BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
van 6 december 2004
Zaak T‑55/02
Peter Finch
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Ambtenaren – Klacht – Stilzwijgende afwijzing – Uitdrukkelijke afwijzing binnen termijn voor beroep in rechte – Tardieve kennisgeving van afwijzing – Ontvankelijkheid – Pensioenen – Overschrijving van nationale pensioenrechten – Berekening van in pensioenstelsel van Gemeenschappen in aanmerking te nemen pensioenjaren – Salaris dat als referentie wordt genomen – Beroep dat kennelijk rechtens ongegrond is”
Volledige Franse tekst II - 0000
Betreft: Verzoek tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie betreffende de toekenning van extra pensioenjaren in het pensioenstelsel van de Gemeenschappen op grond van de overschrijving van alle pensioenrechten die verzoeker vóór zijn indiensttreding bij de Gemeenschappen had verworven.
Beslissing: Het beroep wordt verworpen omdat het kennelijk rechtens ongegrond is. Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Samenvatting
1. Ambtenaren – Beroep – Voorafgaande administratieve klacht – Uitdrukkelijke afwijzing na stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing, maar binnen beroepstermijn – Te late kennisgeving van afwijzing – Ontvankelijkheid – Datum om termijn voor instelling van beroep te berekenen – Datum van kennisgeving
(Ambtenarenstatuut, art. 91, lid 3)
2. Ambtenaren – Pensioenen – Pensioenrechten verkregen vóór indiensttreding bij Gemeenschappen – Overschrijving naar pensioenstelsel van Gemeenschappen – Extra pensioenjaren – Wijze van berekening – Inaanmerkingneming van basissalaris op datum van aanstelling in vaste dienst – Eerdere aanwerving als tijdelijk functionaris – Geen invloed
(Ambtenarenstatuut, bijlage VIII, art. 11, lid 2; algemene uitvoeringsbepalingen van de Commissie art. 4, lid 2 en 3)
3. Ambtenaren – Pensioenen – Pensioenrechten verkregen vóór indiensttreding bij Gemeenschappen – Overschrijving naar pensioenstelsel van Gemeenschappen – Wijze van berekening van extra pensioenjaren
(Ambtenarenstatuut, bijlage VIII, art. 11, lid 2; algemene uitvoeringsbepalingen van de Commissie, art. 4, lid 2 en 4, sub b)
1. Volgens artikel 91, lid 3, tweede streepje, laatste volzin, van het Statuut gaat, „wanneer een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van de klacht is afgekomen na het stilzwijgende besluit tot afwijzing, doch binnen de termijn voor het instellen van beroep, [...] laatstgenoemde termijn hierdoor opnieuw in”. Een besluit moet worden geacht te zijn afgekomen in de zin van deze bepaling op de datum waarop het door de bevoegde autoriteit is genomen. Wanneer de bevoegde autoriteit binnen de beroepstermijn een uitdrukkelijk besluit heeft genomen moet zij er mede op rekenen dat voor de betrokkene een nieuwe termijn ingaat zonder dat eventuele vertragingen van de mededeling hierbij een rol spelen.
Voor de berekening van de datum vanaf welke de termijn voor de instelling van een beroep in rechte moet worden berekend, moet de datum van mededeling worden gekozen in alle gevallen waarin de vertraging van de mededeling de betrokkene niet kan worden aangerekend. Alleen de mededeling maakt het voor hem immers mogelijk op gepaste wijze kennis te nemen van het bestaan van het besluit en van de gronden waarop de administratie het doet steunen.
(cf. punten 46, 48 en 50)
Referentie: Hof 15 juni 1976, Jänsch/Commissie, 5/76, Jurispr. blz. 1027, punten 5, 9 en 10
2. Noch het Statuut noch de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden noch de door de Commissie vastgestelde uitvoeringsbepalingen betreffende de toepassing van artikel 11, leden 1 en 2, van bijlage VIII bij het Statuut bevatten bepalingen die, wat de overschrijving van pensioenrechten betreft, de situatie van een tijdelijk functionaris die vervolgens ambtenaar wordt, specifiek regelen. Bij gebreke van dergelijke specifieke bepalingen en aangezien de betrokkene, op het moment waarop hij een verzoek in die zin indient, ambtenaar is, wordt de overschrijving van pensioenrechten geregeld door de bepalingen van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut en van artikel 4, leden 2 en 3, van de algemene uitvoeringsbepalingen, volgens welke de extra pensioenjaren worden berekend aan de hand van de datum en de rang van aanstelling van de ambtenaar.
(cf. punten 73 en 74)
Referentie: Hof 20 maart 1986, Bevere/Commissie, 8/85, Jurispr. blz. 1187, punt 11; Gerecht 13 juni 2002, Youssouroum/Raad, T‑106/01, JurAmbt. blz. I‑A‑93 en II‑435, punt 41; Gerecht 26 november 2003, Hohenbichler/Commissie, T‑95/02, JurAmbt. blz. I‑A‑301 en II‑1431, punten 50 en 51
3. Wanneer bij de overschrijving van pensioenrechten de berekening van de extra pensioenjaren geschiedt overeenkomstig artikel 4, lid 4, sub b, van de door de Commissie vastgestelde algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, betreffende de overschrijving naar het pensioenstelsel van de Gemeenschappen van vóór de indiensttreding bij de Gemeenschappen verworven pensioenrechten, wordt het totaalbedrag van de nationale pensioenrechten waarop de overschrijving betrekking heeft geconverteerd op basis van een geactualiseerde koers, geldend op de datum van de overschrijving. In dat geval zijn het salaris en de actuariële waarde waarmee voor de berekening van de pensioenjaren rekening moet worden gehouden, het salaris van de rang waarin de ambtenaar op de datum van de overschrijving is aangesteld respectievelijk de actuariële waarde overeenkomende met de leeftijd die de ambtenaar op die datum heeft bereikt. Gelet op deze actualisering op basis van de datum van de overschrijving, behoeft de aftrek van interesten, die voor de periode tussen de datum van aanstelling en die van de overschrijving is voorzien in artikel 4, lid 2, van de algemene uitvoeringsbepalingen, en waarmee de gemeenschapsinstelling schadeloos moet worden gesteld voor de vertraging waarmee het bedrag aan nationale pensioenrechten dat haar op de datum van aanstelling verschuldigd is daadwerkelijk wordt overgemaakt op de rekening van de Gemeenschap, niet plaats te vinden.
(cf. punten 82 en 83)
Referentie: Gerecht 30 januari 2003, Caballero Montoya e.a./Commissie, T‑303/00, T‑304/00 en T‑322/00, JurAmbt. blz. I‑A‑29 en II‑189, punt 76; Hohenbichler/Commissie, reeds aangehaald, punten 59 en 60
Full & Egal Universal Law Academy