Zaak T‑213/02
SNF SA
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Beroep tot nietigverklaring – Richtlijn 2002/34/EG – Beperkingen aan gebruik van polyacrylamiden in samenstelling van cosmetische producten – Persoon die individueel wordt geraakt – Ontvankelijkheid”
Beschikking van het Gerecht (Vijfde kamer) van 6 september 2004
Samenvatting van de beschikking
1. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Normatieve handeling – Richtlijn
(Art. 230, vierde alinea, EG)
2. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Normatieve handeling – Beroep ingesteld door marktdeelnemer die in geraakte sector actief is en tot beperkte kring behoort – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG)
3. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Richtlijn 2002/34 waarbij gebruik van polyacrylamiden in samenstelling van cosmetische producten wordt beperkt – Beroep ingesteld door onderneming die houder is van in lidstaat gedeponeerd octrooi voor vervaardiging van polyacrylamiden – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG; richtlijn 2002/34 van de Commissie)
1. Ofschoon artikel 230, vierde alinea, EG niet uitdrukkelijk spreekt over de ontvankelijkheid van door particulieren ingestelde beroepen tot nietigverklaring van een richtlijn, volstaat dat op zich niet om dergelijke beroepen niet-ontvankelijk te verklaren. Bovendien kunnen de gemeenschapsinstellingen de door die verdragsbepaling aan particulieren geboden rechtsbescherming niet eenvoudig door de keuze van de vorm van de handeling uitsluiten. Overigens kan onder bepaalde omstandigheden ook een normatieve handeling, die op alle belanghebbende marktdeelnemers van toepassing is, sommigen van hen rechtstreeks en individueel raken.
(cf. punten 54‑55)
2. De omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie een normatieve handeling van toepassing is, meer of minder nauwkeurig kan worden bepaald, betekent geenszins dat deze rechtssubjecten moeten worden geacht door die maatregel individueel te zijn geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG zolang vaststaat dat deze toepassing voortvloeit uit een objectieve feitelijke of rechtssituatie die in de betrokken handeling wordt omschreven.
De enkele omstandigheid dat een marktdeelnemer als ondernemer die actief is in de door een maatregel bedoelde sector, door die maatregel wordt geraakt, volstaat niet om die marktdeelnemer als individueel geraakt te beschouwen met name wanneer er geen extra element aanwezig is, namelijk een causaal verband tussen de betrokken marktdeelnemer en het optreden van de instelling waaruit blijkt dat de instelling met de vaststelling van de litigieuze maatregel heeft bepaald op welke wijze hij moet worden behandeld.
Hieruit volgt dat in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een richtlijn die van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor op algemene en abstracte wijze omschreven categorieën van personen, het van weinig belang is dat de betrokken marktdeelnemers gering in aantal zijn voorzover deze kring ten tijde van de vaststelling van de omstreden richtlijn niet gesloten is, aangezien niets in de richtlijn eraan in de weg staat dat ook marktdeelnemers die vóór de vaststelling daarvan nog niet actief waren, later besluiten op het daardoor bedoelde gebied actief te worden.
(cf. punten 59‑63)
3. Het beroep ingesteld door de houder van een in een lidstaat gedeponeerd octrooi voor de vervaardiging van vaste polyacrylamiden voor de cosmetica-industrie tegen richtlijn 2002/34 tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van de bijlagen II, III en VII van richtlijn 76/768 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten, voorzover zij het gebruik van polyacrylamiden bij de bereiding van cosmetische producten beperkt, is niet ontvankelijk. Verzoeker is namelijk niet bij uitsluiting gerechtigd een cosmetisch product in de zin van artikel 1 van richtlijn 76/768 te vervaardigen, zodat hij door de omstreden richtlijn niet wordt geraakt in zijn hoedanigheid van houder van uitsluitende rechten, doch slechts in zijn hoedanigheid van producent van bij de vervaardiging van cosmetische producten gebruikte grondstoffen of ingrediënten, op gelijke wijze als alle andere marktdeelnemers die deze grondstoffen of ingrediënten produceren. Bovendien zijn zijn uitsluitende rechten nog steeds geldig en is de exploitatie ervan niet noodzakelijkerwijze beperkt tot cosmetische producten, maar kunnen zij ook met betrekking tot farmaceutische en veterinaire producten en detergenten worden gebruikt.
(cf. punten 67, 69‑70)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
6 september 2004 (*)
„Beroep tot nietigverklaring – Richtlijn 2002/34/EG – Beperkingen aan het gebruik van polyacrylamiden in de samenstelling van cosmetische producten – Individueel geraakt persoon – Ontvankelijkheid”
In zaak T‑213/02,
SNF SA, gevestigd te Saint-Étienne (Frankrijk), vertegenwoordigd door K. Van Maldegem en C. Mereu, advocaten,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door X. Lewis als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van de zesentwintigste richtlijn 2002/34/EG van de Commissie van 15 april 2002 tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van de bijlagen II, III en VII van richtlijn 76/768/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (PB L 102, blz. 19), voorzover hierbij het gebruik van polyacrylamiden in de samenstelling van cosmetische producten wordt beperkt,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Lindh, kamerpresident, R. García-Valdecasas en J. D. Cooke, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Rechtskader
1 Richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (PB L 262, blz. 169), zoals vóór de vaststelling van de thans bestreden richtlijn laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2000/41/EG van de Commissie van 19 juni 2000 tot hernieuwd uitstel van de ingangsdatum voor het verbod op dierproeven met ingrediënten of combinaties van ingrediënten van cosmetische producten (PB L 145, blz. 25; hierna: „cosmeticarichtlijn”), bepaalt onder meer dat cosmetische producten die binnen de Gemeenschap in de handel worden gebracht, de gezondheid van de mens niet mogen schaden wanneer zij onder normale of redelijkerwijze te voorziene gebruiksvoorwaarden worden aangewend, met name rekening houdend met de aanbiedingsvorm van het product, de etikettering, de eventuele aanwijzingen voor het gebruik en de verwijdering ervan, alsmede elke andere aanwijzing of informatie die wordt verstrekt door de fabrikant of zijn gevolmachtigde of door ieder ander die verantwoordelijk is voor het op de gemeenschappelijke markt brengen van deze producten.
2 Artikel 4, lid 1, van de cosmeticarichtlijn bepaalt:
„Onverminderd hun algemene verplichtingen welke voortvloeien uit artikel 2, verbieden de lidstaten het in de handel brengen van cosmetische producten bevattende:
[...]
b) de in het eerste deel van bijlage III genoemde stoffen indien deze de aldaar gestelde grenzen en voorwaarden te boven of te buiten gaan;
[...]”
3 Artikel 8 van de cosmeticarichtlijn luidt:
„1. Volgens de in artikel 10 vastgestelde procedure worden bepaald:
– de analysemethoden die moeten worden toegepast om de samenstelling van cosmetische producten te controleren,
– de microbiologische en chemische zuiverheidscriteria voor cosmetische producten alsmede de methoden voor de controle van deze criteria.
2. Volgens dezelfde procedure worden vastgesteld, in voorkomend geval, de gemeenschappelijke nomenclatuur van de in de cosmetische producten verwerkte ingrediënten en, na raadpleging van het Wetenschappelijk Comité voor Cosmetologie, de wijzigingen die noodzakelijk zijn om de bijlagen van deze richtlijn aan de vooruitgang van de techniek aan te passen.”
4 Artikel 9 van de cosmeticarichtlijn bepaalt:
„1. Er wordt een Comité opgericht voor de aanpassing aan de technische vooruitgang van de richtlijnen houdende opheffing van de technische handelsbelemmeringen in de sector cosmetische producten, hierna te noemen het ‚Comité’, samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten en voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie.
2. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.”
5 Artikel 10 van de cosmeticarichtlijn luidt:
„1. Indien wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure wordt deze procedure bij het Comité ingeleid door de voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van de lidstaat.
2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt aan het Comité een ontwerp voor van de te treffen maatregelen. Het Comité brengt over dit ontwerp advies uit binnen een door de voorzitter afhankelijk van de urgentie van het desbetreffende vraagstuk vast te stellen termijn. [...]
3. a) De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast, wanneer zij overeenstemmen met het advies van het Comité.
b) Indien de beoogde maatregelen niet overeenstemmen met het advies van het Comité, of indien een advies ontbreekt, dient de Commissie onverwijld een voorstel bij de Raad in inzake de te treffen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen .
c) Indien de Raad na een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de indiening van het voorstel geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld.”
6 Artikel 13 van de cosmeticarichtlijn bepaalt:
„Iedere op grond van deze richtlijn genomen afzonderlijke maatregel welke een beperking of verbod van het in de handel brengen van cosmetische producten inhoudt, wordt zorgvuldig met redenen omkleed. Een en ander wordt ter kennis gebracht van belanghebbende, onder vermelding van de bestaande mogelijkheden tot beroep krachtens de in de lidstaten geldende wetgeving, en van de termijn waarbinnen een dergelijk beroep moet worden ingesteld.”
7 Op 15 april 2002 stelde de Commissie overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de cosmeticarichtlijn en na raadpleging van het Wetenschappelijk Comité voor cosmetische producten en voor consumenten bestemde niet-voedingsproducten (hierna: „WCCNVP”) de zesentwintigste richtlijn 2002/34/EG tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van de bijlagen II, III en VII van richtlijn 76/768 (PB L 102, blz. 19; hierna: „bestreden richtlijn”) vast.
8 Volgens artikel 1 van de bestreden richtlijn wordt de cosmeticarichtlijn gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de bestreden richtlijn. Deze bijlage bepaalt onder meer dat aan bijlage III bij de cosmeticarichtlijn een nummer 66 wordt toegevoegd, waarin voor polyacrylamiden het maximaal toegestane acrylamiderestgehalte is vastgesteld op 0,1 mg/kg in niet uit te spoelen lichaamsverzorgingsproducten en op 0,5 mg/kg in andere cosmetische producten.
Feiten
9 Verzoekster is een van de belangrijkste producenten van acrylamide en polymeren op basis van acrylamide, zoals polyacrylamiden, die zij wereldwijd verkoopt. Haar ervaring en knowhow op het gebied van polymeeranalysetechnieken hebben haar in staat gesteld onder het merk FLOCARE een reeks polyacrylamiden te ontwikkelen die speciaal bedoeld zijn om te worden toegepast in cosmetica en lichaamsverzorgingsproducten.
10 Polyacrylamiden worden in cosmetische producten gebruikt wegens hun veelzijdige toepassingsmogelijkheden: behalve als verbeteringsmiddel en filmvormende stof kunnen zij ook dienen als exfoliërende polymeer, verdikkingsmiddel, emulgator en dispergent voor make-upproducten.
11 Verzoekster is lid van de Polyacrylamide Producers Group (hierna: „PPG”), die bestaat uit de zeven producenten van polyacrylamiden in de Gemeenschap. Twee van deze producenten, waaronder verzoekster, vervaardigen ook acrylamide. Naar schatting wordt 99,9 % van de acrylamide in de Gemeenschap gebruikt bij de productie van polyacrylamiden.
12 Het WCCNVP plaatste de toepassing van polyacrylamiden in cosmetische producten op de agenda van zijn bijeenkomst van 14 november 1997. Medio 1998 ontving de European Cosmetic Toiletry and Perfumery Association („Colipa”), een brancheorganisatie van producenten van cosmetische producten (waarbij echter geen producenten van grondstoffen, zoals verzoekster, zijn aangesloten), een afschrift van het eerste ontwerp van een standpuntbepaling van het WCCNVP met betrekking tot de mogelijke kankerverwekkende eigenschappen van cosmetische producten waarin polyacrylamiden verwerkt zijn. De PPG noch verzoekster ontving rechtstreeks een afschrift van dat document. De door het WCCNVP voorgestelde conclusie luidde onder meer dat een levenslang gebruik van cosmetische producten waarin polyacrylamiden verwerkt zijn, wegens het restgehalte aan acrylamide een onaanvaardbaar hoog kankerrisico meebracht. De Colipa zond het door haar ontvangen ontwerp aan de PPG.
13 Op 3 september 1998 zond de Colipa het WCCNVP een gemeenschappelijk antwoord van de sector, dat voor een deel was voorbereid door de PPG. Daarin stelde zij dat nieuwe gegevens en de gangbare risicobeoordelingsmethoden voor het WCCNVP aanleiding moesten zijn om zijn ontwerp-standpuntbepaling te herzien. Daarop volgde een uitgebreide correspondentie tussen het WCCNVP, de Colipa en de PPG. Laatstgenoemden woonden bijeenkomsten met het WCCNVP bij en verstrekten dit comité vóór de vaststelling van de bestreden richtlijn op 15 april 2002 verscheidene beoordelingen van de risico’s van het gebruik van polyacrylamiden in cosmetische producten.
Procesverloop en conclusies van partijen
14 Bij op 12 juli 2002 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
15 Bij op 22 augustus 2002 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Commissie overeenkomstig artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Verzoekster heeft op 10 oktober daaraanvolgend haar opmerkingen over deze exceptie ingediend.
16 Bij wijze van maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht (Vijfde kamer) verzoekster op 28 november 2002 verzocht een aantal vragen te beantwoorden en, met name, nader toe te lichten haar standpunt dat enkele van haar octrooien door de vaststelling van de bestreden richtlijn de facto waardeloos zijn geworden, onder overlegging van een afschrift van elk van de betrokken octrooien. Verzoekster heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.
17 In haar verzoekschrift en in haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:
– het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, althans de exceptie van niet-ontvankelijkheid te voegen met de hoofdzaak;
– de bestreden richtlijn gedeeltelijk nietig te verklaren;
– de Commissie in de kosten te verwijzen.
18 In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert de Commissie dat het het Gerecht behage:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– verzoekster in de kosten te verwijzen.
In rechte
Argumenten van partijen
19 Verzoekster stelt dat haar beroep ingevolge artikel 230 EG ontvankelijk is, aangezien de bestreden richtlijn een bindende handeling is, die beoogt definitieve rechtsgevolgen te hebben waardoor zij rechtstreeks en individueel wordt geraakt. Om te beginnen verzoekt zij het Gerecht om, alvorens zich uit te spreken over de ontvankelijkheid van het beroep, eerst op de zaak ten gronde in te gaan, althans elke beslissing aan te houden tot de uitspraak ten gronde. Zij voert met name aan dat de regelgeving waarom het in deze zaak draait, uiterst complex is en dat haar rechtssituatie niet los van de zaak ten gronde kan worden beoordeeld. Het onderhavige geschil betreft haars inziens met name de verhouding tussen ’s Raads richtlijn 67/548/EEG van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PB P 196, blz. 1) en de cosmeticarichtlijn.
20 Verzoekster voert voor haar stelling vijf argumenten aan.
21 In de eerste plaats betoogt zij dat de bestreden richtlijn, ofschoon in algemene termen geformuleerd, in feite enkel de zeven in de Gemeenschap aanwezige en in de PPG verenigde producenten van polyacrylamiden raakt. Door feitelijke omstandigheden die hen ten opzichte van alle andere marktdeelnemers karakteriseren, vormen die ondernemingen zowel feitelijk als rechtens een gesloten groep marktdeelnemers. Zij worden bovendien door de cosmeticarichtlijn zelf als „belanghebbenden” geïdentificeerd (zie artikel 5 bis). Het is volgens verzoekster uitsluitend te danken aan de niet-aflatende inspanningen van de bij de PPG aangesloten ondernemingen, dat polyacrylamiden op de gemeenschapsmarkt beschikbaar zijn en in cosmetische producten worden verwerkt. Zo de PPG niet in de ontwikkeling van polyacrylamiden had geïnvesteerd en geen gegevens had verstrekt aan de Commissie, zou deze stof nooit in de cosmetische industrie zijn verkocht en zou de bestreden richtlijn hoogstwaarschijnlijk nooit zijn vastgesteld.
22 Aangezien de productie van polyacrylamiden veel technische en commerciële knowhow vereist, is het volgens verzoekster voor niet bij de PPG aangesloten ondernemingen onmogelijk om op korte termijn tot deze markt door te dringen. Met de invoering van strengere concentratiegrenzen voor het restgehalte aan acrylamide in cosmetische producten heeft de bestreden richtlijn in de vorm van een wettelijk voorschrift nog een extra belemmering opgeworpen voor potentiële nieuwkomers op de markt.
23 Volgens verzoekster is het met deze nieuwe concentratiegrenzen technisch onmogelijk, vaste polyacrylamidenpoeders te vervaardigen die voldoen aan de nieuwe drempelwaarden voor het restgehalte aan acrylamide, aangezien met de huidige technologie niet alle acrylamiderestanten uit vaste polyacrylamiden kunnen worden verwijderd. Dit betekent dat de markt van vaste polyacrylamiden die bestemd zijn om te worden verwerkt in cosmetische producten, de jure gesloten is.
24 Verzoekster stelt voorts dat de bestreden beperkingen specifiek van toepassing zijn op haar producten. Deze producten vormen zowel de reden als het voorwerp van die beperkingen en liggen ten grondslag aan het optreden van de instellingen terzake. Er bestaat volgens verzoekster dus een causaal verband tussen de bestreden richtlijn en haar situatie. Zij is namelijk de enige onderneming die vaste polyacrylamiden produceert en deze in poedervorm verkoopt voor verwerking in cosmetische producten. De andere ondernemingen produceren vloeibare emulsies, die geen gevolgen ondervinden van de nieuwe concentratiegrenzen voor het acrylamiderestgehalte. De bestreden richtlijn raakt verzoekster bijgevolg op bijzondere wijze, niet alleen omdat zij als enige vastepolyacrylamidenpoeders voor de cosmetische industrie vervaardigt, maar ook wegens de specifieke kenmerken van haar product.
25 In de tweede plaats acht verzoekster zichzelf individueel geraakt door de bestreden richtlijn omdat deze negatieve gevolgen heeft voor bepaalde specifieke rechten die zij reeds vóór de totstandkoming van de richtlijn bezat, wat haar ten opzichte van de overige marktdeelnemers karakteriseert.
26 Zij merkt in dit verband op dat de bestreden richtlijn stellig tot gevolg zal hebben dat zij met ingang van 2004 haar octrooibescherming in Frankrijk kwijtraakt, aangezien deze lidstaat dan geen andere keuze zal hebben dan de in de richtlijn aan het gebruik van polyacrylamiden gestelde beperkingen toe te passen, waardoor haar octrooi de facto waardeloos zal worden. Volgens verzoekster is haar exclusieve recht op de verhandeling van de producten die het resultaat zijn van haar uitvindingen, identiek aan het recht waarover verzoekster in zaak C‑309/89 (Codorníu/Raad, arrest van 18 mei 1994, Jurispr. blz. I‑1853) ingevolge haar ingeschreven merk beschikte.
27 Verzoekster preciseert dat zij voor de cosmetische industrie bestemde vaste polyacrylamidenproducten vervaardigt, waarbij zij gebruikt maakt van een speciaal productieproces dat het resultaat is van een lange periode van onderzoek en ontwikkeling, en dat enorme investeringen heeft gevergd. Haar octrooi dekt een voor cosmetica gebruikt technologisch procédé door middel waarvan zij vaste verdikkende polymeren vervaardigt die de viscositeit en textuur van cosmetische producten als shampoos en crèmes wijzigen, waardoor de oplosmiddelen (minerale oliën) en surfactanten (nonylfenol en andere ethoxylaten) daaruit kunnen worden verwijderd, iets wat niet mogelijk is bij de emulsies die worden vervaardigd door haar concurrenten die de traditionele technologie toepassen.
28 In antwoord op de vragen van het Gerecht (zie boven, punt 16) heeft verzoekster gepreciseerd dat zij zich in casu met name baseert op de op 28 februari 2000 respectievelijk 19 januari 2001 ingediende octrooiaanvragen nrs. 00 02664 (2805461) en 01 0063 (2819719). De betrokken octrooien dekken zowel de procédés als de cosmetische samenstellingen.
29 Verzoekster stelt dat zij haar afnemers en de eindgebruikers producten aanbiedt die twee belangrijke eigenschappen met elkaar verenigen, namelijk een vaste staat en lagere restgehalten aan monomeer acrylamide. Dit is alleen bij haar producten het geval, wat haar een belangrijk voordeel ten opzichte van haar concurrenten oplevert. De bestreden richtlijn maakt het haar echter onmogelijk het gepatenteerde productieproces voor cosmetische toepassingen te exploiteren, aangezien met de technologie waarvoor haar octrooi is verleend, niet kan worden voldaan aan de nieuwe concentratiewaarden die in de bestreden richtlijn zijn vastgesteld voor het acrylamiderestgehalte in cosmetische producten.
30 Verzoekster bestrijdt de bewering van de Commissie dat het haar verleende octrooi ook andere mogelijke toepassingen in de farmaceutische en veterinaire industrie dekt. Het is gebruikelijk om bij de indiening van een octrooiaanvraag zoveel mogelijk toepassingen in de aanvraag te betrekken en daarmee te anticiperen op mogelijke toekomstige markten, zelfs wanneer de betrokken producten eigenlijk nog niet voor al die toepassingen kunnen worden verhandeld. In casu kan verzoekster haar octrooi vooralsnog uitsluitend voor cosmetische toepassingen gebruiken. Bovendien staan normatieve beperkingen eraan in de weg dat het octrooi tegelijkertijd cosmetische en farmaceutische toepassingen dekt.
31 Verzoekster voegt hieraan toe dat de bescherming van haar rechten een hoger rechtsbeginsel is, dat moet worden geëerbiedigd in alle situaties waarin individuele rechten en vrijheden op het spel staan. Dit beginsel volgt haars inziens uit de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
32 In de derde plaats betoogt verzoekster dat de Commissie de procedurele rechten heeft geschonden die haar ingevolge artikel 13 van de cosmeticarichtlijn toekomen. Dit artikel bepaalt onder meer dat elke „belanghebbende” in kennis wordt gesteld van iedere op basis van de richtlijn genomen beperkende maatregel en van de bestaande beroepsmogelijkheden. Het maakt geen onderscheid tussen maatregelen die de Commissie heeft genomen om het gebruik van chemische stoffen in cosmetische producten te beperken, en maatregelen die de lidstaten hebben getroffen teneinde te verzekeren dat op hun nationale grondgebied de cosmetische eindproducten met deze beperkingen in overeenstemming zijn. Verzoekster meent dan ook dat de Commissie gehouden was haar in kennis te stellen van elke maatregel die het gebruik van polyacrylamiden in cosmetische producten beperkt.
33 Op dit punt is verzoekster het niet eens met de door de Commissie aan de cosmeticarichtlijn gegeven uitlegging. Haars inziens beschikt de Commissie op het terrein waarop deze richtlijn geldt, niet over haar normale, ruime beoordelingsbevoegdheid, aangezien zij deskundigen uit de bedrijfstak en de bevoegde wetenschappelijke comités dient te raadplegen en zelf geen aanpassingsmaatregelen mag vaststellen dan na gunstig advies van het aanpassingscomité. Dit volgt onmiskenbaar uit de in de artikelen 10 en 13 van de cosmeticarichtlijn geformuleerde procedureregels. De specifieke bescherming die de betrokken ondernemingen ingevolge deze bepalingen genieten, karakteriseert hen in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG ten opzichte van andere ondernemingen.
34 Naar aanleiding van de verwijzing van de Commissie naar het arrest van het Gerecht van 16 juli 1998, Bergaderm en Goupil/Commissie (T‑199/96, Jurispr. blz. II‑2805, punt 58), merkt verzoekster op dat het Gerecht het bestaan van een procedure op tegenspraak met zoveel woorden heeft erkend. Zij wijst erop dat het Gerecht ten aanzien van procedures die tot de vaststelling van een gemeenschapsmaatregel kunnen leiden, onderscheid maakt tussen administratieve procedures en wetgevingsprocedures, en dat het erkent dat personen die een rechtstreeks belang bij de uitkomst van de administratieve procedure hebben en/of feitelijk hebben deelgenomen aan de administratieve procedure die aan de vaststelling van een gemeenschapsmaatregel is voorafgegaan, bepaalde procedurele rechten genieten ten opzichte van die maatregel. Verzoekster meent dat zij in casu aan de bestreden richtlijn specifieke rechten ontleent, daar zij aan de administratieve procedure heeft deelgenomen door wetenschappelijke gegevens te verstrekken en door tot aan het moment van vaststelling van de richtlijn voortdurend commentaar te leveren. De Commissie heeft haar product echter beoordeeld zonder rekening te houden met de gegevens die zij heeft verstrekt gedurende de administratieve procedure die tot de aanneming van het voorstel van de Commissie heeft geleid. De Commissie heeft de bestreden richtlijn dus vastgesteld zonder zich aan de procedureregels te houden en in strijd met het op het gebied van polyacrylamiden geldende gemeenschapsrecht.
35 Voor het geval het Gerecht met de Commissie van mening zou zijn dat verzoekster aan artikel 13 van de cosmeticarichtlijn geen procedurele rechten ontleent, aangezien de bestreden maatregel is vastgesteld overeenkomstig artikel 8, lid 2, van deze richtlijn, wijst verzoekster erop dat ook deze bepaling voorziet in een administratieve procedure in het kader waarvan zij fundamentele procedurele rechten geniet. Meer bepaald merkt zij op dat volgens deze bepaling de wijzigingen die noodzakelijk zijn om de bijlagen van deze richtlijn aan de vooruitgang van de techniek aan te passen, worden vastgesteld na raadpleging van het WCCNVP.
36 In de vierde plaats stelt verzoekster onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 16 mei 1991, Extramet Industrie/Raad (C‑358/89, Jurispr. blz. I‑2501), dat de gevolgen die de bestreden richtlijn voor haar situatie heeft, haar wegens bepaalde bijzondere hoedanigheden karakteriseren ten opzichte van alle andere ondernemers, ook die welke zijn aangesloten bij de PPG. Zij is een van de weinige ondernemingen binnen de PPG die zowel acrylamide als polyacrylamiden produceren. De gevolgen van de bestreden richtlijn voor haar situatie zijn van dien aard, dat zij door de richtlijn wordt geraakt op dezelfde wijze als een adressaat, aangezien de vaststelling van de richtlijn haar volledige acrylamideproductie in gevaar heeft gebracht. Dankzij haar unieke en hoogtechnologische procédé voor de vervaardiging van polyacrylamiden heeft zij in de loop der jaren een nichemarkt ontwikkeld. Haar positie is daarom bijzonder en verschilt van die van haar concurrenten die op de traditionele markt van verdikkingsmiddelen actief zijn. Verzoekster ondervindt dus bijzondere economische gevolgen van de richtlijn, voorzover zij haar activiteiten op het gebied van cosmetica zal moeten staken en van alle daarmee verband houdende financiële investeringen en industriële-eigendomsrechten zal moeten afzien.
37 Verzoekster stelt voorts dat zij zich niet kan wenden tot enig ander rechterlijk, administratief of gouvernementeel orgaan binnen de Gemeenschap. De door de lidstaten te nemen maatregelen tot omzetting van de bestreden richtlijn zullen haar niet rechtstreeks en individueel raken.
38 In de vijfde plaats beroept verzoekster zich op de recente ontwikkeling van de rechtspraak inzake de toepassing van artikel 230, vierde alinea, EG. Daartoe verwijst zij naar het arrest van het Gerecht van 3 mei 2002, Jégo-Quéré/Commissie (T‑177/01, Jurispr. blz. II‑2365), en de conclusie van advocaat-generaal Jacobs bij het arrest van het Hof van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad (C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677, I‑6681).
39 De Commissie bestrijdt de door verzoekster aangevoerde argumenten betreffende de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep. Zij meent dat het Gerecht zich kan uitspreken over de ontvankelijkheid zonder in te gaan op de zaak ten gronde en dat er, anders dan verzoekster stelt, geen verband bestaat tussen de vragen betreffende de overeenkomstig richtlijn 67/548 overgelegde wetenschappelijke gegevens en verzoeksters situatie ingevolge de cosmeticarichtlijn.
40 In de eerste plaats is de Commissie van mening dat verzoekster geen deel uitmaakt van een gesloten groep acrylamideproducenten. Verzoekster heeft haars inziens niet duidelijk gemaakt waarom andere dan de zeven in de Gemeenschap aanwezige producenten van polyacrylamiden van deze markt zouden zijn uitgesloten en niet de concurrentie zouden kunnen aangaan met de bestaande producenten.
41 Het doel van artikel 5 bis van de cosmeticarichtlijn is volgens de Commissie niet, een gesloten groep van producenten van cosmetische ingrediënten te doen ontstaan. Ingevolge deze bepaling dient de Commissie een indicatieve inventaris op te stellen van de in cosmetische producten verwerkte ingrediënten, maar niet van de producenten van dergelijke ingrediënten.
42 In de tweede plaats stelt de Commissie dat de octrooiaanvragen verzoekster geen bijzondere status verlenen en haar niet in een situatie plaatsen die lijkt op dan wel gelijk is aan die van verzoekster in de zaak Codorníu/Raad, reeds aangehaald.
43 Verzoekster heeft haar stelling dat de bestreden richtlijn de octrooien waardeloos maakt dan wel hun beschermende werking ontneemt, volgens de Commissie niet onderbouwd. Zij merkt op dat de bestreden richtlijn het maximaal toegestane restgehalte aan acrylamide in cosmetische eindproducten vaststelt, dat het gebruik van acrylamide niet verboden is en dat verzoekster niet kenbaar heeft gemaakt, welk restgehalte aan acrylamide haar gepatenteerde producten feitelijk bevatten voordat de bestreden richtlijn werd vastgesteld. De octrooiaanvragen vermelden niets over het restgehalte aan acrylamide in de betrokken producten. Verzoekster heeft dan ook niet aangetoond dat de toepassing van nieuwe concentratiegrenzen voor de cosmetische eindproducten daadwerkelijk gevolgen heeft voor de in de octrooiaanvragen bedoelde chemische verbindingen.
44 De Commissie refereert aan de octrooiaanvragen nrs. 0002664 (2805461) en 01 00963 (2819719) van 28 februari 2000 en 19 januari 2001. Zij merkt op dat de tweede aanvraag niet uitsluitend betrekking heeft op cosmetische producten, maar tevens ziet op farmaceutische en veterinaire producten en detergenten, waarvoor de bestreden richtlijn in het geheel geen gevolgen heeft. De eerste octrooiaanvraag dekt het gebruik van „een of meer” niet-ionische monomeren, waaronder acrylamide. De wijze waarop deze producten in de lijst zijn opgenomen, lijkt erop te wijzen dat zij over een weer substitueerbaar zijn. In dat geval zou het op 28 februari 2000 aangevraagde octrooi zelfs bij een totaal acrylamideverbod niets aan waarde of effectiviteit inboeten.
45 Over de situatie van verzoekster in de zaak Codorníu/Raad, reeds aangehaald, merkt de Commissie op, dat de in die zaak bestreden bepaling het gebruik van de benaming „crémant” reserveerde voor mousserende kwaliteitswijn die onder specifieke omstandigheden in Frankrijk en Luxemburg was bereid. Codorníu, een Spaanse producent, had het grafisch merk „Gran Crémant de Codorníu” in 1924 in Spanje laten inschrijven en had dit merk zowel vóór als na die inschrijving van oudsher gebruikt. Door het recht om de vermelding „crémant” te gebruiken aan Franse en Luxemburgse producenten voor te behouden, belette de bestreden bepaling Codorníu om haar merk te gebruiken. Anders dan verzoekster stelt (zie boven, punten 26‑28), verlenen de aangevraagde octrooien haar volgens de Commissie geen „specifieke rechten om polyacrylamiden als ingrediënten van cosmetische producten te verhandelen”, maar slechts het recht om andere producenten te beletten vergelijkbare chemische preparaten te verkopen.
46 In de derde plaats meent de Commissie dat verzoeksters procedurele rechten niet zijn geschonden bij de vaststelling van de bestreden richtlijn. Zij wijst erop dat deze richtlijn niet op grond van artikel 13, maar op grond van artikel 8, lid 2, van de cosmeticarichtlijn is vastgesteld. Individuele ondernemingen en ondernemersverenigingen spelen in de in laatstgenoemde bepaling bedoelde procedure geen rol: zij leiden de procedure niet in en worden gedurende de procedure niet geraadpleegd.
47 Het Gerecht heeft er in zijn arrest Bergaderm en Goupil/Commissie, reeds aangehaald (punt 59), geen twijfel over laten bestaan dat de procedure van artikel 8, lid 2, van de cosmeticarichtlijn een procedure is die tot de vaststelling van een normatieve handeling leidt. In het kader van een dergelijke procedure behoeven de rechten van de verdediging slechts te worden geëerbiedigd indien dit met zoveel woorden is bepaald. Een dergelijke bepaling komt echter in de cosmeticarichtlijn niet voor.
48 In de vierde plaats heeft verzoekster volgens de Commissie niet duidelijk gemaakt waarom het feit dat zij „een van de weinige” producenten van acrylamide en polyacrylamiden is, haar situatie anders maakt dan die van de andere producenten. De enkele omstandigheid dat de bestreden richtlijn gevolgen heeft voor haar activiteiten op het gebied van acrylamide, maakt haar nog niet bevoegd de nietigverklaring ervan te vorderen.
49 Met betrekking tot het in punt 37 van dit arrest uiteengezette argument van verzoekster merkt de Commissie op, dat verzoeksters bewering volgens welke de gevolgen van de bestreden richtlijn zo duidelijk, onvoorwaardelijk en onveranderlijk zijn, dat de lidstaten bij de uitvoering ervan geen enkele beoordelingsvrijheid hebben, moeilijk valt te rijmen met haar opmerking dat een nationale uitvoeringsmaatregel haar niet rechtstreeks zal raken. Wanneer de bestreden richtlijn verzoekster rechtstreeks raakt, geldt dit volgens de Commissie ook voor de nationale uitvoeringsmaatregelen, die immers de weerspiegeling van de richtlijn vormen.
50 In de vijfde plaats betoogt de Commissie dat verzoekster geen argument kan ontlenen aan de recente ontwikkelingen die zich haars inziens blijkens het arrest Jégo-Quéré/Commissie van het Gerecht en de conclusie van advocaat-generaal Jacobs bij het arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad (beide reeds aangehaald) op het gebied van de ontvankelijkheid hebben voorgedaan. Zij wijst erop dat het Hof in laatstgenoemd arrest de traditionele rechtspraak inzake ontvankelijkheid ondubbelzinnig heeft bevestigd. Hoe dan ook vordert verzoekster in casu niet de nietigverklaring van een verordening, zoals in de twee door haar aangehaalde zaken het geval was, maar van een richtlijn. In tegenstelling tot een verordening moet een richtlijn door de geadresseerde lidstaten worden omgezet.
Beoordeling door het Gerecht
51 Volgens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien een partij daarom verzoekt, uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Volgens lid 3 van hetzelfde artikel geschiedt de verdere behandeling van het verzoek mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu acht het Gerecht (Vijfde kamer) zich door de processtukken voldoende voorgelicht om zonder mondelinge behandeling uitspraak te kunnen doen. Voorts is het van mening dat er geen termen aanwezig zijn om de exceptie van niet-ontvankelijkheid te voegen met de zaak ten gronde.
52 Volgens artikel 230, vierde alinea, EG kan „[i]edere natuurlijke of rechtspersoon [...] beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken”.
53 In casu moet de ontvankelijkheid worden beoordeeld van een beroep tot nietigverklaring dat een rechtspersoon krachtens deze bepaling heeft ingesteld tegen enkele bepalingen van een door de Commissie overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de cosmeticarichtlijn vastgestelde richtlijn.
54 Ofschoon artikel 230, vierde alinea, EG niet uitdrukkelijk spreekt over de ontvankelijkheid van door particulieren ingestelde beroepen tot nietigverklaring van een richtlijn, volstaat dat volgens de rechtspraak op zich niet om dergelijke beroepen niet-ontvankelijk te verklaren (arrest Gerecht van 17 juni 1998, UEAPME/Raad, T‑135/96, Jurispr. blz. II‑2335, punt 63; beschikking Gerecht van 10 september 2002, Japan Tobacco en JT International/Parlement en Raad, T‑223/01, Jurispr. blz. II‑3259, punt 28). Bovendien kunnen de gemeenschapsinstellingen de door die verdragsbepaling aan particulieren geboden rechtsbescherming niet eenvoudig door de keuze van de vorm van de handeling uitsluiten (beschikkingen Gerecht van 14 januari 2002, Association contre l’heure d’été/Parlement en Raad, T‑84/01, Jurispr. blz. II‑99, punt 23, en Japan Tobacco en JT International/Parlement en Raad, reeds aangehaald, punt 28).
55 Overigens kan onder bepaalde omstandigheden ook een normatieve handeling, die op alle belanghebbende marktdeelnemers van toepassing is, sommigen van hen rechtstreeks en individueel raken (arrest Hof van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, 11/82, Jurispr. blz. 207, punten 11‑32, en arrest Gerecht van 27 juni 2000, Salamander e.a./Parlement en Raad, T‑172/98, T‑175/98–T‑177/98, Jurispr. blz. II‑2487, punt 30).
56 Volgens vaste rechtspraak kan een ander dan de adressaat van een handeling slechts stellen individueel te zijn geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, indien die handeling hem treft uit hoofde van een bepaalde bijzondere hoedanigheid of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem daardoor op overeenkomstige wijze individualiseert als de adressaat (arrest Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 207, op blz. 232; arrest UEAPME/Raad, reeds aangehaald, punt 69, en beschikking Association contre l’heure d’été/Parlement en Raad, reeds aangehaald, punt 24).
57 Deze voorwaarde voor de ontvankelijkheid van een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep heeft het Hof recentelijk nog gememoreerd in zijn arresten Unión de Pequeños Agricultores/Raad, reeds aangehaald (punt 36), en van 1 april 2004, Commissie/Jégo-Quéré (C‑263/02 P, Jurispr. blz. I‑3425, punt 45).
58 Verzoekster stelt om te beginnen dat de bestreden richtlijn haar individueel raakt omdat zij behoort tot een beperkte kring van marktdeelnemers waarop deze richtlijn van toepassing is.
59 Dienaangaande zij erop gewezen dat de omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie een maatregel van toepassing is, meer of minder nauwkeurig kan worden bepaald, geenszins betekent dat deze rechtssubjecten moeten worden geacht door die maatregel individueel te zijn geraakt, zolang vaststaat dat deze toepassing voortvloeit uit een objectieve feitelijke of rechtssituatie die in de betrokken handeling wordt omschreven (arresten Hof van 15 juni 1993, Abertal e.a./Commissie, C‑213/91, Jurispr. blz. I‑3177, punt 17, en 15 februari 1996, Buralux e.a./Raad, C‑209/94 P, Jurispr. blz. I‑615, punt 24).
60 Uit de rechtspraak blijkt ook dat de enkele omstandigheid dat een marktdeelnemer als ondernemer die actief is in de door een maatregel bedoelde sector, door die maatregel wordt getroffen, niet volstaat om die marktdeelnemer als individueel geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG te beschouwen (zie in die zin arrest Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 14, en beschikkingen Hof van 21 juni 1993, Chiquita Banana e.a./Raad, C‑276/93, Jurispr. blz. I‑3345, punt 12, en 23 november 1995, Asocarne/Raad, C‑10/95 P, Jurispr. blz. I‑4149, punt 42). Deze rechtspraak vindt zijn verklaring in het feit dat in de genoemde zaken nog een extra element aanwezig was, namelijk een causaal verband tussen de betrokken marktdeelnemer en het optreden van de instelling, waaruit bleek dat de instelling met de vaststelling van de litigieuze maatregel had bepaald op welke wijze die marktdeelnemer moest worden behandeld (zie in die zin arresten Hof van 13 mei 1971, International Fruit Company e.a./Commissie, 41/70–44/70, Jurispr. blz. 411, punt 20, en 6 november 1990, Weddel/Commissie, C‑354/87, Jurispr. blz. I‑3847, punt 22). Aan deze voorwaarde is echter in casu niet voldaan.
61 De wijziging die de bestreden richtlijn aanbrengt in de cosmeticarichtlijn, bestaat namelijk onder meer in de opneming van polyacrylamiden in de lijst van stoffen die in cosmetische producten mogen voorkomen indien zij de in bijlage III bij deze richtlijn gestelde grenzen en voorwaarden niet te boven of te buiten gaan, en in de vaststelling van het maximaal toegestane acrylamiderestgehalte voor polyacrylamiden op 0,1 mg/kg in niet uit te spoelen lichaamsverzorgingsproducten en op 0,5 mg/kg in andere cosmetische producten. Hieruit volgt dat de bestreden richtlijn van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor op algemene en abstracte wijze omschreven categorieën van personen, namelijk in het bijzonder alle producenten van cosmetica.
62 De betrokken bepalingen raken verzoekster klaarblijkelijk slechts in haar objectieve hoedanigheid van marktdeelnemer die polyacrylamiden vervaardigt, op gelijke wijze als elke andere marktdeelnemer die zich in dezelfde situatie bevindt. Blijkens de in de punten 59 en 60 van dit arrest aangehaalde rechtspraak kan die hoedanigheid alleen niet volstaan als bewijs dat verzoekster door die bepalingen individueel wordt geraakt. Het is in dit verband niet van belang dat er in de Gemeenschap slechts zeven polyacrylamidenproducenten zijn, waarvan verzoekster naar eigen zeggen als enige vaste polyacrylamiden produceert en deze in poedervorm verkoopt voor verwerking in cosmetische producten.
63 Anders dan verzoekster stelt, was hoe dan ook de kring van producenten van polyacrylamiden ten tijde van de vaststelling van de bestreden richtlijn niet gesloten, aangezien niets in de richtlijn eraan in de weg staat dat ook marktdeelnemers die vóór die vaststelling nog geen polyacrylamiden produceerden, later besluiten zich op die productie te gaan toeleggen.
64 Verzoekster meent in de tweede plaats dat de bestreden richtlijn haar individueel raakt wegens de negatieve gevolgen ervan voor de haar verleende octrooien, wat haar ten opzichte van de overige marktdeelnemers zou karakteriseren. Zij stelt dat zij als gevolg van de bestreden richtlijn haar uit de twee bovengenoemde octrooiaanvragen voortvloeiende rechten zal kwijtraken, waardoor zij in een situatie komt te verkeren die vergelijkbaar is met die van de verzoekster in de zaak Codorníu/Raad, reeds aangehaald.
65 Zelfs indien voor het onderzoek van dit argument wordt aangenomen dat verzoekster aan de door haar genoemde octrooiaanvragen exclusieve rechten ontleent, verschilt haar situatie naar het oordeel van het Gerecht wezenlijk van die van de verzoekster in de zaak Codorníu/Raad.
66 In die zaak ging het om een Spaanse vennootschap, Codorníu, die mousserende wijn bereidde en verhandelde en houdster was van het Spaanse grafische merk „Gran Crémant de Codorníu”, dat zij sinds 1924 gebruikte om een van haar mousserende wijnen aan te duiden. Zij had dat merk zowel vóór als na de inschrijving ervan gebruikt. Het Hof stelde in zijn arrest vast dat de bestreden bepaling, door het recht op het gebruik van de vermelding „crémant” aan Franse en Luxemburgse producenten voor te behouden, Codorníu belette om haar grafisch merk te gebruiken.
67 In casu is verzoekster evenwel niet bij uitsluiting gerechtigd een „cosmetisch product” in de zin van artikel 1 van de cosmeticarichtlijn te vervaardigen. Uit haar eigen betoog blijkt immers dat zij vaste polyacrylamiden vervaardigt en deze vervolgens aan cosmeticaproducenten levert als grondstof of ingrediënt voor de vervaardiging van cosmetische producten.
68 Anders dan de bepaling die in het arrest Codorníu/Raad in geding was, heeft de bestreden richtlijn niet tot gevolg dat verzoekster wordt belet om van haar exclusieve rechten gebruik te maken, dan wel dat deze rechten haar worden ontnomen. Het effect van de bestreden richtlijn is dat het gebruik van polyacrylamiden in cosmetische producten wordt beperkt. Ofschoon de kans aanwezig is dat de procédés en samenstellingen waarop verzoekster octrooi is verleend, indien daarmee niet kan worden voldaan aan de in de bestreden richtlijn gestelde voorwaarden, moeilijker verhandelbaar worden of zelfs helemaal niet meer aan verzoeksters bestaande afnemers kunnen worden verkocht, zou dit slechts een indirect gevolg van de bestreden richtlijn zijn.
69 In feite wordt verzoekster door de bestreden richtlijn niet geraakt in haar hoedanigheid van houdster van uitsluitende rechten, doch slechts in haar hoedanigheid van producent van bij de vervaardiging van cosmetische producten gebruikte grondstoffen of ingrediënten, op gelijke wijze als alle andere marktdeelnemers die deze grondstoffen of ingrediënten produceren. Overigens zij erop gewezen dat de uitsluitende rechten van een octrooihouder de uitvinder het exploitatiemonopolie van zijn product of procédé voorbehouden en hem in staat stellen om een beloning voor zijn creatieve inspanning te verkrijgen, zonder hem evenwel die beloning onder alle omstandigheden te garanderen (vgl. arrest Hof van 5 december 1996, Merck en Beecham, C‑267/95 en C‑268/95, Jurispr. blz. I‑6285, punt 31).
70 Zoals de Commissie terecht stelt, zijn verzoeksters uitsluitende rechten bovendien nog steeds geldig en is de exploitatie ervan niet noodzakelijkerwijze beperkt tot cosmetische producten, maar kunnen zij ook met betrekking tot farmaceutische en veterinaire producten en detergenten worden gebruikt. Ook al worden dergelijke producten thans door verzoekster niet vervaardigd, deze mogelijkheid kan voor de toekomst niet worden uitgesloten.
71 Hierin onderscheidt verzoeksters situatie zich dan ook van die van verzoekster in de zaak die heeft geleid tot meergenoemd arrest Codorníu/Raad, waarin de bestreden bepaling het voor die onderneming onmiddellijk en definitief onmogelijk maakte haar merk nog langer in het handelsverkeer te gebruiken.
72 In de derde plaats stelt verzoekster dat de procedurele rechten die zij ingevolge artikel 13 van de cosmeticarichtlijn als „belanghebbende” heeft verworven, door de vaststelling van de bestreden richtlijn zijn geschonden en dat zij daarom door deze richtlijn individueel wordt geraakt op een wijze die haar ten opzichte van andere marktdeelnemers karakteriseert.
73 Dit argument faalt. Uit het tweede visum van de bestreden richtlijn blijkt duidelijk dat deze richtlijn artikel 8, lid 2, van de cosmeticarichtlijn en niet artikel 13 van deze richtlijn als rechtsgrondslag heeft. Artikel 13 van de cosmeticarichtlijn betreft immers op grond van deze richtlijn genomen afzonderlijke maatregelen welke een beperking of verbod van het in de handel brengen van cosmetische producten inhouden. Het verlangt dat deze maatregelen zorgvuldig met redenen worden omkleed en ter kennis worden gebracht van de „belanghebbende”, onder vermelding van de bestaande mogelijkheden tot beroep krachtens de in de lidstaten geldende wetgeving, en van de termijn waarbinnen een dergelijk beroep moet worden ingesteld.
74 De bestreden richtlijn is evenwel niet een afzonderlijke maatregel die een beperking of verbod van het in de handel van cosmetische producten inhoudt, maar een maatregel van algemene strekking die de Commissie overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de cosmeticarichtlijn heeft vastgesteld teneinde onder meer bijlage III bij deze richtlijn aan de vooruitgang van de techniek aan te passen. Verzoekster ontleent aan deze bepaling geen enkel procedureel recht en het is dan ook uitgesloten dat door de vaststelling van de bestreden richtlijn een dergelijk recht is geschonden.
75 Bovendien maakt de door artikel 8, lid 2, van de cosmeticarichtlijn voorgeschreven raadpleging van het WCCNVP de procedure die tot de vaststelling van de betrokken normatieve handeling heeft geleid, niet tot een administratieve procedure, zoals verzoekster beweert, noch ontleent verzoekster daaraan het recht om in de loop van die procedure door de Commissie te worden gehoord, waardoor zij eventueel ten opzichte van alle andere derden zou worden gekarakteriseerd.
76 In de vierde plaats stelt verzoekster onder verwijzing naar het arrest Extramet Industrie/Raad, reeds aangehaald, dat de gevolgen die de bestreden richtlijn voor haar situatie heeft, haar wegens bepaalde bijzondere hoedanigheden ten opzichte van alle andere marktdeelnemers karakteriseren. In dit verband wijst zij erop dat zij behoort tot de weinige ondernemingen binnen de PPG die zowel acrylamide als polyacrylamiden vervaardigen, en dat zij bijzondere economische gevolgen ondervindt van de richtlijn, aangezien zij haar activiteiten op het gebied van cosmetica zal moeten staken en van alle daarmee verband houdende financiële investeringen en industriële-eigendomsrechten zal moeten afzien.
77 Dit argument kan niet worden aanvaard. Uit het arrest Extramet Industrie/Raad blijkt immers dat het enkele feit dat een bepaling van een verordening gevolgen heeft voor de economische activiteit van een onderneming, nog niet betekent dat deze onderneming door die bepaling individueel wordt geraakt. In de in dat arrest onderzochte situatie was sprake van een samenloop van bijzondere omstandigheden die zich in casu niet voordoen, en verzoekster heeft niet aangetoond dat zij zich in een vergelijkbare situatie bevond als destijds de onderneming Extramet Industrie op de markt van calciummetaal. In dat arrest (punt 17) oordeelde het Hof dat als individueel geraakt moet worden beschouwd de ondernemer die zowel de belangrijkste importeur als de eindverbruiker is van het product waarvoor de antidumpingmaatregel is ingesteld, en die bovendien aantoont dat zijn economische activiteiten grotendeels van deze import afhankelijk zijn en door de bestreden verordening ernstig worden getroffen, gelet op het beperkte aantal producenten van het betrokken product en op het feit dat hij moeilijkheden ondervindt om zich te bevoorraden bij de enige producent in de Gemeenschap die bovendien zijn belangrijkste concurrent voor het verwerkte product is. Naar het oordeel van het Hof vormde deze reeks feiten een bijzondere situatie die de onderneming Extramet Industrie voor de betrokken maatregel ten opzichte van iedere andere ondernemer karakteriseerde. Van vergelijkbare feiten is echter in casu geen sprake.
78 In de vijfde plaats beroept verzoekster zich op de recente ontwikkeling van de rechtspraak inzake de toepassing van artikel 230, vierde alinea, EG, waartoe zij verwijst naar het arrest Jégo-Quéré/Commissie en naar de conclusie van advocaat-generaal Jacobs bij het arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad. Te dezen kan worden volstaan met vast te stellen dat het Hof in die twee arresten (punt 36 respectievelijk punten 37, 38 en 45) zijn vaste rechtspraak ter zake heeft bevestigd.
79 Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat verzoekster niet heeft aangetoond, dat zij door de bestreden richtlijn individueel wordt geraakt.
80 Hieruit volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is en moet worden afgewezen, zonder dat behoeft te worden ingegaan op de vraag of verzoekster door de bestreden richtlijn rechtstreeks wordt geraakt.
Kosten
81 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekster zal haar eigen kosten en die van verweerster dragen.
Luxemburg, 6 september 2004.
De griffier
De president van de Vijfde kamer
H. Jung
P. Lindh
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy