Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen - Verzoek om toestemming tot leggen van derden-beslag onder instelling - Noodzakelijkheid van toestemming van Hof - Omvang van bevoegdheid van Hof - Dwangmaatregelen die weerslag hebben op financiering van gemeenschappelijk beleid of uitvoering van door Gemeenschappen opgestelde actieprogramma's - Risico dat werking van Gemeenschappen wordt geschaad
(Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, art. 1)
Samenvatting
$$Artikel 1 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, volgens hetwelk de eigendommen en bezittingen van de Gemeenschappen zonder toestemming van het Hof niet kunnen worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard, dient te voorkomen dat de werking en de onafhankelijkheid van de Gemeenschappen worden geschaad. Het heeft daarentegen niet tot doel of tot gevolg, de controle door het Hof in de plaats te stellen van de controle door de nationale rechter, die bevoegd is om vast te stellen of daadwerkelijk aan alle voorwaarden voor het leggen van derdenbeslag is voldaan. Het is dan ook niet aan het Hof, maar aan de bevoegde nationale rechter om het bestaan van de vordering van de beslagdebiteur op de derde-beslagene te beoordelen.
Bijgevolg is de bevoegdheid van het Hof met betrekking tot een verzoek om derden-beslag beperkt tot het onderzoek van de vraag, of een dergelijke maatregel, gelet op de gevolgen die het toepasselijke nationale recht eraan verbindt, de goede werking en de onafhankelijkheid van de Europese Gemeenschappen kan belemmeren. In dit verband kan de werking van de Gemeenschappen worden gehinderd door dwangmaatregelen die een weerslag hebben op de financiering van het gemeenschappelijk beleid of op de uitvoering van door de Gemeenschappen opgestelde actieprogramma's.
( cf. punten 12-15 )
Partijen
In zaak C-1/02 SA,
Antippas, vennootschap naar Congolees recht, gevestigd te Kinshasa (Democratische Republiek Congo), vertegenwoordigd door M. Spandre, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. De Pauw en B. Martenczuk als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
betreffende een verzoek om toestemming tot het leggen van derdenbeslag onder de Commissie van de Europese Gemeenschappen
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, C. W. A. Timmermans, P. Jann, S. von Bahr (rapporteur) en A. Rosas, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de volgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 22 augustus 2002 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de vennootschap naar Congolees recht Antippas, gevestigd te Kinshasa (Democratische Republiek Congo), krachtens artikel 1, derde volzin, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen (hierna: Protocol") verzocht om toestemming tot het leggen van derdenbeslag onder de Commissie op bepaalde bedragen die de Europese Gemeenschap aan de Democratische Republiek Congo en de nationale bank van Congo verschuldigd zou zijn.
De aan het geding ten grondslag liggende feiten
2 De feiten van de zaak, zoals deze uit het dossier blijken, kunnen als volgt worden samengevat.
3 Bij vonnis van het Tribunal de grande instance van Kinshasa van 18 oktober 1996 zijn de Democratische Republiek Congo en de nationale bank van Congo hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan Antippas van een bedrag van 549 750 USD, vermeerderd met rente ad 12 % per jaar, te berekenen vanaf de betekening van de dagvaarding tot aan de algehele voldoening. Bij een tweede vonnis van dezelfde rechter van 22 april 1997 is de Democratische Republiek Congo veroordeeld tot betaling aan Antippas van een bedrag van 2 080 302 USD, vermeerderd met rente ad 8 % per jaar, te berekenen vanaf de betekening van de dagvaarding tot aan de algehele voldoening.
4 Het Gerecht van eerste aanleg van Brussel (België) heeft bij twee vonnissen van 8 april 1998 verlof tot tenuitvoerlegging van genoemde vonnissen verleend.
5 Op 10 juli 2002 heeft Antippas onder de Commissie derdenbeslag laten leggen op de bedragen die deze volgens haar aan de Democratische Republiek Congo en de nationale bank van Congo verschuldigd is.
6 Bij brief van 2 juli 2002 deelde de Commissie mee dat zij geen opeisbare of voorwaardelijke schuld jegens de Democratische Republiek Congo of de nationale bank van Congo had.
Conclusies van partijen
7 In haar verzoekschrift vraagt Antippas het Hof in de eerste plaats om toestemming tot het leggen van derdenbeslag onder de Commissie. Voorts verzoekt zij om voor recht te verklaren, dat de Commissie ten onrechte heeft verklaard dat zij geen opeisbare of voorwaardelijke schuld heeft jegens de Democratische Republiek Congo of de nationale bank van Congo.
8 Antippas stelt dat zij beslag wenst te laten leggen op de middelen die de Commissie in het kader van het zevende en achtste Europees Ontwikkelingsfonds aan de Democratische Republiek Congo heeft toegekend.
9 De Commissie verzoekt het Hof om vast te stellen dat er op het verzoek van Antippas niet hoeft te worden beslist, subsidiair om het verzoek af te wijzen. Bovendien verzoekt zij het Hof om verwijzingen van Antippas in de kosten.
10 Volgens de Commissie hoeft op het verzoek van Antippas niet te worden beslist omdat zij geen opeisbare of voorwaardelijke schuld jegens de Democratische Republiek Congo of de nationale bank van Congo heeft. De bedragen die de Gemeenschap uit hoofde van financieringsovereenkomsten in het kader van het zesde, zevende en achtste Europees Ontwikkelingsfonds heeft toegezegd, brengen geen enkele financiële overschrijving naar de Democratische Republiek Congo mee omdat de Commissie, gezien de problematische situatie van het land, de door de Gemeenschap gefinancierde projecten zelf uitvoert. Bovendien is er naar aanleiding van het nationale indicatieve programma van het achtste Europees Ontwikkelingsfonds nog geen financieringsovereenkomst getekend.
11 In ieder geval betoogt de Commissie dat een beslag op de middelen die in het kader van het communautaire beleid inzake ontwikkelingssamenwerking zijn vrijgemaakt voor de uitvoering van specifieke projecten en programma's ten bate van de Democratische Republiek Congo, de financiering en dus de uitvoering van deze communautaire projecten of programma's onmogelijk zou maken. Het beslag zou, indien het werd toegestaan, de werking van de Gemeenschap dus belemmeren.
Beoordeling door het Hof
12 Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht dat artikel 1 van het Protocol bepaalt, dat de eigendommen en bezittingen van de Gemeenschappen zonder toestemming van het Hof van Justitie niet kunnen worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard". Deze bepaling dient te voorkomen dat de werking en de onafhankelijkheid van de Gemeenschappen worden geschaad (beschikkingen van 11 april 1989, Generale Bank/Commissie, 1/88 SA, Jurispr. blz. 857, punt 2, en 29 mei 2001, Cotecna Inspection/Commissie C-1/00, Jurispr. blz. I-2219, punt 9).
13 Artikel 1 van het Protocol heeft daarentegen niet tot doel of tot gevolg, de controle door het Hof in de plaats te stellen van de controle door de nationale rechter, die bevoegd is om vast te stellen of daadwerkelijk aan alle voorwaarden voor het leggen van derdenbeslag is voldaan. Het is dan ook niet aan het Hof, maar aan de bevoegde nationale rechter om het bestaan van de vordering van de beslagdebiteur op de derde-beslagene te beoordelen.
14 De bevoegdheid van het Hof in geval van een verzoek om derdenbeslag te mogen leggen, is derhalve beperkt tot het onderzoek van de vraag of een dergelijke maatregel, gelet op de gevolgen die het toepasselijke nationale recht eraan verbindt, de goede werking en de onafhankelijkheid van de Europese Gemeenschappen kan belemmeren (beschikking Cotecna Inspection/Commissie, reeds aangehaald, punt 10).
15 In dit verband moet worden opgemerkt dat de werking van de Gemeenschappen kan worden gehinderd door dwangmaatregelen die een weerslag hebben op de financiering van het gemeenschappelijk beleid of de uitvoering van door de Gemeenschappen opgestelde actieprogramma's (beschikking Cotecna Inspection/Commissie, reeds aangehaald, punt 12).
16 Volgens artikel 177, lid 1, EG, is het beleid van de Gemeenschap op het gebied van ontwikkelingssamenwerking onder meer gericht op de duurzame economische en sociale ontwikkeling van de ontwikkelingslanden.
17 De Gemeenschap heeft haar ontwikkelingssamenwerking met staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan georganiseerd in een reeks achtereenvolgens met die landen gesloten verdragen. De financiële ontwikkelingssamenwerking van de Gemeenschap met de Democratische Republiek Congo moet in deze context worden gezien. Het specifieke kader van deze samenwerking is vastgelegd in de nationale indicatieve programma's van het zesde, het zevende en het achtste Europees Ontwikkelingsfonds. Deze programma's bepalen het globale bedrag dat voor de ontwikkelingssamenwerking met de Democratische Republiek Congo beschikbaar is en wijzen de gebieden, de doelstellingen en de modaliteiten van de communautaire tussenkomst aan (zie, met betrekking tot de ontwikkelingssamenwerking met de Republiek Djibouti, beschikking Cotecna Inspection/Commissie, reeds aangehaald, punt 14).
18 Het verzoek van Antippas heeft betrekking op middelen die de Commissie voornemens is uit het Europees Ontwikkelingsfonds vrij te maken en in het kader van het communautaire beleid inzake ontwikkelingssamenwerking te bestemmen voor de uitvoering van specifieke programma's ten bate van de Democratische Republiek Congo.
19 De toestemming tot het leggen van derdenbeslag zou er in casu toe leiden dat middelen die door de Gemeenschap uitdrukkelijk voor het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking zijn uitgetrokken, zouden worden bestemd voor particuliere belangen die niets met dit beleid van doen hebben.
20 Derhalve moet het verzoek van Antippas worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
21 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dit is gevorderd. Aangezien Cotecna in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer)
beschikt:
1) Het verzoek wordt afgewezen.
2) Antippas wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy