ARREST VAN HET GERECHT (Enkelvoudige kamer)
van 25 maart 2004
Zaak T‑145/02
Armin Petrich
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Algemeen vergelijkend onderzoek – Niet-toelating tot examens – Aankondiging van vergelijkend onderzoek – Vereiste beroepservaring – Motiveringsplicht – Beginsel van behoorlijk bestuur en zorgplicht”
Volledige Franse tekst II - 0000
Betreft: Vordering tot, enerzijds, nietigverklaring van het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek COM/A/7/01 van 11 februari 2002 houdende weigering om verzoekers schriftelijk examen te verbeteren en afwijzing van zijn sollicitatie, en van alle latere handelingen en verrichtingen van dat vergelijkend onderzoek, en anderzijds, een vordering tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoeker door dit besluit zou hebben geleden.
Beslissing: Het beroep wordt verworpen. De subsidiaire vordering, ertoe strekkende toe te staan dat verzoeker het bewijs levert dat zijn functie van „Sonderschulrektor” binnen de in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek geëiste beroepservaring valt, wordt afgewezen. Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Samenvatting
1. Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Vergelijkend onderzoek op grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examen – Aankondiging van vergelijkend onderzoek – Doel
(Ambtenarenstatuut, bijlage III, art. 1, lid 1)
2. Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Vergelijkend onderzoek op grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examen – Toelatingsvoorwaarden – Vaststelling in aankondiging van vergelijkend onderzoek – Beoordeling, door jury, van beroepservaring van kandidaten – Rechterlijke toetsing – Grenzen
(Ambtenarenstatuut, bijlage III, art. 2)
3. Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Vergelijkend onderzoek op grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examen – Toelatingsvoorwaarden – Overlegging van stukken voor toelating tot examen – Verplichting die volgens aankondiging van vergelijkend onderzoek op sollicitanten rust – Omvang
(Ambtenarenstatuut, bijlage III, art. 2 en 5)
4. Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Jury – Niet-toelating tot examen – Motiveringsplicht – Omvang
(Ambtenarenstatuut, art. 25, tweede alinea)
5. Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Vergelijkend onderzoek op grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examen – Toelatingsvoorwaarden – Bewijsstukken – Verzoek van jury om nadere inlichtingen – Loutere mogelijkheid – Verplichting, overlegging van alle vereiste stukken te verlangen – Geen
(Ambtenarenstatuut, bijlage III, art. 2, tweede alinea)
6. Ambtenaren – Beroep – Beroep tot schadevergoeding – Geen onwettige gedraging van instelling – Verwerping
(Ambtenarenstatuut, art. 91)
1. De jury van een vergelijkend onderzoek is gebonden aan de tekst en, in het bijzonder, de toelatingsvoorwaarden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek. De aankondiging van vergelijkend onderzoek heeft volgens het Statuut immers voornamelijk tot doel, de belanghebbenden zo nauwkeurig mogelijk in te lichten over de voor het betrokken ambt gestelde voorwaarden, zodat zij enerzijds kunnen beoordelen of het voor hen dienstig is te solliciteren, en anderzijds kunnen nagaan welke bewijsstukken voor de werkzaamheden van de jury van belang zijn en dus bij het sollicitatieformulier moeten worden gevoegd.
(cf. punt 34)
Referentie: Gerecht 23 januari 2002, Gonçalves/Parlement, T‑386/00, JurAmbt. blz. I‑A‑13 en II‑55, punt 73
2. De jury van een vergelijkend onderzoek dient van geval tot geval te onderzoeken of de door de sollicitant aannemelijk gemaakte beroepservaring voldoet aan de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde eisen. Zij beschikt ter zake over een discretionaire bevoegdheid, in het kader van de statutaire bepalingen betreffende vergelijkende onderzoeken, zowel met betrekking tot de aard en de duur van de vroegere beroepservaring van de sollicitanten als met betrekking tot het nauwe of minder nauwe verband van die beroepservaring met de eisen van het ambt waarin moet worden voorzien. Bij zijn wettigheidtoetsing moet het Gerecht zich dus ertoe beperken, te onderzoeken of bij de uitoefening van die bevoegdheid geen kennelijke fout is gemaakt.
(cf. punt 37)
Referentie: Gerecht 13 december 1990, González Holguera/Parlement, T‑115/89, Jurispr. blz. II‑831, punt 54; Gerecht 28 november 1991, Van Hecken/CES, T‑158/89, Jurispr. blz. II‑1341, punt 22; Gerecht 21 november 2000, Carrasco Benítez/Commissie, T‑214/99, JurAmbt. blz. I‑A‑257 en II‑1169, punten 69 en 71
3. Bij haar onderzoek of aan de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde toelatingsvoorwaarden is voldaan, mag de jury van een vergelijkend onderzoek alleen rekening houden met de gegevens die de sollicitanten in hun sollicitatieformulier hebben verstrekt, en met de bewijsstukken die zij ter staving daarvan hebben overgelegd. De jury kan immers niet verplicht worden geacht, zelf te onderzoeken of de sollicitanten aan alle in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarden voldoen. Wanneer de bepalingen van een aankondiging van vergelijkend onderzoek op duidelijke en ondubbelzinnige wijze voorschrijven dat bewijsstukken bij het sollicitatieformulier moeten worden gevoegd, kan de niet-nakoming van die verplichting door een sollicitant niet tot gevolg hebben dat de jury of het tot aanstelling bevoegd gezag het recht heeft of zelfs verplicht is, tegen deze aankondiging in te handelen.
(cf. punten 45 en 49)
Referentie: Hof 31 maart 1992, Burban/Parlement, C‑255/90 P, Jurispr. blz. I‑2253, punt 12; Gonçalves/Parlement, reeds aangehaald, punt 74, en de aangehaalde rechtspraak; Carrasco Benítez/Parlement, reeds aangehaald, punt 77
4. De verplichting om een bezwarend besluit met redenen te omkleden heeft tot doel, de betrokkene de gegevens te verschaffen die hij nodig heeft om te beoordelen of het besluit al dan niet gegrond is, en rechterlijke toetsing mogelijk te maken. Deze verplichting moet de belanghebbende onder meer in staat stellen, kennis te nemen van de redenen van een jegens hem genomen besluit, zodat hij in voorkomend geval zijn rechten en belangen in rechte kan verdedigen. Bij een besluit om een sollicitant niet tot het vergelijkend onderzoek toe te laten moet de jury van het vergelijkend onderzoek nauwkeurig aangeven aan welke in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarde de sollicitant haars inziens niet heeft voldaan.
(cf. punt 54)
Referentie: Hof 21 juni 1984, Lux/Rekenkamer, 69/83, Jurispr. blz. 2447, punt 36; Gerecht 20 juni 1990, Burban/Parlement, T‑133/89, Jurispr. blz. II‑245, punt 43; Gonçalves/Parlement, reeds aangehaald, punten 61 en 62; Carrasco Benítez/Commissie, reeds aangehaald, punt 173
5. Een jury van een vergelijkend onderzoek is geenszins verplicht een sollicitant te verzoeken aanvullende bewijsstukken over te leggen naast die welke hij bij zijn sollicitatieformulier heeft gevoegd teneinde zijn beroepservaring te toetsen aan de eisen van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek. Uit de bewoordingen van artikel 2, tweede alinea, van bijlage III bij het Statuut blijkt immers dat deze aan de jury louter de mogelijkheid bieden om sollicitanten om nadere inlichtingen te verzoeken wanneer zij twijfelt over de draagwijdte van een bepaald document. Er kan dienaangaande geen sprake van zijn dat in een verplichting wordt omgezet wat de gemeenschapswetgever als een loutere mogelijkheid voor de jury van een vergelijkend onderzoek heeft bedoeld.
(cf. punt 76)
Referentie: Burban/Parlement, reeds aangehaald, punten 16 en 20; Gerecht 21 mei 1992, Almeida Antunes/Parlement, T‑54/91, Jurispr. blz. II‑1739, punt 40; Gerecht 16 september 1998, Jouhki/Commissie, T‑215/97, JurAmbt. blz. I‑A‑503 en II‑1513, punt 58; Carrasco Benítez/Commissie, reeds aangehaald, punt 78
6. De Commissie kan pas aansprakelijk worden gesteld indien tegelijkertijd is voldaan aan een aantal voorwaarden, namelijk dat het aan de instellingen verweten gedrag onwettig is, dat er werkelijk schade geleden is en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het gedrag en de gestelde schade.
De door een kandidaat van een vergelijkend onderzoek ingestelde vordering tot vergoeding van de schade die hem zou zijn berokkend door een besluit van de jury houdende weigering om zijn schriftelijk examen te corrigeren en afwijzing van zijn sollicitatie, moet worden afgewezen wanneer de onwettigheid van deze gedraging niet is aangetoond.
(cf. punten 87 en 88)
Referentie: Hof 16 december 1987, Delauche/Commissie, 111/86, Jurispr. blz. 5345, punt 30; Gerecht 17 oktober 2002, Cocchi en Hainz/Commissie, T‑330/00 en T‑114/01, JurAmbt. blz. I‑A‑193 en II‑987, punt 97; Gerecht 17 juli 2003, Wagemann-Reuter/Rekenkamer, T‑81/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 40
Full & Egal Universal Law Academy