Zaak C-258/02 P
Bactria Industriehygiene-Service Verwaltungs GmbH
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
«Hogere voorziening – Verordening (EG) nr. 1896/2000 – Biociden – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid – Hogere voorziening die kennelijk ongegrond is»
Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 12 december 2003 I - 0000
Samenvatting van de beschikking
1.. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke en rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Verordening betreffende biociden – Beroep ingesteld door producent – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG; verordening nr. 1896/2000 van de Commissie)
2.. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke en rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Richtlijn betreffende biociden – Richtlijn die producent van biociden niet individualiseert ten opzichte van verordening betreffende deze producten
(Art. 230, vierde alinea, EG; verordening nr. 1896/2000 van de Commissie; richtlijn 98/8 van het Europees Parlement en de Raad)
3.. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke en rechtspersonen – Inleiding van beroep tot nietigverklaring voor gemeenschapsrechter indien nationale procedurevoorschriften onoverkomelijke hindernis vormen – Uitgesloten
(Art. 230, vierde alinea, EG)
1. Het feit dat verordening nr. 1896/2000 inzake de eerste fase van het in artikel 16, lid 2, van richtlijn 98/8 van het Europees Parlement en de Raad betreffende biociden bedoelde programma, alle producenten en formuleerders toestaat om door te gaan of te beginnen met het op de markt brengen van bestaande werkzame stoffen en van biociden die deze stoffen bevatten, in de productsoort of -soorten waarvoor de Commissie ten minste één kennisgeving heeft aanvaard, is niet in tegenspraak met het feit dat de verordening is gericht tot degenen die belang hebben bij de identificatie en de kennisgeving van bestaande werkzame stoffen en van biociden die deze stoffen bevatten, en niet alleen tot de marktdeelnemers die vóór 14 mei 2000 een biocide op de markt hebben gebracht die een bestaande werkzame stof bevat. Uit deze twee feiten kan immers niet worden afgeleid dat het Gerecht onderscheid heeft gemaakt tussen de abstracte kring van alle marktdeelnemers die belang hebben bij de identificatie en kennisgeving, en de bepaalde en gesloten groep van marktdeelnemers waarvan de kennisgeving door de Commissie is aanvaard, met het gevolg dat de kennisgevers als door deze verordening individueel geraakt zouden moeten worden beschouwd. Een handeling van algemene strekking, zoals een verordening, kan natuurlijke of rechtspersonen slechts individueel raken, indien zij hen treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat. Verordening nr. 1896/2000 kon ten tijde van de vaststelling ervan evenwel in beginsel toepassing vinden op een onbepaald aantal marktdeelnemers met een belang bij de kennisgeving, en niet op een gesloten kring van marktdeelnemers wier kennisgeving door de Commissie was aanvaard. cf. punten 33-34
2. De drieëntwintigste overweging van de considerans van richtlijn 98/8 betreffende biociden verleent geen procedurele rechten in het kader van de totstandkomingsprocedure van verordening nr. 1896/2000 inzake de eerste fase van het in artikel 16, lid 2, van die richtlijn bedoelde programma. In de genoemde overweging wordt immers alleen gezegd dat de uitvoering van de richtlijn, de aanpassing van de bijlagen aan de ontwikkeling van wetenschap en techniek en de opneming van werkzame stoffen in de passende bijlagen een nauwe samenwerking tussen de Commissie, de lidstaten en de aanvragers noodzakelijk maakt en dat de procedure van het permanente comité Biociden in gevallen waarin die van toepassing is, een geschikte basis voor die samenwerking vormt. Door zo een bepaling wordt een dergelijke producent evenwel hoe dan ook niet geïndividualiseerd ten opzichte van deze verordening. cf. punt 44
3. Een rechtstreeks beroep tot nietigverklaring bij de gemeenschapsrechter staat niet open, ook al zou na een concreet onderzoek van de nationale regels van procesrecht door deze rechter blijken dat deze regels de particulier niet toestaan om een beroep in te stellen waarmee hij de geldigheid van de betwiste gemeenschapshandeling kan aanvechten. In een dergelijk stelsel zou de gemeenschapsrechter immers in elk concreet geval het nationale procesrecht moeten onderzoeken en uitleggen, hetgeen de grenzen van zijn bevoegdheid in het kader van het toezicht op de wettigheid van de gemeenschapshandelingen te buiten zou gaan. cf. punt 58
BESCHIKKING VAN HET HOF (Vijfde kamer)
12 december 2003 (1)
„Hogere voorziening – Verordening (EG) nr. 1896/2000 – Biociden – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid – Kennelijk ongegronde hogere voorziening”
In zaak C-258/02 P,
Bactria Industriehygiene-Service Verwaltungs GmbH, gevestigd te Kirchheimbolanden (Duitsland), vertegenwoordigd door K. van Maldegem en C. Mereu, avocats,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Tweede kamer) van 29 april 2002, Bactria/Commissie (T-339/00, Jurispr. blz. II-2287), en strekkende tot vernietiging van die beschikking,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. B. Wainwright en L. Ström als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,verweerster in eerste aanleg,
ondersteund door Eurobrom BV, gevestigd te Rijswijk (Nederland), Lonza GmbH, gevestigd te Wuppertal (Duitsland), Arch Chemicals SA, gevestigd te Parijs (Frankrijk),en Troy Chemical Company BV, gevestigd te Maassluis (Nederland),
interveniënten in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, (rapporteur), kamerpresident, A. La Pergola en R. Silva de Lapuerta, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord, de navolgende
Beschikking
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 juni 2002, heeft Bactria Industriehygiene-Service Verwaltungs GmbH (hierna: Bactria) krachtens artikel 49 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie hogere voorziening ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 29 april 2002, Bactria/Commissie (T-339/00, Jurispr. blz. II-2287, hierna: bestreden beschikking), waarbij het Gerecht haar beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1896/2000 van de Commissie van 7 september 2000 inzake de eerste fase van het in artikel 16, lid 2, van richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende biociden bedoelde programma (PB L 228, blz. 6) niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Rechtskader
2 Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123, blz. 1; hierna: richtlijn) heeft tot doel een communautaire regeling voor de beoordeling en het op de markt brengen van biociden in te voeren.
3 Artikel 3, lid 1, van de richtlijn bepaalt: De lidstaten bepalen dat een biocide op hun grondgebied slechts op de markt gebracht en gebruikt mag worden, indien het overeenkomstig deze richtlijn is toegelaten. Volgens lid 2, sub ii, van dit artikel staan de lidstaten in afwijking van lid 1 toe dat basisstoffen die in bijlage IB bij de richtlijn zijn opgenomen, op de markt worden gebracht om als biocide gebruikt te worden.
4 Artikel 5, lid 1, sub a, van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten een biocide slechts toelaten, indien de daarin aanwezige werkzame stof(fen) in bijlage I of I A van de richtlijn is (zijn) vermeld en aan de eisen van die bijlagen is voldaan.
5 Artikel 11 van de richtlijn bepaalt de procedure voor het opnemen van een werkzame stof in bijlage I, I A of I B daarbij. Die opneming en latere wijzigingen daarin geschieden enkel op aanvraag. Volgens lid 1, sub a, van dit artikel moet de aanvrager de bevoegde autoriteit van een van de lidstaten een dossier betreffende de werkzame stof voorleggen, dat aan de eisen van de toepasselijke bijlage ─ II A, III A of IV A ─ voldoet, alsmede een dossier betreffende ten minste één biocide dat de werkzame stof bevat en dat aan de eisen van artikel 8 van deze richtlijn voldoet. Na de beoordeling wordt het dossier aan, onder anderen, de Commissie gezonden en wordt overeenkomstig de procedure van artikel 28 van deze richtlijn beslist over de opneming van de werkzame stof in bijlage I, I A of I B daarbij.
6 Artikel 12 van de richtlijn bevat bepalingen over het gebruik ten behoeve van andere aanvragers van door de aanvrager verstrekte gegevens waarover de bevoegde autoriteiten beschikken. Volgens deze bepalingen mogen de lidstaten de bij de indiening van een aanvraag om toelating ontvangen gegevens, behoudens bepaalde uitzonderingen, niet gebruiken ten behoeve van latere aanvragers.
7 Artikel 16 van de richtlijn, dat overgangsmaatregelen bevat, bepaalt in lid 1 dat in afwijking met name van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn een lidstaat gedurende een periode van tien jaar vanaf 14 mei 2000 zijn huidige systeem of praktijk met betrekking tot het op de markt brengen van biociden mag blijven toepassen. Met name mag hij, overeenkomstig zijn nationale voorschriften, toelaten dat op zijn grondgebied een biocide op de markt wordt gebracht dat werkzame stoffen bevat die voor die productsoort niet in bijlage I of IA bij de richtlijn zijn genoemd. Die werkzame stoffen moeten op 14 mei 2000 op de markt zijn als werkzame stoffen van een biocide, bestemd voor andere doeleinden dan de in artikel 2, lid 2, sub c en d, van deze richtlijn gedefinieerde.
8 Artikel 16, lid 2, van de richtlijn voorziet in de aanneming, in de vorm van een verordening, van een tienjarig werkprogramma voor systematisch onderzoek van al deze werkzame stoffen. Tijdens die periode van tien jaar kan vanaf 14 mei 2000 worden besloten dat een werkzame stof in bijlage I, IA of IB wordt opgenomen en onder welke voorwaarden, of, in gevallen waarin niet wordt voldaan aan de voorschriften van artikel 10 of waarin de vereiste informatie en gegevens niet binnen de voorgeschreven periode zijn verstrekt, dat de bewuste werkzame stof niet in bijlage I, IA of IB wordt opgenomen.
9 Verordening (EG) nr. 1896/2000 heeft tot doel, de eerste fase in te leiden van het werkprogramma voor de systematische beoordeling van alle bestaande werkzame stoffen, namelijk die welke zich reeds op 14 mei 2000 als werkzame stoffen van biociden op de markt bevonden (hierna: beoordelingsprogramma).
10 Volgens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1869/2000 identificeert [e]lke producent van een bestaande werkzame stof die op de markt wordt gebracht om in biociden te worden gebruikt, [...] die werkzame stof door de in bijlage I bedoelde informatie over de werkzame stof bij de Commissie in te dienen en kan iedere formuleerder, namelijk de producent van de biocide of zijn enige vertegenwoordiger in de Gemeenschap in het kader van deze verordening, een bestaande actieve stof identificeren.
11 Artikel 4, lid 1, eerste alinea, van deze verordening luidt: De producenten, formuleerders en combinaties daarvan, die de opneming van een bestaande werkzame stof voor een of meer productsoorten in bijlage I of bijlage IA bij de richtlijn willen aanvragen, dienen voor deze werkzame stof een kennisgeving bij de Commissie in door de in bijlage II bij deze verordening bedoelde informatie in te dienen die uiterlijk 18 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening dient te zijn ontvangen.
12 Volgens artikel 5, leden 2 en 3, van verordening nr. 1869/2000 kunnen de lidstaten andere bestaande werkzame stoffen identificeren dan die vermeld op de lijst van alle geïdentificeerde werkzame stoffen en kunnen zij aanmelden dat zij belang hebben bij de mogelijke opneming in bijlage I of bijlage I A bij de richtlijn van een bestaande werkzame stof in de productsoorten waarin de lidstaat het gebruik van wezenlijk belang voor met name de bescherming van de gezondheid van de mens of het milieu acht en waarvoor geen kennisgeving door de Commissie is aanvaard.
13 Artikel 6, lid 1, sub b, van verordening nr. 1896/2000 bepaalt dat na de identificatie en notificatie een verordening wordt vastgesteld, die onder meer een volledige lijst van bestaande werkzame stoffen bevat die tijdens de tweede fase van het beoordelingsprogramma worden beoordeeld. Deze lijst bevat onder meer de bestaande werkzame stoffen waarvoor de Commissie tenminste de kennisgeving heeft aanvaard, of die door lidstaten zijn aangemeld.
14 Artikel 6, lid 2, van deze verordening bepaalt: Onverminderd artikel 16, leden 1 tot en met 3, van de richtlijn kunnen alle producenten van een werkzame stof die is opgenomen in de in lid 1, onder b), bedoelde lijst, en alle formuleerders van biociden die deze werkzame stof bevatten, beginnen of doorgaan met het op de markt brengen van de werkzame stof, als zodanig of in biociden, in de productsoort of -soorten waarvoor de Commissie ten minste één kennisgeving heeft aanvaard.
Procesverloop voor het Gerecht
15 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 8 november 2000, heeft Bactria, die de werkzame stof perazijnzuur en biociden met deze werkzame stof produceert en verhandelt, krachtens artikel 230, vierde alinea, EG beroep ingesteld tot nietigverklaring van verordening nr. 1896/2000.
16 Ter ondersteuning van haar beroep stelde zij dat verordening nr. 1896/2000 in strijd is met haar rechtsgrondslag, te weten de richtlijn. Met name zou de verordening op het gebied van de gegevensbescherming, verder gaan dan de richtlijnbepalingen, aangezien zij de door de richtlijn geboden bescherming van commercieel gevoelige en waardevolle informatie over werkzame stoffen tijdens de beoordelingsperiode van deze stoffen miskent. Bovendien zou de verordening in strijd met het EG-Verdrag de mededinging vervalsen doordat degenen die niet aan de beoordelingsprocedure deelnemen, gratis kunnen profiteren van de kennisgevingen van voortvarende deelnemers die wel daaraan hebben deelgenomen, zoals zij zelf.
17 Bij op 18 januari 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen het beroep tot nietigverklaring van Bactria opgeworpen.
De bestreden beschikking
18 Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
19 In de punten 42 tot en met 46 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht vastgesteld dat verordening nr. 1896/2000, ofschoon Bactria de normatieve aard van de voor hem bestreden handeling betwistte, van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor op algemene en abstracte wijze omschreven categorieën van personen. Volgens het Gerecht is deze verordening door haar algemene strekking normatief van aard en is zij geen beschikking in de zin van artikel 249 EG.
20 De punten 47 tot en met 55 en van de bestreden beschikking luiden als volgt:
47 De normatieve aard van [...] verordening [nr. 1896/2000] sluit echter niet uit dat zij bepaalde natuurlijke of rechtspersonen rechtstreeks en individueel kan raken in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG (arresten Codorníu/Raad, reeds aangehaald, punt 19, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 66, en arrest Gerecht van 13 december 1995, Exporteurs in Levende Varkens e.a./Commissie, T-481/93 en T-484/93, Jurispr. blz. II-2941, punt 50). Dit is het geval indien de betrokken handeling een natuurlijke of rechtspersoon raakt uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (arresten Plaumann/Commissie, reeds aangehaald, blz. 227, en Codorníu/Raad, reeds aangehaald, punt 20).
48 Verzoeksters stelling dat [...] verordening [nr. 1896/2000] van toepassing is op de gesloten kring van ondernemingen die een biocide met bestaande werkzame stoffen op de gemeenschapsmarkt hebben gebracht, kan zo gezien niet worden aanvaard. De verordening is namelijk gericht tot degenen die belang hebben bij de identificatie en de kennisgeving van bestaande werkzame stoffen en van biociden die deze stoffen bevatten, en niet alleen tot marktdeelnemers die vóór 14 mei 2000 een biocide met bestaande werkzame stoffen op de markt hebben gebracht. Met name staat artikel 6, lid 2, van de verordening ─ waarop verzoekster in het bijzonder lijkt te doelen ─ alle producenten en alle formuleerders toe om door te gaan of te beginnen met het op de markt brengen van bestaande werkzame stoffen en van biociden die deze stof bevatten, in de productsoort of -soorten waarvoor de Commissie ten minste één kennisgeving heeft aanvaard.
49 In dit verband moet worden opgemerkt dat de aanmelding van een bestaande werkzame stof kan geschieden door iedere marktdeelnemer die kan bewijzen dat die stof vóór 14 mei 2000 op de markt is gebracht. Dit bewijs betekent geenszins dat deze marktdeelnemer zelf de werkzame stof of een biocide met deze werkzame stof vóór 14 mei 2000 in de handel heeft gebracht. Ook de andere in bijlage II van de verordening genoemde gegevens kunnen in beginsel door iedere belanghebbende marktdeelnemer worden verstrekt.
50 Uit het voorafgaande blijkt dat de identificatie- en/of notificatieprocedures niet alleen toegankelijk zijn voor marktdeelnemers die een specifiek deel van de markt bedienen. De stelling van interveniënten, dat verzoekster individueel door de verordening wordt geraakt omdat zij de enige perazijnzuur-producente is die perazijnzuur voor vloeistofkoelings- en vloeistofverwerkingssystemen kan aanmelden, kan daarom niet worden aanvaard. De verordening heeft namelijk tot doel, alle bestaande werkzame stoffen van biociden zoals gedefinieerd in artikel 2, sub a, van de verordening te identificeren met behulp van door alle belanghebbende producenten en formuleerders verstrekte gegevens.
51 Ook verzoeksters argument dat zij heeft deelgenomen aan het totstandkomingsproces van de verordening, kan niet slagen. In de eerste plaats heeft verzoekster niet individueel aan dit proces deelgenomen, maar de ECCMF, een vereniging waarvan zij lid is. Bovendien volgt uit de rechtspraak dat de omstandigheid dat een persoon op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het proces dat tot de vaststelling van een gemeenschapshandeling heeft geleid, alleen dan een element is waardoor die persoon, wat de betrokken handeling betreft, wordt geïndividualiseerd, indien de toepasselijke gemeenschapsregeling voorziet in bepaalde procedurele waarborgen voor die persoon (zie beschikking Gerecht van 3 juni 1997, Merck e.a./Commissie, T-60/96, Jurispr. blz. II-849, punt 73, en de daarin aangehaalde rechtspraak). In het onderhavige geval is er geen bepaling die de Commissie gebiedt om vóór de vaststelling van de verordening een procedure te volgen waarin personen zoals verzoekster zich kunnen beroepen op eventuele rechten of zelfs op het recht te worden gehoord. De enige bepaling waarnaar verzoekster in deze context verwijst, is de drieëntwintigste overweging van de considerans van de richtlijn, volgens welke de uitvoering [ervan], de aanpassing van de bijlagen aan de ontwikkeling van wetenschap en techniek en de opneming van werkzame stoffen in de passende bijlagen een nauwe samenwerking tussen de Commissie, de lidstaten en de aanvragers vergen, en de procedure van het permanente comité Biociden in gevallen waarin die van toepassing is, een geschikte basis vormt voor die samenwerking. Deze bepaling verleent verzoekster geen procedurele rechten.
52 Verzoeksters stelling dat de Commissie verplicht was om bij de vaststelling van de verordening rekening te houden met haar specifieke belangen en dat zij om die reden in casu een beroepsrecht heeft, kan evenmin worden aanvaard. Anders dan in de omstandigheden die tot de reeds aangehaalde arresten Piraiki-Patraiki e.a./Commissie en Antillean Rice Mills e.a./Commissie hebben geleid, bestaat er in het onderhavige geval geen bepaling op grond waarvan de Commissie verplicht zou zijn rekening te houden met de gevolgen van de door haar voorgenomen handeling voor de situatie van bepaalde particulieren.
53 De vraag of de bepalingen van de verordening een inbreuk vormen op verzoeksters eigendomsrechten die door artikel 12 van de richtlijn worden beschermd, betreft de zaak ten gronde. In ieder geval is deze gestelde schending, zo deze al vaststaat, niet voldoende om verzoekster te individualiseren ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer die een bestaande werkzame stof aanmeldt.
54 Wat tot slot verzoeksters argument betreft, dat het onderhavige beroep de enige rechtsweg is die voor haar openstaat, moet worden opgemerkt dat het eventuele ontbreken van nationale beroepsmogelijkheden, zo dit al vaststaat, geen rechtvaardiging kan opleveren voor een wijziging, via een uitlegging door de rechter, van het in het Verdrag neergelegde stelsel van beroepswegen en procedures. In geen geval kan op grond van die omstandigheid een door een natuurlijk of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring, dat niet aan de in artikel 230, vierde alinea, EG gestelde voorwaarden voldoet, ontvankelijk worden verklaard (arrest Gerecht van 22 februari 2000, ACAV e.a./Raad, T-138/98, Jurispr. blz. II-341, punt 68).
55 Uit het bovenstaande volgt, dat de verordening niet kan worden geacht verzoekster individueel te raken. Aangezien verzoekster niet aan een van de in artikel 230, vierde alinea, EG gestelde ontvankelijkheidsvoorwaarden voldoet, moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
De hogere voorziening
21 In hogere voorziening concludeert Bactria dat het het Hof behage:
─ de hogere voorziening ontvankelijk en gegrond te verklaren;
─ de bestreden beschikking te vernietigen;
─ haar ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot nietigverklaring van verordening nr. 1860/2000 en de zaak te verwijzen naar het Gerecht voor beslissing over de gegrondheid van haar verzoek;
─ de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.
22 De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
─ de hogere voorziening enerzijds niet-ontvankelijk en anderzijds ongegrond te verklaren;
─ Bactria te verwijzen in de kosten.
23 Bactria baseert haar hogere voorziening in wezen op vier middelen: 1) de redenering waarmee het Gerecht de stelling heeft afgewezen dat zij tot een gesloten kring van marktdeelnemers behoort, is innerlijk tegenstrijdig en gegrond op een rechtsschending; 2) het Gerecht heeft op basis van een te enge uitlegging vastgesteld dat zij geen procedurele rechten had; 3) de motivering waarmee het Gerecht het bestaan van preëxistente rechten van rekwirante heeft uitgesloten, is onjuist; 4) enerzijds is de uitlegging van het begrip individueel geraakte persoon door het Gerecht veel te eng en tegen de achtergrond van de recente rechtspraak van het Gerecht zelf achterhaald, en anderzijds beschikt zij over geen andere rechtsweg ter bescherming van haar rechten.
24 De Commissie acht de eerste drie middelen van Bactria niet-ontvankelijk, subsidiair ongegrond. Het vierde middel moet ongegrond worden verklaard.
25 Krachtens artikel 119 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, deze op ieder moment bij met redenen omklede beschikking afwijzen.
Het eerste middel
Argumenten van partijen
26 Volgens Bactria is de redenering waarmee het Gerecht in punt 48 van de bestreden beschikking het bestaan van een gesloten kring van marktdeelnemers ten tijde van de vaststelling van verordening nr. 1896/2000 heeft ontkend, innerlijk tegenstrijdig. Het Gerecht stelt namelijk enerzijds vast dat deze verordening is gericht tot degenen die belang hebben bij de identificatie en de kennisgeving van bestaande werkzame stoffen en van biociden die deze stoffen bevatten, en niet alleen tot marktdeelnemers die vóór 14 mei 2000 een biocide op de markt hebben gebracht, terwijl het anderzijds de specifieke status van de kennisgevers erkent met zijn oordeel dat deze verordening alle producenten en alle formuleerders toestaat om door te gaan of te beginnen met het op de markt brengen van bestaande werkzame stoffen waarvoor de Commissie ten minste één kennisgeving heeft aanvaard. Het Gerecht zou dus onderscheid maken tussen de abstracte kring van degenen die belang hebben bij de identificatie en de kennisgeving, en de bepaalde en gesloten groep van vennootschappen waarvan de kennisgeving door de Commissie is aanvaard. Daarmee zou dus impliciet worden erkend dat de eerste kring van marktdeelnemers slechts op de markt kan blijven omdat kennisgevers hebben voldaan aan de vereisten van de bestreden verordening.
27 Volgens Bactria erkent het Gerecht dus de bijzondere positie van de kennisgevers en had het bijgevolg tot de slotsom moeten komen dat verordening nr. 1860/2000 op hen individueel van toepassing is als een bundel individuele beschikkingen waarvan elke de rechtspositie van elke kennisgever raakt.
28 Bovendien, aldus Bactria, heeft het Gerecht het recht geschonden door in punt 49 van de bestreden beschikking te oordelen dat de kennisgeving van een bestaande werkzame stof kan geschieden door iedere marktdeelnemer die kan bewijzen dat die stof vóór 14 mei 2000 op de markt is gebracht. Zij stelt dat de in bijlage II van verordening nr. 1860/2000 voor de kennisgeving vereiste gegevens selectief en zeer gedetailleerd zijn en niet voor iedere marktdeelnemer toegankelijk, maar alleen voor degenen die de aangemelde stoffen vóór 14 mei 2000 op de markt hebben gebracht en het bewijs daarvan kunnen leveren.
29 Voorts, aldus Bactria, voorzag verordening nr. 1896/2000 in een eindtermijn voor kennisgeving, namelijk 28 maart 2002. Op het tijdstip waarop het Gerecht zijn beschikking gaf, kon derhalve niet meer elke marktdeelnemer een kennisgeving verrichten, maar bestond er een gesloten kring van marktdeelnemers ─ waaronder ook Bactria ─ die een dergelijke kennisgeving hadden verricht. Dat zou recent zijn bevestigd door de Commissie die een lijst met de namen van de erkende kennisgevers heeft bekendgemaakt.
30 De Commissie acht dit middel niet-ontvankelijk omdat de argumenten waarmee Bactria tracht aan te tonen dat zij tot een gesloten kring van marktdeelnemers behoort, een herhaling vormen van hetgeen zij reeds voor het Gerecht heeft gesteld. Rekwirante voert dus geen rechtsgronden aan, maar kritiseert alleen de beoordeling door het Gerecht. De Commissie acht deze argumenten hoe dan ook ongegrond.
Beoordeling door het Hof
31 Uit artikel 225 EG, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat de hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van de beschikking waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek ondersteunen. Een verzoekschrift in hogere voorziening dat zich beperkt tot een herhaling of een letterlijke weergave van de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten, en zelfs geen argumenten naar voren brengt waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt de bestreden beschikking het recht schendt, voldoet niet aan dit vereiste. Een dergelijke hogere voorziening is in feite niets anders dan een vordering tot heronderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift, hetgeen niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort (zie met name arresten van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C-352/98 P, Jurispr. blz. I-5291, punten 34 en 35, en 6 maart 2003, Interporc/Commissie, C-41/00 P, Jurispr. blz. I-2125, punten 15 en 16).
32 Het eerste middel van Bactria, gericht tegen de punten 48 en 49 van de bestreden beschikking, klaagt dat de redenering van het Gerecht innerlijk tegenstrijdig is en op een rechtsschending berust. De exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie, inhoudend dat dit middel een herhaling is van de door rekwirante reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen, moet dus worden verworpen.
33 Wat de tegenstrijdigheid in de redenering van het Gerecht betreft, dient te worden opgemerkt dat het feit dat verordening nr. 1986/2000 alle producenten en formuleerders toestaat om door te gaan of te beginnen met het op de markt brengen van bestaande werkzame stoffen en van biociden die deze stof bevatten, in de productsoort of -soorten waarvoor de Commissie ten minste één kennisgeving heeft aanvaard, niet in tegenspraak lijkt met het feit dat de verordening is gericht tot degenen die belang hebben bij de identificatie en de kennisgeving van bestaande werkzame stoffen en van biociden die deze stoffen bevatten, en niet alleen tot de marktdeelnemers die vóór 14 mei 2000 een biocide op de markt hebben gebracht die een bestaande werkzame stof bevat. Anders dan Bactria stelt, kan uit deze twee feiten niet worden afgeleid dat het Gerecht onderscheid heeft gemaakt tussen de abstracte kring van alle marktdeelnemers die belang hebben bij de identificatie en kennisgeving, en de bepaalde en gesloten groep van marktdeelnemers waarvan de kennisgeving door de Commissie is aanvaard, met het gevolg dat de kennisgevers als door deze verordening individueel geraakt zouden moeten worden beschouwd.
34 Een handeling van algemene strekking, zoals een verordening, kan natuurlijke of rechtspersonen enkel individueel raken, indien zij hen treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat (zie met name arresten van 22 november 2001, Antillean Rice Mills/Raad, C-451/98, Jurispr. blz. I-8949, punt 49; 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C-50/00 P, Jurispr. blz. I-6677, punt 36, en 10 april 2003, Commissie/Nederlandse Antillen, C-142/00 P, Jurispr. blz. I-3483, punt 65). Verordening nr. 1896/2000 kon ten tijde van de vaststelling ervan evenwel in beginsel toepassing vinden op een onbepaald aantal marktdeelnemers met een belang bij de kennisgeving, en niet op een gesloten kring van marktdeelnemers wier kennisgeving door de Commissie was aanvaard.
35 Evenzeer faalt het argument van Bactria, dat de moeilijkheid om de vereiste gegevens voor de kennisgeving te verzamelen gelijk is te stellen met een individualisering van de marktdeelnemers die vóór 14 mei 2000 stoffen op de markt hebben gebracht en dat kunnen bewijzen. Die moeilijkheid is inherent aan de specificiteit van de betrokken markt en maakt het als zodanig niet onmogelijk dat een onbepaald aantal marktdeelnemers deze gegevens kan kennen.
36 Ten slotte is het in casu irrelevant dat er ten tijde van de uitspraak van de betrokken beschikking een bepaald aantal door de Commissie aanvaarde kennisgevingen was, dat niet meer kon worden gewijzigd. Zoals blijkt uit punt 34 van de onderhavige beschikking, was verordening nr. 1869/2000 namelijk aldus geformuleerd dat zij op een onbepaald aantal adressaten toepassing vinden.
37 Het Gerecht heeft derhalve niet het recht geschonden door Bactria niet tot een gesloten kring van marktdeelnemers te rekenen. Het eerste middel moet dus kennelijk ongegrond worden verklaard.
Het tweede middel
Argumenten van partijen
38 Volgens het tweede middel van Bactria heeft het Gerecht het recht geschonden door te oordelen dat zij geen procedurele rechten bezat die haar individualiseerden. Dienaangaande stelt zij enerzijds dat de vaststelling in punt 51 van de bestreden beschikking, dat er geen bepaling is die de Commissie gebiedt om vóór de vaststelling van verordening nr. 1896/2000 een procedure te volgen waarin personen zoals rekwirante zich kunnen beroepen op eventuele rechten of zelfs op het recht te worden gehoord, in tegenspraak is met de vaststelling in punt 50 van deze beschikking, dat de verordening tot doel heeft, alle bestaande werkzame stoffen van biociden zoals gedefinieerd in artikel 2, sub a, van deze verordening te identificeren aan de hand van door alle belanghebbende producenten en formuleerders verstrekte gegevens: deze laatste vaststelling zou een erkenning impliceren van de specifieke situatie waarin de producenten en formuleerders die deze gegevens verstrekten, verkeerden ten opzichte van verordening nr. 1869/2000.
39 Anderzijds betwist Bactria de vaststelling van het Gerecht, dat de drieëntwintigste overweging van de considerans van de richtlijn haar geen procedurele rechten verleent in het kader van de totstandkomingsprocedure van verordening nr. 1896/2000. Daarbij beroept zij zich op het arrest van 24 maart 1993, CIRFS/Commissie, C-313/90, Jurispr. blz. 1125, en op de beschikking van 23 november 1995, Asocarne/Raad, C-10/95 P, Jurispr. blz. 4149, ten betoge dat zij de bevoegdheid heeft om tegen verordening nr. 1869/2000 op te komen. Voorts, aldus Bactria, wordt in de richtlijn herhaaldelijk rekening gehouden met de specifieke situatie van aanvragers en heeft de president van het Gerecht in kort geding niet uitgesloten, dat zij kon behoren tot een kring van marktdeelnemers wier belangen bij de vaststelling van verordening nr. 1869/2000 in acht moesten worden genomen.
40 Volgens de Commissie betreffen de argumenten die Bactria voor haar procesbevoegdheid ontleent aan haar deelneming aan de totstandkomingsprocedure van verordening nr. 1869/2000, geen rechtsvragen. Dit tweede middel zou dus niet-ontvankelijk zijn en in ieder geval ongegrond.
Beoordeling door het Hof
41 Zoals aangegeven in punt 31 van de onderhavige beschikking, moeten de ter ondersteuning van de hogere voorziening aangevoerde middelen, willen zij ontvankelijk zijn, duidelijk aangeven, tegen welke onderdelen van de beschikking waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij zijn gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek ondersteunen
42 Het tweede middel van Bactria is ontvankelijk, aangezien het de vaststelling van het Gerecht betwist, dat zij geen procedurele rechten heeft, en daartoe juridische argumenten aanvoert.
43 Vervolgens dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat er geen tegenstrijdigheid is tussen de gewraakte passages van de punten 50 en 51 van de bestreden beschikking. Het feit dat verordening nr. 1896/2000 voorziet in identificatie van de bestaande werkzame stoffen met behulp van de door alle belanghebbende producenten en formuleerders verstrekte gegevens, staat los van de omstandigheid dat de Commissie niet gehouden was om personen zoals Bactria voorafgaand aan de vaststelling van deze verordening te horen. Bovendien is de door verordening nr. 1869/2000 beoogde situatie, identificatie van de bestaande werkzame stoffen met behulp van de door alle belanghebbende producenten en formuleerders verstrekte gegevens, niet gelijk te stellen met die waarin de producenten en de formuleerders deze gegevens reeds hebben verstrekt.
44 In de tweede plaats heeft het Gerecht terecht vastgesteld dat de drieëntwintigste overweging van de considerans van de richtlijn Bactria geen procedurele rechten verleent in het kader van de totstandkomingsprocedure van verordening nr. 1869/2000. In de genoemde overweging wordt enkel gezegd dat de uitvoering van de richtlijn, de aanpassing van de bijlagen aan de ontwikkeling van wetenschap en techniek en de opneming van werkzame stoffen in de passende bijlagen een nauwe samenwerking tussen de Commissie, de lidstaten en de aanvragers noodzakelijk maakt en dat de procedure van het permanente comité Biociden in gevallen waarin die van toepassing is, een geschikte basis voor die samenwerking vormt. Hierdoor wordt rekwirante hoe dan ook niet geïndividualiseerd ten opzichte van deze verordening.
45 In de derde plaats kan het feit dat de richtlijn herhaaldelijk rekening houdt met de specifieke situatie van aanvragers, indien dit zou vaststaan, als zodanig geen grond zijn om Bactria als ten opzichte van verordening nr. 1869/2000 geïndividualiseerd te beschouwen.
46 In de vierde plaats is in het kader van de onderhavige procedure, en in het bijzonder ter beoordeling van de gegrondheid van het tweede middel, irrelevant dat de president van het Gerecht in zijn kortgedingbeschikking van 15 juni 2001 niet heeft uitgesloten dat Bactria tot een gesloten kring van marktdeelnemers kon behoren. De onderhavige procedure betreft namelijk een hogere voorziening tegen de bestreden beschikking en niet tegen de kortgedingbeschikking. Bovendien wordt in het kader van de procedure in kort geding prima facie geoordeeld en belet deze beoordeling het Gerecht niet in de hoofdzaak anders te oordelen.
47 Uit het voorgaande volgt dat het tweede middel kennelijk ongegrond moet worden verklaard.
Het derde middel
Argumenten van partijen
48 Volgens het derde middel van Bactria heeft het Gerecht in de punten 52 en 53 van de bestreden beschikking ten onrechte haar een beroepsrecht ontzegt, ofschoon verordening nr. 1869/2000 specifieke rechten aantast, met name haar eigendomsrechten en haar rechten op bescherming van haar gegevens. In casu is zij bevoegd beroep in te stellen, al was het maar omdat haar specifieke rechten voor de verkoop van perazijnzuur in verschillende lidstaten zijn verleend en zij tijdig een kennisgeving op gemeenschapsniveau heeft ingediend om zeker te zijn dat zij deze stof overeenkomstig de gemeenschapsregeling verder kon verkopen en gebruiken.
49 Volgens de Commissie moet dit middel niet-ontvankelijk worden verklaard, daar het is gebaseerd op een kennelijk nieuw argument, dat onvoldoende is onderbouwd, en de kritiek op de redenering van het Gerecht niet op juridische argumenten steunt. Dit middel is hoe dan ook ongegrond.
Beoordeling door het Hof
50 Ook al was dit middel ontvankelijk, individualiseert de door Bactria geschetste situatie haar niet. Dat haar rechten voor de verkoop van perazijnzuur in de verschillende lidstaten zijn verleend en zij overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1869/2000 deze actieve stof heeft aangemeld teneinde deze stof overeenkomstig artikel 6, lid 2, van deze verordening verder te kunnen verkopen en gebruiken, kon hoe dan ook niet ten tijde van de vaststelling van verordening nr. 1869/2000 in aanmerking komen als een bijzondere situatie van Bactria die haar ten opzichte van ieder ander karakteriseerde.
51 Anderzijds heeft het Gerecht in punt 53 van de bestreden beschikking vastgesteld dat de gestelde schending van de eigendomsrechten van Bactria niet voldoende is om haar te individualiseren ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer die voor een bestaande werkzame stof aanmeldt.
52 Het derde middel moet dus kennelijk ongegrond worden verklaard.
Het vierde middel
Argumenten van partijen
53 Rekwirante baseert haar vierde middel op twee argumenten.
54 Enerzijds acht zij de redenering van het Gerecht in punt 54 van de bestreden beschikking strijdig met de nieuwe uitlegging van het begrip individueel geraakte persoon door het Gerecht zelf in zijn arrest van 3 mei 2002, Jégo-Quéré/Commissie, T-177/01, Jurispr. blz. II-2365. Volgens deze nieuwe uitlegging wordt een natuurlijke of rechtspersoon door een gemeenschapsmaatregel van algemene strekking, individueel geraakt, indien zijn rechten zeker en actueel worden beperkt of hem nieuwe verplichtingen worden opgelegd. Bactria acht zich individueel geraakt door verordening nr. 1896/2000 omdat krachtens artikel 6, lid 2, ervan ondernemingen die geen aanmelding hebben verricht, op basis van haar aanmelding met de verkoop van hun producten kunnen beginnen of doorgaan en aldus inbreuk maken op haar rechten ex artikel 12 van de richtlijn.
55 Anderzijds, aldus Bactria, vormt het door haar ingestelde beroep het enige middel om bescherming te verkrijgen tegen de schending van haar rechten als gevolg van de vaststelling van verordening nr. 1869/2000, daar haar geen enkele andere rechtsweg dan die voor de gemeenschapsrechter ten dienste staat.
56 De Commissie verwerpt in de eerste plaats hetgeen Bactria heeft gesteld op basis van de nieuwe uitlegging van het begrip individueel geraakte persoon door het Gerecht in voormeld arrest Jégo-Quéré/Commissie. Haars inziens kan deze uitlegging niet worden gevolgd, omdat een verordening wegens haar algemene strekking steeds een bepaald aantal personen raakt door hun rechten te beperken of hen verplichtingen op te leggen. Overigens lijkt het Gerecht na de bestreden beschikking zijn uitlegging te hebben heroverwogen en te zijn teruggekeerd tot de door het Hof in voormeld arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad bevestigde traditionele rechtspraak. In de tweede plaats betwist de Commissie op basis van dit laatste arrest de stelling van Bactria, dat haar beroep ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat het de enige rechtsweg is die haar ten dienste staat.
Beoordeling door het Hof
57 Zoals in punt 34 van de onderhavige beschikking in herinnering is gebracht, kan een handeling van algemene strekking, zoals een verordening, natuurlijke of rechtspersonen enkel individueel raken, indien zij hen treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat.
58 Bovendien staat geen rechtstreeks beroep tot nietigverklaring bij de gemeenschapsrechter open, ook al zou na een concreet onderzoek van de nationale regels van procesrecht door deze rechter blijken dat deze regels de particulier niet toestaan om een beroep in te stellen waarmee hij de geldigheid van de betwiste gemeenschapshandeling kan aanvechten. In een dergelijk stelsel zou de communautaire rechter immers in elk concreet geval het nationale procesrecht moeten onderzoeken en uitleggen, hetgeen de grenzen van zijn bevoegdheid in het kader van het toezicht op de wettigheid van de gemeenschapshandelingen te buiten zou gaan (zie arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, reeds aangehaald, punt 43).
59 Uit het voorgaande volgt dat in casu noch het door Bactria gestelde betreffende de nieuwe uitlegging van het begrip individueel geraakte persoon, noch haar stelling inzake het ontbreken van een andere rechtsweg kan worden aanvaard als grondslag voor een bevoegdheid van rekwirante tot het instellen van beroep tot nietigverklaring van verordening nr. 1869/2000 bij de gemeenschapsrechter. Bijgevolg moet dit vierde middel kennelijk ongegrond worden verklaard.
60 In deze omstandigheden moet de hogere voorziening krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering kennelijk ongegrond worden verklaard.
Kosten
61 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien Bactria in het ongelijk is gesteld, dient zij derhalve overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten van het onderhavige geding te worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer)
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Bactria Industriehygiene-Service Verwaltungs GmbH wordt verwezen in de kosten.
Luxemburg, 12 december 2003.
De griffier
De president van de Vijfde kamer
R. Grass
C. Gulmann
1 – Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy