ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
21 september 2004
Zaak T‑325/02
Michel Soubies
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Ambtenaren – Nieuwe tewerkstelling van ambtenaar in rang A 3 als adviseur ad personam – Reorganisatie van secretariaat-generaal – Overeenstemming tussen rang en ambt”
Volledige Franse tekst II - 0000
Betreft: Vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 26 november 2001 waarbij verzoeker als adviseur ad personam in de rang A 3 is tewerkgesteld bij de eenheid „Institutionele kwesties” van het directoraat „Toekomst van de Unie” van het secretariaat-generaal.
Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Samenvatting
1. Ambtenaren – Beroep – Middelen – Ontoereikende motivering – Vaststelling ambtshalve
2. Ambtenaren – Organisatie van diensten – Tewerkstelling van personeel – Beoordelingsvrijheid van administratie – Draagwijdte – Rechterlijke toetsing – Grenzen
(Ambtenarenstatuut, art. 7)
3. Ambtenaren – Reorganisatie van diensten – Nieuwe tewerkstelling – Eerbiediging van gelijkwaardigheid van ambten – Draagwijdte
(Ambtenarenstatuut, art. 7, lid 1)
1. De gemeenschapsrechter moet ambtshalve onderzoeken, of een instelling heeft voldaan aan haar verplichting om het bestreden besluit te motiveren. Daar dit onderzoek in elke fase van de procedure kan plaatsvinden, verliest geen enkele verzoeker het recht om dit middel aan te voeren alleen omdat hij het in zijn klacht niet heeft genoemd.
(cf. punt 30)
Referentie: Gerecht 14 juli 1994, Grynberg en Hall/Commissie, T‑534/93, JurAmbt. blz. I‑A‑183 en II‑595, punt 59
2. De instellingen hebben een ruime discretionaire bevoegdheid om hun diensten in overeenstemming met de hun opgedragen taken te organiseren en voor de vervulling daarvan het hun ter beschikking staande personeel tewerk te stellen, mits deze tewerkstelling in het belang van de dienst en met inachtneming van de gelijkwaardigheid van de ambten plaatsvindt. Omdat de discretionaire bevoegdheid van de instellingen bij de beoordeling van het dienstbelang zo groot is, moet de gemeenschapsrechter zich bij zijn toetsing beperken tot de vraag, of het tot aanstelling bevoegd gezag binnen redelijke grenzen is gebleven en zijn discretionaire bevoegdheid niet kennelijk verkeerd heeft gebruikt.
(cf. punt 50)
Referentie: Gerecht 6 maart 2001, Campoli/Commissie, T‑100/00, JurAmbt. blz. I‑A‑71 en II‑347, punt 41, en de aangehaalde rechtspraak; Gerecht 16 april 2002, Fronia/Commissie, T‑51/01, JurAmbt. blz. I‑A‑43 en II‑187, punt 40
3. Met betrekking tot een ambtenaar die met andere werkzaamheden wordt belast, houdt het beginsel van overeenstemming van ambt en rang in dat een vergelijking wordt gemaakt, niet tussen diens huidige en diens vroegere werkzaamheden, doch tussen diens huidige werkzaamheden en zijn rang in de hiërarchie.
Om inbreuk te maken op de regel van overeenstemming tussen de rang en het ambt volstaat het niet dat een maatregel tot reorganisatie van de dienst leidt tot een wijziging of zelfs een vermindering van de bevoegdheden van de ambtenaar, maar is het nodig dat zijn nieuwe functie, globaal gezien, naar aard, belang en omvang duidelijk onder het niveau blijft dat met zijn rang en ambt overeenkomt.
(cf. punten 55 en 56)
Referentie: Hof 23 maart 1988, Hecq/Commissie, 19/87, Jurispr. blz. 1681, punt 7; Gerecht 10 juli 1992, Eppe/Commissie, T‑59/91 en T‑79/91, Jurispr. blz. II‑2061, punt 49; Gerecht 28 mei 1998, W/Commissie, T‑78/96 en T‑170/96, JurAmbt. blz. I‑A‑239 en II‑745, punt 104; Fronia/Commissie, reeds aangehaald, punt 53
Full & Egal Universal Law Academy