Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep wegens nalaten - Opheffing van nalaten vóór instelling van beroep - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 232 EG en 233, eerste alinea, EG)
Samenvatting
$$Een beroep wegens nalaten dat is ingesteld nadat de verwerende instelling haar standpunt heeft bepaald in de zin van artikel 232 EG, is kennelijk niet-ontvankelijk, aangezien de nalatigheid niet meer bestaat. Een arrest waarbij, in een dergelijke situatie, het nalaten van de instelling zou worden vastgesteld, zou immers niet tot de in artikel 233, eerste alinea, EG bedoelde uitvoeringsmaatregelen kunnen leiden.
( cf. punten 28-29 )
Partijen
In zaak T-3/02,
Schlüsselverlag J. S. GmbH, gevestigd te Innsbruck (Oostenrijk),
J. Wimmer Medien GmbH & Co. KG, gevestigd te Linz (Oostenrijk),
Styria Medien AG, gevestigd te Graz (Oostenrijk),
Zeitungs- und Verlags-Gesellschaft mbH, gevestigd te Bregenz (Oostenrijk),
Eugen Ruß Vorarlberger Zeitungsverlag und Druckerei GmbH, gevestigd te Schwarzach (Oostenrijk),
Die Presse" Verlags-Gesellschaft mbH, gevestigd te Wenen (Oostenrijk),
Salzburger Nachrichten" Verlags-Gesellschaft mbH et Co. KG, gevestigd te Salzburg (Oostenrijk),
vertegenwoordigd door M. Krüger, advocaat te Linz,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Wiedner als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat verweerster heeft nagelaten te beslissen over de verenigbaarheid van een concentratie met de gemeenschappelijke markt,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Jaeger, kamerpresident, K. Lenaerts en J. Azizi, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Feiten, procesverloop en conclusies van verzoeksters
1 Verzoeksters zijn actief in de Oostenrijkse perssector. Bij brief van 25 mei 2001 dienden zij bij de Commissie een klacht in betreffende de overname van Kurier-Magazine Verlags GmbH, behorend tot Zeitschriften Verlagsbeteiligungs-Aktiengesellschaft, door Verlagsgruppe News GmbH, die zou worden beheerst door het Bertelsmann-concern.
2 In hun klacht stelden verzoeksters dat de concentratie, die was goedgekeurd bij arrest van het Oberlandesgericht Wien van 26 januari 2001, een communautaire dimensie had in de zin van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen [PB 1990, L 257, blz. 13, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1310/97 van de Raad van 30 juni 1997 (PB L 180, blz. 1)]. Volgens hen had de concentratie derhalve moeten worden aangemeld bij de Commissie, die zich had moeten uitspreken over de verenigbaarheid van deze concentratie met de gemeenschappelijke markt.
3 Bij brief van 12 juli 2001 deelde de directeur van de task force van de Commissie Controle op concentraties van ondernemingen", een onderdeel van het directoraat-generaal Mededinging (hierna: Task Force Concentratiecontrole"),
verzoeksters mee, dat de in artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 4064/89 genoemde drempels niet waren bereikt. Een van de twee bij de concentratie betrokken ondernemingen, te weten Kurier-Magazine Verlags GmbH, behaalde namelijk geen communautaire omzet van 250 miljoen euro per jaar.
4 Bij brief van 7 augustus 2001 bestreden verzoeksters dit standpunt.
5 De directeur van de Task Force Concentratiecontrole verklaarde vervolgens bij schrijven van 3 september 2001 dat zijn directie de mening van verzoeksters niet deelde, en bevestigde dat de concentratie geen communautaire dimensie had.
6 Bij brief van 11 september 2001 nodigden verzoeksters de Commissie overeenkomstig artikel 232, tweede alinea, EG uit om formeel haar standpunt te bepalen over het al dan niet inleiden van een verificatieprocedure op grond van verordening nr. 4064".
7 Op 7 november 2001 zond de directeur van de Task Force Concentratiecontrole verzoeksters de volgende brief:
Betreft: concentratie ZVB/News/Bertelsmann
Ik bevestig de ontvangst van uw brief van 11 september 2001 [...]
Hierbij bevestig ik dat mijn diensten, om redenen die ik heb genoemd in mijn brief van 12 juli 2001, niet voornemens zijn in bovengenoemde zaak een nieuw onderzoek in te stellen.
Verder stel ik vast dat de Commissie, bij gebreke van een bevoegdheid op grond van de verordening inzake concentratiecontrole, ter zake geen besluit kan nemen."
8 Onder deze omstandigheden hebben verzoeksters bij op 10 januari 2002 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift onderhavig beroep wegens nalaten ingesteld.
9 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte hebben verzoeksters verzocht om versnelde behandeling overeenkomstig artikel 76 bis van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
10 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
- vast te stellen dat de Commissie, door niet te beslissen op de klacht van verzoeksters inzake de totstandkoming van een concentratie van communautaire dimensie, aangemeld op nationaal niveau en goedgekeurd bij arrest van 26 januari 2001 van het Oberlandesgericht Wien als bevoegde rechterlijke instantie inzake ondernemersafspraken, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
- subsidiair, vast te stellen dat de Commissie heeft nagelaten de bij de concentratie betrokken vennootschappen te verzoeken deze concentratie bij haar aan te melden;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
Ontvankelijkheid
11 Krachtens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, zonder de behandeling voort te zetten beslissen bij met redenen omklede beschikking.
12 In casu acht het Gerecht zich voldoende geïnformeerd door de processtukken en besluit het om met toepassing van dit artikel uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.
Argumenten van verzoeksters
13 Verzoeksters wijzen erop dat het beroep is ingesteld binnen de in artikel 232, tweede alinea, EG gestelde termijn van twee maanden.
14 Vervolgens verwijzen zij naar het arrest van het Gerecht van 24 maart 1994, Air France/Commissie (T-3/93, Jurispr. blz. II-121). In dit arrest heeft het Gerecht een beroep tot nietigverklaring ontvankelijk verklaard dat was gericht tegen een verklaring van de woordvoerder van de Commissie, volgens welke een concentratievoornemen niet onder de werkingssfeer van verordening nr. 4064/89 viel aangezien de concentratie geen communautaire dimensie had. Het enige verschil tussen de onderhavige zaak en de zaak die heeft geleid tot het arrest Air France/Commissie is gelegen in het feit dat in onderhavige zaak de Commissie geen beschikking heeft gegeven. Een verschillende behandeling van deze twee zaken zou tot gevolg hebben dat de (on)mogelijkheid voor concurrenten om door het adiëren van het Gerecht hun rechten te beschermen enkel bepaald werd door de discretionaire keuze van de Commissie. Mocht het onderhavige beroep niet-ontvankelijk zijn, dan zou de Commissie immers door passief te blijven het risico van rechterlijke toetsing van een voor beroep vatbare beschikking kunnen uitsluiten.
15 Verzoeksters betogen dat de Commissie in de zaak die heeft geleid tot het arrest Air France/Commissie zelf van mening was dat verzoekster in die zaak, na de Commissie te hebben aangemaand om te beslissen op de betrokken concentratie, in geval van stilzitten van de Commissie een beroep wegens nalaten had kunnen instellen. De Commissie ging er dus zelf van uit dat dit beroep ontvankelijk zou zijn.
16 Verzoeksters wijzen er bovendien op dat het directoraat-generaal Mededinging in casu steeds heeft benadrukt dat zijn standpunt de Commissie niet kon binden. Bij gebreke van een aan de Commissie toe te rekenen beschikking kan geen beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht worden ingesteld. Het is onaanvaardbaar dat een dienst van de Commissie zich enerzijds verschuilt achter het onverbindend karakter van haar juridisch standpunt, en de Commissie anderzijds weigert een voor beroep vatbare beschikking te geven.
17 Ten slotte betogen verzoeksters dat de beschikking die de Commissie heeft verzuimd te geven hen rechtstreeks en individueel zou hebben geraakt, aangezien zij de rechtstreekse concurrenten zijn van de ondernemingen waarop de concentratie betrekking heeft (arrest Hof van 26 november 1996, T-Port, C-68/95, Jurispr. blz. I-6065, punt 59; arrest Gerecht van 3 juni 1999, TF1/Commissie, T-17/96, Jurispr. blz. II-1757, punt 27).
Beoordeling door het Gerecht
18 Artikel 232, tweede alinea, EG bepaalt:
[He]t beroep [wegens nalaten] is slechts ontvankelijk indien de betrokken instelling vooraf tot handelen is uitgenodigd. Indien deze instelling na twee maanden, te rekenen vanaf de uitnodiging, haar standpunt nog niet heeft bepaald, kan het beroep worden ingesteld binnen een nieuwe termijn van twee maanden.
19 Bij brief van 11 september 2001 nodigden verzoeksters, onder verwijzing naar de betrokken concentratie, de Commissie overeenkomstig artikel 232, tweede alinea, EG uit om formeel haar standpunt te bepalen over het al dan niet inleiden van een verificatieprocedure op grond van verordening nr. 4064".
20 Vastgesteld moet worden, dat de brief van 7 november 2001 van de directeur van de Task Force Concentratiecontrole het antwoord van de Commissie vormt op de ingebrekestelling van 11 september 2001. De brief van 7 november 2001 verwijst immers expliciet naar de brief van 11 september 2001.
21 Voorts moet worden nagegaan of de brief van de Commissie van 7 november 2001 een standpuntbepaling in de zin van artikel 232, tweede alinea, EG is die een einde maakt aan het beweerde verzuim van de Commissie.
22 In deze brief verklaart de Commissie dat zij niet voornemens is de litigieuze concentratie opnieuw te onderzoeken. Zij verwijst daarbij naar de in haar brief van 12 juli 2001 aangevoerde gronden. In die brief stelde de Commissie dat de concentratie geen communautaire dimensie had, aangezien de drempels van artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 4064/89 niet waren bereikt.
23 Bovendien bevestigt de Commissie in haar brief van 7 november 2001, dat zij bij gebreke van een communautaire dimensie niet bevoegd is om krachtens verordening nr. 4064/89 een besluit in deze zaak te nemen.
24 De brief van 7 november 2001 is dus een duidelijke standpuntbepaling naar aanleiding van de ingebrekestelling van 11 september 2001.
25 Voorts blijkt uit het in punt 14 hierboven aangehaalde arrest Air France/Commissie, dat een dergelijke standpuntbepaling een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 230 EG vormt. In dit arrest heeft het Gerecht immers geoordeeld dat tegen een namens de Commissie afgegeven verklaring, volgens welke een concentratie die geen communautaire dimensie heeft niet onder verordening nr. 4064/89 valt, beroep tot nietigverklaring openstaat.
26 Verzoeksters kunnen niet staande houden dat de brief van 7 november 2001 enkel het standpunt van de Task Force Concentratiecontrole weergeeft, en niet dat van de Commissie. De brieven van 12 juli en 3 september 2001 mogen dan wel aangeven dat zij het standpunt van het directoraat-generaal Mededinging weergeven en de Commissie niet kunnen binden"; in de brief van 7 november 2001 komt een dergelijke verklaring echter niet meer voor, zodat deze brief als standpuntbepaling van de Commissie moet worden aangemerkt.
27 Ten slotte heeft het feit dat de brief van 7 november 2001 verzoeksters geen genoegdoening heeft gegeven, niets van doen met de vraag of de Commissie al dan niet een standpunt heeft bepaald in de zin van artikel 232, tweede alinea, EG. Blijkens de rechtspraak ziet artikel 232 EG namelijk op een nalaten door het niet nemen van een besluit of het niet bepalen van een standpunt, en niet op het verrichten van een andere handeling dan de betrokkenen wenselijk of noodzakelijk achten (arresten Hof van 24 november 1992, Buckl e.a./Commissie, C-15/91 en C-108/91, Jurispr. blz. I-6061, punten 16 en 17; en 1 april 1993, Pesqueras Echebastar/Commissie, C-25/91, Jurispr. blz. I-1719, punt 12; en beschikking Hof van 13 december 2000, Sodima/Commissie, C-44/00 P, Jurispr. blz. I-11231, punt 83).
28 Uit het voorgaande volgt, dat verzoeksters hun beroep wegens nalaten hebben ingesteld op 10 januari 2002, na ontvangst van de brief van Commissie van 7 november 2001 die als standpuntbepaling in de zin van artikel 232 EG moet worden aangemerkt. Derhalve hadden verzoeksters geen belang meer bij de vaststelling van een nalaten, aangezien dit niet meer bestond. Een arrest van het Gerecht waarbij, in een dergelijke situatie, het nalaten van de instelling zou worden vastgesteld, zou immers niet tot de in artikel 233, eerste alinea, EG bedoelde uitvoeringsmaatregelen kunnen leiden (arrest Gerecht van 27 januari 2000, Branco/Commissie, T-194/97 en T-83/98, Jurispr. blz. II-69, punt 57).
29 Het beroep wegens nalaten is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk, zonder dat nog uitspraak behoeft te worden gedaan over het verzoek om versnelde behandeling.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd.
31 In het onderhavige geval is de beschikking krachtens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering evenwel gegeven voordat de Commissie heeft kunnen concluderen ten aanzien van de kosten. Er bestaat dus aanleiding artikel 87, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering toe te passen, volgens hetwelk het Gerecht wegens bijzondere redenen de proceskosten over de partijen kan verdelen.
32 Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt als kennelijk niet-ontvankelijk verworpen.
2) Verzoeksters worden verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy