ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)
14 oktober 2004
Zaak T‑256/02
I
tegen
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
„Ambtenaren – Beroep tot schadevergoeding – Blootstelling aan asbest – Beroepsziekte – Schade”
Volledige Franse tekst II - 0000
Betreft: Vordering tot vergoeding van de lichamelijke, immateriële, professionele en financiële schade die verzoeker stelt te hebben geleden.
Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Samenvatting
1. Ambtenaren – Beroep – Beroep tot schadevergoeding – Vordering tot nietigverklaring van precontentieus besluit houdende afwijzing van vordering tot schadevergoeding – Vordering die niet zelfstandig is ten opzichte van vordering tot schadevergoeding
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
2. Ambtenaren – Niet-contractuele aansprakelijkheid van instellingen – Voorwaarden – Fout van administratie – Schade – Oorzakelijk verband – Cumulatieve voorwaarden
3. Ambtenaren – Niet-contractuele aansprakelijkheid van instellingen – Forfaitaire vergoeding krachtens statutaire regeling – Vordering tot aanvullende vergoeding krachtens gemeen recht – Toelaatbaarheid – Voorwaarden
(Ambtenarenstatuut, art. 73)
4. Ambtenaren – Sociale zekerheid – Verzekering ongevallen en beroepsziekten – Invaliditeit – Begrip – Onvermogen om normaal actief leven te leiden – Onvermogen in affectieve sfeer – Daaronder begrepen
(Ambtenarenstatuut, art. 73)
5. Procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1)
6. Ambtenaren – Beroep – Middelen – Misbruik van bevoegdheid – Begrip
1. Het besluit waarbij een instelling een vordering tot schadevergoeding afwijst, vormt een integrerend deel van de administratieve procedure die aan een bij het Gerecht ingestelde aansprakelijkheidsactie voorafgaat. Bijgevolg kunnen de vorderingen tot nietigverklaring van dat besluit niet los van de vorderingen tot schadevergoeding worden beoordeeld. De handeling waarbij de instelling tijdens de precontentieuze fase haar standpunt bepaalt, heeft immers enkel tot doel, degene die schade zou hebben geleden in staat te stellen een vordering tot schadevergoeding bij het Gerecht in te dienen.
(cf. punt 47)
Referentie: Gerecht 18 december 1997, Gill/Commissie, T‑90/95, JurAmbt. blz. I‑A‑471 en II‑231, punt 45, Gerecht 6 maart 2001, Ojha/Commissie, T‑77/99, JurAmbt. blz. I‑A‑61 en II‑293, punt 68; Gerecht 5 december 2002, Hoyer/Commissie, T‑209/99, JurAmbt. blz. I‑A‑243 en II‑1211, punt 32
2. In het kader van een schadevordering van een ambtenaar kan de Gemeenschap pas aansprakelijk kan worden gesteld indien tegelijkertijd is voldaan aan een aantal voorwaarden, namelijk dat het aan de instellingen verweten gedrag onwettig is, dat er werkelijke schade is geleden en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het gedrag en de gestelde schade, waarbij de verzoeker moet aantonen dat aan deze voorwaarden is voldaan. Deze drie voorwaarden voor de aansprakelijkstelling van de Gemeenschap zijn cumulatief, zodat de Gemeenschap niet aansprakelijk kan worden gesteld wanneer aan één van die voorwaarden niet is voldaan.
(cf. punten 49 en 50)
Referentie: Hof 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C‑136/92 P, Jurispr. blz. I‑1981, punt 42; Hof 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie, C‑257/98 P, Jurispr. blz. I‑5251, punt 14; Gerecht 26 mei 1998, Bieber/Parlement, T‑205/96, JurAmbt. blz. I‑A‑231 en II‑723, punt 48; Gerecht 14 mei 1998, Lucaccioni/Commissie, T‑165/95, JurAmbt. blz. I‑A‑203 en II‑627, punt 57
3. De ambtenaren hebben het recht een aanvullende vergoeding te vorderen naast de vergoedingen die zij uit hoofde van artikel 73 van het Statuut ontvangen, wanneer de instelling naar gemeen recht aansprakelijk is voor het ongeval of de beroepsziekte en de statutaire vergoedingen ontoereikend zijn om de geleden schade volledig te vergoeden. Deze forfaitaire schadevergoeding kan evenwel niet tot een dubbele vergoeding van de geleden schade leiden. In die zin staan de twee vergoedingsregelingen niet los van elkaar.
(cf. punt 53)
Referentie: Hof 8 oktober 1986, Leussink e.a./Commissie, 169/83 en 136/84, Jurispr. blz. 2801, punten 10‑14; Hof 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie, reeds aangehaald, punten 19‑22
4. Het in artikel 73 van het Statuut bedoelde begrip invaliditeit houdt in het onvermogen om een normaal actief leven te leiden, daaronder begrepen de affectieve sfeer. Hieruit volgt dat de door de instelling aangewezen arts of een medische commissie in het kader van de procedure van erkenning van een beroepsziekte rekening mag houden met de immateriële schade die een ambtenaar bij de uitoefening van zijn beroepsactiviteit heeft geleden, wanneer die schade het voor hem onmogelijk maakt een normaal actief leven te leiden.
(cf. punt 84)
5. Volgens artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet het inleidend verzoekschrift een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen inhouden. Deze uiteenzetting moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verdediging voor te bereiden en het Gerecht de mogelijkheid te bieden eventueel zonder andere ondersteunende informatie op het beroep uitspraak te doen. Het beroepschrift moet bijgevolg duidelijk laten uitkomen, op welk middel het beroep is gebaseerd, zodat de loutere vermelding van dit middel niet aan de vereisten van het Reglement voor de procesvoering voldoet.
(cf. punt 112)
Referentie: Gerecht 12 januari 1995, Viho/Commissie, T‑102/92, Jurispr. blz. II‑17, punt 68; Gerecht 14 mei 1998, Mo och Domsjö/Commissie, T‑352/94, Jurispr. blz. II‑1989, punt 333
6. Het begrip misbruik van bevoegdheid heeft een welbepaalde inhoud, die ziet op het geval dat een administratief gezag zijn bevoegdheden gebruikt met een ander doel dan waarvoor zij zijn verleend. Bij een besluit is slechts sprake van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat het is genomen ter bereiking van andere doelen dan die welke de administratie stelt te hebben nagestreefd.
(cf. punt 115)
Referentie: Hof 5 juni 2003, O’Hannrachain/Parlement, C‑121/01 P, Jurispr. blz. I‑5553, punt 46; Gerecht 12 juni 1997, Krämer/Commissie, T‑104/96, JurAmbt. blz. I‑A‑151 en II‑463, punt 67
Full & Egal Universal Law Academy