de Londense effectenbeurs. Het Bass-concern is een internationaal concern dat actief is in de sectoren hotelwezen en vrijetijdsbesteding en zich bezighoudt met de productie van dranken, met name bier, in Europa, de Verenigde Staten en elders in de wereld.
2 In juni 1996 bezat het Bass-concern ongeveer 4 182 drankgelegenheden in het Verenigd Koninkrijk, waarvan er 2 736 werden geëxploiteerd door een werknemer van het concern en 1 446 aan exploitanten werden verhuurd.[...]
3 In de loop van het jaar 1998 heeft het Bass-concern het grootste deel van haar verhuurde drankgelegenheden verkocht, zodat het er thans nog slechts een twintigtal in eigendom heeft.
4 De contractuele betrekkingen tussen het Bass-concern en de meerderheid van zijn huurders werden geregeld door standaardhuurovereenkomsten, waarbij een van de ondernemingen van Bass een zaak met drankvergunning alsook de pubinrichting met toebehoren ter beschikking met het oog op de exploitatie als drankgelegenheid van de gebonden exploitant stelt, in ruil waarvoor hij huur betaalt en zich ertoe verbindt de in de overeenkomst vermelde bieren van Bass of van een door deze aangewezen leverancier af te nemen.
5 Het standaardhuurcontract bevatte dus een exclusieve afnameverplichting en een concurrentieverbod.
6 Op grond van de exclusieve afnameverplichting was de gebonden exploitant verplicht de in het contract gespecificeerde bieren exclusief te betrekken bij zijn contractpartij of een door deze aangewezen persoon, met de mogelijkheid echter om één bier af te nemen van een andere brouwer op grond van een bepaling van de nationale regelgeving, de zogeheten Guest Beer Provision (gastbierclausule).
7 Op grond van het concurrentieverbod mocht de gebonden exploitant bier dat van hetzelfde type was als een gespecificeerd bier maar niet door de contractpartij of een door deze aangewezen persoon werd geleverd, of ander bier niet in de drankgelegenheid verkopen of voor verkoop uitstallen dan wel in de drankgelegenheid brengen om het aldaar te verkopen, tenzij het bier verpakt was in flessen, blikken of andere kleine recipiënten, dan wel het om bier ging waarvan de verkoop in die vorm gebruikelijk was of noodzakelijk om tegemoet te komen aan een voldoende vraag van de bezoekers van de pub.
8 In februari 1995 is het Office of Fair Trading (hierna: OFT) op verzoek van de Commissie een onderzoek naar het groothandelsprijsbeleid van de brouwerijen in het Verenigd Koninkrijk gestart. Naar aanleiding van dit onderzoek, dat ook betrekking had op Bass, heeft het OFT in mei 1995 een verslag uitgebracht, getiteld Onderzoek naar het groothandelsprijsbeleid van de brouwerijen. Op 16 mei 1995 heeft het OFT hierover een persbericht doen uitgaan.
9 Op 11 juni 1996 hebben Bass Holdings Ltd en The Bass Lease Company Ltd, beide volledige dochterondernemingen van Bass, overeenkomstig artikel 4 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81] en [82] van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204), een standaardhuurovereenkomst aangemeld voor een drankgelegenheid met vergunning voor de verkoop van alcoholische drank ter plaatse in Engeland en Wales. Zij hebben daarbij verzocht om een negatieve verklaring dan wel een bevestiging van de Commissie dat de huurovereenkomsten onder de toepassing vielen van verordening (EEG) nr. 1984/83 van de Commissie van 22 juni 1983 betreffende de toepassing van artikel [81], lid 3, van het Verdrag op groepen exclusieve afnameovereenkomsten (PB L 173, blz. 5), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1582/97 van de Commissie van 30 juli 1997 (PB L 214, blz. 27), dan wel dat zij in aanmerking kwamen voor een individuele vrijstelling uit hoofde van artikel 81, lid 3, EG, met terugwerkende kracht tot de datum van sluiting van de overeenkomsten. Titel II van verordening nr. 1984/83 bevat specifieke voorschriften betreffende bierleveringsovereenkomsten.
10 [...]
11 [...]
12 [...] (D)e Commissie [heeft de] bestreden beschikking vastgesteld. Volgens de Commissie valt het aangemelde standaardhuurcontract onder artikel 81, lid 1, EG, doch zij heeft deze bepaling overeenkomstig artikel 81, lid 3, EG buiten toepassing verklaard voor de periode van 1 maart 1991 tot en met 31 december 2002.
13 C. Joynson heeft sinds juli 1992 op grond van een standaardhuurcontract een drankgelegenheid te Bolton (Verenigd Koninkrijk) geëxploiteerd, die eigendom is van Bass Holdings. Het contract is beëindigd toen laatstgenoemde onderneming de drankgelegenheid in februari 1998 verkocht. [...]
Het bestreden arrest
3 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 oktober 1999, heeft Joynson het Gerecht verzocht de litigieuze beschikking nietig te verklaren.
4 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht zijn beroep verworpen.
5 Om te beginnen heeft het Gerecht eraan herinnerd dat de toetsing door de gemeenschapsrechter van ingewikkelde economische beoordelingen door de Commissie in het kader van de haar bij artikel 81, lid 3, EG toegekende beoordelingsmarge met betrekking tot elk van de daarin vervatte vier voorwaarden, beperkt is tot de vraag of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de motivering afdoende is, of de feiten juist zijn weergegeven en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling dan wel van misbruik van bevoegdheid.
6 Volgens het Gerecht had de Commissie geen kennelijke fout gemaakt bij de beoordeling van de winstgevendheid van de aan Bass gebonden drankgelegenheden en bij de berekening van het prijsverschil, het huurvoordeel en de compenserende voordelen.
7 Met name achtte het niet bewezen dat de Commissie een onjuiste maatstaf had toegepast door de winstgevendheid van de aan Bass gebonden drankgelegenheden te toetsen aan de gevolgen van een eventuele door Bass opgelegde prijsdiscriminatie en aan de voordelen die een dergelijke discriminatie konden compenseren.
8 Het Gerecht achtte evenmin bewezen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt door niet het verschil te bepalen tussen de gemiddelde prijs voor bier op de vrije markt in het algemeen en de prijs van het bier dat Bass aan zijn gebonden exploitanten verkoopt, en door andere dan individuele ongebonden exploitanten buiten de voor de berekening van dit prijsverschil gekozen referentiegroep te houden.
9 Voorts, aldus het Gerecht, waren er geen kennelijke vergissingen in de berekening van het huurvoordeel door de Commissie, in haar beoordeling van het door rekwirant overgelegde bewijsmateriaal en in de wijze waarop zij de compenserende voordelen had beoordeeld.
De hogere voorziening
10 In zijn hogere voorziening, gebaseerd op acht middelen, verzoekt Joynson het Hof het bestreden arrest te vernietigen en het in eerste aanleg gevorderde toe te wijzen. Subsidiair verzoekt hij de zaak naar het Gerecht te verwijzen en in elk geval de Commissie in de kosten te veroordelen.
11 De Commissie verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen en Joynson in de kosten te veroordelen.
12 Bass verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen en in voorkomend geval vast te stellen dat het met verordening nr. 1984/83 verenigbaar is in een huurovereenkomst verplichtingen per type bier op te leggen, alsook Joynson te verwijzen in de kosten.
13 Krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, deze op ieder moment bij met redenen omklede beschikking afwijzen.
Het eerste middel
14 Volgens Joynson's eerste middel heeft het Gerecht het recht geschonden door zijn stelling af te wijzen, dat de Commissie bij de beoordeling of het systeem van gebonden huurovereenkomsten bijdroeg tot de verbetering van de verdeling in de zin van artikel 81, lid 3, EG had moeten nagaan of dit systeem de winstgevendheid van de gebonden exploitanten niet verminderde ten opzichte van hun concurrenten, ongeacht de ongunstige gevolgen van het prijsverschil bij de bierbevoorrading, waartoe de door Bass aan haar gebonden exploitanten berekende tarieven in vergelijking met de leveringsvoorwaarden voor de concurrenten leidden.
15 Met betrekking tot de relevantie van de door rekwirant opgeworpen vraag over de invloed van het systeem van de standaardhuurcontracten van Bass op de winstgevendheid van de aan deze brouwerij gebonden exploitanten blijkt niet dat het Gerecht het recht zou hebben geschonden door de beoordeling van de Commissie op dit punt goed te keuren.
16 Het eerste middel moet dus als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
Het tweede middel
17 Het tweede middel van Joynson stelt in wezen dat het Gerecht zich in punt 58 van het bestreden arrest heeft vergist door te oordelen dat gelet op de bijzonderheden van de Britse markt voor bierverkoop in drankgelegenheden, het feit dat het concurrentieverbod biersoorten en niet biermerken of -benamingen betreft, niet verbiedt om voor de betrokken overeenkomsten vrijstelling te verlenen op basis van dezelfde soort overwegingen als waarop bierdistributieovereenkomsten krachtens verordening nr. 1984/83 zijn vrijgesteld.
18 Dit middel richt zich tegen de economische beoordeling van de feiten door de Commissie in punt 171 van de litigieuze beschikking, die het Gerecht heeft bevestigd. Volgens artikel 225 EG en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie kan de hogere voorziening alleen rechtsvragen betreffen en moet zij zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, tenzij uit het hem voorgelegde dossier zou blijken dat zijn vaststellingen materieel onjuist zijn, en om die feiten te beoordelen
19 Het tweede middel moet dus kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het derde middel
20 Volgens Joynson's derde middel heeft het Gerecht in punt 62 van het bestreden arrest het recht geschonden door verordening nr. 1984/83 aldus uit te leggen dat exclusieve bierafnameovereenkomsten die niet aan alle daarin gestelde vereisten voldoen, kunnen worden vermoed geen zodanige vermindering van de winstgevendheid van de gebonden exploitanten tot gevolg te hebben, dat afbreuk wordt gedaan aan de verbetering van de distributie, die daaruit zou kunnen voortvloeien.
21 Dit middel is slechts een uitwerking van het eerste middel en moet om dezelfde reden als genoemd in punt 15 van de onderhavige beschikking kennelijk ongegrond worden verklaard.
Het vierde middel
22 Volgens Joynson's vierde middel heeft het Gerecht nog op een ander punt het recht geschonden. Anders dan uit de punten 59 en 61 van het bestreden arrest voortvloeit, mag een onderzoek van de mogelijkheid om krachtens artikel 81, lid 3, EG een individuele vrijstelling voor een bierleveringscontract te verlenen niet beperkt blijven tot toepassing van het door verordening nr. 1984/83 geboden toetsingskader.
23 Het Gerecht heeft zich evenwel niet beperkt tot het onderzoek of de Commissie het door verordening nr. 1984/83 geboden toetsingskader had toegepast. In de punten 63 tot en met 66 van het bestreden arrest heeft het Gerecht namelijk vastgesteld dat de Commissie ook de factoren had geanalyseerd die inherent zijn aan de Britse biermarkt, en heeft het deze analyse goedgekeurd.
24 Het vierde middel mist derhalve feitelijke grondslag en is dus kennelijk ongegrond.
Het vijfde middel
25 Volgens Joynson heeft het Gerecht ook in de punten 74, 75 en 78 tot en met 80 van het bestreden arrest het recht geschonden door niet de uitlegging te verwerpen die de Commissie bij de beoordeling van de voorgelegde feiten heeft gegeven aan artikel 14, sub c, punt 2, van verordening nr. 1984/83. Aan de voorwaarde van artikel 81, lid 3, EG betreffende de bijdrage tot de verbetering van de distributie is namelijk niet voldaan, wanneer een exclusieve bierleveringsovereenkomst om structurele redenen de mogelijkheid van een aan een brouwer gebonden wederverkoper vermindert om op gelijke voet te concurreren met concurrenten die tot dezelfde distributiefase behoren. In casu kunnen het prijsverschil en de voor de meting van dit verschil gebruikte referentiegroep niet de enige in aanmerking te nemen factoren zijn.
26 Dit middel komt in wezen overeen met het eerste middel in hogere voorziening en moet dus om dezelfde reden als genoemd in punt 15 van de onderhavige beschikking kennelijk ongegrond worden verklaard.
Het zesde middel
27 Het zesde middel klaagt dat het Gerecht in de punten 98, 103 en 146 van het bestreden arrest ten onrechte de door de Commissie gebruikte omzetratiomethode ter berekening van het huurvoordeel heeft goedgekeurd.
28 Volgens het eerste onderdeel van dit middel is de conclusie van het Gerecht betreffende de methode van de omzetratio juridisch onjuist en kennelijk in strijd met verordening nr. 1984/83, in het bijzonder met artikel 6, lid 1, volgens hetwelk voor een exclusieve afnameverplichting slechts ontheffing kan worden verleend wanneer economische of financiële voordelen tegenover die verplichting staan. Rekwirant bestrijdt de juistheid van het oordeel van het Gerecht in punt 98 van het bestreden arrest, inzake de winstgevendheid, dat er geen voldoende redenen waren om de enige eventueel relevante ─ maar andere ─ vraag te onderzoeken, namelijk of het stelsel van standaardhuurcontracten van Bass de winstgevendheid van de aan haar gebonden exploitanten zodanig aantastte dat hun bierdistributiecapaciteit daardoor ernstig in het gedrang kwam. Bovendien zou dit oordeel in tegenspraak zijn met punt 146 van het bestreden arrest. Bij toepassing van de uit verordening nr. 1984/83 voortvloeiende beginselen zou de problematiek van de winstgevendheid om te beginnen draaien om een gelijke of zelfs hogere winstgevendheid en voorts op zijn minst vragen om een methode aan de hand waarvan bijvoorbeeld kan worden nagegaan of de exploitant, gelet op de voorschriften inzake de wekelijkse maximumarbeidsduur, een redelijk inkomen heeft en niet onder het minimuminkomen uitkomt, wat wel met de winstmethode maar niet met de omzetratiomethode kan worden vastgesteld.
29 Volgens het tweede onderdeel van dit middel heeft het Gerecht het recht geschonden door tegen de werkelijkheid in de omzetratiomethode te aanvaarden, daar de winstmethode de in de praktijk gebruikelijke zou zijn.
30 Volgens het derde onderdeel van rekwirants zesde middel kunnen de nefaste gevolgen van een dalende verkooptrend met gelijktijdige verhoging van de huur geenszins met de omzetratiomethode worden bestreden. De huur zou evenredig stijgen omdat zij een percentage van de omzet vormt. Om aanvaardbaar te zijn, zou bij de omzetratiomethode een huurverlaging mogelijk moeten zijn, hetgeen evenwel in strijd is met de huurovereenkomst.
31 Joynson's betoog in eerste aanleg, dat de Commissie voor de berekening van het huurvoordeel de door hem voorgestane en niet de door haar gekozen methode had moeten gebruiken, heeft het Gerecht in de punten 100 tot en met 103 van het bestreden arrest verworpen wegens gebrek aan bewijs, dat deze methode geschikter was dan die van de Commissie.
32 Het zesde middel is in werkelijkheid tegen deze waardering van de betrouwbaarheid van de door rekwirant voorgestane methode gericht en betreft dus de beoordeling van de feiten door het Gerecht. Om de in punt 18 van de onderhavige beschikking uiteengezette reden moet het bijgevolg kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het zevende middel
33 Volgens Joynson's zevende middel bevatte de aan de Commissie en het Gerecht voorgelegde standaardhuurovereenkomst een huuraanpassingsbeding dat alleen in verhoging voorziet. Volgens rekwirant vormt een dergelijk beding als zodanig een reden voor weigering van een individuele vrijstelling.
34 Rekwirant heeft dit middel niet in eerste aanleg aangevoerd.
35 Ingevolge artikel 113, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof kunnen in hogere voorziening evenwel geen nieuwe middelen tegen de litigieuze beschikking worden aangevoerd.
36 Het zevende middel moet dus kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het achtste middel
37 Volgens Joynson's achtste middel is de conclusie van het Gerecht in punt 150 van het bestreden arrest, dat de door Bass verleende niet-contractuele voordelen de prijsverschillen kunnen compenseren, kennelijk in strijd met verordening nr. 1984/83, in het bijzonder met artikel 6, lid 1, volgens hetwelk voor een exclusieve afnameverplichting slechts ontheffing kan worden verleend wanneer economische of financiële voordelen tegenover die verplichting staan. De conclusie in punt 150 van het bestreden arrest spreekt ook de eerdere conclusie van het Gerecht in punt 56 van het bestreden arrest tegen, dat de Commissie haar beschikking terecht op verordening nr. 1984/83 had gebaseerd.
38 Enerzijds kan niet worden gesteld dat de conclusie van het Gerecht, dat de niet-contractuele voordelen die Bass zou hebben verleend de prijsverschillen konden compenseren, in strijd is met verordening nr. 1984/83. Zoals blijkt uit punt 57 van het bestreden arrest, vielen de standaardhuurcontracten van Bass niet onder de groepsvrijstelling als bedoeld in verordening nr. 1984/93, doch is een individuele vrijstelling krachtens artikel 81, lid 3, EG verleend voor de betrokken contracten omdat zij, in strijd met de in artikel 6 van deze verordening gestelde voorwaarden, een afnameverplichting per type bier in plaats van per merk of benaming bevatten.
39 Anderzijds is er geen tegenstrijdigheid tussen de punten 150 en 56 van het bestreden arrest. In punt 56 van het bestreden arrest heeft het Gerecht namelijk niet vastgesteld dat de Commissie de litigieuze beschikking op verordening nr. 1984/83 had gebaseerd. Tegen de achtergrond van de punten 63 tot en met 66 van het bestreden arrest blijkt het Gerecht alleen te hebben vastgesteld dat de Commissie, volgens het Gerecht terecht, met name rekening had gehouden met soortgelijke criteria als die van verordening nr. 1984/83, maar bij de beoordeling van de winstgevendheid van de aan Bass gebonden exploitanten ook rekening had gehouden met andere factoren.
40 Derhalve is het achtste middel kennelijk ongegrond.
41 Uit het voorgaande volgt dat Joynson's middelen ter ondersteuning van zijn hogere voorziening ofwel kennelijk niet-ontvankelijk ofwel kennelijk ongegrond zijn. De hogere voorziening moet dus krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering worden afgewezen.
Kosten
42 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien Joynson in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten van het onderhavige geding te worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Joynson wordt verwezen de kosten.
Luxemburg, 10 december 2003.
De griffier
De president van de Derde kamer
R. Grass
V. Skouris
1 – Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy