Zaak T-372/02
Internationaler Hilfsfonds eV
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
«Ontwikkelingssamenwerking – Bureau voor humanitaire hulp van de Europese Gemeenschap (ECHO) – Kaderpartnerschapsovereenkomst voor medefinanciering van acties van NGO's – Afwijzing van verzoekers kandidaatstelling-Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid»
Beschikking van het Gerecht (Vijfde kamer) van 15 oktober 2003
Samenvatting van de beschikking
1.. Beroep tot nietigverklaring – Beroep tegen beschikking die slechts bevestiging vormt van eerdere niet binnen termijnen aangevochten beschikking – Niet-ontvankelijkheid – Begrip bevestigende beschikking
(Art. 230 EG)
2.. Beroep tot nietigverklaring – Bevoegdheid van gemeenschapsrechter – Conclusies strekkende tot bevel aan instelling – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230 EG en 233 EG)
3.. Procedure – Kosten – Begroting – Invorderbare kosten – Begrip – In aanmerking te nemen factoren – Kosten van procedure voor Europese ombudsman – Daarvan uitgesloten
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 91, sub b)
1. Een beroep tot nietigverklaring van een beschikking die slechts een bevestiging vormt van een eerdere niet binnen de termijnen aangevochten beschikking, is niet-ontvankelijk. Van een zuiver bevestigende beschikking is sprake, wanneer zij geen enkel nieuw element bevat vergeleken met een eerdere handeling en niet is voorafgegaan door een heronderzoek van de situatie van de adressaat van die eerdere handeling. Dienaangaande kan het feit dat de Commissie, in een beschikking tot afwijzing van de aanvraag van een niet-gouvernementele organisatie om ondertekening van een kaderpartnerschapsovereenkomst met het Bureau voor humanitaire hulp van de Europese Gemeenschap, weigert om tegen personeelsleden van deze instelling disciplinaire maatregelen te treffen geen nieuw element vormen. Deze weigering onderscheidt zich immers duidelijk van de afwijzing van verzoekers aanvraag om ondertekening van de kaderpartnerschapsovereenkomst. Een ander uitgangspunt zou erop neerkomen dat een onderneming, eenvoudig door een verzoek om disciplinaire maatregelen tegen personeelsleden van de voor een besluit verantwoordelijke instelling in te dienen, de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van dit besluit zou kunnen verlengen. cf. punten 36, 41-42
2. Het Gerecht kan geen bevelen tot de instellingen richten of zich in hun plaats stellen. In een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG is de bevoegdheid van de gemeenschapsrechter beperkt tot toetsing van de wettigheid van de bestreden handeling. Stelt hij vast dat de handeling onwettig is, dan verklaart hij haar nietig. Het is dan aan de betrokken instelling om overeenkomstig artikel 233 EG de maatregelen te nemen die de uitvoering van het nietigverklaringsarrest meebrengt. cf. punten 48-49
3. Volgens artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht worden als invorderbare kosten aangemerkt de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten, in het bijzonder de reis- en verblijfkosten en het honorarium van de gemachtigde, raadsman of advocaat. Uit deze bepaling volgt dat de invorderbare kosten zijn beperkt tot, enerzijds, de kosten die in verband met de procedure voor het Gerecht zijn gemaakt en, anderzijds, de daartoe noodzakelijke kosten. Met procedure wordt in deze bepaling alleen de procedure voor het Gerecht bedoeld. Een verzoeker kan dus in het kader van een beroep tot nietigverklaring hoe dan ook geen vergoeding van de kosten van de procedure voor de Europese ombudsman door de Commissie verkrijgen. cf. punt 51
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
15 oktober 2003 (1)
„Ontwikkelingssamenwerking – Bureau voor humanitaire hulp van de Europese Gemeenschap (ECHO) – Kaderpartnerschapsovereenkomst voor medefinanciering van acties van NGO's – Afwijzing van verzoekers kandidaatstelling – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T-372/02,
Internationaler Hilfsfonds eV, gevestigd te Rosbach (Duitsland), vertegenwoordigd door H. Kaltenecker, advocaat,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wilderspin en S. Fries als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende in de eerste plaats een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 22 oktober 2002 houdende afwijzing van verzoekers aanvraag om ondertekening van een kaderpartnerschapsovereenkomst met het Bureau voor humanitaire hulp van de Europese Gemeenschap (ECHO), in de tweede plaats een vordering om de Commissie te gelasten verzoeker te herstellen in de positie waarin hij zich ten tijde van de indiening van zijn aanvraag om ondertekening van een kaderpartnerschapsovereenkomst in 1996 bevond, subsidiair, haar te gelasten om verzoeker de thans geldende kaderpartnerschapsovereenkomst ter ondertekening aan te bieden, en in de derde plaats een vordering om de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de kosten van de bij de Europese ombudsman ingediende klacht,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Lindh, kamerpresident, R. García-Valdecasas en J. D. Cooke, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
1 Het Bureau voor humanitaire hulp van de Europese Gemeenschap (ECHO) is opgericht bij besluit van de Commissie van 6 november 1991 teneinde de Gemeenschap in staat te stellen in situaties van humanitaire crisis doeltreffende hulp te bieden. Om zijn taak te vervullen financiert ECHO humanitaire projecten van niet-gouvernementele organisaties (NGO's) of van gespecialiseerde instellingen van de lidstaten.
2 De kaderpartnerschapsovereenkomst is een instrument voor het beheer van humanitaire acties met als doel, nauwe banden tussen ECHO en zijn partners te vestigen en hun respectieve rol en verantwoordelijkheid bij de uitvoering van door de Gemeenschap gefinancierde humanitaire acties vast te stellen. De overeenkomst bevat de algemene voorwaarden voor alle door ECHO met zijn partners ter uitvoering van projecten gesloten steuncontracten. De kaderpartnerschapsovereenkomst stelt ECHO ook in staat om na te gaan of zijn potentiële partners onder de NGO's aan een bepaald aantal objectieve criteria voldoen. Deze verificatie vindt plaats bij het onderzoek van de aanvragen om ondertekening van de kaderpartnerschapsovereenkomst. De in het kader van deze voorselectie uitgekozen organisaties wordt een standaardovereenkomst ter ondertekening aangeboden, tot nakoming waarvan zij zich verbinden.
3 De kaderpartnerschapsovereenkomst wordt voor bepaalde periode gesloten en kan worden verlengd. De eerste kaderpartnerschapsovereenkomst werd in 1993 gesloten en is tot december 1998 van kracht gebleven.
4 Op 20 juni 1996 heeft de Raad verordening (EG) nr. 1257/96 betreffende humanitaire hulp vastgesteld (PB L 163, blz. 1). Deze verordening regelt het communautaire rechtskader voor de verlening en uitkering van humanitaire hulp. Artikel 16, lid 2, vermeldt dat de kaderpartnerschapsovereenkomst één van de instrumenten voor het beheer van de humanitaire acties is.
5 Artikel 6 van verordening (EG) nr. 1257/96 luidt als volgt: Door de Gemeenschap gefinancierde humanitaire hulpacties kunnen worden uitgevoerd op verzoek van internationale of niet-gouvernementele instanties of organisaties, op verzoek van een lidstaat of het getroffen derde land zelf, dan wel op initiatief van de Commissie.
6 Artikel 7 van verordening (EG) nr. 1257/96 bepaalt: 1. Niet-gouvernementele organisaties kunnen voor de uitvoering van de in deze verordening bedoelde acties in aanmerking komen voor een communautaire financiering wanneer zij aan de volgende criteria voldoen:
a) zij zijn volgens de geldende wetgeving van een lidstaat van de Europese Gemeenschap in die lidstaat opgericht als zelfstandige organisatie zonder winstoogmerk;
b) zij hebben hun hoofdkantoor in een lidstaat van de Gemeenschap of in de derde landen die voor steun van de Gemeenschap in aanmerking komen, waarbij dat hoofdkantoor het daadwerkelijke centrum moet vormen waar alle besluiten inzake acties die uit hoofde van deze verordening worden gefinancierd, worden genomen. Bij wijze van uitzondering kan dit hoofdkantoor zich ook bevinden in een als donor optredend derde land.
2. Om vast te stellen of een niet-gouvernementele organisatie toegang heeft tot communautaire financiering, wordt gelet op de volgende punten:
a) haar capaciteiten op het gebied van administratief en financieel beheer;
b) haar technische en logistieke mogelijkheden met betrekking tot de beoogde actie;
c) haar ervaring op het terrein van humanitaire hulp;
d) de resultaten van door de betrokken organisatie uitgevoerde vorige acties, met name die welke met communautaire financiering tot stand zijn gekomen;
e) haar bereidheid om indien nodig deel te nemen aan het coördinatiesysteem dat in het kader van een humanitaire hulpactie is opgezet;
f) haar vermogen en bereidheid tot samenwerking met op humanitair gebied actieve organisaties en basisgemeenschappen in de betrokken derde landen;
g) haar onpartijdigheid bij het verlenen van de humanitaire hulp;
h) in voorkomend geval, eerder opgedane ervaring in het derde land waarop de humanitaire hulp in kwestie is gericht.
7 Artikel 12 van verordening nr.1257/96 luidt: In alle uit hoofde van deze verordening gesloten financieringsovereenkomsten wordt onder andere vastgelegd dat de Commissie en de Rekenkamer ter plaatse en ten kantore van de humanitaire partners controle kunnen uitoefenen, overeenkomstig de gebruikelijke bepalingen die door de Commissie in het kader van de geldende wetgeving zijn vastgesteld, in het bijzonder de bepalingen van het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting der Europese Gemeenschappen.
8 Artikel 14 van verordening nr. 1257/96 bepaalt: De Commissie wordt belast met de uitwerking, de goedkeuring, het beheer, de follow-up en de evaluatie van de in deze verordening bedoelde acties, overeenkomstig de geldende budgettaire en andere procedures, met name die waarin in het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting der Europese Gemeenschappen wordt voorzien.
9 Na de vaststelling van deze verordening heeft de Commissie de eerste kaderpartnerschapsovereenkomst opnieuw beoordeeld en heeft zij besloten een tweede kaderpartnerschapsovereenkomst met een nieuwe selectieprocedure vast te stellen. Deze tweede kaderpartnerschapsovereenkomst is in maart 1998 vastgesteld en in januari 1999 in werking getreden.
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
10 Internationaler Hilfsfonds eV (hierna: verzoeker of IH) is een niet-gouvernementele organisatie naar Duits recht die zich met humanitaire hulpverlening bezighoudt en met name hulp verleent aan vluchtelingen en slachtoffers van oorlogen en rampen.
11 Bij brief van 9 februari 1995 verzocht IH ECHO om toezending van een kopie van de kaderpartnerschapsovereenkomst en verstrekte tevens enkele gegevens over zichzelf. Naar aanleiding van deze brief heeft ECHO op 16 februari 1995 een faxbericht aan het Auswärtige Amt (het Duitse Ministerie van buitenlandse zaken) gezonden met het verzoek om inlichtingen en referenties betreffende IH. In antwoord op dit verzoek heeft het Auswärtige Amt ECHO op 15 maart 1995 meegedeeld dat de activiteiten van IH aanleiding hadden gegeven tot een strafrechtelijk onderzoek. Op 26 oktober 1995 verzocht ECHO de Duitse autoriteiten nogmaals om inlichtingen. Uit een interne nota van R. Cox, een medewerker van ECHO, blijkt dat de bevoegde Duitse diensten hebben laten weten dat zij niet met IH samenwerkten en deze organisatie dus niet kenden.
12 Op 20 maart 1996 heeft verzoeker formeel een aanvraag om ondertekening van de kaderpartnerschapsovereenkomst ingediend.
13 Op 12 juli 1996 heeft de heer Cox verzoeker een brief gezonden met de volgende inhoud: [...]Er vindt thans een onderzoek plaats met het doel om onze groep van partners uit te breiden. Bovendien werken wij aan een nieuw systeem ter beoordeling van potentiële NGO-partners, dat zal berusten op een 1 juni 1996 door de Raad vastgestelde nieuwe verordening betreffende humanitaire hulp.Ik wijs er eveneens op dat de kaderpartnerschapsovereenkomst thans wordt herzien met het doel vast te stellen welke verbeteringen en veranderingen in het licht van de nieuwe verordening noodzakelijk zijn.Niettemin hebben wij kennis genomen van uw aanvraag en wij zullen niet nalaten U van de verdere ontwikkelingen op de hoogte te houden.[...]
14 In december 1998, na afloop van de eerste kaderpartnerschapsovereenkomst, is de aanvraag van IH om ondertekening ervan, evenals alle overige lopende aanvragen, volgens de Commissie vervallen.
15 Na de inwerkingtreding van de tweede kaderpartnerschapsovereenkomst op 1 januari 1999 heeft ECHO besloten om de ontvangen en nog niet afgehandelde aanvragen om ondertekening van de eerste kaderpartnerschapsovereenkomst als nieuwe aanvragen voor de tweede kaderpartnerschapsovereenkomst te beschouwen. Bij brief van 1 juni 1999 heeft ECHO verzoeker in kennis gesteld van de inwerkingtreding van de tweede kaderpartnerschapsovereenkomst en van de geldende nieuwe procedure. Hem werd eveneens medegedeeld dat zijn kandidaatstelling in het kader van de derde fase van deze procedure zou worden beoordeeld.
16 Bij brief van 14 december 2000 heeft ECHO verzoeker meegedeeld dat zijn aanvraag om ondertekening van de tweede kaderpartnerschapsovereenkomst nu kon worden onderzocht, en gevraagd om een reeks documenten over te leggen. IH heeft hieraan niet voldaan.
17 Bij brief van 23 januari 2001 heeft ECHO verzoeker in kennis gesteld van het voornemen om bij hem een accountantsonderzoek te verrichten, ten einde na te gaan of hij voldeed aan de in artikel 7 van verordening nr. 1257/96 vastgestelde toelatingscriteria. Verzoeker weigerde meermaals, telefonisch en schriftelijk, om zich aan een dergelijk onderzoek te onderwerpen.
18 In die omstandigheden heeft ECHO op 19 juli 2001 verzoeker een brief gezonden die luidt als volgt: In antwoord op uw brief van 6 juli 2001 willen wij met deze brief het standpunt van ECHO met betrekking tot [uw] kandidaatstelling [...] voor sluiting van een kaderpartnerschapsovereenkomst definitief duidelijk maken.De sluiting van een kaderpartnerschapsovereenkomst met ECHO is afhankelijk van de vervulling van bepaalde voorwaarden door de kandidaat alsook van een aantal noodzakelijke verificaties door ECHO in samenwerking met de nationale autoriteiten van de lidstaten. Tot deze verificaties kan een accountantsonderzoek behoren, wanneer dit onontbeerlijk wordt geacht om te beoordelen of de potentiële partner voldoet aan de voorwaarden van artikel 7 van verordening nr. 1257/96. Het besluit om dergelijke controlemaatregelen te nemen en de uitvoering ervan vormt een vast onderdeel van ons werk.Zoals U weet, is het Auswärtige Amt de bevoegde instantie voor het verstrekken van inlichtingen over de Duitse organisaties die zich met humanitaire hulp bezighouden. ECHO heeft in 1995, na ontvangst van uw aanvraag om sluiting van de kaderpartnerschapsovereenkomst, dit Amt om inlichtingen verzocht. Aangezien de Duitse autoriteiten geen positief antwoord gaven, kon [uw] kandidatuur [...] niet worden onderzocht.In 1999, bij de inwerkingtreding van de nieuwe kaderpartnerschapsovereenkomst, heeft ECHO uw dossier heropend en besloten over te gaan tot een accountantsonderzoek, wat de normale procedure is die bij elke kandidaat wordt gevolgd wanneer de nationale autoriteiten niet bevestigen dat hij aan de vereisten van artikel 7 voldoet.ECHO heeft besloten om bij uw organisatie een dergelijk accountantsonderzoek uit te voeren, wat U op 23 januari 2001 is meegedeeld. Voor het bezoek zijn U twee data voorgesteld: 22 en 23 februari. Op ons voorstel is niet gereageerd. Tijdens latere telefoongesprekken, waarin mijn medewerkers, de heren Glatz en Buda, u hebben verzocht om andere data voor te stellen, heeft u op het voornemen om een accountantsonderzoek in te stellen heftig gereageerd en heeft U mijn medewerkers afgesnauwd. Op 21 februari heeft het hoofd van de financiële afdeling van ECHO, de heer Brandt, u een faxbericht gestuurd waarin hij het voorgenomen accountantsonderzoek annuleerde en u verzocht om een voorstel voor een u wel passende datum te doen, aangezien dit accountantsonderzoek een voorwaarde voor de sluiting van een kaderpartnerschapsovereenkomst vormt. De uiterste datum voor een dergelijk voorstel was bepaald op 31 maart. Bij brief van 27 maart heeft u ons meegedeeld dat uw organisatie reeds door de nationale autoriteiten aan een accountantsonderzoek was onderworpen en door VENRO was gecontroleerd.Hoewel wij niet aan de juistheid van uw verklaringen twijfelen, is ECHO gerechtigd om zelf accountantsonderzoeken uit te voeren.Wij betreuren dat uw organisatie niet positief heeft gereageerd op ons gerechtvaardigde verzoek, ondanks de daartoe door ECHO ondernomen pogingen. Verder wijs ik erop dat de dreigende toon in uw laatste brief en uw houding jegens mijn dienst en mijn medewerkers allerminst op het niveau van een werkelijke geest van samenwerking staan.Om deze redenen zien wij ons genoodzaakt om uw kandidaatstellingsdossier te sluiten en daarop negatief te beschikken. Een kopie van deze brief zal aan de heer Stevenson worden gezonden.[...]
19 In antwoord op deze brief heeft verzoeker op 25 juli 2001 schriftelijk bezwaar gemaakt bij ECHO tegen de afhandeling van zijn dossier en heeft hij om bepaalde inlichtingen verzocht. Bij brief van 27 augustus 2001 heeft ECHO gedetailleerd uiteengezet waarom verzoekers aanvraag was afgewezen. In dezelfde brief werd beklemtoond dat zijn dossier op 19 juli 2001 was gesloten.
20 Op 15 november 2001 heeft het Auswärtige Amt ECHO bij brief meegedeeld dat het strafrechtelijk onderzoek tegen verzoeker op 30 april 1996 was beëindigd.
21 Op 22 november 2001 heeft verzoeker een klacht ingediend bij de Europese ombudsman. Deze klacht, geregistreerd onder nummer 1702/2001/GG, betrof verschillende aspecten van de door de Commissie bij de afhandeling van verzoekers dossier gevolgde procedure. Wat de aanvraag om ondertekening van de tweede kaderpartnerschapsovereenkomst betreft, wees verzoeker er met name op dat ECHO zijn dossier op 19 juli 2001 had gesloten.
22 Op 21 mei 2002 heeft de Europese ombudsman op deze klacht beslist. Met betrekking tot verzoekers kandidaatstelling voor de eerste kaderpartnerschapsovereenkomst maakte de Europese ombudsman de volgende kritische opmerkingen:
─ het besluit van ECHO om de kandidaatstelling van IH niet te onderzoeken omdat de nationale autoriteiten geen referenties hadden verstrekt, getuigt van slecht bestuur; het besluit van ECHO om de kandidaatstelling van IH niet te onderzoeken omdat de nationale autoriteiten geen referenties hadden verstrekt, getuigt van slecht bestuur;
─ het feit dat ECHO IH niet in kennis heeft gesteld van zijn besluit om de afhandeling van zijn kandidaatstelling te schorsen omdat de nationale autoriteiten geen referenties hadden verstrekt, getuigt van slecht bestuur; het feit dat ECHO IH niet in kennis heeft gesteld van zijn besluit om de afhandeling van zijn kandidaatstelling te schorsen omdat de nationale autoriteiten geen referenties hadden verstrekt, getuigt van slecht bestuur;
─ het feit dat ECHO de kandidaatstelling van IH niet binnen een redelijke termijn heeft onderzocht, getuigt van slecht bestuur; het feit dat ECHO de kandidaatstelling van IH niet binnen een redelijke termijn heeft onderzocht, getuigt van slecht bestuur;
─ het feit dat ECHO de afhandeling van de kandidaatstelling van IH heeft geschorst op basis van inlichtingen van de Duitse autoriteiten, zonder IH de mogelijkheid te bieden om daarop te reageren, getuigt van slecht bestuur. het feit dat ECHO de afhandeling van de kandidaatstelling van IH heeft geschorst op basis van inlichtingen van de Duitse autoriteiten, zonder IH de mogelijkheid te bieden om daarop te reageren, getuigt van slecht bestuur.
23 Gelet op het feit dat deze aspecten specifieke gebeurtenissen uit het verleden betroffen, achtte de Europese ombudsman evenwel geen termen aanwezig om naar een minnelijke schikking te streven, en heeft hij het dossier dus gesloten.
24 Met betrekking tot de kandidaatstelling van IH voor de tweede kaderpartnerschapsovereenkomst is de Europese ombudsman tot de slotsom gekomen dat het besluit van ECHO om een accountantsonderzoek te eisen redelijk was. Hij wees er met name op dat ECHO in 2001 elf maal een dergelijk onderzoek had uitgevoerd, en was van mening dat verzoeker niet had aangetoond dat hij was gediscrimineerd.
25 Op 27 augustus 2002 heeft IH de beslissing van de Europese ombudsman schriftelijk ter kennis gebracht van de heer Nielson, lid van de Commissie. De brief eindigde als volgt: [...]Bijgevolg verzoeken wij u om de volgende maatregelen te nemen:[...]
b. het bestuur is van mening dat IH behoort te worden hersteld in zijn rechten en in de positie die hij vóór zijn kandidaatstelling (in maart 1996) had , en dat IH een aanbod moet worden gedaan om de nieuwe dan wel de oude kaderpartnerschapsovereenkomst te sluiten.
[...]
26 In antwoord op deze brief heeft mevrouw Adinolfi, de directeur van ECHO, op 22 oktober 2002 een brief aan IH geschreven die luidt als volgt (hierna: bestreden beschikking): Commissaris Nielson heeft uw brief ontvangen en mij verzocht deze namens hem te beantwoorden.De Commissie heeft de beslissing van de ombudsman van 21 mei 2002 op uw klacht (geregistreerd onder nr. 1702/2002/GG) ontvangen en bestudeerd.De kritische opmerkingen van de ombudsman hebben betrekking op gebeurtenissen die in het verleden hebben plaatsgevonden en die volgens hem niet meer kunnen worden rechtgezet. Bovendien betreffen deze opmerkingen in wezen transparantieproblemen die, zoals u weet, thans door de Commissie in het kader van een omvangrijke hervormingsprocedure worden aangepakt.Wat het voornaamste aspect van uw klacht betreft, namelijk uw mislukte poging om met ECHO een kaderpartnerschapsovereenkomst te sluiten, wenst de Commissie de volgende elementen te beklemtonen:
1) Uw verzoek om IH een aanbod te doen tot sluiting van de kaderpartnerschapsovereenkomst van 1994 overeenkomstig de in maart 1996, het tijdstip van de aanvraag, geldende bepalingen is niet-ontvankelijk, omdat die regeling niet meer van kracht is en daarop dus geen beroep meer kan worden gedaan. Daarbij komt dat deze zaak dus problemen betreft die niet meer kunnen worden geregeld.
2) Wat de jongste ontwikkelingen betreft, heeft de ombudsman in zijn beslissing verklaard dat de afwijzing van de kandidaatstelling van IH voor de thans geldende kaderpartnerschapsovereenkomst gerechtvaardigd was.
Ik citeer: Volgens de ombudsman stelt de Commissie terecht dat ECHO zorgvuldig behoort te onderzoeken of de voor de kaderpartnerschapsovereenkomst in aanmerking komende organisaties aan de toelatingsvoorwaarden voldoen. Een accountantsonderzoek lijkt een passend middel om na te gaan of dit het geval is. De ombudsman is van mening dat het standpunt van de Commissie dat ECHO op de uitvoering van dergelijke accountantsonderzoeken kan aandringen, redelijk is [...].Bij gebreke van andere beoordelingselementen en gelet op de verklaring van de Commissie dat ECHO in 2001 elf van dit soort accountantsonderzoeken heeft uitgevoerd, komt de ombudsman tot de slotsom dat het argument van de klager, dat hij is gediscrimineerd omdat ECHO in deze zaak had aangedrongen op de uitvoering van een accountantsonderzoek, niet is bewezen. In die omstandigheden is niet gebleken, dat de Commissie in dit verband slecht bestuur kan worden verweten.Uw brief bevat geen nieuwe elementen waaruit kan worden afgeleid dat u een accountantsonderzoek aanvaardt. Alleen een dergelijk akkoord kan echter voor de Commissie aanleiding zijn tot heroverweging van haar besluit tot afwijzing van de kandidaatstelling van IH voor sluiting van een kaderpartnerschapsovereenkomst met ECHO.Vanzelfsprekend staat het IH nog steeds vrij om zich, onder de u bekende voorwaarden, opnieuw kandidaat te stellen voor een kaderpartnerschapsovereenkomst. In dat verband herinner ik u eraan dat aanvaarding van het genoemde accountantsonderzoek een onvermijdelijke voorafgaande toelatingsvoorwaarde vormt.Wat betreft de disciplinaire maatregelen die de Commissie naar uw mening zou moeten nemen tegen de bij de behandeling van het dossier van IH betrokken medewerkers, herhaal ik, in overeenstemming met het standpunt van de Commissie in haar brief aan uw advocaat van 19 september 2002 (referentienr. (2002) D 32992), dat de Commissie noch de Europese ombudsman voldoende aanleiding ziet om tegen de medewerkers van ECHO een onderzoek in te stellen.[...]
Procesverloop en conclusies van partijen
27 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 13 december 2002, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.
28 Op 27 februari 2003 heeft de Commissie ter griffie een verweerschrift neergelegd, waarin zij met name de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep betwist.
29 Op 21 maart 2003 heeft het Gerecht in het kader van maatregelen ter organisatie van de procesgang verzoeker gevraagd zijn opmerkingen te beperken tot de in het verweerschrift opgeworpen niet-ontvankelijkheidsgronden. Bij een op 29 april 2003 ter griffie neergelegd brief heeft verzoeker aan dit verzoek voldaan.
30 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 13 december 2001, heeft verzoeker een beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van een hem bij brief van 16 oktober meegedeelde beschikking van de Commissie houdende afwijzing van aanvragen om medefinanciering van twee projecten die hij in december 1996 en in september 1997 had ingediend. Dit beroep is ingeschreven onder nr. T-321/01. Het Gerecht heeft in deze zaak op 18 september 2003 arrest gewezen (Internationaler Hilfsfonds/Commissie, Jurispr. blz. II-0000).
31 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
─ het beroep ontvankelijk te verklaren; het beroep ontvankelijk te verklaren;
─ de bestreden beschikking nietig te verklaren; de bestreden beschikking nietig te verklaren;
─ de Commissie te gelasten, hem te herstellen in de positie waarin hij zich ten tijde van zijn kandidaatstelling voor de eerste kaderpartnerschapsovereenkomst in 1996 bevond, dan wel hem de tweede kaderpartnerschapsovereenkomst ter ondertekening aan te bieden; de Commissie te gelasten, hem te herstellen in de positie waarin hij zich ten tijde van zijn kandidaatstelling voor de eerste kaderpartnerschapsovereenkomst in 1996 bevond, dan wel hem de tweede kaderpartnerschapsovereenkomst ter ondertekening aan te bieden;
─ de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de kosten van de bij de Europese Ombudsman ingediende klacht; de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de kosten van de bij de Europese Ombudsman ingediende klacht;
─ de Commissie te verwijzen in de kosten. de Commissie te verwijzen in de kosten.
32 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
─ het beroep niet-ontvankelijk te verklaren; het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
─ subsidiair, het beroep als kennelijk ongegrond te verwerpen; subsidiair, het beroep als kennelijk ongegrond te verwerpen;
─ verzoeker te verwijzen in de kosten. verzoeker te verwijzen in de kosten.
De ontvankelijkheid
33 Volgens artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht , met inachtneming van het bepaalde in artikel 114, leden 3 en 4, van dit Reglement, in iedere stand van het geding, zelfs ambtshalve, middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn, in behandeling nemen, waartoe volgens vaste rechtspraak zijn te rekenen de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een beroep, neergelegd in artikel 230, vierde alinea, EG (beschikking Gerecht van 8 juli 1999, Area Cova e.a./Raad en Commissie, T-12/96, Jurispr. blz. II-2301, punt 21, en arrest Gerecht van 13 maart 2003, Martí Peix/Commissie, T-125/01, Jurispr. blz. II-865, punt 40).
34 In casu acht het Gerecht zich door de stukken voldoende ingelicht om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te kunnen beslissen.
35 Om te beginnen moet de eerste vordering worden onderzocht, en daarna de tweede en de derde vordering gezamenlijk.
De eerste vordering: nietigverklaring van de bestreden beschikking
36 Volgens vaste rechtspraak is een beroep tot nietigverklaring van een beschikking die slechts een bevestiging vormt van een eerdere niet binnen de termijnen aangevochten beschikking, niet-ontvankelijk. Van een zuiver bevestigende beschikking is sprake, wanneer zij geen enkel nieuw element bevat vergeleken met een eerdere handeling en niet is voorafgegaan door een heronderzoek van de situatie van de adressaat van die eerdere handeling (arrest Hof van 10 december 1980, Grasselli/Commissie, 23/80, Jurispr. blz. 3709, punt 18; beschikking Gerecht van 4 mei 1998, BEUC/Commissie, T-84/97, Jurispr. blz. II-795, punt 52, en arrest Gerecht van 11 juni 2002, AICS/Parlement, T-365/00, Jurispr. blz. II-2719, punt 30).
37 In casu heeft de Commissie, nadat verzoeker herhaaldelijk een accountantsonderzoek had geweigerd, bij brief van 19 juli 2001 besloten zijn aanvraag om ondertekening van de tweede kaderpartnerschapsovereenkomst af te wijzen en zijn dossier te sluiten. Dit besluit is door de Commissie bevestigd in haar brief van 27 augustus 2001.
38 In de op 22 oktober 2002 gegeven bestreden beschikking bevestigt de Commissie opnieuw de afwijzing van verzoekers aanvraag om ondertekening van de tweede kaderpartnerschapsovereenkomst.
39 Deze beschikking bevat geen enkel nieuw element ten opzicht van de beschikking van 19 juli 2001.
40 De beslissing van de Europese ombudsman op de door verzoeker bij hem ingediende klacht kan geen dergelijk nieuw element vormen. De Europese ombudsman bevestigt daarin immers dat de eis van de Commissie om bij verzoeker een accountantsonderzoek te verrichten, terecht was.
41 Het feit dat de Commissie in de bestreden beschikking weigert om tegen personeelsleden van ECHO disciplinaire maatregelen te treffen kan, anders dan verzoeker in zijn opmerkingen van 29 april 2003 stelt, evenmin een nieuw element vormen.
42 Deze weigering onderscheidt zich duidelijk van de afwijzing van verzoekers aanvraag om ondertekening van de kaderpartnerschapsovereenkomst. Een ander uitgangspunt zou erop neerkomen dat een onderneming, eenvoudig door een verzoek om disciplinaire maatregelen tegen personeelsleden van de voor een besluit verantwoordelijke instelling in te dienen, de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van dit besluit zou kunnen verlengen.
43 In elk geval is het besluit om disciplinaire maatregelen te nemen een zuiver interne handeling van de Commissie, waartegen verzoeker niet met een beroep tot nietigverklaring kan opkomen. In zijn brief van 27 augustus 2002 aan de Commissie lijkt verzoeker met dit feit rekening te hebben gehouden.
44 Verder blijkt uit de aan het Gerecht voorgelegde stukken noch uit de bestreden beschikking dat verzoekers situatie nogmaals is onderzocht voordat de beschikking werd gegeven. Het feit dat ECHO verzoeker opnieuw heeft geantwoord, vormt geen heronderzoek van zijn kandidaatstelling voor de tweede kaderpartnerschapsovereenkomst (zie in deze zin arrest Gerecht van 26 oktober 2000, Ripa di Meana, T-83/99─T-85/99, Jurispr. blz. II-3493, punt 34).
45 De bestreden beschikking is dus louter een bevestiging van de beschikking 19 juli 2001. Tussen partijen staat vast dat laatstgenoemde beschikking, waarvan verzoeker uiterlijk op 25 juli 2001 kennis heeft gekregen (zie boven, punt 19), niet binnen de in artikel 230, vijfde alinea, EG gestelde termijn van twee maanden is aangevochten.
46 Verzoekers aanvraag om ondertekening van de tweede kaderpartnerschapsovereenkomst vormt zowel het onderwerp van de brief van 19 juli 2001 als van de bestreden beschikking. De beschikking waarvan nietigverklaring werd gevorderd in de zaak waarin het reeds genoemde arrest Internationaler Hilfsfonds/Commissie is gewezen, was daarentegen de eerste die de afwijzing van de in die zaak betrokken aanvragen om medefinanciering betrof. De omstandigheden in de onderhavige zaak verschillen dus van die welke het Gerecht heeft onderzocht in het kader van de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid in die zaak (zie punten 28-34 van het arrest Internationaler Hilfsfonds/Commissie).
47 De eerste vordering is dus niet-ontvankelijk.
De tweede vordering ertoe strekkende de Commissie te gelasten, verzoeker te herstellen in de positie waarin hij zich ten tijde van zijn kandidaatstelling voor de eerste kaderpartnerschapsovereenkomst in 1996 bevond, dan wel hem de tweede kaderpartnerschapsovereenkomst ter ondertekening aan te bieden, en de derde vordering, ertoe strekkende de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de kosten van de bij de Europese ombudsman ingediende klacht
48 Volgens vaste rechtspraak kan het Gerecht geen bevelen tot de instellingen richten of zich in hun plaats stellen (arrest Hof van 8 juli 1999, DSM/Commissie, C-5/93 P, Jurispr. blz. I-4695, punt 36, en arrest Gerecht van 24 februari 2000, ADT Projekt/Commissie, T-145/98, Jurispr. blz. II-387, punt 83).
49 In een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG is de bevoegdheid van de gemeenschapsrechter beperkt tot toetsing van de wettigheid van de bestreden handeling. Stelt hij vast dat de handeling onwettig is, dan verklaart hij haar nietig. Het is dan aan de betrokken instelling om overeenkomstig artikel 233 EG de maatregelen te nemen die de uitvoering van het nietigverklaringsarrest meebrengt (arresten Gerecht van 27 januari 1998, Ladbroke Racing/Commissie, T-67/94, Jurispr. blz. II-1, punt 200, en ADT Projekt/Commissie, reeds aangehaald, punt 84).
50 Met zijn tweede en derde vordering verlangt verzoeker duidelijk van het Gerecht om bevelen tot de Commissie te richten. Gelet op de zojuist in de punten 48 en 49 in herinnering gebrachte beginselen moeten deze vorderingen dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
51 Wat de derde vordering betreft, moet eraan worden toegevoegd, dat volgens artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering als invorderbare kosten worden aangemerkt de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten, in het bijzonder de reis- en verblijfkosten en het honorarium van de gemachtigde, raadsman of advocaat. Uit deze bepaling volgt dat de invorderbare kosten zijn beperkt tot, enerzijds, de kosten die in verband met de procedure voor het Gerecht zijn gemaakt en, anderzijds, de daartoe noodzakelijke kosten (beschikking Gerecht van 15 juli 1998, Opel Austria/Raad, T-115/94 DEP, Jurispr. blz. II-2739, punt 26). Met procedure wordt in deze bepaling alleen de procedure voor het Gerecht bedoeld (beschikking Gerecht van 24 januari 2002, Groupe Origny/Commissie, T-38/95 DEP, Jurispr. blz. II-217, punt 29). Verzoeker kan dus in het kader van het onderhavige beroep tot nietigverklaring hoe dan ook geen vergoeding van de kosten van de procedure voor de Europese ombudsman door de Commissie verkrijgen.
52 In tegenstelling tot wat verzoeker in enkele passages van zijn schriftelijke opmerkingen van 29 april 2003 lijkt te suggereren, kan deze derde vordering ook niet worden opgevat als een vordering tot schadevergoeding. Het verzoekschrift bevat immers geen enkele verwijzing naar een dergelijke vordering of naar de voornaamste juridische omstandigheden waarop die zou steunen.
53 Uit al het voorgaande volgt, dat het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Kosten
54 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
beschikt:
1) Het beroep wordt in zijn geheel niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoeker draagt zijn eigen kosten alsmede de kosten van de Commissie.
Luxemburg, 15 oktober 2003.
De griffier
De president van de Vijfde kamer
H. Jung
P. Lindh
1 – Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy