ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
30 september 2004
Zaak T‑246/02
Albano Ferrer de Moncada
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Ambtenaren – Beoordelingsrapport – Te late opstelling – Vergoeding van geleden schade”
Volledige Franse tekst II - 0000
Betreft: Enerzijds een verzoek tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie houdende stilzwijgende afwijzing van de door verzoeker op 28 augustus 2001 ingediende vordering tot vergoeding van de schade die hij door de te late opstelling van de beoordelingsrapporten over de perioden 1995/1997 en 1997/1999 heeft geleden, en, voorzover nodig, van het besluit van de Commissie houdende stilzwijgende afwijzing van de door verzoeker op 14 januari 2002 ingediende klacht, en anderzijds, een vordering tot vergoeding van de schade die verzoeker door de te late opstelling van die beoordelingsrapporten heeft geleden.
Beslissing: De Commissie wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van 7 000 euro aan verzoeker, naast de 1 000 euro die de Commissie al heeft toegekend. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De Commissie wordt verwezen in de kosten.
Samenvatting
1. Ambtenaren – Beroep – Beroep tot schadevergoeding – Toekenning, in loop van procedure, van lagere vergoeding door administratie dan gevorderd bedrag – Beroep niet zonder voorwerp geraakt
(Ambtenarenstatuut, art. 91, lid 1)
2. Ambtenaren – Beroep – Voorafgaande administratieve klacht – Identiteit van voorwerp en grond – Middelen en argumenten niet vermeld in, doch nauw aansluitend bij klacht – Ontvankelijkheid
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
3. Ambtenaren – Beoordeling – Beoordelingsrapport – Opstelling – Termijnoverschrijding – Dienstfout die morele schade veroorzaakt – Voorwaarden
(Ambtenarenstatuut, art. 43)
4. Ambtenaren – Beoordeling – Beoordelingsrapport – Opstelling – Termijnoverschrijding – Rechtvaardiging gebaseerd op organisatorische problemen – Ontoelaatbaarheid – Vertraging ten dele te wijten aan ambtenaar
(Ambtenarenstatuut, art. 43)
1. Een beroep strekkende tot toekenning van een ex aequo et bono te bepalen vergoeding voor morele schade, geraakt niet zonder voorwerp wanneer in de loop van de procedure een vergoeding door de administratie is toegekend, voorzover die vergoeding lager is dan het bedrag dat de verzoeker in het kader van zijn beroep vordert.
(cf. punt 54)
2. Ingevolge artikel 91, lid 2, van het Statuut is een door een ambtenaar ingesteld beroep slechts ontvankelijk voorzover bij het tot aanstelling bevoegd gezag eerst een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut is ingediend. Bovendien moeten de conclusies van het beroep hetzelfde voorwerp hebben als die welke in de voorafgaande administratieve klacht zijn geformuleerd en moeten zij bezwaren bevatten die op dezelfde grond berusten als in de klacht zijn aangevoerd.
De klacht strekt er echter niet toe, de omvang van een eventueel beroep in rechte nauwkeurig en definitief af te bakenen. De bezwaren kunnen voor de gemeenschapsrechter worden gepreciseerd door middelen en argumenten die niet noodzakelijkerwijs in de klacht voorkomen, doch er wel nauw bij aansluiten
(cf. punten 58 en 59)
Referentie: Hof 23 april 2002, Campogrande/Commissie, C‑62/01 P, Jurispr. blz. I‑3793, punt 34; Gerecht 28 mei 1997, Burban/Parlement, T‑59/96, JurAmbt. blz. I‑A‑109 en II‑331, punt 31; Gerecht 16 september 1998, Rasmussen/Commissie, T‑193/96, JurAmbt. blz. I‑A‑495 en II‑1495, punt 47; Gerecht 5 december 2000, Gooch/Commissie, T‑197/99, JurAmbt. blz. I‑A‑271 en II‑1247, punten 35 en 38‑40
3. Een ambtenaar kan morele schade lijden door het ontbreken van een beoordelingsrapport in zijn persoonsdossier, indien zijn loopbaan daardoor nadelig kan zijn beïnvloed of indien dit bij hem onzekerheid of ongerustheid over zijn toekomstige loopbaan heeft veroorzaakt.
(cf. punt 70)
Referentie: Gerecht 28 mei 1998, W/Commissie, T‑78/96 en T‑170/96, JurAmbt. blz. I‑A‑239 en II‑745, punt 233
4. Het is een gebiedende plicht van de administratie, ervoor te zorgen dat de beoordelingsrapporten periodiek op de door het Statuut voorgeschreven tijdstippen naar behoren worden opgesteld. Een instelling kan zich dus niet beroepen op interne problemen verband houdende met haar organisatie om de niet-nakoming van de verplichtingen die jegens haar ambtenaren op haar rusten te rechtvaardigen.
Een ambtenaar kan echter niet over de vertraagde opstelling van zijn beoordelingsrapport klagen, wanneer die vertraging, althans ten dele, aan hemzelf is te wijten of wanneer hij in aanzienlijke mate daartoe heeft bijgedragen.
(cf. punten 81 en 85)
Referentie: Hof 18 december 1980, Gratreau/Commissie, 156/79 en 51/80, Jurispr. blz. 3943, punt 15; Gerecht 16 december 1993, Moritz/Commissie, T‑20/89, Jurispr. blz. II‑1423, punten 37 en 50; Gerecht 23 oktober 2003, Lebedef/Commissie, T‑279/01, JurAmbt. blz. I‑A‑249 en II‑1203, punt 57
Full & Egal Universal Law Academy