Zaak C‑446/02
Hauptzollamt Hamburg-Jonas
tegen
Gouralnik & Partner GmbH
(verzoek van het Bundesfinanzhof om een prejudiciële beslissing)
„Artikel 104, lid 3, van Reglement voor procesvoering – Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Uitvoerrestituties – Onjuiste aangifte – Gevolgen voor geldigheid van aangifte”
Samenvatting van de beschikking
Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Restituties bij uitvoer – Onjuiste aangifte van deel van uitgevoerd product – Herziening van aangifte – Handhaving van recht op restitutie – Aangegeven product dat niet overeenkomt met daadwerkelijk uitgevoerd product – Vaststelling van geldende restitutievoet – Overeenstemming tussen aangegeven product en uitgevoerd product – Irrelevant
(Verordeningen van de Raad nr. 2913/92, art. 78, lid 3, en nr. 3665/87, art. 3, lid 5, sub a, en 11)
Met betrekking tot uitvoerrestituties waarom vóór 1 april 1995 is verzocht, moeten artikel 78, lid 3, van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek en artikel 3, lid 5, sub a, van verordening nr. 3665/87 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, aldus worden uitgelegd dat er een recht bestaat op betaling van uitvoerrestituties tegen ten minste de voor het daadwerkelijk uitgevoerde product geldende restitutievoet, indien bij een douanecontrole wordt vastgesteld dat de aangegeven en uitgevoerde zending niet volledig uit het opgegeven product bestond, maar ten dele uit een ander product, waarvoor een lagere restitutievoet gold, en de douaneautoriteiten de aangifte overeenkomstig artikel 78, lid 3, van het communautair douanewetboek hebben herzien.
(cf. punt 37, dictum 1)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Derde kamer)
30 april 2004(1)
„Artikel 104, lid 3, van Reglement voor procesvoering – Landbouw – Gemeenschappelijke ordening der markten – Uitvoerrestituties – Onjuiste aangifte – Gevolgen voor geldigheid van aangifte”
In zaak C-446/02,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Bundesfinanzhof (Duitsland), in het aldaar aanhangige geding tussen
Hauptzollamt Hamburg-Jonas
en
Gouralnik & Partner GmbH,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de op restituties bij uitvoer toepasselijke regelgeving,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas (rapporteur), kamerpresident, R. Schintgen en N. Colneric, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
na de verwijzende rechterlijke instantie ervan in kennis te hebben gesteld dat het Hof voornemens is, overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering te beslissen bij een met redenen omklede beschikking,na de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie bedoelde belanghebbenden te hebben verzocht, hun eventuele opmerkingen dienaangaande in te dienen,de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Bij beschikking van 29 oktober 2002, binnengekomen bij het Hof op 10 december daaraanvolgend, heeft het Bundesfinanzhof krachtens artikel 234 EG een aantal prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de op uitvoerrestituties toepasselijke regelgeving.
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen het Hauptzollamt Hamburg-Jonas (hierna: „Hauptzollamt”) en de vennootschap Gouralnik & Partner GmbH (hierna: „Gouralnik”), met betrekking tot het recht op uitvoerrestituties voor casseler rib die in een verkeerde postonderverdeling is aangegeven.
Rechtskader
Gemeenschapsrecht
Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „communautair douanewetboek”).
3 Artikel 65 van het communautair douanewetboek luidt als volgt:
„Aan de aangever wordt, op zijn verzoek, toegestaan een of meer van de vermeldingen in de aangifte te wijzigen nadat deze door de douaneautoriteiten is aanvaard. De wijziging mag niet tot gevolg hebben dat de aangifte betrekking heeft op andere goederen dan die waarop zij oorspronkelijk betrekking had.
Er wordt evenwel geen wijziging meer toegestaan wanneer het verzoek daartoe wordt gedaan nadat de douaneautoriteiten:
a) hetzij de aangever in kennis hebben gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen;
b) hetzij hebben geconstateerd dat de betrokken vermeldingen onjuist zijn;
c) hetzij de goederen hebben vrijgegeven.”
4 Artikel 78, leden 1 en 3, van het douanewetboek bepaalt:
„1. De douaneautoriteiten kunnen na de vrijgave van de goederen ambtshalve of op verzoek van de aangever tot herziening van de aangifte overgaan.
[…]
3. Indien uit de herziening van de aangifte of uit de verificaties achteraf blijkt dat de bepalingen die voor de betrokken douaneregeling gelden, op grond van onjuiste of onvolledige gegevens zijn toegepast, nemen de douaneautoriteiten, met inachtneming van de eventueel vastgestelde bepalingen, de nodige maatregelen om een en ander recht te zetten, rekening houdend met de nieuwe gegevens waarover zij beschikken.”
Verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1).
5 Artikel 3, leden 2, 5 en 6, van verordening nr. 3665/87 bepaalt:
„2. De dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard, is bepalend voor:
a) de restitutievoet […]
[…]
5. Op het document dat bij de uitvoer wordt gebruikt om een restitutie te verkrijgen moeten alle nodige gegevens voor de berekening van de restitutie worden vermeld, met name:
a) de omschrijving van de producten volgens de voor de restituties gebruikte nomenclatuur;
[…]
6. Op het tijdstip van deze aanvaarding of van deze handeling worden de producten onder douanecontrole geplaatst tot zij het douanegebied van de Gemeenschap verlaten.”
6 Artikel 4 van deze verordening luidt:
„Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 en 16, mag de restitutie slechts worden uitbetaald als het bewijs is geleverd dat de producten waarvoor de uitvoeraangifte is aanvaard, uiterlijk zestig dagen na die aanvaarding in ongewijzigde staat het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten.”
7 Artikel 11, leden 1 en 3, van verordening nr. 3665/87, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2945/94 van de Commissie van 2 december 1994 tot wijziging van verordening nr. 3665/87 ter zake van de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen en de toe te passen sancties (PB L 310, blz. 57), dat van toepassing is op uitvoer waarvoor de in artikel 3 van verordening nr. 3665/87 genoemde formaliteiten vanaf 1 april 1995 zijn verricht, luidt:
„1. Wanneer wordt geconstateerd dat een exporteur een hogere uitvoerrestitutie heeft gevraagd dan de geldende, is de verschuldigde restitutie voor de betreffende uitvoer gelijk aan de geldende restitutie voor de werkelijke uitvoer, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan:
a) de helft van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie voor het daadwerkelijk uitgevoerde product;
b) het dubbele van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie, indien de exporteur opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt.
Als gevraagde restitutie wordt beschouwd het bedrag dat is berekend aan de hand van de gegevens die zijn verstrekt op grond van artikel 3 of van artikel 25, lid 2. […]
[…]
3. Onverminderd de verplichting tot betaling van alle negatieve bedragen als bedoeld in lid 1, vierde alinea, is de begunstigde verplicht om, indien een restitutie ten onrechte is betaald, de ten onrechte ontvangen bedragen terug te betalen, waaronder begrepen de overeenkomstig lid 1, eerste alinea, geldende sanctiebedragen, vermeerderd met een rente over het tussen de betaling en de terugbetaling verstreken tijdvak.
[…]”
Nationaal recht
8 […]
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
9 Gouralnik deed op 21 juni 1994, 10 oktober 1994 en 9 juni 1995 onder tariefpost 1602 4110 2100 aangifte ten uitvoer naar Rusland van gekookte achterham van varkens (huisdieren) zonder been. Tegelijkertijd verzocht zij om betaling van uitvoerrestituties, die het Hauptzollamt bij beschikkingen van 26 augustus 1994, 9 maart 1995 en 25 augustus 1995 voor een totaalbedrag van 35 999,06 DEM toekende. Bij een bij de leverancier van Gouralnik in het kader van de gemeenschappelijke marktordening uitgevoerde controle werd vastgesteld dat een gedeelte van de door Gouralnik aangegeven producten uit casseler rib (onderverdeling 1602 4911 1900 van de gecombineerde nomenclatuur) bestond.
10 Naar aanleiding van deze vaststelling eiste het Hauptzollamt bij aanslag van 17 maart 1998 van Gouralnik terugbetaling van de uitvoerrestituties op basis van het door de controledienst van de douane vastgestelde aandeel van de casseler rib, voor in totaal 8 069,22 DEM. Het was van mening dat Gouralnik geen recht op uitvoerrestituties had voor de casseler rib in de betrokken zendingen. Volgens hem waren deze goederen, voorzover Gouralnik er geen aangifte van had gedaan, niet onder douanecontrole geplaatst zodat er geen bewijs was van de uitvoer ervan.
11 […]
12 […]
13 […]
14 […]
15 De verwijzende rechter is van oordeel dat zijn beslissing afhangt van de vraag of kan worden aangenomen dat de casseler rib die van de verrichte zendingen deel uitmaakte, voor uitvoer is aangegeven en of de uitvoerrestitutie in ieder geval aan Gouralnik moet worden betaald volgens de voor casseler rib geldende voet. […]
16 Hij twijfelt niet over de rechtsgrondslag van een verplichting de restituties terug te betalen. In dat opzicht heeft het Finanzgericht met betrekking tot de beschikkingen van 26 augustus 1994 en van 9 maart 1995 terecht geoordeeld dat, bij ontbreken van een communautaire regeling, de nationale bepaling van § 10, lid 1, eerste alinea, van het [op 27 augustus 1986 uitgevaardigde Gesetz zur Durchführung der gemeinsamen Marktorganisationen (wet betreffende de instelling van de gemeenschappelijke marktorganisatie; hierna: „MOG”)] de grondslag vormt voor elke terugvordering van voor casseler rib toegekende uitvoerrestituties. Tevens is juist dat met betrekking tot de beschikking van 25 augustus 1995 de overeenkomstige rechtsgrondslag is te vinden in artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87, dat geldt voor uitvoer vanaf 1 april 1995.
17 De vraag doet zich voor of, zoals het Hauptzollamt meent, voor het aandeel casseler rib dat volgens het controlerapport van de douaneautoriteiten in de verschillende betrokken zendingen was begrepen in het geheel geen recht op betaling van uitvoerrestitutie bestond, dan wel deze bedragen ten minste tegen de voor casseler rib geldende restitutievoet moesten worden bepaald, zoals het Finanzgericht heeft aangegeven. Dit is afhankelijk van de vraag of casseler rib aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 3665/87 voldoet. Aangezien ervan moet worden uitgegaan dat de litigieuze zendingen op tijd zijn uitgevoerd in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 3665/87, moet enkel worden beslist of het aandeel casseler rib in de verschillende zendingen door de ingevolge artikel 4, lid 1, van verordening nr. 3665/87 vereiste uitvoeraangifte was gedekt. Dit was volgens de verwijzende rechter het geval.
18 Naar de mening van het Bundesfinanzhof moet de uitvoeraangifte volgens artikel 3, lid 5, sub a, van verordening nr. 3665/87 de omschrijving van de producten bevatten volgens de voor de restituties gebruikte nomenclatuur. Dit betekent dat deze omschrijving juist moet zijn. Indien deze omschrijving niet correct is, heeft dit niet noodzakelijkerwijs tot gevolg dat de aangegeven zending niet onder de uitvoeraangifte valt. Dat is in ieder geval zo wanneer het product dat daadwerkelijk deel uitmaakt van de betrokken zending niet volledig van de omschrijving in de uitvoeraangifte afwijkt. Dat is, zoals het Finanzgericht volgens het Bundesfinanzhof terecht heeft geoordeeld, in casu het geval. Zowel bij de aangegeven gekookte achterham alsook bij de casseler rib gaat het om varkensvlees, dat onder dezelfde tariefpost 1602 van het geharmoniseerde systeem valt en alleen verschilt ten aanzien van de indeling onder de verschillende onderverdelingen daarvan. Dat voor gekookte achterham en casseler rib niet dezelfde restitutievoet geldt, vormt in ieder geval geen reden om ervan uit te gaan dat de uitvoeraangifte niet op de casseler rib betrekking had.
19 Met de omstandigheid dat de casseler rib in de verrichte zendingen ten onrechte als gekookte achterham is aangegeven, moet in casu rekening worden gehouden, omdat de litigieuze aangifte in het kader van de ambtshalve controle door de douaneautoriteiten krachtens artikel 78, lid 3, van het communautair douanewetboek moet worden herzien en het ten onrechte betaalde gedeelte van de uitvoerrestituties moet worden teruggevorderd. Het Bundesfinanzhof geeft aan dat de herziening van de aangifte niet is uitgesloten op grond van het feit dat krachtens artikel 65, tweede alinea, sub c, van het communautair douanewetboek geen enkele herziening meer kan worden goedgekeurd nadat de goederen door de douaneautoriteiten zijn vrijgegeven. Op grond van artikel 78, lid 3, van dit wetboek zijn de controle en de herziening van de aangifte ten uitvoer immers te allen tijde mogelijk.
20 De verwijzende rechter beklemtoont dat hij gelet op het arrest van 21 januari 1999, Duitsland/Commissie [C-54/95, Jurispr. blz. I-35, punt 75], waarop het Hauptzollamt zich beroept, niet met zekerheid kan vaststellen of zijn redenering juist is. Indien de in punt 75 van dit arrest uiteengezette regel op het hoofdgeding werd toegepast, zou dit inhouden dat Gouralnik in casu geen recht heeft op betaling van de uitvoerrestitutie tegen de voor casseler rib geldende restitutievoet wanneer de onjuiste aangifte haar aan te rekenen zou zijn.
21 Volgens de verwijzende rechter valt echter uit de in punt 75 van het hiervóór aangehaalde arrest uiteengezette overwegingen af te leiden, dat deze regel slechts geldt wanneer de aangifte noch door de begunstigde noch door de douaneautoriteiten is herzien. Daar in het hoofdgeding echter een herziening van de aangifte door de douaneautoriteiten in de zin van artikel 78 van het communautair douanewetboek heeft plaatsgevonden en in dat kader de samenstelling van de ten uitvoer aangegeven zendingen is vastgesteld, betwijfelt de verwijzende rechter of het in casu met het gemeenschapsrecht valt te rijmen indien elke uitvoerrestitutie voor casseler rib wordt geweigerd. Dit valt te meer te betwijfelen nu artikel 11 van verordening nr. 3665/87 in een sanctieregeling voorziet ingeval een exporteur om een restitutie heeft verzocht die hoger is dan de restitutie waarop hij recht heeft. Deze bepaling kan ook situaties als de onderhavige dekken, in ieder geval met betrekking tot de restitutiebeschikking van 25 augustus 1995, zonder dat deze restitutie voor het onjuist aangegeven product volledig hoeft te worden geweigerd.
22 Het Bundesfinanzhof heeft het daarom nodig geacht de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„1) Bestaat er een recht op betaling van uitvoerrestituties tegen ten minste de voor het daadwerkelijk uitgevoerde product geldende restitutievoet, indien bij een douanecontrole wordt vastgesteld dat de aangegeven en uitgevoerde zending niet volledig uit het opgegeven product bestond, maar ten dele uit een ander product, waarvoor een lagere restitutievoet gold?
2) Is het voor de beslechting van het geschil van belang of het ten onrechte opgegeven product overeenkomst vertoont met het daadwerkelijk uitgevoerde product?
3) Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, volgens welke criteria moet dan worden bepaald of de aangifte ook het ten onrechte aangegeven product omvat?”
De prejudiciële vragen
Opmerkingen van partijen
23 […]
24 […]
25 […]
26 […]
27 […]
28 [De Commissie] is eveneens van mening dat artikel 78 van het communautair douanewetboek van toepassing is en dat dit de douaneautoriteiten toestaat om de aangifte te herzien wat betreft de onverschuldigde restituties, maar dat het hun bij gebreke van een aanvullende rechtsgrondslag niet toestaat om sancties op te leggen als het schrappen van elke restitutie voor de betrokken producten.
29 De Commissie voert bovendien overwegingen ter zake van evenredigheid aan en is van mening dat het weigeren van iedere restitutie in geval van onjuiste gegevens, niet nodig is ter bereiking van het daadwerkelijk nagestreefde doel, te weten het tegengaan van fraude. Zij acht het immers beter om, zoals verordening nr. 2945/94 doet, sancties mogelijk te maken die zijn gebaseerd op het te veel ontvangen bedrag en die strenger zijn naarmate de eventuele schuld zwaarder is.
30 Deze uitlegging is in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof ter zake van uitvoerrestituties. […]
31 […]
32 […]
Beantwoording door het Hof
33 Van oordeel dat over het antwoord op de prejudiciële vragen redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, heeft het Hof overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering de verwijzende rechterlijke instantie ervan in kennis gesteld dat het voornemens was te beslissen bij een met redenen omklede beschikking en heeft het de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie bedoelde belanghebbenden verzocht eventuele opmerkingen dienaangaande in te dienen.
34 […]
35 De in de punten 18 tot en met 21 van deze beschikking weergegeven uiteenzetting van de verwijzende rechter is bepalend voor de beantwoording van de prejudiciële vragen. Zij wordt ondersteund door de opmerkingen die de Commissie bij het Hof heeft ingediend.
36 Punt 75 van het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Commissie kan niet worden toegepast op de feiten in het hoofdgeding, maar moet worden uitgelegd rekening houdend met de feiten van de zaak waarop het betrekking heeft. In punt 77 van dit arrest heeft het Hof immers geoordeeld dat met de betaalde restituties rekening had kunnen worden gehouden tot het bedrag van het voor slachtvee geldende tarief, indien de douaneaangiften met betrekking tot de uitvoer van raszuivere fokrunderen achteraf zouden zijn gewijzigd op vertoon van de door de gemeenschapsregeling voor de uitvoer van slachtvee vereiste documenten (veterinaire certificaten, vervoersdocumenten, douanedocumenten van het land van invoer, etc.). Evenmin bleek er een herziening van de douaneaangiften overeenkomstig artikel 78 van het douanewetboek te hebben plaatsgevonden, terwijl volgens de verwijzende rechter de vraag van een dergelijke herziening in het hoofdgeding aan de orde is.
37 Derhalve dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat:
– ten aanzien van restituties waarom vóór 1 april 1995 is verzocht, artikel 78, lid 3, van het communautair douanewetboek en artikel 3, lid 5, sub a, van verordening nr. 3665/87 aldus moeten worden uitgelegd dat er recht bestaat op betaling van uitvoerrestituties tegen ten minste de voor het daadwerkelijk uitgevoerde product geldende restitutievoet, indien bij een douanecontrole wordt vastgesteld dat de aangegeven en uitgevoerde zending niet volledig uit het opgegeven product bestond, maar ten dele uit een ander product, waarvoor een lagere restitutievoet gold, en de douaneautoriteiten de aangifte overeenkomstig artikel 78, lid 3, van het communautair douanewetboek hebben herzien;
– het voor de beslechting van het geschil niet van belang is of het ten onrechte opgegeven product overeenkomst vertoont met het daadwerkelijk uitgevoerde product;
– op na 1 april 1995 gevraagde restituties artikel 11 van verordening nr. 3665/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2945/94, van toepassing is.
Kosten
38 […]
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof bij beschikking van 29 oktober 2002 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Ten aanzien van restituties waarom vóór 1 april 1995 is verzocht, moeten artikel 78, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, en artikel 3, lid 5, sub a, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, aldus worden uitgelegd dat er recht bestaat op betaling van uitvoerrestituties tegen ten minste de voor het daadwerkelijk uitgevoerde product geldende restitutievoet, indien bij een douanecontrole wordt vastgesteld dat de aangegeven en uitgevoerde zending niet volledig uit het opgegeven product bestond, maar ten dele uit een ander product, waarvoor een lagere restitutievoet gold, en de douaneautoriteiten de aangifte overeenkomstig artikel 78, lid 3, van het communautair douanewetboek hebben herzien.
2) Het is voor de beslechting van het geschil niet van belang of het ten onrechte opgegeven product overeenkomst vertoont met het daadwerkelijk uitgevoerde product.
3) Op na 1 april 1995 gevraagde restituties is in een dergelijk geval van toepassing artikel 11 van verordening nr. 3665/87, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2945/94 van de Commissie van 2 december 1994 tot wijziging van verordening nr. 3665/87 ter zake van de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen en de toe te passen sancties.
Luxemburg, 30 april 2004.
De griffier
De president van de Derde kamer
R. Grass
A. Rosas
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy