ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer — uitgebreid)
11 juni 2009 ( *1 )
„Staatssteun — Door Italiaanse autoriteiten opgezette steunregeling in vorm van belastingvrijstellingen en leningen tegen gunstige tarieven voor sommige nutsbedrijven — Beschikking waarbij steun met gemeenschappelijke markt onverenigbaar is verklaard — Beroep tot nietigverklaring — Geen individuele geraaktheid — Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T-309/02,
Acegas-APS SpA, voorheen Acqua, Elettricità, Gas e servizi SpA (Acegas), gevestigd te Triëst (Italië), vertegenwoordigd door F. Devescovi, F. Ferletic, L. Daniele, F. Spitaleri en S. Gobbato, advocaten,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Di Bucci als gemachtigde,
verweerster,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van de artikelen 2 en 3 van beschikking 2003/193/EG van de Commissie van 5 juni 2002 inzake de steunmaatregel betreffende belastingvrijstellingen en leningen tegen gunstige voorwaarden die Italië heeft verstrekt ten gunste van nutsbedrijven waarin de overheid een meerderheidsdeelneming heeft (PB 2003, L 77, blz. 21),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Achtste kamer — uitgebreid),
samengesteld als volgt: E. Martins Ribeiro, kamerpresident, D. Šváby, S. Papasavvas, N. Wahl (rapporteur) en A. Dittrich, rechters,
griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 april 2008,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
Verzoekster, Acegas-APS SpA, voorheen Acqua, Elettricità, Gas e servizi SpA (Acegas), is een kapitaalvennootschap waarvan de meerderheid van de aandelen in handen is van de stad Triëst (Italië). Zij is in 1997 opgericht, na omvorming van het gemeentelijke bedrijf Azienda Comunale Elettricità Gas e Acqua. Verzoekster is deze laatste in haar rechten en verplichtingen opgevolgd. De oprichtingsakte van verzoekster voorziet erin dat de openbare diensten die voorheen door het gemeentelijk bedrijf werden verzorgd, aan haar zijn toegewezen. In overeenstemming met haar vennootschappelijk doel verzorgt verzoekster in hoofdzaak de distributie van water, elektriciteit en methaangas alsook de inzameling, het vervoer en de verwerking van afval op het grondgebied van de stad Triëst en enkele gemeenten van de provincie Triëst. Krachtens haar statuten mag verzoekster ook interveniëren in complementaire activiteitengebieden en activiteitengebieden die haar door de stad Triëst of, na voorafgaand akkoord van deze laatste, door andere publieke of particuliere entiteiten worden toegewezen.
Toepasselijke nationale bepalingen
2
Bij legge n. 142 ordinamento delle autonomie locali (wet nr. 142 houdende ordening van het plaatselijke zelfbestuur van 8 juni 1990, GURI nr. 135 van 12 juni 1990; hierna: „wet nr. 142/90”) is in Italië een hervorming doorgevoerd van de wettelijke organisatorische middelen waarover gemeenten kunnen beschikken voor het beheer van de openbare diensten, meer bepaald in de sectoren van de distributie van water, gas en elektriciteit en die van vervoer. In de gewijzigde versie van artikel 22 van voornoemde wet was in de mogelijkheid voorzien dat de gemeenten met het oog op de levering van de openbare diensten, vennootschappen met verschillende rechtsvormen konden oprichten. Tot deze laatste behoorden de oprichting van commerciële vennootschappen en vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid waarvan de meerderheid van het aandelenkapitaal in handen van de overheid was (hierna: „wet nr. 142/90-vennootschappen”). Verzoekster is een wet nr. 142/90-vennootschap.
3
In die context zijn tussen 1994 en 1998 uit hoofde van artikel 9 bis van legge n. 488 di conversione in legge, con modificazioni, del decreto-legge 1o luglio 1986, n. 318, recante provvedimenti urgenti per la finanza locale (wet nr. 488 houdende omzetting in wet, met wijzigingen, van wetsbesluit nr. 318 van 1 juli 1986, tot invoering van spoedmaatregelen voor de plaatselijke financiën van 9 augustus 1986, GURI nr. 190 van 18 augustus 1986), leningen met een bijzondere rentevoet bij de Cassa Depositi e Prestiti (hierna: „CDDPP”) toegekend aan wet nr. 142/90-vennootschappen die openbare diensten leverden (hierna: „leningen van de CDDPP”).
4
Bovendien zijn op grondslag van artikel 3, leden 69 en 70, van legge n. 549 (su) misure di razionalizzazione della finanza pubblica (wet nr. 549 betreffende maatregelen ter rationalisatie van de overheidsfinanciën van 28 december 1995, gewoon supplement bij GURI nr. 302 van 29 december 1995; hierna: „wet nr. 549/95”) juncto decreto-legge n. 331 (su) armonizzazione delle disposizioni in materia di imposte sugli oli minerali, sull’alcole, sulle bevande alcoliche, sui tabacchi lavorati e in materia di IVA con quelle recate da direttive EGE e modificazioni conseguenti a detta armonizzazione, nonché disposizioni concernenti la disciplina dei centri autorizzati di assistenza fiscale, le procedure dei rimborsi di imposta, l’esclusione dall’ILOR dei redditi di impresa fino all’ammontare corrispondente al contributo diretto lavorativo, l’istituzione per il 1993 di un’imposta erariale straordinaria su taluni beni ed altre disposizioni tributarie (wetsbesluit nr. 331 inzake harmonisatie van de belastingmaatregelen op verschillende gebieden van 30 augustus 1993, GURI nr. 203 van 30 augustus 1993; hierna: „wetsbesluit nr. 331/93”), de volgende maatregelen ten voordele van de wet nr. 142/90-vennootschappen geïntroduceerd:
—
vrijstelling van alle overdrachtbelastingen met betrekking tot de omzetting van speciale bedrijven en gemeentelijke bedrijven in wet nr. 142/90-vennootschappen (hierna: „vrijstelling van overdrachtbelastingen”);
—
vrijstelling van vennootschapsbelasting, te weten de winstbelasting op rechtspersonen en de plaatselijke inkomstenbelasting, gedurende drie jaar, niet later dan het fiscale jaar 1999 (hierna: „driejarige vrijstelling van vennootschapsbelasting”).
Administratieve procedure
5
Volgend op een klacht over deze maatregelen heeft de Commissie bij brieven van 12 mei, 16 juni en 21 november 1997 de Italiaanse autoriteiten om inlichtingen hieromtrent verzocht.
6
Bij brief van 17 december 1997 hebben de Italiaanse autoriteiten een gedeelte van de gevraagde inlichtingen verstrekt. Voorts is er op verzoek van de Italiaanse autoriteiten op 19 januari 1998 een vergadering belegd.
7
Bij brief van 17 mei 1999 deelde de Commissie de Italiaanse autoriteiten mee dat zij had besloten de procedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden. Dit besluit is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB 1999, C 220, blz. 14).
8
Na van derdebelanghebbenden en de Italiaanse autoriteiten opmerkingen te hebben ontvangen, heeft de Commissie hun bij meerdere gelegenheden om aanvullende inlichtingen verzocht. Er vonden ook besprekingen plaats tussen de Commissie enerzijds en de Italiaanse autoriteiten en de derdebelanghebbenden anderzijds.
9
Sommige van de wet nr. 142/90-vennootschappen, zoals ACEA SpA, AEM SpA en Azienda Mediterranea Gas e Acqua SpA (AMGA), die overigens een beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld tegen de beschikking die in de onderhavige zaak centraal staat (zaken T-297/02, T-301/02 en T-300/02, respectievelijk), hebben met name betoogd dat de drie betrokken soorten maatregelen geen staatssteun opleverden.
10
De Italiaanse autoriteiten en de Confederazione Nazionale dei Servizi (Confservizi), confederatie van onder meer de wet nr. 142/90-vennootschappen en de bijzondere gemeentelijke bedrijven in Italië, hebben zich in wezen achter dat standpunt geschaard.
11
Het Bundesverband der deutschen Industrie eV (BDI), een Duitse vereniging voor de industrie en daaraan verwante dienstverleners, was daarentegen van oordeel dat de betrokken maatregelen niet alleen in Italië, maar ook in Duitsland tot mededingingsverstoringen konden leiden.
12
Ook Gas-it, Italiaanse vereniging van particuliere marktdeelnemers in de gasdistributiesector, heeft verklaard dat de betrokken maatregelen, meer bepaald de driejarige vrijstelling van vennootschapsbelasting, staatssteun vormden.
13
De Commissie heeft op 5 juni 2002 beschikking 2003/193/EG inzake de steunmaatregel betreffende belastingvrijstellingen en leningen tegen gunstige voorwaarden die Italië heeft verstrekt ten gunste van de wet nr. 142/90-vennootschappen (PB 2003, L 77, blz. 21; hierna: „bestreden beschikking”), vastgesteld.
Bestreden beschikking
14
De Commissie benadrukt allereerst dat haar onderzoek enkel betrekking heeft op de steunregelingen van algemene strekking die bij de litigieuze maatregelen zijn ingesteld en niet op steun die op individuele basis aan een aantal ondernemingen is toegekend, zodat haar onderzoek in de bestreden beschikking algemeen en abstract is. Zij verklaart in dit verband dat de Italiaanse Republiek „geen fiscale voordelen op individuele basis [heeft] toegekend en [bij haar] geen enkel individueel geval van steun [heeft] aangemeld; Italië heeft de Commissie alle noodzakelijke informatie verstrekt om dit te kunnen beoordelen”. De Commissie geeft aan dat zij zich bijgevolg verplicht acht om de betrokken regelingen in algemene en abstracte zin te analyseren, zowel wat hun kwalificatie als hun verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt betreft (punten 42-45 van de bestreden beschikking).
15
Volgens de Commissie vormen de leningen van de CDDPP en de driejarige vrijstelling van vennootschapsbelasting (hierna, gezamenlijk: „betrokken maatregelen”) staatssteun. De toekenning van dergelijke voordelen, met middelen van de staat, aan de wet nr. 142/90-vennootschappen heeft immers tot gevolg dat deze vennootschappen hun concurrentiepositie versterken ten opzichte van alle andere ondernemingen die dezelfde diensten willen leveren (punten 48-75 van de bestreden beschikking). De betrokken maatregelen zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt nu zij noch aan de voorwaarden van artikel 87, leden 2 en 3, EG, noch aan de voorwaarden van artikel 86, lid 2, EG voldoen en daarenboven een schending van artikel 43 EG opleveren (punten 94-122 van de bestreden beschikking).
16
De vrijstelling van overdrachtbelastingen levert daarentegen naar het oordeel van de Commissie geen staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG op aangezien deze belastingen verschuldigd waren bij de oprichting van een nieuwe economische entiteit of bij de overdracht van activa tussen economische entiteiten. Vanuit wezenlijk oogpunt gezien zijn de gemeentelijke bedrijven en de wet nr. 142/90-vennootschappen belichamingen van een en dezelfde economische entiteit. Bijgevolg wordt de belastingvrijstelling te hunner voordeel gerechtvaardigd door de aard of opzet van het stelsel (punten 76-81 van de bestreden beschikking).
17
Het dispositief van de bestreden beschikking luidt als volgt:
„Artikel 1
De vrijstelling van overdrachtbelastingen […] vormt geen steun in de zin van artikel 87, lid 1, [EG].
Artikel 2
De […] vrijstelling van [vennootschaps]belasting gedurende drie jaar en de voordelen die voortvloeiden uit leningen [van de CDDPP...], vormen staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, [EG].
Genoemde steunregelingen zijn niet verenigbaar met de gemeenschappelijke markt.
Artikel 3
Italië neemt alle nodige maatregelen om de krachtens de in artikel 2 genoemde regelingen reeds onwettig ter beschikking gestelde steun van de begunstigden terug te vorderen.
De terugvordering geschiedt onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures voor zover deze procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de [bestreden] beschikking toelaten.
De terug te vorderen steun omvat rente vanaf de datum waarop de steun de begunstigden ter beschikking is gesteld tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan. De rente wordt berekend op grond van de referentievoet welke wordt gehanteerd voor de berekening van het subsidie-equivalent in het kader van regionale steunregelingen.
[…]”
Procesverloop en conclusies van partijen
18
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 9 oktober 2002, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
19
Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 6 januari 2003, heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
20
Verzoekster heeft op 28 februari 2003 opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend.
21
De Italiaanse Republiek heeft op 8 augustus 2002 eveneens een beroep tot nietigverklaring van de bestreden beschikking ingesteld bij het Hof, welk beroep is ingeschreven onder zaaknummer C-290/02. Het Hof heeft vastgesteld dat dit beroep en de beroepen in de zaken T-292/02, T-297/02, T-300/02, T-301/02 en T-309/02 hetzelfde voorwerp hadden, te weten nietigverklaring van de bestreden beschikking, en verknocht waren daar de in elk van de zaken aangevoerde middelen elkaar grotendeels overlapten. Bij beschikking van 10 juni 2003 heeft het Hof de behandeling van zaak C-290/02 overeenkomstig artikel 54, derde alinea, van zijn Statuut geschorst hangende de eindbeslissingen van het Gerecht in de zaken T-292/02, T-297/02, T-300/02, T-301/02 en T-309/02.
22
Bij beschikking van 8 juni 2004 heeft het Hof besloten zaak C-290/02 te verwijzen naar het Gerecht, dat de bevoegdheid heeft gekregen om over door de lidstaten tegen de Commissie ingestelde beroepen te oordelen, zulks overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van besluit 2004/407/EG, Euratom van de Raad van 26 april 2004 tot wijziging van de artikelen 51 en 54 van het Statuut van het Hof van Justitie (PB L 132, blz. 5). Daarop is deze zaak ter griffie van het Gerecht ingeschreven onder zaaknummer T-222/04.
23
Bij beschikking van 5 augustus 2004 heeft het Gerecht besloten de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid met de zaak ten gronde te voegen.
24
Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Achtste kamer — uitgebreid) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het in het kader van de in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voorziene maatregelen tot organisatie van de procesgang partijen verzocht, schriftelijk een aantal vragen te beantwoorden. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.
25
Bij beschikking van de president van de Achtste kamer (uitgebreid) van het Gerecht van 13 maart 2008 zijn de zaken T-292/02, T-297/02, T-300/02, T-301/02, T-309/02, T-189/03 en T-222/04 overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering gevoegd voor de mondelinge behandeling.
26
Partijen zijn ter terechtzitting van 16 april 2008 in hun pleidooien en antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.
27
Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
—
het beroep ontvankelijk te verklaren;
—
de bestreden beschikking nietig te verklaren;
—
subsidiair, artikel 3 van de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover de Italiaanse Republiek daarin wordt gelast om de betrokken steun terug te vorderen;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
28
De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
—
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
—
subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
Ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
29
De Commissie betwist om te beginnen dat verzoekster procesbelang heeft voor zover haar beroep gericht is op nietigverklaring van artikel 2 van de bestreden beschikking aangaande de door de CDDPP toegekende leningen tegen gunstige tarieven. Niets in het dossier wijst er immers op dat verzoekster het voordeel van bedoelde leningen heeft genoten.
30
De Commissie bestrijdt vervolgens dat verzoekster procesbevoegd is, daar zij door de bestreden beschikking niet individueel wordt geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.
31
De Commissie betoogt in wezen dat de bestreden beschikking als een maatregel van algemene strekking moet worden gekwalificeerd daar zij betrekking heeft op een steunregeling en dus op een onbepaald en onbepaalbaar aantal ondernemingen die op grond van een algemeen criterium, zoals het behoren tot een categorie van ondernemingen, zijn omschreven. Volgens haar worden de algemene strekking en dus het normatieve karakter van een handeling niet aangetast doordat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie zij op een bepaald moment van toepassing is, min of meer nauwkeurig kan worden bepaald, zolang deze toepassing geschiedt op grond van een rechtens of feitelijk objectieve situatie die door de handeling is omschreven in samenhang met de doelstelling van die handeling.
32
De Commissie betoogt dat een persoon slechts individueel wordt geraakt door een handeling van algemene strekking indien deze handeling afbreuk doet aan zijn specifieke rechten of indien de instelling die haar heeft vastgesteld verplicht is om met de gevolgen van deze handeling voor de positie van die persoon rekening te houden. Daar is in casu evenwel geen sprake van. De bestreden beschikking heeft immers gevolgen gehad voor de positie van alle ondernemingen die het voordeel van de betrokken maatregelen hebben genoten. Bijgevolg is er geen schending van de specifieke rechten van bepaalde ondernemingen die hen zou kunnen onderscheiden ten opzichte van alle ondernemingen die het voordeel van de betrokken maatregelen hebben genoten. De Commissie heeft toen zij de bestreden beschikking vaststelde overigens met de gevolgen van haar beschikking voor de positie van een specifieke onderneming geen rekening hoeven of kunnen houden. Noch de onverenigbaarverklaring, noch het bevel tot terugvordering die in de bestreden beschikking zijn opgenomen, hebben betrekking op individuele begunstigden.
33
De Commissie meent vervolgens dat haar analyse wordt bevestigd in de bestaande rechtspraak op het gebied van staatssteun, volgens welke het zijn van begunstigde van een steunregeling die onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, niet volstaat om aan te tonen dat er sprake is van individueel geraakt zijn in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.
34
Recentere zaken stellen de gevestigde rechtspraak niet opnieuw ter discussie. Volgens de Commissie kan de oplossing die is gekozen in het arrest van het Hof van 19 oktober 2000, Italië en Sardegna Lines/Commissie (C-15/98 en C-105/99, Jurispr. blz. I-8855; hierna: „arrest Sardegna Lines”), niet worden toegepast op alle beroepen die worden ingesteld door begunstigden van een onrechtmatig en onverenigbaar verklaarde steunregeling waarvan de terugvordering is gelast. Deze conclusie dringt zich in het bijzonder op wanneer, zoals in casu, de betrokken steunregeling op abstracte wijze is onderzocht. Daarenboven had de verzoekster in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Sardegna Lines in werkelijkheid het voordeel van een individuele steunmaatregel genoten, aangezien het een voordeel betrof dat was toegekend uit hoofde van een handeling op grond van een regionale wet die werd gekenmerkt door een ruime discretionaire bevoegdheid. Bovendien was die situatie in de loop van de formele onderzoeksprocedure nauwgezet onderzocht.
35
De feiten van de onderhavige zaak verschillen ook van die welke aanleiding hebben gegeven tot het arrest van het Hof van 29 april 2004, Italië/Commissie (C-298/00 P, Jurispr. blz. I-4087; hierna: „arrest Alzetta”), in die zin dat de Commissie in casu noch het exacte aantal, noch de identiteit van de betrokken steunontvangers kende, niet alle relevante inlichtingen in haar bezit had en niet het bedrag kende dat in elk van de gevallen aan steun was toegekend. Daarenboven wordt in de onderhavige zaak de driejarige vrijstelling van vennootschapsbelasting automatisch toegepast, terwijl de steunmaatregelen in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Alzetta via een latere handeling waren toegekend.
36
Anders dan verzoekster beweert, is niet het bekend zijn met de identiteit van een onderneming van belang voor het onderzoek naar de ontvankelijkheid, maar het feit dat de aandacht van de Commissie is gevestigd op voor de zaak kenmerkende eigenschappen die een individueel onderzoek rechtvaardigen. De Commissie heeft evenwel in de bestreden beschikking aangegeven dat haar geen enkele informatie was verstrekt die aantoonde dat wat verzoekster betreft, de betrokken maatregelen geen steun opleverden of bestaande dan wel met de gemeenschappelijke markt verenigbare steun opleverden.
37
Hoe dan ook volstaan noch het feit dat aan de in artikel 88, lid 2, EG voorziene onderzoeksprocedure is deelgenomen, noch het in de beschikking vervatte bevel tot terugvordering om verzoekster te individualiseren, aldus de Commissie. Immers, aangezien de beroepen die worden ingesteld door potentiële begunstigden van een steunregeling niet in de zin van artikel 230 EG ontvankelijk zijn, zou datzelfde moeten gelden voor beroepen die door begunstigden van een niet-aangemelde steunregeling worden ingesteld.
38
Ten slotte levert de niet-ontvankelijkverklaring van het door verzoekster in de onderhavige zaak ingestelde beroep geen schending van het beginsel van effectieve rechtsbescherming op, aangezien de bij de artikelen 241 EG en 234 EG voorziene rechtsgangen volstaan (arrest Hof van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C-50/00 P, Jurispr. blz. I-6677; hierna: „arrest UPA”).
39
Verzoekster verklaart wat haar procesbelang aangaat dat zij een krachtens wet nr. 142/90 opgerichte onderneming is waarvan het kapitaal grotendeels in overheidshanden is en dus dat de vrijstelling van vennootschapsbelasting gedurende drie jaar op haar is gericht. Aangaande de leningen van de CDDPP merkt zij op dat de bestreden beschikking geen enkele precisering van de werkingssfeer ervan in de tijd bevat. De periode gedurende welke de leningen van de CDDPP moeten zijn toegekend om met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar te worden geacht, is daarin niet verduidelijkt. Het is dus moeilijk te weten of verzoekster daadwerkelijk het voordeel daarvan heeft genoten. De bestreden beschikking leidt wat haar betreft dan ook tot grote rechtsonzekerheid. Bovendien hebben de Italiaanse autoriteiten verzoekster een verzoek om inlichtingen toegezonden teneinde de met de lening van de CDDPP verbonden steun terug te vorderen. Verzoekster meent bijgevolg procesbelang te hebben. In haar memorie van repliek heeft verzoekster zich bereid verklaard af te zien van haar beroep voor zover dat op de leningen van de CDDPP ziet, op voorwaarde dat de Commissie uitdrukkelijk bevestigt dat de bestreden beschikking enkel ziet op de leningen van de CDDPP die tussen 1994 en 1998 zijn toegekend. In dat geval vraagt verzoekster dat met het oog op de verdeling van de kosten rekening wordt gehouden met de onzekerheid die uit de bestreden beschikking voortvloeit ten aanzien van de leningen van de CDDPP.
40
Wat de vraag naar het individueel geraakt zijn betreft, betwist verzoekster de kwalificatie van de beschikking als handeling van algemene strekking.
41
Verzoekster stelt zich op het standpunt dat haar individueel geraakt zijn duidelijk naar voren komt in de rechtspraak over de ontvankelijkheid van door de daadwerkelijke begunstigden van een steunregeling ingestelde beroepen (arresten Sardegna Lines en Alzetta). Uit deze rechtspraak volgt dat het zijn van daadwerkelijke begunstigde van een steunregeling en de verplichting om reeds ontvangen steun terug te betalen, de twee voorwaarden zijn waaraan moet worden voldaan opdat er sprake is van individueel geraakt zijn. Beide voorwaarden zijn in casu vervuld.
42
De Commissie kan de draagwijdte van het arrest Sardegna Lines niet beperken door te stellen dat het betrekking had op individuele steun. Het feit dat ten aanzien van de verzoekster in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest een individuele maatregel ter uitvoering van een steunregeling was genomen, is eigen aan het stelsel zelf. Die zaak betrof in werkelijkheid een steunregeling.
43
Verzoekster meent dat de stelling van de Commissie dat de bestreden beschikking een onbepaald en onbepaalbaar aantal ondernemingen betreft onjuist is. Volgens haar gaat het juist om een gesloten groep, namelijk die van de tot wet nr. 142/90-vennootschappen omgevormde gemeentebedrijven die hun activiteiten vóór 31 december 1999 zijn gestart en/of tussen 1994 en 1998 leningen bij de CDDPP zijn aangegaan. De Commissie zou de namen van die vennootschappen overigens zeer wel kennen.
44
Ten slotte roept verzoekster ter ondersteuning van haar beroep het recht op bescherming door de rechter in. Door ontvankelijkverklaring van het onderhavige beroep is de volwaardige en doeltreffende rechterlijke bescherming van particulieren overeenkomstig de artikelen 6 en 13 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie afgekondigd te Nice op 7 december 2000 (PB 2000, C 364, blz. 1), immers verzekerd.
Beoordeling door het Gerecht
45
Overeenkomstig artikel 230, vierde alinea, EG kan een natuurlijke of rechtspersoon slechts tegen een tot een andere persoon gerichte beschikking beroep instellen, indien deze beschikking hem rechtstreeks en individueel raakt.
46
Aangaande de door voornoemde bepaling vereiste individuele band is het vaste rechtspraak dat een natuurlijke of rechtspersoon die niet de adressaat van een beschikking is, enkel kan beweren individueel te zijn geraakt wanneer de beschikking haar heeft getroffen uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke haar ten opzichte van ieder ander karakteriseert en haar derhalve heeft geïndividualiseerd op soortgelijke wijze als de adressaat (arresten Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 197, 223, en 2 april 1998, Greenpeace Council e.a./Commissie, C-321/95 P, Jurispr. blz. I-1651, punten 7 en 28).
47
Het Hof heeft geoordeeld dat een onderneming in beginsel niet kan opkomen tegen een beschikking van de Commissie waarbij een sectoriële steunregeling is verboden, wanneer deze beschikking haar enkel raakt vanwege het feit dat zij tot de bedoelde sector behoort en zij een potentieel begunstigde van die regeling is. Een dergelijke beschikking vormt ten opzichte van de verzoekende onderneming immers een maatregel van algemene strekking, die in objectief bepaalde situaties van toepassing is en rechtsgevolgen heeft voor een algemeen en in abstracto omschreven categorie van personen (zie arrest Hof van 2 februari 1988, Van der Kooy e.a./Commissie, 67/85, 68/85 en 70/85, Jurispr. blz. 219, punt 15, en arrest Alzetta, punt 37, en aangehaalde rechtspraak).
48
In de punten 34 en 35 van het arrest Sardegna Lines heeft het Hof evenwel geoordeeld dat, aangezien de bestreden beschikking in die zaak de onderneming Sardegna Lines niet alleen raakte in haar hoedanigheid van scheepvaartonderneming op Sardinië en dus als potentieel begunstigde van de steunregeling voor Sardinische reders, doch ook in haar hoedanigheid van daadwerkelijk begunstigde van uit hoofde van deze regeling toegekende individuele steun waarvan de Commissie de terugvordering had gelast, zij door die beschikking individueel werd geraakt en dat haar daartegen ingestelde beroep ontvankelijk was (zie in die zin ook arrest Alzetta, punt 39).
49
Derhalve moet worden nagegaan of verzoekster daadwerkelijk begunstigde is van op basis van een sectoriële steunregeling toegekende individuele steun waarvan de Commissie de terugvordering heeft gelast (zie in die zin arrest Gerecht van 20 september 2007, Salvat père & fils e.a./Commissie, T-136/05, Jurispr. blz. II-4063, punt 70).
50
Wat om te beginnen de vrijstelling van vennootschapsbelasting gedurende drie jaar betreft, beweert verzoekster dat zij, als vennootschap waartoe de betrokken regeling is gericht, een daadwerkelijke begunstigde van die regeling is, ofschoon zij niet in staat is om het bedrag van de steun die zij heeft genoten te noemen.
51
Blijkens het schriftelijke antwoord van de Italiaanse Republiek op de schriftelijk gestelde vraag van het Gerecht, heeft verzoekster in de relevante periode aangifte gedaan van een negatief fiscaal resultaat en heeft zij bijgevolg geen belasting betaald.
52
Uit dat antwoord volgt evenwel ook dat de belastingdienst over is gegaan tot een controle, waarbij enkele onregelmatigheden in de belastingaangiften van verzoekster zijn ontdekt. Na deze controle is verzoekster desgevraagd in aanmerking gekomen voor toepassing van het stelsel dat is voorzien bij artikel 9 van wet nr. 289 betreffende de bepalingen inzake de opstelling van de jaarlijkse en meerjaarlijkse begroting van de Staat [legge n. 289, disposizioni per la formazione del bilancio annuale e pluriennale dello Stato van 27 september 2002 (gewone bijlage nr. 240/L bij GURI nr. 305 van 31 december 2002); hierna: „fiscale amnestie”] voor de periode 1997-2002. Met het mechanisme van de fiscale amnestie kunnen tegen betaling van een forfaitair bedrag alle controlemaatregelen en alle lopende acties worden beëindigd. Uit de ter terechtzitting door de Commissie verstrekte inlichtingen, die door de Italiaanse Republiek niet zijn weersproken, volgt bovendien dat een fiscale amnestie definitief is, zodat de uit hoofde daarvan gestorte bedragen niet tot teruggaaf kunnen leiden.
53
In dit verband moet worden opgemerkt dat verzoekster niet heeft uitgelegd hoe het bedrag dat zij heeft betaald of zal betalen betrekking heeft op de jaren 1997 tot en met 1999, gezien het feit dat de fiscale amnestie die zij heeft genoten betrekking heeft op de jaren 1997-2002, en hoe de kwijtschelding van schulden tegen betaling van een forfaitair bedrag in verhouding staat tot de in geding zijnde regeling.
54
Nu zij geen overtuigende elementen heeft aangebracht ten bewijze dat zij daadwerkelijk het voordeel van de betrokken regeling heeft genoten, kan verzoekster niet worden geacht door de bestreden beschikking individueel te zijn geraakt.
55
Wat het argument van verzoekster betreft dat zij deel uitmaakt van een gesloten groep van ondernemingen en dat de Commissie de naam van de tot die groep behorende ondernemingen zeer goed kent, dient eraan te worden herinnerd dat de omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie een maatregel van toepassing is, meer of minder nauwkeurig kan worden bepaald, geenszins impliceert dat deze subjecten moeten worden geacht individueel door deze maatregel te worden geraakt, zolang maar vaststaat dat, zoals in casu, deze toepassing voortvloeit uit een door de betrokken handeling omschreven objectieve feitelijke of rechtssituatie (arrest Hof van 22 november 2001 Antillean Rice Mills/Raad, C-451/98, Jurispr. blz. I-8949, punt 52, en beschikking Gerecht van 28 februari 2005, von Pezold/Commissie, T-108/03, Jurispr. blz. II-655, punt 46).
56
Verzoeksters argument inzake de vereisten van effectieve rechterlijke bescherming kan aan deze conclusie niet afdoen. Het Hof heeft zijn vaste rechtspraak over de uitlegging van artikel 230, vierde alinea, EG bevestigd in zijn arrest van 1 april 2004, Commissie/Jégo-Quéré (C-230/96R, Jurispr. blz. I-3425), en in zijn arrest UPA. Daarnaast moet de in artikel 230, vierde alinea, EG gestelde voorwaarde inzake het individueel geraakt zijn weliswaar worden uitgelegd in het licht van het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties die een verzoekende partij individualiseren, maar een dergelijke uitlegging mag deze voorwaarde niet tot een dode letter maken (arrest UPA, punt 44).
57
Wat ten slotte de leningen van de CDDPP betreft, volgt uit de schriftelijke procedure dat verzoekster, nadat de Commissie in haar memorie van dupliek had bevestigd dat de bestreden beschikking enkel zag op de leningen die tussen 1994 en 1998 door de CDDPP waren toegekend, heeft afgezien van haar beroep voor zover dat op deze leningen betrekking had.
58
Aangezien duidelijk uit de bestreden beschikking volgt dat de betrokken periode enkel de jaren 1994 tot en met 1998 dekt, moet voorts verzoeksters verzoek met betrekking tot de verdeling van de kosten worden afgewezen.
59
Uit een en ander volgt dat verzoekster niet kan worden geacht door de bestreden beschikking individueel te zijn geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG en dat het beroep derhalve in zijn geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Kosten
60
Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Achtste kamer — uitgebreid),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2)
Acegas-APS SpA wordt verwezen in de kosten.
Martins Ribeiro
Šváby
Papasavvas
Wahl
Dittrich
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 juni 2009.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy