ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
van 2 maart 2004
Zaak T‑197/02
Georges Caravelis
tegen
Europees Parlement
„Ambtenaren – Weigering van bevordering – Vergelijking van verdiensten – Arrest tot nietigverklaring – Uitvoeringsmaatregelen – Artikel 233 EG – Beroep tot nietigverklaring en tot schadevergoeding”
Volledige Griekse tekst II - 0000
Betreft: Beroep tot nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 28 september 2001 om verzoeker niet met terugwerkende kracht tot de rang A 4 te bevorderen en tot vergoeding van de door verzoeker geleden morele en materiële schade.
Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Samenvatting
1. Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten – Nieuw onderzoek van verdiensten uit hoofde van bevorderingsronde die tot arrest tot nietigverklaring heeft geleid – Modaliteiten – Onderzoek dat moet geschieden door leden van raadgevend bevorderingscomité dat voor betrokken ronde is opgericht – Afwezigheid van aantal opgeroepen leden – Geen invloed
2. Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten – Modaliteiten – Recht van tot aanstelling bevoegd gezag om bevorderingscomité om opheldering en aanvullende stukken te vragen
(Ambtenarenstatuut, art. 45, lid 1)
3. Ambtenaren – Beroep – Arrest tot nietigverklaring – Gevolgen – Verplichting om uitvoeringsmaatregelen te treffen – Omvang – Inaanmerkingneming van zowel motivering als dictum van arrest – Arrest houdende nietigverklaring van weigering van bevordering wegens ontbreken van regelmatige vergelijking van verdiensten – Verplichting om tot die vergelijking over te gaan
(Art. 233 EG)
4. Ambtenaren – Bevordering – Voor bevordering in aanmerking komende kandidaten – Recht op bevordering – Geen
(Ambtenarenstatuut, art. 45, lid 1)
5. Ambtenaren – Bevordering – Beoordelingsvrijheid van administratie – Rechterlijke toetsing – Grenzen
(Ambtenarenstatuut, art. 45)
6. Ambtenaren – Bevordering – Klacht van niet-bevorderde kandidaat – Afwijzing – Motivering
(Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 2)
7. Ambtenaren – Niet-contractuele aansprakelijkheid van instellingen – Voorwaarden –Fout van administratie – Schade – Oorzakelijk verband
1. Geen enkele statutaire bepaling of interne richtlijn aan de raadgevende bevorderingscomités van het Parlement vereist dat een nieuwe vergelijking van de verdiensten van een voor bevordering in aanmerking komende ambtenaar, welke noodzakelijk is geworden door een arrest houdende nietigverklaring, door dezelfde leden van het raadgevend bevorderingscomité geschiedt als zij die de bevorderingsvoorstellen hebben gedaan tijdens de bevorderingsronde in de loop waarvan zich een onregelmatigheid had voorgedaan, mits alle leden naar behoren zijn aangewezen door het besluit houdende vaststelling van de samenstelling van het bevorderingscomité voor die bevorderingsronde.
De aanwijzing, binnen het raadgevend bevorderingscomité, van leden en plaatsvervangende leden dient ter vergemakkelijking van de continuïteit van de werkzaamheden van het comité en het bijeenroepen van vergaderingen ervan, ondanks het feit dat bepaalde leden wellicht verhinderd of niet beschikbaar zijn. Er kan niet worden gesteld dat een vergadering onregelmatig was of dat de instelling het beginsel van gelijke vertegenwoordiging heeft geschonden, alleen omdat bepaalde door het personeelscomité aangewezen vertegenwoordigers, die naar behoren waren opgeroepen, daaraan niet hebben deelgenomen.
(cf. punten 24 en 25)
2. Het tot aanstelling bevoegd gezag heeft het recht, en zelfs de plicht, om het raadgevend bevorderingscomité om alle aanvullende stukken en opheldering te vragen die het nuttig of zinvol acht om hem in staat te stellen, de beoordelingen die over de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren zijn uitgebracht en hun andere verdiensten objectief en met de grootste nauwkeurigheid te beoordelen.
(cf. punt 31)
3. Om zich te voegen naar een arrest houdende nietigverklaring en hieraan volledige uitvoering te geven, moeten de instellingen niet alleen het dictum van het arrest naleven, maar ook de rechtsoverwegingen die daartoe hebben geleid en er de noodzakelijke steun aan bieden, daar zij onontbeerlijk zijn om de nauwkeurige betekenis van het dictum te bepalen. Een arrest waarin het besluit om een ambtenaar niet te bevorderen nietig is verklaard wegens onregelmatigheden die, wat de vergelijking van verdiensten betreft, de bevorderingsprocedure hebben aangetast, houdt niet in dat de verzoeker bevorderd moet worden. De betrokken instelling is ter uitvoering van dit arrest enkel gehouden om in het kader van de betrokken bevorderingsronde een nieuw besluit jegens hem te nemen en met het oog daarop over te gaan tot een regelmatige vergelijking van verdiensten.
(cf. punten 52‑54)
Referentie: Hof 26 april 1988, Asteris e.a./Commissie, 97/86, 99/86, 193/86 en 215/86, Jurispr. blz. 2181, punt 27; Hof 3 oktober 2000, Industrie des poudres sphériques/Raad, C‑458/98 P, Jurispr. blz. I‑8147, punt 81; Gerecht 8 mei 2001, Caravelis/Parlement, T‑182/99, Jurispr. blz. II‑1313, punten 41 en 45
4. Het Statuut verleent geen absoluut recht op bevordering, zelfs niet aan ambtenaren die aan alle voorwaarden voldoen om te worden bevorderd.
(cf. punt 57)
Referentie: Gerecht 9 februari 1994, Latham/Commissie, T‑3/92, JurAmbt. blz. I‑A‑23 en II‑83, punt 50; Gerecht 6 juni 1996, Baiwir/Commissie, T‑262/94, JurAmbt. blz. I‑A‑257 en II‑739, punt 67
5. Bij de vergelijking van de verdiensten die bij een bevorderingsbesluit als bedoeld in artikel 45 van het Statuut in aanmerking moeten worden genomen beschikt het tot aanstelling bevoegd gezag over een ruime vrijheid en kan het te werk gaan volgens de procedure of methode die het het meest geschikt acht. Het toezicht van de gemeenschapsrechter dient zich op dat gebied te beperken tot de vraag, of de administratie, gelet op de wegen en middelen die haar tot haar oordeel konden brengen, binnen redelijke grenzen is gebleven en niet een kennelijk onjuist gebruik van haar vrijheid heeft gemaakt. Het Gerecht kan zijn beoordeling van de kwalificaties en verdiensten van de ambtenaren derhalve niet in de plaats stellen van die van het tot aanstelling bevoegd gezag.
(cf. punten 58 en 59)
Referentie: Gerecht 22 februari 2000, Rose/Commissie, T‑22/99, JurAmbt. blz. I‑A‑27 en II‑115, punt 55; Caravelis/Parlement, reeds aangehaald, punt 30, en de aldaar aangehaalde rechtspraak
6. Het tot aanstelling bevoegd gezag is niet gehouden, de bevorderingsbesluiten te motiveren jegens de niet-bevorderde ambtenaren. De instelling is echter wel verplicht haar besluit tot afwijzing van een door een niet-bevorderde kandidaat krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediende klacht met redenen te omkleden.
(cf. punt 68)
Referentie: Gerecht 29 mei 1997, Contargyris/Raad, T‑6/96, JurAmbt. blz. I‑A‑119 en II‑357; Gerecht 20 februari 2002, Roman Parra/Commissie, T‑117/01, JurAmbt. blz. I‑A‑27 en II‑121, punt 25
7. Voor de aansprakelijkheid van de Gemeenschap moet zijn voldaan aan een aantal voorwaarden: onrechtmatigheid van de aan de gemeenschapsinstellingen verweten gedraging, werkelijk geleden schade en een causaal verband tussen die gedraging van de instelling en de gestelde schade.
(cf. punt 76)
Referentie: Hof 16 december 1987, Delauche/Commissie, 111/86, Jurispr. blz. 5345, punt 30; Gerecht 27 februari 1992, Plug/Commissie, T‑165/89, Jurispr. blz. II‑367, punt 115
Full & Egal Universal Law Academy