Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Procedure - Interventie - Voorwaarden voor ontvankelijkheid - Belang bij uitkomst van geding - Geding betreffende nietigverklaring van beschikking van Commissie houdende vaststelling van schending van artikel 81, lid 1, EG - Geding beperkt tot intrekking of verlaging van aan verzoeker opgelegde geldboeten - Beschikking waarbij aan verzoeker tot tussenkomst boete is opgelegd die niet meer kan worden betwist - Geen belang
(Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 37, tweede alinea, en 46, eerste alinea)
Samenvatting
$$Het begrip belang bij de beslissing van het geding in de zin van artikel 37, tweede alinea, van het Statuut van het Hof, dat krachtens artikel 46, eerste alinea, van dit statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, moet worden gedefinieerd met inachtneming van het voorwerp van het geding zelf en daaronder moet worden verstaan een rechtstreeks en dadelijk belang bij de toewijzing dan wel de afwijzing van het gevorderde, en niet een belang ten aanzien van de aangevoerde middelen. Onder beslissing" van het geding moet namelijk de aan de geadieerde rechter gevraagde eindbeslissing worden verstaan zoals die zal blijken uit het dictum van het arrest. Om uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van een verzoek tot tussenkomst dient met name te worden nagegaan of de interveniënt rechtstreeks wordt geraakt door de aangevochten handeling en of zijn belang bij de beslissing van het geding zeker is. In deze context dient onderscheid te worden gemaakt tussen verzoekers tot tussenkomst die aannemelijk maken rechtstreeks belang te hebben bij hetgeen wordt beslist op de specifieke handeling waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, en verzoekers tot tussenkomst die slechts doen blijken van een indirect belang bij de beslissing van het geding wegens de gelijkenis tussen hun situatie en die van een der partijen.
De verzoeker tot tussenkomst heeft slechts een rechtstreeks en dadelijk belang wanneer na de vaststelling door de Commissie van schending van artikel 81, lid 1, EG door verschillende ondernemingen, in de hoofdzaak alleen de intrekking of verlaging van het totaalbedrag van de aan de verzoeker opgelegde geldboete wordt gevorderd, terwijl laatstgenoemde met zijn beroep het oordeel van de Commissie over de samenwerking van verzoeker tot tussenkomst in de administratieve procedure probeert te betwisten. Zodra de hoofdzaak niet de beslissing betreft waarbij aan de verzoeker tot tussenkomst een boete is opgelegd, en daartegen overigens geen beroep is ingesteld of deze beslissing niet vatbaar is voor beroep, wijzigt een arrest waarbij de door verzoeker betwiste beschikking nietig wordt verklaard of gewijzigd, niets aan de jegens de verzoeker tot tussenkomst gegeven beschikking en biedt het de Commissie, gelet op het beginsel ne bis ne idem, niet de mogelijkheid opnieuw ten gronde te beoordelen of de daarin bedoelde inbreuk inderdaad is gepleegd.
( cf. punten 26-27, 32, 34-36 )
Partijen
In zaak T-15/02,
BASF AG, gevestigd te Ludwigshafen (Duitsland), vertegenwoordigd door N. Levy, J. Temple-Lang, solicitors, R. O'Donoghue, barrister, en C. Feddersen, advocaat,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Wainright en L. Pignataro-Nolin als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot intrekking of verlaging van de geldboete die verzoekster is opgelegd krachtens artikel 3 van de beschikking van de Commissie van 21 november 2001 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst (Zaak COMP/E-1/37.512 - Vitaminen),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: V. Tiili, kamerpresident, P. Mengozzi en M. Vilaras, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Voorgeschiedenis
1 Bij beschikking van 21 november 2001 in zaak COMP/E-1/37.512 (PB 2003, L 6, blz. 1; hierna: beschikking") heeft de Commissie vastgesteld dat verschillende ondernemingen inbreuk op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53 van de EER-overeenkomst hebben gemaakt door deelname aan verschillende kartels met betrekking tot twaalf verschillende markten voor vitaminen. Tot deze ondernemingen behoren onder meer BASF AG (hierna: verzoekster") en Aventis SA, gevestigd te Schiltigheim (Frankrijk). Meer bepaald werd verzoekster verantwoordelijk geacht voor inbreuken op de markten van vitamine A, E, B1, B2, B5, C, D3, H, betacaroteen en carotenoïden (artikel 1, sub b, van de beschikking) en Aventis voor inbreuken op de markten van vitamine A, E, en D3 (artikel 1, sub c, van de beschikking).
2 Voor haar deelname aan de kartels met betrekking tot vitamine A, E, B2, C, D3, betacaroteen en carotenoïden zijn verzoekster evenveel geldboeten voor in totaal 296,16 miljoen euro opgelegd (artikel 3, sub b, van de beschikking). Aventis is voor haar deelname aan het kartel op de markt van vitamine D3 een geldboete van 5,04 miljoen euro opgelegd (artikel 3, sub c, van de beschikking).
3 Deze bedragen zijn met name het resultaat van de achtereenvolgende toepassing, door de Commissie, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, Verdrag worden opgelegd (PB 1998 C 9, blz. 3) en van haar mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996 C 207, blz. 4).
4 Bij de toepassing van deze richtsnoeren was de Commissie onder meer van mening dat verzoekster en Hoffmann-La Roche AG (hierna: Roche") tezamen als aanstichters en aanvoerders bij de heimelijke afspraken op de markten voor vitamine A, E, B2, C, D3, betacaroteen en carotoïden waren opgetreden. Bijgevolg werd het basisbedrag van de aan verzoekster op te leggen geldboete wegens deze verzwarende omstandigheid vermeerderd met 35 % (punten 712 tot en met 718 van de considerans van de beschikking).
5 Bovendien was de Commissie van mening dat het basisbedrag van de aan Aventis op te leggen geldboete wegens haar deelname aan het kartel voor vitamine D3 met 50 % kon worden verminderd omdat zij slechts een passieve rol in dit kartel had gespeeld (punten 724 en 725 van de considerans van de beschikking).
6 Bij de toepassing van de mededeling inzake samenwerking (clementieregeling) erkende de Commissie dat Aventis de eerste onderneming was die doorslaggevend bewijsmateriaal over het bestaan van het kartel op de markten voor vitamine A en E had verstrekt en dat ook aan alle andere voorwaarden van afdeling B van deze regeling was voldaan. Bijgevolg werd de geldboete die deze onderneming voor haar deelname aan deze laatste kartels anders zou zijn opgelegd, verminderd met 100 % (punten 741 en 742 van de considerans van de beschikking).
7 Daarentegen kwam verzoekster wegens haar rol van aanstichter of aanvoerder bij de kartels voor vitaminen A, E, B2, B5, C en D3, betacaroteen en carotenoïden niet in aanmerking voor een vermindering op grond van afdeling B of afdeling C van deze regeling. Overigens heeft de Commissie erkend dat zij met Roche als eerste doorslaggevende bewijzen van het bestaan van de kartelafspraken op de markten voor vitaminen B2, B5, C, D3, betacaroteen en carotenoïden had verstrekt (punten 743 tot en met 745 van de beschikking).
8 Ten slotte erkende de Commissie dat alle ondernemingen waaraan bij de bestreden beschikking een geldboete was opgelegd, voldeden aan de voorwaarden voor een vermindering van het bedrag van de boete krachtens afdeling D van de mededeling inzake samenwerking. Op grond daarvan heeft de Commissie verzoekster respectievelijk Aventis een vermindering met 50 % en 10 % toegekend van het bedrag van de geldboete die hun zouden zijn opgelegd indien zij niet met de Commissie hadden meegewerkt (punten 761 en 767 van de beschikking).
9 Aventis heeft tegen de beschikking geen beroep ingesteld.
Procesverloop
10 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 januari 2002, heeft verzoekster beroep ingesteld. Zij verzoekt het Gerecht de haar bij artikel 3, sub b, van de beschikking opgelegde geldboete in te trekken of aanzienlijk te verlagen en de Commissie in de kosten te verwijzen (hierna: de hoofdzaak")
11 De Commissie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en tot verwijzing van verzoekster in de kosten.
12 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 juni 2002, heeft Aventis, vertegenwoordigd door B. Amory en F. Marchini Camia, advocaten, verzocht om toelating tot interventie in de hoofdzaak ter ondersteuning van verweersters conclusies.
13 Het verzoek tot tussenkomst is overeenkomstig artikel 116, lid 1, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht aan partijen betekend.
14 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 september 2002, heeft verweerster meegedeeld dat zij geen opmerkingen had over het verzoek tot interventie.
15 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 5 september 2002, heeft verzoekster het Gerecht verzocht het verzoek tot interventie van Aventis af te wijzen en haar te verwijzen in de kosten en andere uitgaven die zij door de indiening van opmerkingen over dit verzoek had gemaakt.
16 Overeenkomstig artikel 116, lid 1, derde alinea, van het Reglement voor de procesvoering heeft de president van de Vierde kamer het verzoek tot tussenkomst verwezen naar de kamer.
Argumenten van partijen
17 Aventis baseert haar verzoek tot tussenkomst in de eerste plaats op het feit dat zij een van de adressaten van de beschikking is. Zij was de eerste onderneming die vrijwillig kennis heeft gegeven van het bestaan van de kartels met betrekking tot vitamine A en E en doorslaggevend bewijsmateriaal daarover heeft verstrekt. Dankzij deze samenwerking is zij krachtens afdeling B van de mededeling inzake samenwerking volledig vrijgesteld van geldboete voor haar deelname aan deze kartels. Wat haar deelname aan het kartel met betrekking tot vitamine D3 betreft, is de geldboete wegens haar passieve rol in dit kartel bovendien verminderd overeenkomstig de richtsnoeren.
18 In de tweede plaats merkt Aventis op dat verzoekster in haar verzoekschrift stelt dat zij aan alle voorwaarden voor de vermindering van de geldboete krachtens afdeling B van de mededeling inzake samenwerking heeft voldaan, in het bijzonder dat zij de Commissie in kennis heeft gesteld van een heimelijke afspraak voordat zij een onderzoek instelde en zonder dat zij reeds over voldoende informatie beschikte om het bestaan van het kartel te bewijzen, en als eerste doorslaggevend bewijsmateriaal heeft verstrekt om het bestaan van het kartel te bewijzen.
19 In de derde plaats wijst Aventis erop dat verzoekster in haar beroep betwist de rol van medeaanstichter en medeaanvoerder van het kartel te hebben gespeeld die haar in de beschikking wordt toegedicht. Verzoekster in interventie verklaart dat zij op de hoogte is gesteld van het feit dat verzoekster in haar beroep ook de beoordeling van de Commissie betwist dat Aventis geen aanstichter of aanvoerder van de betrokken kartels was.
20 Verzoekster in interventie betwist evenwel deze stelling van verzoekster en stelt in de eerste plaats dat niet verzoekster maar zijzelf voldoet aan de twee voorwaarden van punt 18 supra en in de tweede plaats dat zij niet als aanvoerder van het betrokken kartel kan worden beschouwd.
21 Haars inziens heeft zij dus een rechtstreeks en werkelijk belang bij de uitkomst van het onderhavige geding. Aangezien verzoekster vordert dat wordt vastgesteld dat de Commissie de clementieregeling onjuist heeft toegepast en dat indien de conclusies van de Commissie op deze punten zouden worden afgewezen, dit zou inhouden dat verzoekster in interventie niet had voldaan aan de voorwaarden op basis waarvan haar immuniteit respectievelijk vermindering van het bedrag van de boete in de beschikking is verleend, zal verzoeksters rechtspositie en economische situatie rechtstreeks worden geraakt door het dictum van het door het Gerecht te wijzen arrest.
22 In haar opmerkingen over het verzoek tot interventie betwijfelt verzoekster of Aventis belang heeft bij de beslissing in het geding in de zin van artikel 37 van 's Hofs Statuut-EG en artikel 115 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, zoals uitgelegd door de rechtspraak. Het dictum van het toekomstige arrest zal, in de vorm waarom is verzocht, verzoekster in interventie niet rechtstreeks raken, daar de gemeenschapsrechter in de hoofdzaak geen vaststellingen kan doen die van invloed zijn op het dispositief van de beschikking van de Commissie, wat Aventis betreft.
23 Bovendien, aldus verzoekster, zal een interventie van Aventis in geen geval verduidelijking brengen over de in haar beroep opgeworpen vragen. Enerzijds kan Aventis geen nuttige bijdrage tot de debatten leveren op het punt of, zoals verzoekster stelt, het doorslaggevende bewijsmateriaal over het bestaan van de afspraken in de vitaminensector voor het eerst op de vergadering van 17 mei 1999 tussen haarzelf en de Commissie is verstrekt. Anderzijds, aldus verzoekster, bestaat bij verzoekster in interventie een misvatting over de grieven in het beroep en die betreffende de rol van aanvoerder van de afspraken, want verzoekster heeft in haar verzoekschrift nergens gesteld dat Aventis een rol van aanvoerder in de betrokken afspraken heeft gespeeld.
Beoordeling door het Gerecht
24 Het verzoek tot interventie is ingediend overeenkomstig artikel 115 van het Reglement voor de procesvoering.
25 Volgens artikel 37, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG, dat krachtens artikel 46, eerste alinea, van dit statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, heeft elke andere persoon die aannemelijk maakt belang te hebben bij de beslissing van een voor het Hof aanhangig rechtsgeding, met uitzondering van de rechtsgedingen tussen de lidstaten, tussen instellingen van de Gemeenschap, of tussen lidstaten enerzijds en instellingen van de Gemeenschap anderzijds, het recht te interveniëren. De conclusies van het verzoek tot interventie kunnen slechts strekken tot ondersteuning van de conclusies van een der partijen.
26 Volgens vaste rechtspraak moet belang bij de beslissing van het geding in de zin van deze bepaling worden gedefinieerd met inachtneming van het voorwerp van het geding zelf en moet daaronder worden verstaan een rechtstreeks en dadelijk belang bij de toewijzing dan wel de afwijzing van het gevorderde, en niet een belang ten aanzien van de aangevoerde middelen. Onder beslissing" van het geding moet namelijk de aan de geadieerde rechter gevraagde eindbeslissing worden verstaan zoals die zal blijken uit het dictum van het arrest. Met name moet worden nagegaan of de interveniënt rechtstreeks wordt geraakt door de aangevochten handeling en of zijn belang bij de beslissing van het geding zeker is [beschikkingen Hof van 25 november 1964, Lemmerz-Werke/Hoge Autoriteit, 111/63, Jurispr. 1965, blz. 941, en 12 april 1978, Amylum e.a./Raad en Commissie 116/77, 124/77 en 143/77, Jurispr. blz. 893, punten 7 en 9; beschikking president van het Hof van 17 juni 1997, National Power en PowerGen, C-151/97 P (I) en C-157/97 P (I), Jurispr. blz. 3491, punten 51-53 en 57; beschikking president van de Tweede kamer van het Gerecht van 20 maart 1998, CAS Succhi di Frutta/Commissie, T-191/96, Jurispr. blz. II-573, punt 28, en beschikking president van de Eerste kamer van het Gerecht van 3 juni 1999, ACAV e.a./Raad, T-138/98, Jurispr. blz. II-1797, punt 14].
27 Ook is het vaste rechtspraak dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen verzoekers tot tussenkomst die aannemelijk maken rechtstreeks belang te hebben bij hetgeen wordt beslist op de specifieke handeling waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, en verzoekers tot tussenkomst die slechts doen blijken van een indirect belang bij de beslissing van het geding wegens de gelijkenis tussen hun situatie en die van een der partijen (beschikkingen Hof van 15 november 1993, Scaramuzza/Commissie, C-76/93 P, Jurispr. blz. I-5715 en I-5721, punt 11; beschikkingen Gerecht van 15 juni 1993, Rijnoudt en Hocken/Commissie, T-97/92 en T-111/92, Jurispr. blz. II-587, punt 22, en 8 december 1993, Kruidvat/Commissie, T-87/92, Jurispr. blz. II-1375, punt 12, alsook de beschikking CAS Succhi di Frutta/Commissie, reeds aangehaald, punt 28).
28 In casu moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de argumenten die verzoekster in interventie heeft aangevoerd ten betoge dat het beroep strekt tot betwisting van de conclusie van de Commissie dat zij geen aanvoerder was bij de afspraken, niet overeenstemmen met de feiten. In haar beroep stelt verzoekster, dat de Commissie zich heeft vergist toen zij haar de rol van aanvoerder en aanstichter van de afspraken betreffende de vitamines A, E, B5, C, D3 betacaroteen en carotenoïden toedichtte. Haar gedragingen waren niet erger dan die van andere deelnemers aan de betrokken afspraken die niet als aanvoerder of aanstichter zijn gekwalificeerd. Meer bepaald met betrekking tot de afspraken betreffende de vitamines A en E stelt verzoekster niet dat Aventis als aanvoerder van deze afspraken had moeten worden beschouwd, maar alleen dat de Commissie, zoals zij terecht" heeft gedaan in het geval van Aventis, tot de conclusie had moeten komen dat ook zij een gewone deelnemer en niet een aanvoerder van deze afspraken was (punten 129 tot en met 131 van het verzoekschrift).
29 Overigens stelt verzoekster in haar beroep dat de Commissie punt B van de clementieregeling ten onrechte niet op haar heeft toegepast, aangezien zij voldoet aan alle daartoe vereiste voorwaarden. In het bijzonder merkt zij op dat zij met Roche de eerste is geweest om de Commissie doorslaggevend bewijsmateriaal over het bestaan van alle betrokken afspraken te verstrekken, waaronder die betreffende de vitamines A en E waarvoor punt B van de clementieregeling op Aventis is toegepast.
30 In de tweede plaats moet dus worden nagegaan of het door verzoekster in interventie aangevoerde belang bij afwijzing van verzoeksters vorderingen die zich richten tegen de beoordeling van de Commissie betreffende de eerste onderneming die doorslaggevend bewijsmateriaal over de inbreuken heeft verstrekt, een belang vormt bij de beslissing van het geding in de zin van de in de punten 26 en 27 supra bedoelde rechtspraak.
31 De beschikking, hoewel geredigeerd in de vorm van één beschikking, moet worden aangemerkt als een bundel van individuele beschikkingen waarbij ten aanzien van elk van de ondernemingen tot welke zij is gericht, wordt vastgesteld welke inbreuk(en) haar wordt (worden) verweten en waarbij haar in voorkomend geval een geldboete wordt opgelegd, zoals overigens blijkt uit de bewoordingen van het dictum en met name uit de artikelen 1 en 3 ervan (zie, in die zin, arrest Gerecht van 10 juli 1997, AssiDomän Kraft Products e.a./Commissie, T-227/95, Jurispr. blz. II-1185, punten 56 en 57, op andere punten vernietigd bij arrest Hof van 14 september 1999, Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a., C-310/97 P, Jurispr. blz. I-5363).
32 Verder wordt in de hoofdzaak alleen de intrekking of belangrijke verlaging van het totaalbedrag van de aan verzoekster krachtens artikel 3, sub b, van de beschikking opgelegde geldboete gevorderd. Daarentegen betreft het geding in de hoofdzaak, zoals gedefinieerd in de conclusies van verzoekster en verweerster, niet artikel 3, sub c, van de beschikking waarbij Aventis een geldboete van 5,04 miljoen euro is opgelegd.
33 Vaststaat evenwel enerzijds dat verzoekster in interventie niet wordt geraakt door artikel 3, sub b, van de beschikking en anderzijds dat artikel 3, sub c, van de beschikking, dat haar wel raakt, geenszins zou worden gewijzigd door een arrest van het Gerecht waarbij de aan verzoekster opgelegde geldboete wordt ingetrokken of gewijzigd.
34 In deze omstandigheden heeft verzoekster in interventie slechts een belang bij de afwijzing van verzoeksters conclusies in de hoofdzaak, voorzover bovenbedoelde intrekking of wijziging, waardoor de juistheid van de haar betreffende beoordelingen en vaststellingen in de beschikking twijfelachtig wordt, voor de Commissie eventueel aanleiding zou kunnen zijn om artikel 3, sub c, van de beschikking in heroverweging te nemen, hoewel tegen deze laatste bepaling geen beroep is ingesteld en zij niet meer vatbaar is voor beroep.
35 De Commissie heeft daartoe evenwel niet de mogelijkheid. Volgens vaste rechtspraak verbiedt op het gebied van de mededinging het beginsel ne bis in idem, een van de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht, dat overigens is bevestigd in artikel 4, lid 1, van protocol nr. 7 bij het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat een onderneming opnieuw wordt veroordeeld of vervolgd wegens een met de mededinging strijdige gedraging waarvoor zij is bestraft of niet-aansprakelijk is verklaard bij een eerdere beslissing, waartegen geen beroep meer openstaat (arrest Hof van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C-238/99 P, C-244/99 P, C-245/99 P, C-247/99 P, C-250/99 P-C-252/99 P en C-254/99 P, Jurispr. blz. I-8375, punt 59).
36 Het beginsel ne bis in idem verbiedt derhalve uitsluitend, dat opnieuw ten gronde wordt beoordeeld of de inbreuk inderdaad is gepleegd, hetgeen hetzij tot oplegging van een tweede sanctie bovenop de eerste zou leiden wanneer de onderneming daarvoor opnieuw aansprakelijk zou worden gesteld, hetzij tot oplegging van een eerste sanctie wanneer de onderneming bij de eerste beslissing niet en bij de tweede wel aansprakelijk zou worden geacht (arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 61).
37 Zelfs indien de Commissie zonder het beginsel ne bis in idem te schenden artikel 3, sub c, van de beschikking in een voor Aventis ongunstige zin zou kunnen wijzigen, rekening houdend met de motivering van een arrest van het Gerecht waarbij het in punt 29 supra bedoelde beroep wordt toegewezen, vormt het in punt 34 supra genoemde belang in geen geval een rechtstreeks en dadelijk belang in de zin van de in de punten 26 en 27 supra aangehaalde rechtspraak, maar hooguit een indirect en potentieel belang. Overigens kan in een dergelijk geval verzoekster in interventie in een beroep tot nietigverklaring dat zij tegen een dergelijke ongunstige beslissing van de Commissie bij het Gerecht kan instellen, steeds haar argumenten doen gelden.
38 Gelet op voorgaande overwegingen, kan het belang van Aventis bij interventie niet als een rechtstreeks en duidelijk belang bij de beslissing van het geding in de zin van artikel 37, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG worden beschouwd. Bijgevolg moet haar verzoek tot interventie worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
39 Volgens artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt ten aanzien van de kosten beslist bij het arrest of de beschikking waardoor een einde komt aan het geding. Daar deze beschikking een einde maakt aan het geding voorzover het Aventis aangaat, dient te worden beslist ten aanzien van de op haar verzoek tot interventie gevallen kosten.
40 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien Aventis in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig verzoeksters vordering haar eigen kosten en die van verzoekster voor de onderhavige procedure in interventie dragen. Aangezien de Commissie dienaangaande niet heeft geconcludeerd, dient zij haar eigen kosten te dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
beschikt:
1) Het verzoek tot interventie wordt afgewezen.
2) Aventis SA wordt verwezen in verzoeksters kosten voor de procedure in interventie en in haar eigen kosten.
3) De Commissie zal haar eigen kosten voor de procedure in interventie dragen.
Full & Egal Universal Law Academy