Zaak T‑206/02
Koerdisch Nationaal Congres (KNK)
tegen
Raad van de Europese Unie
„Beroep tot nietigverklaring – Specifieke beperkende maatregelen jegens bepaalde personen en entiteiten met oog op strijd tegen terrorisme – Procesbevoegdheid – Vereniging – Ontvankelijkheid”
Beschikking van het Gerecht (Tweede kamer) van 15 februari 2005
Samenvatting van de beschikking
Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Beroep ingesteld door vereniging die algemene belangen van categorie van natuurlijke of rechtspersonen behartigt – Voorwaarde – Individuele procesbevoegdheid van haar leden – Inaanmerkingneming van procesbevoegdheid van voormalige leden – Daarvan uitgesloten
(Art. 230, vierde alinea. 4, EG)
Een vereniging die is opgericht ter behartiging van de collectieve belangen van een groep justitiabelen, wordt niet in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG individueel geraakt door een handeling die de algemene belangen van die groep treft, en kan dus geen beroep tot nietigverklaring instellen wanneer haar leden dat zelf ook niet kunnen. Het feit dat een persoon in het verleden lid is geweest van een vereniging, kan deze vereniging echter niet in staat stellen zich te beroepen op het eventuele recht van die persoon om beroep in te stellen. In het andere geval zou een vereniging een soort eeuwigdurend recht van beroep hebben, ondanks het feit dat zij niet langer kan stellen de belangen van haar voormalig lid te behartigen.
(cf. punten 27, 32)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Tweede kamer)
15 februari 2005 (*)
„Beroep tot nietigverklaring – Specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op strijd tegen terrorisme – Proceslegitimatie – Vereniging – Ontvankelijkheid”
In zaak T‑206/02,
Koerdisch Nationaal Congres (KNK), gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door J. Boisseau, advocaat,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Vitsentzatos en S. Marquardt als gemachtigden,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door G. zur Hausen en G. Boudot en vervolgens door J. Enegren en G. Boudot als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
en
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Collins en vervolgens door R. Caudwell als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënten,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van besluit 2002/334/EG van de Raad van 2 mei 2002 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van besluit 2001/927/EG (PB L 116, blz. 33),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. Pirrung, kamerpresident, N. J. Forwood en S. Papasavvas, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Voorgeschiedenis van het geding
1 Blijkens het dossier is de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) in 1978 in de openbaarheid getreden en een gewapende strijd tegen de Turkse regering begonnen om erkenning te verkrijgen van het recht van de Koerden op zelfbeschikking. In juli 1999 heeft de PKK een eenzijdig staakt-het-vuren afgekondigd, onder voorbehoud van het recht op zelfverdediging. In april 2002 heeft het congres van de PKK besloten de partij te ontbinden.
2 Het Koerdisch Nationaal Congres (KNK), opgericht in 1999, is een organisatie waartoe een dertigtal organisaties behoort. Het KNK heeft als doelstelling, „de eenheid en de samenwerking van de Koerden in alle delen van Koerdistan te versterken en hun strijd te steunen op basis van de hogere belangen van de Koerdische natie” (artikel 7, sub A, van het handvest van het KNK). De PKK was lid van het KNK vanaf de oprichting ervan.
3 Van mening dat voor de uitvoering van resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties een optreden van de Gemeenschap noodzakelijk was, heeft de Raad op 27 december 2001 gemeenschappelijk standpunt 2001/930/GBVB inzake terrorismebestrijding (PB L 344, blz. 90) en gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (PB L 344, blz. 93) vastgesteld.
4 Artikel 2 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 luidt:
„De Europese Gemeenschap, handelend binnen de grenzen van de haar bij het EG-Verdrag verleende bevoegdheden, zal bevel geven tot bevriezing van de tegoeden, financiële activa of andere economische middelen van in de bijlage vermelde personen, groepen en entiteiten.”
5 Op 27 december 2001 heeft de Raad verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PB L 344, blz. 70) vastgesteld.
6 Artikel 2 van verordening nr. 2580/2001 bepaalt:
„1. Tenzij toegestaan uit hoofde van de artikelen 5 en 6:
a) worden alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen die in het bezit zijn van, eigendom zijn van of gehouden worden door een in de lijst in artikel 2, lid 3, bedoelde natuurlijk persoon of rechtspersoon, groep of entiteit, bevroren;
b) worden aan of ten behoeve van een in de lijst in artikel 2, lid 3, bedoelde natuurlijke of rechtspersoon, groep of entiteit noch direct noch indirect tegoeden, andere financiële activa en economische middelen ter beschikking gesteld.
2. Tenzij toegestaan uit hoofde van de artikelen 5 en 6, is het verboden financiële diensten te verrichten voor of ten behoeve van een natuurlijke of rechtspersoon, groep of entiteit als vermeld in de lijst als bedoeld in artikel 2, lid 3.
3. De Raad stelt de lijst vast van personen, groepen en entiteiten waarop deze verordening van toepassing is, en evalueert en wijzigt deze met eenparigheid van stemmen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, leden 4, 5 en 6, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB. Deze lijst behelst:
i) natuurlijke personen die een terroristische daad plegen, pogen te plegen, daaraan deelnemen of het plegen van deze daden vergemakkelijken;
ii) rechtspersonen, groepen of entiteiten die een terroristische daad plegen, pogen te plegen, daaraan deelnemen of het plegen van deze daden vergemakkelijken;
iii) rechtspersonen, groepen of entiteiten die eigendom zijn van of gecontroleerd worden door een of meer natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten als bedoeld in de punten i en ii;
iv) natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten die optreden namens of in opdracht van een of meer natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten als bedoeld in de punten i en ii.”
7 Op 2 mei 2002 heeft de Raad besluit 2002/334/EG tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 en tot intrekking van besluit 2001/927/EG (PB L 116, blz. 33; hierna: „litigieus besluit”) vastgesteld. Bij dit besluit werd de PKK opgenomen op de in artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 bedoelde lijst (hierna: „litigieuze lijst”).
8 Op 17 juni 2002 heeft de Raad besluit 2002/460/EG tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 en tot intrekking van besluit 2002/334 (PB L 160, blz. 26) vastgesteld. De naam van de PKK bleef gehandhaafd op de litigieuze lijst. Deze lijst is vervolgens regelmatig bij besluiten van de Raad bijgewerkt.
Procesverloop en conclusies van partijen
9 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 2 juli 2002, heeft het KNK, vertegenwoordigd door zijn voorzitter Serif Vanly, het onderhavige beroep tot nietigverklaring ingesteld.
10 Bij beschikking van 24 februari 2003 zijn de Commissie en het Verenigd Koninkrijk toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad.
11 Bij afzonderlijke akte heeft de Raad krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht in deze zaak een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Verzoeker en de Commissie hebben binnen de gestelde termijnen hun opmerkingen over deze exceptie ingediend. Het Verenigd Koninkrijk heeft ervan afgezien opmerkingen in te dienen.
12 De Raad, ondersteund door de Commissie, concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– verzoeker te verwijzen in de kosten.
13 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
– een advocaat-generaal aan te wijzen;
– het Europees Parlement te gelasten, de geluidsopname van de vergadering van de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Turkije van 17 en 18 juni 2002 te overleggen;
– het beroep ontvankelijk te verklaren;
– de Raad te verwijzen in de kosten van deze incidentele procedure.
Ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
14 Volgens de Raad, die daarin wordt ondersteund door de Commissie, wordt het KNK niet rechtstreeks en individueel geraakt door het litigieuze besluit.
15 In de eerste plaats betogen zij dat dit besluit niet tot het KNK is gericht en dat het KNK daarin uitdrukkelijk noch impliciet wordt genoemd. Zij stellen dat het enige door het KNK gestelde belang – namelijk bescherming tegen de aantasting van zijn diplomatieke optreden, van zijn reputatie en van zijn geloofwaardigheid – niet volstaat om het te individualiseren.
16 In de tweede plaats heeft het KNK volgens de Raad en de Commissie ook geen proceslegitimatie om namens één van zijn leden beroep in te stellen. Ten eerste is de PKK niet langer lid van het KNK. Ten tweede stelt de Raad subsidiair, dat het KNK, gelet op de diversiteit van zijn leden, niet een vereniging is die is opgericht om de collectieve belangen van haar leden te verdedigen in de zin van de rechtspraak.
17 In de derde plaats dient het argument van verzoeker, dat het ontbreken van een effectief rechtsmiddel het beroep ontvankelijk maakt, gelet op het arrest van het Hof van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad (C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677, punt 43), te worden verworpen.
18 In de vierde plaats zijn de Raad en de Commissie van mening dat het KNK geen procesbelang heeft, aangezien het niet stelt dat zijn financiële middelen zijn getroffen door de bevriezing van tegoeden als uitvloeisel van het litigieuze besluit.
19 Het KNK stelt allereerst dat het niet zozeer probeert zijn eigen belangen te beschermen als wel de historische waarheid te doen vaststellen, namelijk dat de PKK zichzelf heeft opgeheven en alle gewelddadige activiteiten heeft gestaakt. Het KNK beoogt met zijn beroep dus niet, de gevolgen van verordening nr. 2580/2001 te bestrijden of toekomstige financiële sancties aan te vechten waaronder het nooit zal hoeven lijden.
20 Het door het KNK ingestelde beroep strekt daarentegen tot nietigverklaring van het litigieuze besluit, omdat het de legitimiteit van het politieke optreden van het KNK ernstige schade berokkent. De onjuiste plaatsing van de PKK op de litigieuze lijst ontneemt de door het KNK gevoerde strijd in aanzienlijke mate zijn geloofwaardigheid. Dienaangaande herinnert het KNK eraan dat het volgens artikel 7, sub A, van zijn handvest van zijn leden de opdracht heeft gekregen, „hun strijd te steunen op basis van de hogere belangen van de Koerdische natie”.
21 Het KNK wijst erop dat de PKK zich in april 2002 heeft opgeheven, waardoor zij zich voor altijd de mogelijkheid heeft ontzegd om het tot haar gerichte besluit aan te vechten. Vanwege deze opheffing is het KNK gedwongen beroep tot nietigverklaring in te stellen. Dienaangaande merkt het KNK op dat de Raad heeft erkend dat indien de PKK lid van het KNK was gebleven, KNK individueel zou zijn geraakt door het litigieuze besluit.
22 Slechts enkele dagen na de totstandkoming van het litigieuze besluit hebben zich binnen de Raad van Europa verscheidene incidenten voorgedaan. Onder andere is twee van zijn vooraanstaande leden het recht ontzegd, de vergadering van de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Turkije van 17 en 18 juni 2002 bij te wonen, omdat zij terroristen zouden zijn.
23 Bovendien bestaat er geen enkel ander rechtsmiddel waarmee de wettigheid van het litigieuze besluit kan worden aangevochten. Het beroep moet derhalve ontvankelijk worden verklaard, omdat anders de uit de artikelen 6 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden voortvloeiende algemene beginselen worden geschonden. In dat opzicht staat het arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, reeds aangehaald, daar niet aan in de weg, aangezien in het onderhavige geval het nationale procesrecht niet behoeft te worden onderzocht, omdat de vaststelling van het litigieuze besluit als zodanig het KNK treft.
Beoordeling door het Gerecht
24 Krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien een partij daarom verzoekt, uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Volgens lid 3 van dit artikel geschiedt de verdere behandeling van het verzoek mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist.
25 In casu acht het Gerecht zich door de stukken in het dossier voldoende ingelicht en is het van oordeel dat de mondelinge behandeling niet behoeft te worden geopend. Gelet op de duidelijkheid van de rechtspraak is het met name niet nodig een advocaat-generaal aan te wijzen. Evenzo dient het verzoek om overlegging van een document van het Europees Parlement te worden afgewezen, omdat dat document, gesteld dat het al bewijs opleverde van de stellingen van verzoeker, geen gevolgen zou hebben voor de ontvankelijkheid van het beroep.
26 Vaststaat dat verzoeker niet kan worden beschouwd als adressaat van het litigieuze besluit, omdat zijn naam niet op de litigieuze lijst staat.
27 Volgens vaste rechtspraak wordt een vereniging die is opgericht ter behartiging van de collectieve belangen van een groep justitiabelen, niet in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG individueel geraakt door een handeling die de algemene belangen van die groep treft, en kan zij dus geen beroep tot nietigverklaring instellen wanneer haar leden dat zelf ook niet kunnen (arrest Hof van 14 december 1962, Fédération nationale de la boucherie en gros et du commerce en gros des viandes e.a./Raad, 19/62–22/62, Jurispr. blz. 989, en arrest Gerecht van 21 maart 2001, Hamburger Hafen- und Lagerhaus e.a./Commissie, T‑69/96, Jurispr. blz. II‑1037, punt 49).
28 Volgens artikel 7, sub A, van het handvest van het KNK is het doel van het KNK, de eenheid en de samenwerking van de Koerden in alle delen van Koerdistan te versterken en hun strijd te steunen op basis van de hogere belangen van de Koerdische natie. Verzoeker moet derhalve worden beschouwd als een vereniging die is opgericht ter behartiging van de collectieve belangen van een groep justitiabelen.
29 Deze conclusie vindt ook steun in het eerste argument van verzoeker, dat de vermelding van de PKK de legitimiteit en de uitoefening van zijn politieke activiteiten ernstige schade berokkent. Daarmee beroept verzoeker zich op de verdediging van de collectieve belangen van zijn leden. Volgens de hierboven aangehaalde rechtspraak kan hij uit hoofde daarvan niet individueel worden geraakt.
30 Vervolgens moet worden nagegaan of verzoeker zich erop kan beroepen dat één of meer van zijn leden beroep tot nietigverklaring zouden kunnen instellen tegen het litigieuze besluit.
31 Verzoeker stelt dat de PKK één van zijn leden was en dat zij beroep had kunnen instellen tegen het litigieuze besluit.
32 Met dit argument erkent verzoeker – en het is niet nodig deze bewering in twijfel te trekken – dat de PKK niet langer één van zijn leden is. Het feit dat een persoon in het verleden lid is geweest van een vereniging, kan deze vereniging echter niet in staat stellen zich te beroepen op het eventuele recht van die persoon om beroep in te stellen. In het andere geval zou een vereniging een soort eeuwigdurend recht van beroep hebben, ondanks het feit dat zij niet langer kan stellen de belangen van haar voormalig lid te behartigen.
33 De omstandigheid dat de PKK zichzelf volgens verzoeker heeft opgeheven en dat hij daarom de enige is die beroep kan instellen, doet aan deze conclusie niet af. Gesteld dat deze bewering juist is, zou zij immers enkel kunnen leiden tot de vaststelling dat de PKK niet meer in staat is om beroep in te stellen. Dan kan verzoeker zich echter ook niet meer beroepen op de mogelijkheid van één van zijn leden om beroep in te stellen, teneinde zelf beroep in te stellen.
34 Verzoeker voert tevens aan dat sommige van zijn leden kort na de totstandkoming van het litigieuze besluit in zowel het Europees Parlement als de Raad van Europa zijn gekapitteld.
35 Ook indien dit was bewezen, legt verzoeker evenwel niet uit hoe deze leden zelf beroep tot nietigverklaring tegen het litigieuze besluit zouden kunnen instellen. In ieder geval kunnen deze voorvallen niet worden beschouwd als voortvloeisel van de rechtsgevolgen van het litigieuze besluit.
36 Tot slot stelt verzoeker dat er geen ander rechtsmiddel dan het onderhavige beroep is waarmee de wettigheid van het litigieuze besluit kan worden aangevochten, voorzover het betrekking heeft op de PKK.
37 Deze stelling is onjuist. Het feit dat verzoeker zelf geen beroep tot nietigverklaring kan instellen tegen het litigieuze besluit, betekent geenszins dat geen enkele andere persoon, adressaat van dit besluit of hierdoor rechtstreeks en individueel geraakt, een dergelijk beroep zou kunnen instellen.
38 Dienaangaande is het algemeen bekend dat de Raad bij besluit 2004/306/EG van 2 april 2004 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 en tot intrekking van besluit 2003/902/EG (PB L 99, blz. 28) KADEK en Kongra‑Gel op de litigieuze lijst heeft opgenomen als aliassen van de PKK. Bij verzoekschrift, ingediend op 25 juni 2004 en ingeschreven onder nummer T‑253/04 (PB C 262, blz. 28), heeft Kongra‑Gel beroep tot nietigverklaring van dit besluit ingesteld.
39 Aangezien verzoeker zich niet erop kan beroepen dat één van zijn leden beroep tot nietigverklaring kan instellen tegen het litigieuze besluit, moet worden geconcludeerd dat hij door dit besluit niet individueel wordt geraakt.
40 Gelet op een en ander, moet het beroep als niet-ontvankelijk worden verworpen.
Kosten
41 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van de Raad in de kosten worden verwezen.
42 Volgens artikel 87, lid 4, eerste alinea, van hetzelfde Reglement dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten. Het Verenigd Koninkrijk en de Commissie zullen derhalve hun eigen kosten dragen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Verzoeker zal zijn eigen kosten en die van de Raad dragen.
3) Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Commissie zullen hun eigen kosten dragen.
Luxemburg, 15 februari 2005.
De griffier
De president van de Tweede kamer
H. Jung
J. Pirrung
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy