Zaak T‑94/02
Hugo Boss AG
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
„Gemeenschapsmerk – Procedure in rechte – Substitutie van partij bij geding – Overdracht van rechten van aanvrager van gemeenschapsmerk”
Beschikking van het Gerecht (Tweede kamer) van 5 maart 2004
Samenvatting van de beschikking
Gemeenschapsmerk – Beroepsprocedure – Beroep bij gemeenschapsrechter – Overdracht van betrokken intellectuele‑eigendomsrecht – Substitutie van vroegere houder van recht door rechtsopvolger – Noodzaak van beschikking van Gerecht
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 40; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 115, 116 en 134; verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 63)
Voor een geval waarin een partij in de procedure voor een kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) die als gevolg van de instelling van een beroep bij het Gerecht partij voor dit laatste is geworden, het intellectuele eigendomsrecht dat het voorwerp van het geschil vormt, na de beslissing van de kamer van beroep overdraagt, voorziet noch het Statuut van het Hof van Justitie, noch het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, in bepalingen die deze situatie uitdrukkelijk regelen, en indien de mogelijkheid die de nieuwe houder van het recht heeft om overeenkomstig artikel 40 van het Statuut en de artikelen 115 en 116 van het Reglement voor de procesvoering te interveniëren, niet in alle opzichten volstaat om rekening te houden met de bijzondere situatie van de partijen bij een geding inzake intellectuele eigendom, moet voor de rechtsopvolger van de partij voor de kamer van beroep de mogelijkheid worden toegestaan om in het kader van de procedure voor het Gerecht in de plaats te treden van deze partij als interveniënt op grond van artikel 134 van het Reglement voor de procesvoering.
Deze substitutie kan evenwel slechts worden toegestaan bij een beschikking van het Gerecht waarin rekening wordt gehouden met de positie van de vroegere houder van het recht en van de andere partijen in het geding. Aangezien het in wezen gaat om de beslissing om een nieuwe partij toe te laten tot het geding, moeten bovendien de procedurele bepalingen van de artikelen 115 en 116 van het Reglement voor de procesvoering naar analogie worden toegepast.
(cf. punten 15‑16, 20, 24‑25, 27, 32)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Tweede Kamer)
5 maart 2004 (*)
„Gemeenschapsmerk – Procedure in rechte – Substitutie van partij bij geding – Overdracht van rechten van aanvrager van gemeenschapsmerk”
In zaak T‑94/02,
Hugo Boss AG, gevestigd te Metzingen (Duitsland), vertegenwoordigd door E. Baud, advocaat,
verzoekster,
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM), vertegenwoordigd door O. Waelbroeck als gemachtigde,
verweerder,
interveniënte voor het Gerecht:
Delta Holding SA, voorheen Delta Protypos Biomichania Galaktos SA, gevestigd te Athene (Griekenland), vertegenwoordigd door P. Kanellopoulos, advocaat,
betreffende een beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 12 december 2001 (zaak R 53/2001‑4) betreffende een oppositieprocedure tussen Hugo Boss AG en Delta Protypos Biomichania Galaktos SA,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede Kamer),
samengesteld als volgt: J. Pirrung, kamerpresident, A. W. H. Meij en N. J. Forwood, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Feiten, procesverloop en argumenten van partijen
1 Op 12 augustus 1996 heeft Delta Holding SA, voorheen Delta Protypos Biomichania Galaktos SA (hierna: „Delta Holding”), bij het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (hierna: „Bureau”) een aanvraag voor een gemeenschapsmerk ingediend krachtens verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1), zoals gewijzigd.
2 Op 29 mei 1998 heeft verzoekster krachtens artikel 42 van verordening nr. 40/94 oppositie ingesteld tegen de inschrijving van het aangevraagde merk. Nadat de oppositie was afgewezen, heeft verzoekster krachtens artikel 59 van verordening nr. 40/94 bij het Bureau beroep ingesteld tegen de beslissing van de oppositieafdeling.
3 Het beroep is bij beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau van 12 december 2001 verworpen.
4 Bij verzoekschrift ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 27 maart 2002 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen de beslissing van de kamer van beroep.
5 Op 26 augustus 2002 heeft Delta Holding een memorie van antwoord ingediend.
6 Op 12 augustus 2002 heeft Delta Biomichania Pagatou SA, eveneens Delta Ice Cream SA genoemd (hierna: „Delta Ice Cream”), krachtens artikel 115 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een verzoek tot interventie in de onderhavige zaak ingediend ter ondersteuning van de conclusies van Delta Holding.
7 Delta Ice Cream heeft uiteengezet dat zij een dochteronderneming is van Delta Holding en dat de aanvraag van het gemeenschapsmerk in het kader van een herstructurering in 2002 van Delta Holding op haar is overgegaan. Dit is bekrachtigd door een overeenkomst van 29 april 2002, die op 5 juni 2002 aan het Bureau is betekend. Deze overgang is op 25 juli 2002 bij het Bureau ingeschreven overeenkomstig de artikelen 17 en 24 van verordening nr. 40/94.
8 In zijn opmerkingen over het verzoek tot interventie heeft het Bureau het Gerecht verzocht te verklaren dat Delta Ice Cream krachtens artikel 134 van het Reglement voor de procesvoering als interveniënte kon deelnemen aan de procedure voor het Gerecht. Het Bureau heeft gewezen op de nadelen die de toelating van de nieuwe houdster van de aan de merkaanvraag verbonden rechten als interveniënte krachtens artikel 40 van het Statuut van het Hof en de artikelen 115 en 116 van het Reglement voor de procesvoering met zich zou brengen.
9 Op het verzoek om het doel van haar verzoek tot interventie te preciseren, heeft Delta Ice Cream aangegeven dat zij krachtens artikel 134 van het Reglement voor de procesvoering als interveniënte wenste deel te nemen aan de procedure voor het Gerecht in de plaats van Delta Holding. Subsidiair heeft zij verzocht om overeenkomstig de artikelen 115 en 116 van het Reglement voor de procesvoering te mogen interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van Delta Holding. Bovendien heeft zij voor het geval dat het haar zou worden toegestaan om in de onderhavige procedure de plaats van Delta Holding in te nemen, verzocht dat alle door Delta Holding ingediende opmerkingen en overgelegde bewijzen worden beschouwd als door Delta Ice Cream te zijn ingediend en overgelegd.
10 De andere partijen in de procedure is verzocht om hun opmerkingen over het aldus gepreciseerde verzoek in te dienen.
11 Delta Holding heeft aangegeven dat zij er geen bezwaar tegen heeft om in het kader van de onderhavige procedure te worden vervangen door Delta Ice Cream. Het Bureau heeft ingestemd met het verzoek van Delta Ice Cream om Delta Holding te vervangen. Verzoekster heeft geen opmerkingen ingediend.
In rechte
12 Volgens artikel 63, lid 4, van verordening nr. 40/94 kan het beroep krachtens artikel 63 van deze verordening worden ingesteld door partijen in de procedure voor de kamer van beroep voorzover zij door de beslissing van deze kamer in het ongelijk zijn gesteld.
13 Volgens artikel 134, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering kunnen de partijen in de procedure voor de kamer van beroep, met uitzondering van de verzoekende partij, als interveniënten deelnemen aan de procedure voor het Gerecht en hebben zij uit dien hoofde dezelfde processuele rechten als de partijen ten principale.
14 Overigens kunnen de personen die aannemelijk maken belang te hebben bij de beslissing van het rechtsgeding, overeenkomstig artikel 40 van het Statuut en de artikelen 115 en 116 van het Reglement voor de procesvoering bij beschikking worden toegelaten tot interventie in de procedure.
15 Noch het Statuut van het Hof noch het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bevat bepalingen die uitdrukkelijk het geval regelen waarin een partij in de procedure voor de kamer van beroep het intellectuele eigendomsrecht dat het voorwerp van het geschil vormt, na de beslissing van de kamer van beroep overdraagt. In het bijzonder voorziet geen enkele bepaling in de mogelijkheid voor de nieuwe houder van het recht om in het kader van de procedure voor het Gerecht de plaats van de cedent in te nemen.
16 De nieuwe houder van het recht heeft weliswaar hoe dan ook de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 40 van het Statuut en de artikelen 115 en 116 van het Reglement voor de procesvoering te interveniëren. Deze mogelijkheid volstaat echter niet om in alle opzichten rekening te houden met de bijzondere situatie van de partijen bij een geding inzake intellectuele eigendom.
17 Zoals namelijk blijkt uit artikel 53, tweede alinea, van het Statuut, vertonen de geschillen op het gebied van de intellectuele eigendom bijzonderheden waardoor het noodzakelijk is af te wijken van sommige bepalingen die de procedure voor het Gerecht regelen. Zoals het Bureau terecht aanvoert, zijn de bijzondere bepalingen van de vierde titel van het Reglement voor de procesvoering over de geschillen betreffende de intellectuele eigendomsrechten vastgesteld om met voornoemde bijzonderheden rekening te houden. Eén van deze bijzonderheden bestaat in de omstandigheid dat die geschillen, voorzover het oppositieprocedures betreft, geschillen tussen particulieren zijn. Hiervoor zijn met name specifieke regels vastgesteld inzake de processuele rechten van de interveniënten. Aldus kent artikel 134, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering aan de partijen in de procedure voor de kamer van beroep, met uitzondering van de verzoekende partij, een processuele positie toe die gelijkwaardig is aan die van de partijen ten principale. Deze bepaling wijkt dus af van artikel 40, vierde alinea, van het Statuut, volgens hetwelk de conclusies van het verzoek tot voeging slechts kunnen strekken tot ondersteuning van de conclusies van een der partijen ten principale. Interveniënten kunnen op grond van artikel 134 van het Reglement voor de procesvoering echter niet enkel de conclusies van een partij ten principale ondersteunen, maar eveneens conclusies en middelen voordragen die autonoom zijn ten opzichte van die van de partijen ten principale.
18 Kon de rechtsopvolger van een partij voor de kamer van beroep enkel deelnemen aan het geding in het kader van een interventie op grond van artikel 40 van het Statuut en de artikelen 115 en 116 van het Reglement voor de procesvoering, dan zou de verdediging van zijn rechten in het gedrang kunnen komen doordat zijn positie in de procedure voor het Gerecht niet gelijkwaardig is aan die van de partijen ten principale, terwijl de vroegere houder van het recht ten gevolge van de overdracht mogelijkerwijs geen belang meer heeft bij de doeltreffende verdediging van deze rechten.
19 Wanneer het, zoals in het onderhavige geval, gaat om de overdracht van rechten die zijn verbonden aan een aanvraag voor een gemeenschapsmerk, dan zou de toepassing van artikel 40 van het Statuut en van de artikelen 115 en 116 van het Reglement voor de procesvoering op de rechtsopvolger van de partij voor de kamer van beroep bovendien leiden tot een dispariteit tussen de status van deze rechtsopvolger voor het Bureau, waar hij wordt beschouwd als de nieuwe houder van de aanvraag voor een gemeenschapsmerk en als zodanig als volwaardige partij in de oppositieprocedure, en zijn status voor het Gerecht. Ten slotte zou de toepassing van deze bepalingen een discrepantie met zich brengen tussen de situatie ten gronde van de nieuwe houder van het intellectuele eigendomsrecht en zijn situatie in de procedure voor de communautaire rechter.
20 Bijgevolg moet de rechtsopvolger van de partij voor de kamer van beroep in het kader van de procedure voor het Gerecht de plaats van deze partij kunnen innemen.
21 In tegenstelling tot wat het Bureau beweert, kan nochtans niet worden aangenomen dat een dergelijke substitutie van rechtswege plaatsvindt zodra de overdracht van het recht in kwestie bij het Bureau is ingeschreven.
22 In de rechtspraak is weliswaar erkend dat een door een partij ingestelde vordering door haar rechtsopvolger onder algemene titel kan worden voortgezet, met name in geval van overlijden van een natuurlijk persoon of in geval van een rechtspersoon die ophoudt te bestaan en waarvan alle rechten en verplichtingen worden overgedragen op een nieuwe houder (zie in die zin arresten Hof van 20 oktober 1983, Gutmann/Commissie, 92/82, Jurispr. blz. 3127, punt 2; 23 april 1986, Les Verts/Parlement, 294/83, Jurispr. blz. 1339, punten 13‑18, en 9 september 2003, Kik/BHIM, C‑361/01 P, Jurispr. blz. I‑8283, punt 19). In dergelijke gevallen treedt de rechtsopvolger van rechtswege in de plaats van de oorspronkelijke partij.
23 Deze oplossing kan echter niet worden toegepast op het geval van een overdracht onder bijzondere titel van een intellectueel eigendomsrecht.
24 In de eerste plaats tast de overdracht van een intellectueel eigendomsrecht, of die nu afzonderlijk plaatsvindt of in het kader van de overdracht van een onderneming, op zich het bestaan of de bevoegdheid om in rechte op te treden van de vorige houder van het recht niet aan. In deze omstandigheden, en bij gebrek aan uitdrukkelijke bepalingen die zulks voorzien, kan de vorige houder zijn hoedanigheid van partij in de procedure voor het Gerecht niet worden ontnomen, behalve wanneer hij de mogelijkheid heeft gehad om dienaangaande zijn standpunt te bepalen en geen bezwaren heeft gemaakt.
25 In de tweede plaats kan de substitutie van een partij door een andere in de loop van de procedure voor het Gerecht de rechtmatige belangen van de andere partijen bij het geding schaden. Bijgevolg kan een dergelijke substitutie niet plaatsvinden zonder dat deze partijen zijn gehoord.
26 In de derde plaats betreffen de bij het Gerecht aanhangig gemaakte gedingen niet enkel intellectuele eigendomsrechten op communautair niveau, zoals gemeenschapsmerken of aan de aanvraag om inschrijving van dergelijke merken verbonden rechten, maar kunnen zij eveneens betrekking hebben op intellectuele eigendomsrechten die zijn erkend op basis van het recht van de lidstaten. De positie van de rechtsopvolger kan echter niet verschillen naargelang het hem overgedragen recht bestaat op communautair niveau of op nationaal niveau. De voorwaarden voor de geldigheid en de inroepbaarheid tegen derden van de overdracht van een door het nationale recht van een lidstaat gewaarborgd intellectueel eigendomsrecht worden door het nationale recht geregeld. Het Gerecht kan niet altijd gemakkelijk nagaan of deze voorwaarden zijn vervuld. In deze omstandigheden een substitutie van rechtswege toestaan zou tot onzekerheid leiden voor de partijen in de procedure voor het Gerecht, hetgeen nefaste gevolgen met zich zou kunnen brengen.
27 Bijgevolg kan de substitutie slechts worden toegestaan bij beschikking van het Gerecht. Aangezien het in wezen gaat om de beslissing om een nieuwe partij toe te laten tot het geding, moeten de procedurele bepalingen van de artikelen 115 en 116 van het Reglement voor de procesvoering naar analogie worden toegepast.
28 Derhalve moet het verzoek van de rechtsopvolger om in de plaats te treden van de vorige houder worden ingediend binnen de termijnen van artikel 115, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering en, mutatis mutandis, voldoen aan de formele vereisten die volgen uit lid 2 van deze bepaling.
29 Naar analogie van artikel 116, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering moet het verzoek om substitutie aan de partijen worden betekend en moeten zij in de gelegenheid worden gesteld hierover schriftelijk of mondeling opmerkingen te maken. Aangezien de vorige houder van het recht in geval van substitutie ophoudt partij te zijn in de procedure voor het Gerecht, kan deze substitutie niet plaatsvinden wanneer hij zich ertegen verzet. In dat geval kan de rechtsopvolger worden toegelaten tot interventie op grond van artikel 40 van het Statuut. Hij beschikt eveneens over deze mogelijkheid wanneer blijkt dat de substitutie niet gepast is, ofwel omdat zij de rechtmatige belangen van de andere partijen zou schaden op een wijze die niet wordt gerechtvaardigd door de rechtmatige belangen van de vorige houder en de rechtsopvolger, ofwel om andere redenen.
30 Naar analogie van artikel 116, lid 1, derde alinea, van het Reglement voor de procesvoering wordt de beschikking inzake het verzoek om substitutie ofwel gegeven door de president van de kamer waaraan de zaak is toegewezen, ofwel, wanneer de president de beslissing naar de kamer verwijst, door laatstgenoemde kamer.
31 De rechtsopvolger moet het geding aanvaarden in de stand op het ogenblik van substitutie. Hij is in het bijzonder gebonden aan de eventuele procedurehandelingen van de vroegere houder. In voorkomend geval kan hem overeenkomstig artikel 135, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering worden toegestaan een memoire van dupliek in te dienen, maar de substitutie alleen volstaat op zich niet ter rechtvaardiging daarvan. In ieder geval kan de rechtsopvolger die toestemming heeft gekregen om in de plaats van de vroegere houder van het recht te treden overeenkomstig de hierboven uiteengezette beginselen, zijn standpunt ter terechtzitting verdedigen.
32 In casu heeft Delta Holding, de vroegere houdster van de rechten die zijn verbonden aan de aanvraag voor een gemeenschapsmerk, verklaard geen bezwaren te hebben tegen de substitutie, en heeft het Bureau hiermee ingestemd. Verzoekster heeft geen bezwaren aangevoerd. In deze omstandigheden moet de substitutie van Delta Holding door Delta Ice Cream als interveniënte op grond van artikel 134 van het Reglement voor de procesvoering worden toegestaan.
Kosten
33 Aangezien het onderhavige verzoek tot interventie een procesincident is, wordt de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer)
beschikt:
1) Delta Biomichania Pagatou SA wordt toegelaten als interveniënte op grond van artikel 134 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht in de plaats van Delta Holding SA, voorheen Delta Protypos Biomichania Galaktos SA.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 5 maart 2004.
De griffier
De president van de Tweede kamer
H. Jung
J. Pirrung
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy