Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Richtlijn 2002/10 tot wijziging van richtlijnen 92/79, 92/80 en 95/59 wat structuur en tarieven van accijns op tabaksfabrikaten betreft - Wijziging van definitie van sigaren en cigarillo's - Beroep ingesteld door vennootschap die door deze wijziging betroffen producten vervaardigt en in handel brengt - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG; richtlijn 2002/10 van de Raad, art. 3, punt 1, en 4, lid 2, eerste streepje)
2. Europese Gemeenschappen - Rechterlijke toetsing van wettigheid van handelingen van instellingen - Handelingen van algemene strekking - Noodzaak voor natuurlijke of rechtspersonen om via exceptie van onwettigheid of prejudiciële verwijzing geldigheid te laten beoordelen - Inleiding van beroep tot nietigverklaring voor gemeenschapsrechter in geval van ondoeltreffende prejudiciële verwijzing - Uitgesloten
(Art. 230, vierde alinea, 234 EG en 241 EG)
Samenvatting
$$1. Natuurlijke of rechtspersonen kunnen slechts worden geacht individueel te zijn geraakt, wanneer zij in hun rechtspositie worden getroffen uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat.
Een vennootschap die in lidstaten, met name in Duitsland, en in derde landen producten vervaardigt en in de handel brengt die voorheen voor de vaststelling van het toepasselijke accijnstarief als sigaren of cigarillo's werden beschouwd, overeenkomstig de definitie van deze begrippen in artikel 3 van richtlijn 95/59, en krachtens de wijzigingsrichtlijn 2002/10 voortaan zullen moeten worden beschouwd als sigaretten, waarvan de verkoop onderworpen is aan een minimumaccijnstarief dat veel hoger is dan dat voor sigaren en cigarillo's, wordt niet individueel geraakt door enerzijds artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10 tot wijziging van richtlijnen 92/79, 92/80 en 95/59 wat de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten betreft, waarbij de definitie van sigaren en cigarillo's van artikel 3 van richtlijn 95/59 wordt gewijzigd, en anderzijds artikel 4, lid 2, eerste streepje, van richtlijn 2002/10, dat voor Duitsland voorziet in een afwijking van de termijn voor de omzetting van dit artikel 3, punt 1.
Door deze bepalingen van richtlijn 2002/10 wordt de verzoekende vennootschap slechts geraakt uit hoofde van haar objectieve hoedanigheid van marktdeelnemer in de sector van de vervaardiging van de betrokken producten, op dezelfde wijze als elke andere marktdeelnemer die zich in dezelfde situatie bevindt. Niet alleen de fabrikanten van de betrokken producten worden geraakt door de uit artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10 voortvloeiende wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's, maar ook de bij de afzet van deze producten betrokken marktdeelnemers, alsmede degenen die de producten verbruiken. Het feit dat de gemeenschapswetgever er bij de vaststelling van een handeling van algemene strekking rekening mee houdt dat deze handeling voor bepaalde groepen marktdeelnemers grotere economische gevolgen kan hebben, volstaat op zich niet om deze marktdeelnemers te karakteriseren ten opzichte van de andere marktdeelnemers, wanneer vaststaat dat deze handeling hen betreft in hun objectieve hoedanigheid van op de betrokken markt werkzame marktdeelnemers.
( cf. punten 43-47, 51, 54 )
2. De omstandigheid dat een prejudiciële verwijzing tot toetsing van de geldigheid van een gemeenschapshandeling van algemene strekking krachtens artikel 234 EG niet doeltreffend zou zijn, kan geen rechtvaardiging opleveren voor een wijziging bij wege van rechterlijke beslissing van het in de artikelen 230 EG, 234 EG en 241 EG neergelegde stelsel van beroepswegen en procedures waarmee de toetsing van de wettigheid van de handelingen van de instellingen aan de gemeenschapsrechter is opgedragen. In geen geval kan op grond daarvan een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring, dat niet aan de bij artikel 230, vierde alinea, EG gestelde voorwaarden voldoet, ontvankelijk worden verklaard.
( cf. punt 61 )
Partijen
In zaak T-154/02,
Villiger Söhne GmbH, gevestigd te Waldshut-Tiengen (Duitsland), vertegenwoordigd door B. Wägenbaur, advocaat,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door F. Gijón en M. Simm als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10/EG van de Raad van 12 februari 2002 tot wijziging van richtlijn 92/79/EEG, richtlijn 92/80/EEG en richtlijn 95/59/EG wat de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten betreft (PB L 46, blz. 26), subsidiair van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van deze richtlijn,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, J. Azizi en M. Jaeger, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Rechtskader
1 De accijns op tabaksfabrikaten wordt op gemeenschapsniveau in wezen geregeld in drie richtlijnen: richtlijn 92/79/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de onderlinge aanpassing van de belastingen op sigaretten (PB L 316, blz. 8); richtlijn 92/80/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de onderlinge aanpassing van de belastingen op andere tabaksfabrikaten dan sigaretten (PB L 316, blz. 10) en richtlijn 95/59/EG van de Raad van 27 november 1995 betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabrikaten (PB L 291, blz. 40).
2 Voor de vaststelling van het toepasselijke accijnstarief geeft richtlijn 95/59 nauwkeurige definities van de verschillende soorten tabaksfabrikaten, te weten sigaretten, sigaren of cigarillo's en rooktabak. Artikel 3 van deze richtlijn luidt als volgt:
Als sigaren of cigarillo's worden beschouwd de volgende producten, indien zij geschikt zijn om als zodanig te worden gerookt:
1. volledig uit natuurtabak bestaande tabaksrolletjes;
2. tabaksrolletjes met een dekblad van natuurtabak;
3. tabaksrolletjes met een dekblad met normale sigaarkleur en een omblad, beide van geregenereerde tabak, waarvan de tabaksdeeltjes voor ten minste 60 gewichtsprocenten breder en langer zijn dan 1,75 mm en waarvan het dekblad schuin gewikkeld is volgens een lijn die met de lengteas van het rolletje een scherpe hoek van ten minste 30° maakt;
4. tabaksrolletjes met een dekblad met normale sigaarkleur van geregenereerde tabak, waarvan het gewicht zonder filter en mondstuk 2,3 g of meer per stuk bedraagt, waarvan de tabaksdeeltjes voor ten minste 60 gewichtsprocenten breder en langer dan 1,75 mm zijn en waarvan de omtrek over ten minste een derde van de lengte 34 mm of meer bedraagt."
3 Op 12 februari 2002 heeft de Raad richtlijn 2002/10/EG tot wijziging van richtlijn 92/97, richtlijn 92/80 en richtlijn 95/59 wat de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten betreft (PB L 46, blz. 26) vastgesteld. Krachtens artikel 3, punt 1, van deze richtlijn worden de punten 3 en 4 van de definitie van sigaren en cigarillo's in artikel 3 van richtlijn 95/59 vervangen door de volgende tekst:
3. tabaksrolletjes bestaande uit een gebroken melange, met een dekblad dat de normale kleur heeft van een sigaar en dat het product volledig omhult, in voorkomend geval met inbegrip van het filter, doch zonder het mondstuk (voor sigaren met mondstuk) en een omblad, beide van gereconstitueerde tabak, waarvan het gewicht per stuk, zonder filter of mondstuk, niet minder dan 1,2 g bedraagt en het dekblad schuin gewikkeld is volgens een lijn die met de lengteas van het rolletje een scherpe hoek van ten minste 30° maakt;
4. tabaksrolletjes bestaande uit een gebroken melange, met een dekblad dat de normale kleur heeft van een sigaar, van gereconstitueerde tabak, dat het product volledig omhult, in voorkomend geval met inbegrip van het filter, doch zonder het mondstuk (voor sigaren met mondstuk) en waarvan het gewicht per stuk, zonder filter of mondstuk, niet minder dan 2,3 g bedraagt en de omtrek over ten minste een derde van de lengte 34 mm of meer bedraagt."
4 Als gevolg van deze wijziging moet een aantal producten (hierna: betrokken producten") die voor de vaststelling van het toepasselijke accijnstarief voorheen als sigaren of cigarillo's werden beschouwd volgens de definitie van deze termen in artikel 3 van richtlijn 95/59, krachtens richtlijn 2002/10 voortaan worden beschouwd als sigaretten, waarvoor het minimumaccijnstarief veel hoger is dan voor sigaren en cigarillo's.
5 Krachtens artikel 4, lid 1, van richtlijn 2002/10 geven de lidstaten tot uiterlijk 1 juli 2002 uitvoering aan deze richtlijn (waaronder de wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's in artikel 3, punt 1). Artikel 4, lid 2, eerste streepje, van deze richtlijn voorziet evenwel in een afwijking voor de Bondsrepubliek Duitsland, die wordt gemachtigd de wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's in artikel 3, punt 1, van de richtlijn uiterlijk op 1 januari 2008 in werking te doen treden. Volgens de elfde overweging van de considerans van richtlijn 2002/10 is dit uitstel gerechtvaardigd gezien de economische moeilijkheden die een onmiddellijke toepassing voor de betrokken Duitse marktdeelnemers zou kunnen veroorzaken".
Procesverloop en conclusies van partijen
6 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 9 mei 2002, heeft verzoekster, een Duitse vennootschap die de betrokken producten in Duitsland en andere lidstaten alsook in derde landen produceert en verkoopt, het onderhavige beroep ingesteld.
7 Bij op 25 juli 2002 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verweerder een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Verzoekster heeft haar opmerkingen over deze exceptie op 10 september 2002 neergelegd.
8 Bij op 27 augustus 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Commissie verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure ter ondersteuning van verweerders conclusies. Bij op 20 september 2002 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten hebben Cigar Coalition Europe eV en Badische Tabakmanufaktur Roth-Händle GmbH verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure ter ondersteuning van verzoeksters conclusies.
9 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10 nietig te verklaren;
- subsidiair, artikel 4, lid 2, eerste streepje, van richtlijn 2002/10 nietig te verklaren voorzover deze bepaling slechts op de Bondsrepubliek Duitsland en niet op de andere lidstaten van toepassing is, en voor Duitsland uiterlijk op 1 januari 2008 in omzetting van deze richtlijn voorziet;
- verweerder in de kosten te verwijzen.
10 Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
Ontvankelijkheid
11 Op grond van artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht op verzoek van een partij uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid zonder op de zaak ten gronde in te gaan. Volgens artikel 114, lid 3, geschiedt de verdere behandeling van het verzoek dan mondeling, tenzij het Gerecht anders bepaalt.
12 In casu acht het Gerecht zich door het dossier voldoende voorgelicht om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen.
Argumenten van partijen
13 Verweerder voert drie verschillende redenen aan waarom verzoekster geen procesbevoegdheid heeft en het beroep dus niet-ontvankelijk is. Primair stelt hij dat het beroep niet-ontvankelijk is, aangezien het strekt tot nietigverklaring van een richtlijn. Vervolgens is het beroep zijns inziens niet-ontvankelijk, omdat verzoekster niet rechtstreeks wordt geraakt door de wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's in artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10. Ten slotte, aldus verweerder, vloeit de niet-ontvankelijkheid van het beroep voort uit het feit dat verzoekster door deze wijziging niet individueel wordt geraakt.
Bevoegdheid om een beroep tot nietigverklaring van een richtlijn in te stellen
14 Verweerder stelt dat verzoekster niet bevoegd is om een beroep tot nietigverklaring in te stellen van een richtlijn zoals die welke in casu aan de orde is.
15 Verzoekster stelt dat zij wel bevoegd is een beroep tot nietigverklaring van een richtlijnbepaling in te stellen.
16 Zij wijst erop dat het feit dat het beroep tegen een richtlijn en niet tegen een beschikking is gericht, op zich niet volstaat om aan te nemen dat het beroep niet-ontvankelijk is, aangezien het begrip beschikking" in artikel 230, vierde alinea, EG, zoals uit de rechtspraak blijkt, in technische en niet in letterlijke zin moet worden verstaan (arrest Hof van 14 december 1962, Confédération nationale des producteurs de fruits et légumes e.a./Raad, 16/62 en 17/62, Jurispr. blz. 943, blz. 957). Bovendien hebben het Hof en het Gerecht herhaaldelijk verklaard dat een particulier krachtens artikel 230, vierde alinea, EG nietigverklaring van een bepaling van een richtlijn kan vorderen, wanneer deze bepaling hem rechtstreeks en individueel raakt (zie, bijvoorbeeld, arrest Hof van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, 11/82, Jurispr. blz. 207, punten 11-32; beschikkingen van de president van het Hof van 8 april 1987, Pfizer/Commissie, 65/87 R, Jurispr. blz. 1691; 27 april 1988, Farzoo en Kortmann/Commissie, 352/87, Jurispr. blz. 2281; 13 juli 1988, Fédération européenne de la santé animale e.a./Raad, 160/88 R, Jurispr. blz. 4121, punten 25-28, en 7 december 1988, Flourez e.a./Raad, 138/88, Jurispr. blz. 6393; arresten Hof van 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie, C-152/88, Jurispr. blz. I-2477, punten 11-13; 16 mei 1991, Extramet Industrie/Raad, C-358/89, Jurispr. blz. I-2501, punten 13-18; 29 juni 1993, Gibraltar/Raad, C-298/89, Jurispr. blz. I-3605, en 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C-309/89, Jurispr. blz. I-1853; beschikking Hof van 23 november 1995, Asocarne/Raad, C-10/95 P, Jurispr. blz. I-4149; beschikking Gerecht van 20 oktober 1994, Asocarne/Raad, T-99/94, Jurispr. blz. II-871; arrest Gerecht van 27 juni 2000, Salamander e.a./Parlement en Raad, T-172/98, T-175/98-T-177/98, Jurispr. blz. II-2487, punt 30, en beschikking Gerecht van 14 januari 2002, Association contre l'heure d'été/Parlement en Raad, T-84/01, Jurispr. blz. II-99, punt 23).
17 Dienaangaande, aldus verzoekster, gaat verweerders betoog uit van een onjuiste premisse, namelijk dat het onderhavige beroep strekt tot nietigverklaring van richtlijn 2002/10 in haar geheel. Uit het verzoekschrift blijkt evenwel duidelijk dat alleen om nietigverklaring van artikel 3, punt 1, subsidiair, van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van richtlijn 2002/10 wordt verzocht. Bovendien wijst zij erop dat uit het arrest Confédération nationale des producteurs de fruits et légumes e.a./Raad (aangehaald in punt 16 supra) kan worden afgeleid dat de inhoud van elk van de bepalingen van de bestreden handeling veeleer dan de handeling in haar geheel moet worden onderzocht. Het is dus niet noodzakelijk richtlijn 2002/10 in haar geheel te toetsen, aangezien artikel 3, punt 1, van deze richtlijn enerzijds en de andere bepalingen ervan anderzijds geen normatief geheel vormen. De bij artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10 gewijzigde definitie van de verschillende soorten tabaksproducten staat namelijk los van de andere bepalingen van de richtlijn, die het tarief en de structuur van het accijns betreffen. Haars inziens wordt dit bevestigd doordat de definities van de verschillende soorten tabaksfabrikaten oorspronkelijk waren opgenomen in een bijzondere richtlijn, namelijk richtlijn 79/32/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabrikaten (PB 1979, L 10, blz. 8). Bovendien kunnen de richtlijnen 92/79, 92/80 en 95/59 in het kader van richtlijn 2002/10 niet in hun geheel worden beoordeeld, nu richtlijn 95/59, anders dan de richtlijnen 92/79 en 92/80, die voorzien in een procedure van herziening op gezette tijden van de structuur van de accijns en van het minimumaccijnstarief, een dergelijke procedure niet kent voor de definities van de verschillende soorten daarin genoemde tabaksfabrikaten. Anderzijds kan de oplossing van het door verweerder aangehaalde arrest van het Hof van 18 januari 1979, Usines de Beaufort e.a./Raad (103/78-109/78, Jurispr. blz. 17) in casu niet worden toegepast, aangezien de feiten die aan dat arrest ten grondslag lagen, volledig verschillen van die van het onderhavige geding.
18 Ten slotte bestrijdt verzoekster verweerders stelling, dat het onderhavige beroep niet-ontvankelijk is aangezien zij richtlijn 2002/10 steeds op haar rechtmatigheid kan laten toetsen via een prejudiciële verwijzing in de zin van artikel 234 EG. Deze procedure kan namelijk niet worden vergeleken met een rechtstreeks beroep bij het Gerecht in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG aangezien het gaat om een incident in het kader van een nationaal geding. Vervolgens zijn er aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten wat de mogelijkheid betreft om van de nationale rechter een prejudiciële verwijzing te verkrijgen, en de procedure brengt bovendien aanzienlijke vertraging mee. De theoretische mogelijkheid van een prejudiciële procedure alsook de ontbrekende mogelijkheid van een rechtstreeks beroep bij de gemeenschapsrechter zijn in strijd met het beginsel van rechtsbescherming en met het beginsel van de rechtsstaat in artikel 6 EU.
De rechtstreekse geraaktheid
19 Volgens verweerder wordt verzoekster niet rechtstreeks geraakt door de bestreden bepalingen. Volgens vaste rechtspraak wordt een particulier door een gemeenschapsmaatregel slechts rechtstreeks geraakt, wanneer de bestreden maatregel rechtstreeks gevolgen heeft voor zijn rechtspositie en aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen beoordelingsbevoegdheid laat, omdat de uitvoering zuiver automatisch is en uitsluitend op grond van de communautaire regeling plaatsvindt, zonder dat daarvoor eerst nadere regels moeten worden gesteld (arrest Hof van 5 mei 1998, Glencore Grain/Commissie, C-404/96 P, Jurispr. blz. I-2435, punt 41). Volgens verweerder is in casu evenwel aan geen van deze voorwaarden voldaan.
20 Verzoekster betwist dat zij niet rechtstreeks wordt geraakt door de uit artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10 voortvloeiende wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's.
21 Om te beginnen heeft verweerder er in zijn memorie geen rekening mee gehouden dat artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10 aanzienlijk verschilt van de richtlijn- en verordeningsbepalingen waarover de gemeenschapsrechters zich tot dusver hebben uitgesproken. Aangezien deze bepaling een zodanige verzwaring van de belastingdruk op de betrokken producten meebrengt, dat deze niet meer met sigaretten en cigarillo's kunnen concurreren, komt zij namelijk in feite neer op een verbod van de handel in deze producten. Dit feitelijke verbod is sinds 1 juli 2002 in 14 lidstaten van de Gemeenschap van kracht en zal dat vanaf 1 januari 2008 in Duitsland zijn.
22 Vervolgens, aldus verzoekster, is in casu voldaan aan de twee voorwaarden om rechtstreeks te worden geraakt, namelijk het ontbreken van een beoordelingsbevoegdheid voor degenen die met de uitvoering van de maatregel zijn belast, terwijl anderzijds de maatregel gevolgen heeft voor haar rechtspositie (arrest Hof van 5 mei 1998, Dreyfus/Commissie, C-386/96 P, Jurispr. blz. I-2309, punt 43).
23 Met betrekking tot de voorwaarde dat de maatregel degene tot wie hij is gericht, geen beoordelingsvrijheid laat, wijst zij er in de eerste plaats op dat de bestreden bepaling de lidstaten die met de uitvoering ervan zijn belast, in casu geen enkele beoordelingsmarge laat. Artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10 geeft namelijk een nauwkeurige definitie van de termen sigaren" en cigarillo's" en de lidstaten moeten deze definitie in hun nationale regeling overnemen teneinde hun verplichting tot uitvoering van deze richtlijn na te komen. Dat de lidstaten geen beoordelingsmarge hebben bij de omzetting van de definities van de verschillende soorten in richtlijn 2002/10 bedoelde tabaksfabrikaten, wordt overigens bevestigd doordat, zoals blijkt uit artikel 8, tweede alinea, van richtlijn 95/59 en uit het arrest van het Hof van 27 februari 2002, Commissie/Frankrijk (C-302/00, Jurispr. blz. I-2055), op alle tabaksproducten van eenzelfde categorie hetzelfde heffingstarief van toepassing moet zijn. Daar er geen beoordelingsmarge is, moet ervan worden uitgegaan dat artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10 in feite een verordeningsbepaling is, die in de vorm van een richtlijn is gegeven. Dienaangaande wijst zij erop dat verweerder ten onrechte stelt dat artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10 formeel deel uitmaakt van een richtlijn, aangezien de juridische kwalificatie van een handeling volgens vaste rechtspraak niet alleen afhangt van de officiële benaming ervan, maar in de eerste plaats van de inhoud en het voorwerp ervan (arrest Confédération nationale des producteurs de fruits et légumes e.a./Raad, aangehaald in punt 16 supra).
24 Volgens verzoekster is het arrest Salamander e.a./Parlement en Raad (aangehaald in punt 16 supra, punt 54), volgens hetwelk particulieren geen beroep tot nietigverklaring van een richtlijn kunnen instellen voordat deze in nationaal recht is omgezet, omdat richtlijnen vóór die omzetting particulieren niet rechtstreeks raken, irrelevant voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep. Die beslissing kan in casu niet worden toegepast daar de bestreden bepaling materieel een verordeningsbepaling is. Haars inziens is toepassing van die beslissing ook in strijd zijn met de vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht, volgens welke voor de kwalificatie van een handeling moet worden uitgegaan van de inhoud en niet van de vorm ervan. Bovendien is de omzettingstermijn van een richtlijn bij afloop van de termijn van twee maanden van artikel 230, vijfde alinea, EG (zoals in casu) in de regel nog niet verstreken, zodat op het tijdstip van de instelling van het beroep tegen de richtlijn altijd een omzettingshandeling ontbreekt, temeer daar de omzettingstermijn voor de meeste richtlijnen veel langer is dan in de onderhavige zaak. De beslissing van het arrest Salamander e.a./Parlement en Raad (reeds aangehaald) zou dus tot gevolg hebben dat de beroepen van particulieren tegen richtlijnen steeds niet-ontvankelijk zijn, hetgeen in strijd is met de rechtspraak. Ten slotte wijst zij erop dat dat arrest, anders dan de onderhavige zaak, een bepaling betrof in een handeling die zowel formeel als inhoudelijk een richtlijn was.
25 Met betrekking tot de voorwaarde dat de handeling haar in haar rechtspositie moet raken, merkt verzoekster in de eerste plaats op dat volgens de rechtspraak van het Gerecht de rechtspositie van particulieren is geraakt, wanneer de bestreden handeling de met de toepassing ervan belaste nationale autoriteiten van de lidstaten geen enkele beoordelingsmarge laat (arrest Gerecht van 17 januari 2002, Rica Foods/Commissie, T-47/00, Jurispr. blz. II-113, punten 32-37). Zij acht zich geraakt in haar rechtspositie, aangezien de bestreden bepaling, zoals gezegd, de nationale autoriteiten geen enkele beoordelingsmarge laat.
26 Aan de voorwaarde dat zij in haar rechtspositie moet zijn geraakt, is volgens verzoekster in casu voldaan, ook al zou deze voorwaarde moeten worden beoordeeld los van de vraag of de nationale autoriteiten een beoordelingsmarge hebben. Artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10 raakt verzoekster namelijk in haar rechtspositie tegenover de bevoegde belastingadministratie, aangezien zij op grond van de gewijzigde definitie van sigaren en cigarillo's verplicht is, voor het op de markt brengen van de door haar geproduceerde betrokken producten de voor sigaretten geldende accijns te betalen en niet meer zoals tot dusver die voor sigaren en cigarillo's. Bovendien volgt in het bijzonder uit artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 1, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PB L 76, blz. 1) alsook uit de artikelen 9 en volgende van richtlijn 95/59 dat de fabrikant de belastingschuldige is wat tabaksaccijns betreft. Deze status is voor verzoekster door richtlijn 2002/10 evenwel gewijzigd: met betrekking tot de betrokken producten is haar status van schuldenaar van de voor sigaren en cigarillo's geldende accijns veranderd in die van schuldenaar van de voor sigaretten geldende accijns. Verweerder vergist zich overigens wanneer hij stelt dat de accijns op de betrokken producten uiteindelijk door de verbruikers wordt betaald, aangezien de richtlijnen inzake de tabaksaccijns geen bepalingen over de status van de verbruiker bevatten.
27 Bovendien wordt verzoekster in haar rechtspositie getroffen daar de wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's voor de voorraden van de betrokken producten die zij reeds op de markt heeft gebracht, zal leiden tot aanvullende accijnsheffing door de lidstaten. Deze aanvullende heffing zal zij niet op de verbruiker kunnen afwentelen. Ten slotte wordt verzoekster in haar rechtspositie getroffen daar de uit artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10 voortvloeiende wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's wegens de aanzienlijke economische gevolgen daarvan haar eigendomsrechten schendt. In de eerste plaats zal verzoekster voorzieningen moeten treffen om de naheffingen te kunnen betalen, in de tweede plaats zal bij haar, nu zij vanaf 1 juli 2002 naar 14 lidstaten niet meer zal kunnen uitvoeren, aanzienlijke overcapaciteit ontstaan die met de inwerkingtreding van de wijziging van de definitie voor Duitsland vanaf 1 januari 2008 nog zal toenemen, en worden in de derde plaats haar investeringen in onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot de betrokken producten zinloos.
28 In dit verband weerlegt verzoekster verweerders betoog dat zij door de wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's slechts economische schade lijdt. Daarmee gaat verweerder er namelijk aan voorbij dat de wijziging van deze definitie in feite een afzetverbod meebrengt, dat, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 13 juli 1989, Wachauf (5/88, Jurispr. blz. 2609), onverenigbaar is met de bescherming van de fundamentele rechten, en zal leiden tot een retroactieve belastingheffing door de fiscus. Zij kant zich ook tegen verweerders betoog, dat de wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's op het tijdstip van de indiening van het onderhavige beroep nog geen gevolgen heeft gehad. Bij de vaststelling van deze wijziging stond, gelet op de in richtlijn 2002/10 gestelde datum, namelijk reeds vast dat de rechtsgevolgen van de wijziging kort daarop op 1 juli 2002 zouden intreden. Bovendien heeft het helemaal geen belang of de rechtsgevolgen van de uit richtlijn 2002/10 voortvloeiende wijziging bij de afloop van de omzettingstermijn of later intreden, aangezien in casu vaststaat dat deze gevolgen zullen intreden (zie in die zin arrest Gerecht van 30 juni 1993, Devillez e.a./Parlement, T-46-90, Jurispr. blz. II-699, punten 13 en 14).
Individuele geraaktheid
29 Verweerder stelt dat verzoekster door de richtlijn niet individueel wordt geraakt in de zin waarin dit begrip in vaste rechtspraak wordt uitgelegd (zie, met name, arrest Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 205).
30 Verzoekster betwist dat zij niet individueel zou zijn geraakt door de uit artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10 voortvloeiende wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's.
31 Om te beginnen acht zij zich door deze bepaling individueel geraakt in de zin waarin dit begrip in vaste rechtspraak wordt uitgelegd (zie, met name, arrest Plaumann/Commissie, aangehaald in punt 29).
32 In de eerste plaats behoort zij tot de groep van zes ondernemingen die de betrokken producten in de Gemeenschap produceren en verkopen, en hebben de Duitse fabrikanten van deze producten samen 80 % van de betrokken markt (en verzoekster 5 % ervan) in handen. De groep fabrikanten van de betrokken producten stond ten tijde van de vaststelling van richtlijn 2002/10 reeds vast en zal trendmatig kleiner worden, aangezien de betrokken producten wegens de verhoging van de erop toepasselijke accijns niet meer concurrerend zullen zijn. In dit verband betwist verzoekster verweerders bewering, dat deze groep niet bepaald is aangezien het mogelijk is dat ondernemingen de productie van de betrokken producten opgeven en andere ermee beginnen. Met deze bewering gaat verweerder voorbij aan de gevolgen van de litigieuze wijziging voor verzoekster, namelijk dat zij vanaf 1 juli 2002 de mogelijkheid verliest om de betrokken producten in veertien lidstaten en vanaf 1 januari 2008 in Duitsland te verkopen.
33 In de tweede plaats, aldus verzoekster, kan de vaste rechtspraak volgens welke een gemeenschapshandeling haar normatief karakter behoudt ook al is het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop zij op een gegeven moment van toepassing is, min of meer nauwkeurig bepaalbaar (zie, met name, arrest Hof van 16 maart 1978, UNICME e.a./Raad, 123/77, Jurispr. blz. 845), in de onderhavige zaak niet worden toegepast, aangezien deze fundamenteel verschilt van de situaties waarin een beroep op deze rechtspraak is gedaan. In casu heeft de gemeenschapswetgever namelijk zelf een groep ondernemingen duidelijk geïndividualiseerd ten opzichte van andere fabrikanten, aangezien hij in de tiende en de elfde overweging van de considerans van de richtlijn heeft erkend dat de groep Duitse fabrikanten waartoe verzoekster behoort, door de wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's juridisch en economisch in het bijzonder wordt geraakt. In dit verband verwijst verzoekster naar de vaste rechtspraak volgens welke handelingen waarbij antidumpingrechten worden ingesteld, productie- en exportondernemingen die kunnen aantonen dat hun identiteit uit de handelingen van Commissie of Raad blijkt dan wel dat het vooronderzoek hen heeft betroffen, individueel raken (arresten Hof van 29 maart 1979, NTN Toyo Bearing e.a./Raad, 113/77, Jurispr. blz. 1185, punt 11; 21 februari 1984, Allied Corporation e.a./Commissie, 239/82 en 275/82, Jurispr. blz. 1005, en 14 maart 1990, Nashua Corporation e.a./Commissie en Raad, C-133/87 en C-150/87, Jurispr. blz. I-719, punt 14; arrest Gerecht 18 september 1996, Climax Paper/Raad, T-155/94, Jurispr. blz. II-873, punt 46). Volgens verzoekster is het hier van weinig belang dat de drie Duitse ondernemingen waartoe zij behoort, als Duitse marktdeelnemers" worden aangeduid en niet met name worden genoemd. In beide gevallen worden deze ondernemingen namelijk op basis van een handeling van de gemeenschapswetgever geïndividualiseerd. Ook van weinig belang is dat de wetgever voor de betrokken ondernemingen een verzamelnaam heeft gekozen en ze niet met name heeft genoemd, aangezien deze verzamelnaam de Duitse ondernemingen aanduidt waarvan de gemeenschapswetgever de naam kende. In dit opzicht moet worden uitgegaan van de inhoud van het begrip en niet van de vorm ervan, aangezien de gemeenschapswetgever anders een verzoeker de rechtsbescherming kan ontzeggen door hem met een verzamelnaam in plaats van zijn naam te individualiseren. Ten slotte ziet het begrip Duitse marktdeelnemers", anders dan verweerder stelt, alleen op de fabrikanten van de betrokken producten en niet op al degenen die bij de verkoop van deze producten zijn betrokken, aangezien consumenten en handelaars geen belastingschuldigen in de zin van de toepasselijke regeling zijn.
34 In de derde plaats wordt verzoekster individueel geraakt door de uit artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10 voortvloeiende wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's, aangezien zij daardoor zeer zwaar wordt getroffen (arrest Extramet Industrie/Raad, aangehaald in punt 16 supra, punt 17). Deze wijziging heeft namelijk, zoals gezegd, aanzienlijke gevolgen voor haar economische activiteit.
35 In de vierde plaats heeft het Hof in het arrest van 29 maart 1979, ISO/Raad (118/77, Jurispr. blz. 1277) verklaard dat een onderneming die behoort tot de individueel geraakte groep van belangrijkste fabrikanten van een bepaalt product, als individuele verzoeker een beroep tegen een bepaling van een gemeenschapshandeling kan instellen en toch individueel geraakt kan blijven. Dit is in casu het geval, aangezien zij tot de beperkte groep van de belangrijkste fabrikanten van de betrokken producten behoort.
36 In de vijfde plaats doet de door het Gerecht in zijn arrest van 12 december 1996, Rendo e.a./Commissie (T-16/91, Jurispr. blz. II-1827) gestelde voorwaarde dat op grond van individuele geraaktheid slechts die onderdelen van handelingen kunnen worden aangevochten, die ook het voorwerp van de opgeworpen grieven zijn, niet af aan de conclusie dat verzoekster individueel geraakt is. In het onderhavige beroep verzoekt verzoekster namelijk niet om nietigverklaring van richtlijn 2002/10 in haar geheel, maar alleen, zoals uit de conclusie van het verzoekschrift blijkt, om nietigverklaring van artikel 3, punt 1, subsidiair artikel 4, lid 2, eerste streepje, van deze richtlijn.
37 Bovendien acht verzoekster zich door de litigieuze bepaling ook individueel geraakt in de zin waarin deze voorwaarde is uitgelegd door advocaat-generaal Jacobs in zijn conclusie in zaak C-50/00 P, Unión de Pequeños Agricultores/Raad (arrest van het Hof van 25 juli 2002, Jurispr. blz. I-6681), alsook door het Gerecht in het arrest van 3 mei 2002, Jégo-Quéré/Commissie (T-177/01, Jurispr. blz. II-2365, punt 51). Volgens de door advocaat-generaal Jacobs voorgestelde uitlegging is zij door de uit artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10 voortvloeiende wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's individueel geraakt, omdat deze wijziging door de daaruit voortvloeiende verhoging van de prijs van de betrokken producten haar belangen aanzienlijk schaadt en zal schaden. Ook volgens de uitlegging van het Gerecht is verzoekster individueel geraakt door deze wijziging, aangezien deze voor haar de verplichting meebrengt om een hogere accijns op de betrokken producten aan de fiscus te betalen.
Beoordeling door het Gerecht
38 In de eerste plaats moet verweerders betoog worden onderzocht, dat het onderhavige beroep niet-ontvankelijk is aangezien verzoekster als rechtspersoon niet bevoegd is een beroep tot nietigverklaring van een richtlijnbepaling in te stellen krachtens artikel 230, vierde alinea, EG.
39 Ofschoon artikel 230, vierde alinea, EG niet uitdrukkelijk spreekt over de ontvankelijkheid van door natuurlijke of rechtspersonen ingestelde beroepen tot nietigverklaring van een richtlijn of bepalingen van een richtlijn, volstaat dat volgens de rechtspraak van het Hof en het Gerecht op zich niet om dergelijke beroepen niet-ontvankelijk te verklaren (zie, met name, arresten Gibraltar/Raad, aangehaald in punt 16 supra, en Salamander e.a./Parlement en Raad, aangehaald in punt 16 supra, punt 30; zie ook beschikking van 23 november 1995, Asocarne/Raad, aangehaald in punt 16 supra, en beschikking Association contre l'heure d'été/Parlement en Raad, aangehaald in punt 16 supra, punt 23).
40 Bovendien kan volgens vaste rechtspraak een handeling van algemene strekking onder bepaalde omstandigheden sommige van hen individueel en rechtstreeks raken (zie, met name, arresten Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, aangehaald in punt 16 supra, punten 11-32; Sofrimport/Commissie, aangehaald in punt 16 supra, punten 11-13; Extramet Industrie/Raad, aangehaald in punt 16 supra, punt 13-18; Codorníu/Raad, aangehaald in punt 16 supra, punten 19-22, en Salamander e.a./Parlement en Raad, aangehaald in punt 16 supra, punt 30).
41 Dat de bestreden bepalingen deel uitmaken van een richtlijn, volstaat op zich dus niet om verzoekster onbevoegd te achten om beroep tot nietigverklaring tegen deze bepalingen in te stellen.
42 Bijgevolg moet worden nagegaan of verzoekster in casu rechtstreeks en individueel wordt geraakt door artikel 3, punt 1, en artikel 4, lid 2, eerste streepje, van richtlijn 2002/10.
43 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat verzoekster kennelijk niet individueel wordt geraakt door deze bepalingen, zonder dat hoeft te worden onderzocht of zij door deze bepalingen eventueel rechtstreeks wordt geraakt.
44 Volgens vaste rechtspraak kunnen natuurlijke of rechtspersonen slechts worden geacht individueel te zijn geraakt, wanneer zij in hun rechtspositie worden getroffen uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat van een beschikking (arrest Hof Plaumann/Commissie, aangehaald in punt 29 supra, en arrest van 22 november 2001, Antillean Rice Mills/Raad, C-451/98, Jurispr. blz. I-8949, punt 49). Deze uitlegging van het begrip individuele geraaktheid heeft het Hof onlangs bevestigd in zijn arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad (aangehaald in punt 37 van onderhavig arrest, punt 36).
45 In casu dient om te beginnen te worden vastgesteld dat artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10 de definitie van sigaren en cigarillo's in artikel 3 van richtlijn 95/59 wijzigt. Als gevolg van deze wijziging zijn de betrokken producten, die voorheen voor de vaststelling van het toepasselijke accijnstarief als sigaren of cigarillo's werden beschouwd, krachtens richtlijn 2002/10 thans als sigaretten te beschouwen. Daaruit vloeit een merkbare verhoging van het erop toepasselijke minimumaccijnstarief voort.
46 Artikel 4, lid 2, eerste streepje, van richtlijn 2002/10 voorziet voor Duitsland in een afwijking van de termijn voor de omzetting van artikel 3, punt 1.
47 Verzoekster wordt door deze bepalingen kennelijk slechts geraakt uit hoofde van haar objectieve hoedanigheid van marktdeelnemer in de sector van de vervaardiging van de betrokken producten, op dezelfde wijze als elke andere marktdeelnemer die zich in dezelfde situatie bevindt. Volgens vaste rechtspraak vormt deze hoedanigheid alleen evenwel onvoldoende bewijs dat verzoekster door deze bepalingen individueel wordt geraakt (arresten Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, aangehaald in punt 16 supra, punt 14, en Antillean Rice Mills/Raad, aangehaald in punt 44 supra, punt 51; beschikkingen Hof van 21 juni 1993, Chiquita Banana e.a./Raad, C-276/93, Jurispr. blz. I-3345, punt 12, en 23 november 1995, Asocarne/Raad, aangehaald in punt 16 supra, punt 42).
48 Daarbij is van weinig belang dat de betrokken producten door slechts zes ondernemingen in de Gemeenschap worden geproduceerd en dat verzoekster behoort tot de groep van de Duitse fabrikanten van de betrokken producten, die samen 80 % van de betrokken markt in handen hebben.
49 Volgens vaste rechtspraak betekent het feit dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop een maatregel van toepassing is, min of meer nauwkeurig bepaalbaar is, namelijk niet dat zij moeten worden geacht individueel door deze maatregel te worden geraakt, wanneer vaststaat dat die toepassing zoals in casu voortvloeit uit een objectieve feitelijke of rechtssituatie die in de betrokken handeling wordt omschreven (zie, met name, beschikkingen Hof van 24 mei 1993, Arnaud e.a./Raad, C-131/92, Jurispr. blz. I-2573, punt 13, en Chiquita Banana e.a./Raad, aangehaald in punt 47 supra, punt 8).
50 Ook was de groep fabrikanten van de betrokken producten, anders dan verzoekster stelt, bij de vaststelling van richtlijn 2002/10 niet gesloten. Zoals verweerder terecht opmerkt, sluit de richtlijn niet uit dat marktdeelnemers die vóór de vaststelling van de richtlijn nog niet met de productie van de betrokken producten waren gestart, daarna met die activiteit beginnen.
51 Bovendien worden niet alleen de fabrikanten van de betrokken producten geraakt door de uit artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10 voortvloeiende wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's. Zoals verzoekster overigens toegeeft, raakt de daaruit voor deze producten voortvloeiende verhoging van het minimumaccijnstarief namelijk ook de bij de afzet van deze producten betrokken marktdeelnemers, alsmede degenen die de producten verbruiken. In dit verband dient ook verzoeksters betoog van de hand te worden gewezen, dat de situatie van de fabrikanten van de betrokken producten niet vergelijkbaar is met die van de verbruikers en verkopers van deze producten aangezien alleen de fabrikanten volgens de toepasselijke regeling de juridische status van belastingplichtige hebben. Deze omstandigheid, gesteld dat zij bewezen is, volstaat op zich evenwel niet om de fabrikanten van de betrokken producten te individualiseren, aangezien de omstandigheid dat een juridische bepaling voor de verschillende betrokken rechtssubjecten op wie zij van toepassing is, in concreto tot uiteenlopende gevolgen kan leiden, niet aan de algemene strekking ervan afdoet, zolang deze situatie objectief bepaald is (zie, met name, arrest Hof van 5 mei 1977, Koninklijke Scholten Honig/Raad en Commissie, 101/76, Jurispr. blz. 797, punt 24, en beschikking Hof van 25 april 2002, Galileo en Galileo International/Raad, C-96/01 P, Jurispr. blz. I-4025, punt 41).
52 In de tweede plaats stelt verzoekster ten onrechte, dat zij individueel is geraakt omdat zij behoort tot de groep van de Duitse marktdeelnemers", die, aldus de elfde overweging van de considerans van richtlijn 2002/10, bijzonder is geraakt.
53 Om te beginnen bevat deze richtlijn, zoals verweerder terecht opmerkt, geen aanwijzing, dat het begrip Duitse marktdeelnemers" alleen de fabrikanten van de betrokken producten omvat en niet alle marktdeelnemers die bij de productie en/of verkoop van deze producten in Duitsland zijn betrokken.
54 Vervolgens volstaat het feit dat de gemeenschapswetgever bij de vaststelling van een handeling van algemene strekking er rekening mee houdt dat deze handeling voor bepaalde groepen marktdeelnemers grotere economische gevolgen kan hebben, op zich niet om deze marktdeelnemers te karakteriseren ten opzichte van de andere marktdeelnemers, wanneer vaststaat dat deze handeling hen betreft in hun objectieve hoedanigheid van op de betrokken markt werkzame marktdeelnemers.
55 Voorts verwijst verzoekster ten onrechte naar de rechtspraak volgens welke handelingen waarbij antidumpingrechten worden ingesteld, producenten en exporteurs die kunnen aantonen dat hun identiteit uit de handelingen van Commissie of Raad blijkt dan wel dat het vooronderzoek hen heeft betroffen, individueel raken (zie, met name, arresten Allied Corporation e.a./Commissie, aangehaald in punt 33 supra, en Nashua Corporation e.a./Commissie en Raad, aangehaald in punt 33 supra, punt 14), alsook de importeurs wier verkoopprijzen in aanmerking zijn genomen voor de samenstelling van de exportprijs, en die dus worden geraakt door de vaststellingen inzake het bestaan van dumping (zie arresten ISO/Raad, aangehaald in punt 35 supra, punt 15, en Allied Corporation e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 15). Deze rechtspraak die zich heeft ontwikkeld in de context van beroepen tegen verordeningen waarbij antidumpingrechten werden opgelegd, vindt namelijk haar rechtvaardiging in het feit dat de wetgeving inzake dumping de Commissie en de Raad uitdrukkelijk opdraagt om bij de definitie van de vastgestelde dumpingpraktijken rekening te houden met de van deze ondernemingen afkomstige gegevens. De door verzoekster betwiste wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's is ontegenzeglijk niet op basis van gegevens betreffende verzoeksters situatie vastgesteld en raakt haar derhalve alleen in haar objectieve hoedanigheid van op de betrokken markt werkzame marktdeelnemer.
56 In de derde plaats moet verzoeksters betoog worden afgewezen, dat zij individueel wordt geraakt omdat zij door de uit artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10 voortvloeiende wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's ernstig wordt getroffen in haar economische situatie, zodat zij zich bevindt in een situatie die vergelijkbaar is met die van verzoekster in het arrest Extramet Industrie/Raad (aangehaald in punt 16 supra).
57 In dat arrest achtte het Hof op grond van de door de verzoekster aangevoerde omstandigheden het bestaan van een bijzondere situatie bewezen, die haar voor de betrokken maatregel ten opzichte van ieder ander ondernemer karakteriseerde. In het bijzonder had verzoekster aangetoond, ten eerste dat zij de belangrijkste importeur was van het product waarvoor de anti-dumpingmaatregel was ingesteld en tevens eindverbruikster van dit product, ten tweede dat haar economische activiteiten grotendeels van deze import afhankelijk waren en ten derde dat haar activiteiten door de betrokken verordening ernstig werden getroffen, gelet op het beperkte aantal producenten van het betrokken product en op het feit dat zij moeilijkheden ondervond om zich te bevoorraden bij de enige producent in de Gemeenschap, die bovendien haar belangrijkste concurrent voor het verwerkte product was (arrest Extramet Industrie/Raad, reeds aangehaald, punt 17).
58 In casu heeft verzoekster het bestaan van dergelijke omstandigheden evenwel niet aangetoond. Zoals verweerder terecht betoogt, blijft de omvang van de eventuele gevolgen van de uit artikel 3, punt 1, van richtlijn 2002/10 voortvloeiende wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's voor verzoeksters economische situatie integendeel onzeker, aangezien hij afhangt van de accijnstarieven die de lidstaten bij de uitvoering van de richtlijn uiteindelijk zullen vaststellen, waarbij de lidstaten slechts gebonden zijn aan de minimumtarieven van de gemeenschapsregeling. Evenmin heeft verzoekster haar beweringen gestaafd over de naheffingen waartoe de nationale autoriteiten op basis van de wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's zouden overgaan voor de betrokken producten die reeds op de markt waren gebracht.
59 Uit een ander en volgt dat verzoekster niet individueel wordt geraakt door artikel 3, punt 1, en artikel 4, lid 2, eerste streepje, van richtlijn 2002/10.
60 Voor het overige is het niet uitgesloten dat een marktdeelnemer in een situatie die vergelijkbaar is met die van verzoekster, en die zou worden getroffen door de wijziging van de definitie van sigaren en cigarillo's als voortvloeiend uit de maatregelen van een lidstaat in het kader van de omzetting van richtlijn 2002/10, in een bij een rechter van deze lidstaat tegen deze maatregelen ingestelde vordering de geldigheid van deze richtlijn kan betwisten. In dat geding zou krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag kunnen worden gesteld over de geldigheid van deze richtlijn .
61 Anders dan verzoekster stelt, kan de omstandigheid dat dit rechtsmiddel in casu niet doeltreffend zou zijn, zelfs indien dit bewezen was, geen rechtvaardiging opleveren voor een wijziging bij wege van rechterlijke beslissing van het in de artikelen 230 EG, 234 EG en 241 EG neergelegde stelsel van beroepswegen en procedures waarmee de toetsing van de wettigheid van de handelingen van de instellingen aan de gemeenschapsrechter is opgedragen (zie, met name, arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, aangehaald in punt 37 supra, punt 40). In geen geval kan op grond daarvan een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring, dat niet aan de bij artikel 230, vierde alinea, EG gestelde voorwaarden voldoet, ontvankelijk worden verklaard (beschikking Hof van 1 februari 2001, Area Cova e.a./Raad en Commissie, C-301/99 P, Jurispr. blz. I-1005, punt 47, en aangehaalde rechtspraak).
62 Uit een en ander volgt dat verzoekster niet bevoegd is om nietigverklaring van artikel 3, punt 1, en artikel 4, lid 2, eerste streepje, van richtlijn 2002/10 te vorderen, zodat het onderhavige beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
63 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voorzover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig verweerders vordering in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekster wordt verwezen in de kosten.
3) Op de verzoeken tot interventie behoeft niet te worden beslist.
Full & Egal Universal Law Academy