ARREST VAN HET GERECHT(Tweede kamer)
van 23 maart 2004
Zaak T‑310/02
Athanassios Theodorakis
tegen
Raad van de Europese Unie
„Openbare dienst – Aanwerving – Artikel 29 van Statuut – Kennisgeving van vacature – Afwijzing van sollicitatie – Termijnoverschrijding”
Volledige Franse tekst II - 0000
Betreft: Vordering tot nietigverklaring van, enerzijds, het besluit van de Raad van 11 april 2002 houdende afwijzing van verzoekers sollicitatie naar het ambt van directeur-generaal van het directoraat-generaal „Externe economische betrekkingen, gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)” van het secretariaat-generaal van deze instelling en het besluit van 10 juli 2002 houdende uitdrukkelijke afwijzing van zijn klacht, en anderzijds, het besluit tot aanstelling van de directeur-generaal van het directoraat-generaal „Externe economische betrekkingen, gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)” van het secretariaat-generaal van de Raad.
Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Samenvatting
1. Ambtenaren – Beroep – Beroep gericht tegen afwijzing van klacht – Ontvankelijkheid
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
2. Procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen – Geen – Niet-ontvankelijkheid
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c)
3. Ambtenaren – Kennisgeving van vacature – Onbevoegdheid van instelling om termijn voor indiening van verzoeken om overplaatsing, vastgesteld in kennisgeving van vacature van andere instelling, te wijzigen
(Ambtenarenstatuut, art. 2, eerste alinea)
4. Ambtenaren – Beroep – Exceptie van onwettigheid – Noodzaak van nauw verband tussen bestreden handeling en eerdere vermoedelijk onwettige handeling – Betwisting van wettigheid van kennisgeving van vacature in beroep gericht tegen afwijzing van sollicitatie beperkt tot bepalingen waarop die afwijzing is gebaseerd
(Art. 241 EG; Ambtenarenstatuut, art. 91)
5. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Gelijke behandeling – Discriminatie
6. Ambtenaren – Aanwerving – Procedures – Toepassing van artikel 29, lid 2, van Statuut – Doel – Verruiming van keuzemogelijkheden van tot aanstelling bevoegd gezag – Gevolg – Mogelijkheid om sollicitatie in te dienen voorbehouden aan personen die niet kunnen solliciteren in kader van gelijktijdig openstaande procedure van artikel 29, lid 1, van Statuut
(Ambtenarenstatuut, art. 29)
7. Ambtenaren – Beroep – Middelen – Misbruik van bevoegdheid – Begrip
1. Een vordering tot nietigverklaring van een besluit tot afwijzing van een klacht heeft enkel tot gevolg dat bij de gemeenschapsrechter beroep wordt ingesteld tegen het bezwarend besluit waartegen die klacht is ingediend.
(cf. punt 19)
Referentie: Hof 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, Jurispr. blz. 23, punt 8; Gerecht 21 oktober 2003, Birkhoff/Commissie, T‑302/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 24
2. Wanneer de verzoeker geen enkel middel tot staving van zijn vordering heeft aangevoerd, wordt niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dat de aangevoerde middelen summier moeten worden uiteengezet. Middelen van openbare orde kunnen ambtshalve door het Gerecht worden opgeworpen.
(cf. punt 21)
Referentie: Gerecht 21 maart 2002, Joynson/Commissie, T‑231/99, Jurispr. blz. II‑2085, punt 154, en de aangehaalde rechtspraak
3. Een instelling is niet bevoegd om een kennisgeving van vacature afkomstig van het tot aanstelling bevoegd gezag van een andere instelling, te wijzigen. Dienaangaande blijkt uit artikel 2, eerste alinea, van het Statuut dat de volgens dit Statuut aan het tot aanstelling bevoegd gezag verleende bevoegdheden, en met name die om een kennisgeving van vacature op te stellen, in beginsel slechts kunnen worden uitgeoefend door de organen die door elke instelling zijn aangewezen.
Een instelling kan daarom niet de termijn voor de indiening van verzoeken om overplaatsing vastgesteld in een kennisgeving van vacature van een andere instelling, wijzigen.
(cf. punt 32)
4. De draagwijdte van de in artikel 241 EG voorziene exceptie van onwettigheid is beperkt tot wat absoluut noodzakelijk is voor de oplossing van het geding. Om die reden kan de verzoeker, gelet op de noodzaak dat er een nauw verband moet bestaan tussen de bestreden handeling en de vroegere, in de exceptie van onwettigheid bedoelde handeling, in het kader van een beroep tegen de afwijzing van een sollicitatie alleen onregelmatigheden aanvoeren die aan de kennisgeving van vacature zouden kleven voorzover deze van invloed zijn op de wettigheid van die afwijzing.
(cf. punten 48 en 49)
Referentie: Gerecht 26 oktober 1993, Reinarz/Commissie, T‑6/92 en T‑52/92, Jurispr. blz. II‑1047, punten 56 en 57; Gerecht 3 oktober 2000, Townsend/Commissie, T‑60/99, JurAmbt. blz. I‑A‑11 en II‑45, punt 53; Gerecht 2 mei 2001, Barleycorn Mongolue en Boixder Rivas/Raad en Parlement, T‑208/00, JurAmbt. blz. I‑A‑103 en II‑479, punt 34, en de aangehaalde rechtspraak
5. Het non-discriminatiebeginsel verlangt dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld, tenzij een verschil objectief gerechtvaardigd is.
(cf. punt 50)
Referentie: Gerecht 6 juli 1999, Séché/Commissie, T‑112/96 en T‑115/96, JurAmbt. blz. I‑A‑115 en II‑623, punt 127; Gerecht 22 mei 2003, Boixader Rivas/Parlement, T‑249/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 30
6. De procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut beoogt de keuzemogelijkheden van het tot aanstelling bevoegd gezag te verruimen ten opzichte van die welke artikel 29, lid 1, hem biedt.
Daarom kunnen alleen personen die niet kunnen solliciteren in het kader van de procedure uit hoofde van artikel 29, lid 1, van het Statuut zich aanmelden in het kader van de op grond van artikel 29, lid 2, openstaande procedure.
(cf. punt 60)
Referentie: Gerecht 16 januari 2001, Chamier en O’Hannrachain/Parlement, T‑97/99 en T‑99/99, JurAmbt. blz. I‑A‑1 en II‑1, punt 34
7. Het begrip misbruik van bevoegdheid heeft een welbepaalde inhoud, die ziet op het geval dat een administratief gezag zijn bevoegdheden gebruikt met een ander doel dan waarvoor zij zijn verleend. Bij een besluit is slechts sprake van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan, dat het is genomen ter bereiking van andere doelen dan die welke de administratie stelt te hebben nagestreefd.
(cf. punt 66)
Referentie: Gerecht 11 juni 1996, Anacoreta Correia/Commissie, T‑118/95, JurAmbt. blz. I‑A‑283 en II‑835, punt 25, en de aangehaalde rechtspraak
Full & Egal Universal Law Academy