Zaak T‑381/02
Confédération générale des producteurs de lait de brebis et des industriels de roquefort
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Verordening (EG) nr. 1829/2002 – Registratie van oorsprongsbenaming – ‚feta’ – Beroep tot nietigverklaring – Procesbevoegdheid – Niet-ontvankelijkheid”
Beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 13 december 2005
Samenvatting van de beschikking
Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Verordening betreffende registratie van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen – Beroep ingesteld door bedrijfstakoverkoepelende organisatie belast met bescherming van collectieve belangen, gevestigd in andere lidstaat dan die van oorsprong van „feta”- kaas – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG; verordening nr. 2081/92 van de Raad; verordening nr. 1829/2002 van de Commissie)
Het beroep van een bedrijfstakoverkoepelende organisatie, bestaande uit de Fédération régionale des syndicats des éleveurs de brebis en de Fédération des syndicats des industriels de roquefort, gevestigd in Frankrijk, tot nietigverklaring van verordening nr. 1829/2002 tot wijziging van de bijlage bij verordening nr. 1107/96 betreffende de registratie van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen in het kader van de procedure van artikel 17 van verordening nr. 2081/92, voorzover daar de benaming „feta” als beschermde benaming wordt geregistreerd in de rubrieken „kaas” en „Griekenland”, is niet-ontvankelijk.
Enerzijds is deze verordening immers een maatregel van algemene strekking in de zin van artikel 249, tweede alinea, EG, aangezien zij van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor algemeen en abstract aangewezen categorieën van personen, doordat zij alle ondernemingen wier producten aan de gestelde geografische en kwalitatieve vereisten voldoen, het recht toekent om die producten onder bedoelde benaming in de handel te brengen, en doordat zij dit recht ontzegt aan alle ondernemingen wier producten niet aan die vereisten beantwoorden. Deze algemene strekking volgt overigens ook uit het doel van de betrokken regeling, te weten aan regelmatig geregistreerde geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen erga omnes en in de gehele Gemeenschap bescherming te bieden.
Ofschoon het anderzijds niet is uitgesloten dat een regeling die naar de aard en strekking ervan een normatief karakter heeft, een natuurlijke of rechtspersoon toch individueel raakt, en dat in dat verband in bepaalde omstandigheden een beroepsvereniging die is opgericht voor de verdediging en de vertegenwoordiging van de belangen van haar leden, bevoegd is voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring, zelfs wanneer haar eigen belangen als vereniging niet worden aangetast, is dit in casu niet het geval.
In de eerste plaats kan een dergelijke organisatie op grond van verordening nr. 2081/92 geen aanspraak maken op een procedureel recht voor haarzelf. Bovendien voorziet deze verordening niet in specifieke procedurele waarborgen op communautair vlak voor particulieren.
In de tweede plaats verdedigt deze organisatie niet de belangen van leden die beroep zouden kunnen instellen, aangezien zij volgens haar statuten niet tot taak heeft, de belangen van de fetaproducenten in rechte te verdedigen, en zij is belast met de verdediging van louter collectieve belangen en niet met de vertegenwoordiging van één van haar leden als houder van een merk, en deze producenten hoe dan ook zelf geen beroep zouden kunnen instellen.
(cf. punten 52‑55, 57‑58, 82‑83)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer)
13 december 2005 (*)
„Verordening (EG) nr. 1829/2002 – Registratie van oorsprongsbenaming – ‚feta’ – Beroep tot nietigverklaring – Procesbevoegdheid – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑381/02,
Confédération générale des producteurs de lait de brebis et des industriels de roquefort, gevestigd te Millau (Frankrijk), vertegenwoordigd door M. Jacquot en O. Prost, advocaten,
verzoekster,
ondersteund door
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, aanvankelijk vertegenwoordigd door P. Ormond en R. Caudwell, vervolgens door C. Jackson als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënt,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Iglesias Buhigues en A.‑M. Rouchaud-Joët als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
ondersteund door
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos, I. Chalkias en M. Tassopoulou als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1829/2002 van de Commissie van 14 oktober 2002 tot wijziging van de bijlage bij verordening (EG) nr. 1107/96 van de Commissie wat de benaming „feta” betreft (PB L 277, blz. 10),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Jaeger, kamerpresident, J. Azizi en E. Cremona, rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Rechtskader
1 Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 208, blz. 1; hierna: „basisverordening”) bevat, volgens artikel 1 ervan, de voorschriften voor de communautaire bescherming van de oorsprongsbenamingen en de geografische aanduidingen die voor een aantal landbouwproducten en een aantal levensmiddelen kunnen worden gebruikt.
2 Volgens artikel 2, lid 2, sub a, van de basisverordening is een „oorsprongsbenaming” „de naam van een streek, van een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, van een land, die wordt gebruikt in de benaming van een landbouwproduct of levensmiddel:
– dat afkomstig is uit die streek, die bepaalde plaats of dat land en
en
– waarvan de kwaliteit of de kenmerken hoofdzakelijk of uitsluitend aan het geografische milieu, dat factoren van natuurlijke en menselijke aard omvat, zijn toe te schrijven en waarvan de productie, de verwerking en de bereiding in het geografische gebied geschieden”.
3 Artikel 2, lid 3, van de basisverordening luidt als volgt:
„Als oorsprongsbenamingen worden eveneens beschouwd, bepaalde, al dan niet geografische, traditionele benamingen, indien zij een landbouwproduct of levensmiddel van oorsprong uit een streek of bepaalde plaats aanduiden dat aan de voorwaarden van lid 2, sub a, tweede streepje, voldoet.”
4 Volgens artikel 3 van de basisverordening kunnen benamingen die soortnamen zijn geworden, niet worden geregistreerd.
5 Voor de registratie van de benaming van een landbouwproduct of een levensmiddel als beschermde oorsprongsbenaming moet zijn voldaan aan de in de basisverordening gestelde voorwaarden; in het bijzonder moet het landbouwproduct of levensmiddel in overeenstemming zijn met een productdossier als omschreven in artikel 4, lid 1, van de verordening. Door deze registratie verkrijgt de benaming communautaire bescherming.
6 De artikelen 5 tot en met 7 van de basisverordening regelen de zogenoemde „normale procedure” voor de registratie van een benaming. Volgens deze procedure kan iedere groepering, dat wil zeggen elke organisatie van bij hetzelfde landbouwproduct of levensmiddel betrokken producenten en/of verwerkers, of, onder bepaalde voorwaarden, elke natuurlijke of rechtspersoon, een registratieaanvraag indienen bij de lidstaat waarin het betrokken geografische gebied is gelegen. De lidstaat gaat na of de aanvraag gerechtvaardigd is, en legt ze voor aan de Commissie. Indien deze meent dat de benaming aan de voor bescherming vereiste voorwaarden voldoet, maakt zij de in artikel 6, lid 2, van de basisverordening vermelde specifieke gegevens bekend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
7 Artikel 7 van de basisverordening luidt als volgt:
„1. Binnen zes maanden na de datum van de in artikel 6, lid 2, bedoelde bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen kan elke lidstaat tegen de registratie bezwaar aantekenen.
2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten dragen er zorg voor dat alle personen die kunnen aantonen een wettig economisch belang te hebben, gemachtigd zijn om van de ingediende aanvraag kennis te nemen. Daarnaast en in overeenstemming met de bestaande situatie in de lidstaten kunnen zij andere partijen die een wettig belang hebben, inzage verlenen.
3. Iedere wettig betrokken natuurlijke of rechtspersoon kan tegen de overwogen registratie bezwaar aantekenen middels toezending van een naar behoren gegronde verklaring aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij verblijf houdt of is gevestigd. De bevoegde autoriteit treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze opmerkingen of deze bezwaren binnen de vereiste termijnen in overweging worden genomen.
[...]”
8 Wanneer geen enkele lidstaat een verklaring van bezwaar tegen de voorgenomen registratie ter kennis van de Commissie brengt, wordt de benaming ingeschreven in het door de Commissie bijgehouden „Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen”.
9 Indien het bezwaar ontvankelijk is en de belanghebbende lidstaten er niet in slagen om overeenkomstig artikel 7, lid 5, van de basisverordening onderling een akkoord te bereiken, neemt de Commissie een besluit met toepassing van de procedure van artikel 15 van de verordening (procedure van het regelgevend comité). Overeenkomstig artikel 7, lid 5, sub b, van de basisverordening houdt zij daarbij rekening met „de loyale en traditionele gebruiken en met de werkelijke risico’s van verwarring”.
10 Artikel 14, leden 1 en 2, van de basisverordening heeft betrekking op het conflict tussen een merk en een oorsprongsbenaming of een geografische aanduiding. Het bepaalt dienaangaande:
„1. Wanneer een oorsprongsbenaming of een geografische aanduiding overeenkomstig de bepalingen van deze verordening is geregistreerd, wordt de aanvraag tot registratie van een merk dat overeenkomt met een van de in artikel 13 vermelde situaties en dat hetzelfde type product betreft, afgewezen, mits de aanvraag tot registratie van het merk wordt ingediend na de in artikel 6, lid 2, bedoelde datum van bekendmaking.
Merken die in strijd met deze bepalingen zijn geregistreerd, vervallen.
Dit lid geldt eveneens wanneer de aanvraag tot registratie van een merk wordt ingediend vóór de datum van bekendmaking van de registratieaanvraag bedoeld in artikel 6, lid 2, mits deze bekendmaking geschiedt vóór de registratie van het merk.
2. Met inachtneming van het gemeenschapsrecht kan een merk [...] dat te goeder trouw is geregistreerd vóór de datum van indiening van het verzoek om registratie van de oorsprongsbenaming of de geografische aanduiding, ondanks de registratie van een oorsprongsbenaming of een geografische aanduiding verder worden gebruikt wanneer er geen gronden voor nietigheid of vervallenverklaring, respectievelijk bedoeld in de Eerste richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, artikel 3, lid 1, [sub] c en [sub] g, en in artikel 12, lid 2, [sub] b, van toepassing zijn op het merk.
[...]”
11 Artikel 17 van de basisverordening voorziet in een van de normale registratieprocedure afwijkende zogenoemde „vereenvoudigde procedure”. Volgens deze procedure delen de lidstaten de Commissie mee, welke van hun wettelijk beschermde of door het gebruik algemeen gangbaar geworden benamingen zij krachtens de basisverordening willen laten registreren. De procedure van artikel 15 van de basisverordening is van overeenkomstige toepassing. Artikel 17, lid 2, tweede zin, van deze verordening preciseert, dat de bezwaarprocedure van artikel 7 in het kader van de vereenvoudigde procedure niet van toepassing is.
Feiten
12 Bij schrijven van 21 januari 1994 verzocht de Griekse regering de Commissie, de benaming „feta” overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening als beschermde oorsprongsbenaming te registreren.
13 Op 19 januari 1996 legde de Commissie het in artikel 15 van de basisverordening bedoelde comité een ontwerp van verordening voor met een lijst van benamingen die in aanmerking kwamen voor registratie als beschermde geografische aanduidingen of oorsprongsbenamingen overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening. Die lijst bevatte ook de benaming „feta”. Omdat het regelgevend comité zich binnen de hem gestelde termijn niet over dat voorstel had uitgesproken, legde de Commissie het ontwerp op 6 maart 1996 overeenkomstig artikel 15, vierde alinea, van de basisverordening voor aan de Raad. De Raad kwam echter niet tot een besluit binnen de in artikel 15, vijfde alinea, van de basisverordening bepaalde termijn van drie maanden.
14 Overeenkomstig artikel 15, vijfde alinea, van de basisverordening stelde de Commissie daarop op 12 juni 1996 verordening (EG) nr. 1107/96 betreffende de registratie van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen in het kader van de procedure van artikel 17 van [de basisverordening] (PB L 299, blz. 31) vast. Volgens artikel 1 van verordening nr. 1107/96 was de in de bijlage bij deze verordening – deel A, rubriek „kaas”, land „Griekenland” – vermelde benaming „feta” als beschermde oorsprongsbenaming geregistreerd.
15 Bij arrest van 16 maart 1999, Denemarken e.a./Commissie (C‑289/96, C‑293/96 en C‑299/96, Jurispr. blz. I‑1541), heeft het Hof verordening nr. 1107/96 nietig verklaard voorzover het de registratie van de benaming „feta” als beschermde oorsprongsbenaming betrof. Het Hof overwoog in zijn arrest dat de Commissie bij het onderzoek of „feta” een soortnaam was, onvoldoende rekening had gehouden met de factoren die zij ingevolge artikel 3, lid 1, derde alinea, van de basisverordening in aanmerking had moeten nemen.
16 Ten vervolge op dat arrest stelde de Commissie op 25 mei 1999 verordening (EG) nr. 1070/1999 tot wijziging van de bijlage bij verordening nr. 1107/96 (PB L 130, blz. 18) vast. Daarbij werd de benaming „feta” doorgehaald in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen alsmede in de bijlage bij verordening nr. 1107/96.
17 Na een nieuw onderzoek van de registratieaanvraag van de Griekse regering legde de Commissie het regelgevend comité overeenkomstig artikel 15, tweede alinea, van de basisverordening een ontwerp van verordening voor met het voorstel de benaming „feta” krachtens artikel 17 van de basisverordening als beschermde oorsprongsbenaming op te nemen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen. Omdat het comité zich binnen de hem gestelde termijn niet over dat ontwerp had uitgesproken, legde de Commissie het ontwerp overeenkomstig artikel 15, vierde alinea, van de verordening voor aan de Raad.
18 Omdat de Raad inzake het ontwerp niet tot een besluit kwam binnen de in artikel 15, vijfde alinea, van de basisverordening bepaalde termijn, stelde de Commissie op 14 oktober 2002 verordening (EG) nr. 1829/2002 vast tot wijziging van de bijlage bij verordening (EG) nr. 1107/96 wat de benaming „feta” betreft (PB L 277, blz. 10; hierna „bestreden verordening”). Ingevolge deze verordening werd de benaming „feta” opnieuw als beschermde oorsprongsbenaming geregistreerd en opgenomen in de bijlage bij verordening nr. 1107/96, deel A, rubriek „kaas”, land „Griekenland”.
Procesverloop
19 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 december 2002, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
20 Bij brief van 30 januari 2003 verzocht de Commissie om schorsing van de behandeling van de zaak tot de uitspraak van het arrest in de zaken C‑465/02 en C‑466/02.
21 Bij brief van 24 februari 2003 deelde verzoekster mee, dat zij zich tegen het schorsingsverzoek niet verzette.
22 Bij beslissing van 19 maart 2003 wees het Gerecht het verzoek om schorsing af en gelastte het de voortzetting van de behandeling van de zaak.
23 Bij op 26 mei 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Commissie krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Verzoekster heeft op 7 juli 2003 schriftelijke opmerkingen over deze exceptie ingediend.
24 Bij op 16 april respectievelijk 2 mei 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten hebben de Helleense Republiek en Syndesmos Ellinikon Viomichanion Galaktokomikon Proïonton (SEV-GAP) [Vereniging van Griekse producenten van zuivelproducten] verzocht om toelating tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
25 Bij op 28 april 2003 ter griffie neergelegde akte heeft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland verzocht om toelating tot interventie ter ondersteuning van verzoeksters conclusies.
26 Bij op 30 april 2003 ter griffie neergelegde akte heeft de Région Languedoc-Roussillon verzocht om toelating tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van verzoekster.
27 Bij beschikking van 26 augustus 2003 zijn de Helleense Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland toegelaten tot interventie.
28 Bij brief van 19 september 2003 heeft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland afgezien van indiening van een memorie in interventie.
29 De Helleense Republiek heeft op 6 oktober 2003 haar memorie in interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie ingediend.
30 Bij een aan het Gerecht gerichte brief van 17 augustus 2004 heeft de Région Languedoc-Roussillon afgezien van haar interventie.
31 Bij beschikking van 19 oktober 2004 werd de Région Languedoc-Roussillon doorgehaald als interveniënte.
Conclusies van partijen
32 In haar verzoekschrift concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:
– de bestreden verordening nietig te verklaren voorzover de benaming „feta” daarbij wordt geregistreerd;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
33 In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert de Commissie dat het het Gerecht behage:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– verzoekster te verwijzen in de kosten.
34 In haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:
– de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;
– het beroep ontvankelijk te verklaren;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
35 In haar memorie in interventie verzoekt de Helleense Republiek het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
In rechte
36 Met het onderhavige beroep vordert verzoekster, een bedrijfstakoverkoepelende organisatie bestaande uit de Fédération régionale des syndicats des éleveurs de brebis en de Fédération des syndicats des industriels de roquefort, nietigverklaring van de bestreden verordening. Zij voert met name schending van de artikelen 2, 3 en 17 van de basisverordening aan, alsmede schending van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gewettigd vertrouwen.
37 De Commissie en de Helleense Republiek, interveniënte ter ondersteuning van eerstgenoemde, betogen dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat verzoekster geen procesbevoegdheid in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG heeft. De Helleense Republiek betoogt bovendien dat het beroep is ingesteld na het verstrijken van de termijn.
38 Volgens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien een partij daarom verzoekt, over de niet-ontvankelijkheid uitspraak doen zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Overeenkomstig lid 3 van dit artikel geschiedt de verdere behandeling mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu acht het Gerecht zich door de processtukken voldoende voorgelicht om zonder mondelinge behandeling te kunnen beslissen.
De door de Helleense Republiek opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens overschrijding van de beroepstermijn
39 De Helleense Republiek betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het is ingesteld na het verstrijken van de termijn. Aangezien de bestreden verordening op 15 oktober 2002 is gepubliceerd en het beroep pas op 18 december 2002 is ingesteld, is de termijn van twee maanden van artikel 230, vijfde alinea, EG, niet nageleefd.
40 Vastgesteld moet worden dat deze exceptie van niet-ontvankelijkheid kennelijk ongegrond is. Overeenkomstig artikel 102, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, begint de termijn voor het instellen van beroep immers eerst te lopen vanaf het einde van de veertiende dag nadat de betrokken handeling is bekendgemaakt. Daarbij komt de in artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bedoelde termijn wegens afstand van nog eens tien dagen. Derhalve is het onderhavige beroep binnen de termijnen ingesteld.
De exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens ontbreken van procesbevoegdheid van verzoekster
Argumenten van partijen
41 De Commissie betoogt dat het beroep is gericht tegen een verordening van algemene strekking in de zin van artikel 249, tweede alinea, EG en dat verzoekster door die verordening niet individueel wordt geraakt.
42 Volgens verzoekster is het beroep ontvankelijk.
43 Zij betoogt, in de eerste plaats, dat zij procesbevoegdheid heeft aangezien zij bevoegd is om de belangen van haar leden te verdedigen in het kader van de onderhavige procedure. Zij is van mening dat uit haar statuten blijkt dat zij met name tot doel heeft, „de gemeenschappelijke economische belangen van schapenfokkers en roquefortfabrikanten te verdedigen”. Volgens verzoekster zijn het in deze statuten geformuleerde doel en de haar ter verwezenlijking hiervan toegekende middelen ruim genoeg om het onderhavige beroep te omvatten. Bovendien is verzoekster een bedrijfstakoverkoepelende organisatie – als zodanig erkend door een Frans décret – die met name de regulering van de markt voor schapenmelk in de productiestreek van Roquefort tot doel heeft, en in dit kader de belangen van alle fokkers en van alle fabrikanten-verwerkers van deze melk behartigt. Verzoekster voegt hieraan toe dat haar voorzitter een mandaat ad hoc heeft ontvangen dat hem de bevoegdheid verleent om in haar naam in rechte op te treden in het kader van het onderhavige beroep.
44 Verzoekster voert in de tweede plaats aan, dat haar leden door verordening nr. 1829/2002 individueel worden geraakt. Volgens verzoekster zijn immers, naast de Griekse producenten van fetakaas op basis van schapenmelk, die de benaming „feta” verder kunnen blijven gebruiken, de Franse producenten – die bij haar zijn aangesloten – de enigen die werkelijk aanzienlijke hoeveelheden fetakaas op basis van schapenmelk produceren en in de handel brengen. Verzoeksters leden vormen derhalve, wegens deze bijzonderheid, een „gesloten kring” van marktdeelnemers in de zin van de rechtspraak.
45 In de derde plaats voert verzoekster aan dat de Franse producenten van fetakaas op basis van schapenmelk merken met de term „feta” hebben geregistreerd en deze merken ook daadwerkelijk gebruiken. Verzoekster betoogt aldus dat, zoals is geoordeeld in de zaak Codorníu (arrest Hof van 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C‑309/89, Jurispr. blz. I‑1853), de registratie van deze merken ten gevolge heeft dat haar leden worden geïndividualiseerd.
46 In de vierde plaats is verzoekster van mening dat, wanneer een fetakaasproducent communautaire financiering heeft ontvangen als bedoeld in verordening (EEG) nr. 355/77 van de Raad van 15 februari 1977 inzake een gemeenschappelijke actie ter verbetering van de voorwaarden inzake verwerking en afzet van landbouwproducten (PB L 51, blz. 1), de Commissie rekening had moeten houden met de bijzondere situatie van deze producent die deze karakteriseert ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer.
47 Ten slotte betoogt verzoekster dat de Commissie de vereenvoudigde procedure van artikel 17 van de basisverordening heeft toegepast, zodat haar de procedurele waarborgen zijn ontnomen van de normale procedure, die overeenkomstig artikel 7 van de basisverordening aan elke natuurlijke of rechtspersoon met een wettig belang, het recht geeft, bezwaar te maken tegen de voorgenomen registratie.
Beoordeling door het Gerecht
48 Artikel 230, vierde alinea, EG bepaalt dat iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep kan instellen tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, hem rechtstreeks en individueel raken.
49 Volgens vaste rechtspraak moet het criterium voor het onderscheid tussen een verordening en een beschikking worden gezocht in de al dan niet algemene strekking van de betrokken handeling (beschikkingen Hof van 23 november 1995, Asocarne/Raad, C‑10/95 P, Jurispr. blz. I‑4149, punt 28, en 24 april 1996, CNPAAP/Raad, C‑87/95 P, Jurispr. blz. I‑2003, punt 33). Een handeling heeft een algemene strekking indien zij van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor algemeen en abstract aangewezen categorieën van personen (arrest Gerecht van 10 juli 1996, Weber/Commissie, T‑482/93, Jurispr. blz. II‑609, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 In casu verleent de bestreden verordening aan de benaming „feta” de bescherming die volgens de basisverordening aan oorsprongsbenamingen toekomt.
51 Die bescherming bestaat hierin, dat het gebruik van de benaming „feta” is voorbehouden aan de fabrikanten in het aangeduide geografische gebied wier producten voldoen aan de geografische en kwalitatieve vereisten die in het productdossier aan de vervaardiging van feta worden gesteld. Zoals de Commissie terecht beklemtoont, is de bestreden verordening geenszins tot bepaalde marktdeelnemers zoals verzoekster gericht, maar kent zij alle ondernemingen wier producten aan de gestelde geografische en kwalitatieve vereisten voldoen, het recht toe om die producten onder bedoelde benaming in de handel te brengen, en ontzegt zij dit recht aan alle ondernemingen wier producten niet aan die vereisten, die voor allen gelijk zijn, beantwoorden. De bestreden verordening is van toepassing op zowel alle, huidige en toekomstige, fabrikanten van feta die deze benaming rechtmatig mogen gebruiken, als op diegenen aan wie het gebruik ervan na de overgangsperiode verboden is. Zij betreft niet uitsluitend de producenten uit de lidstaten, maar heeft eveneens rechtsgevolgen voor een onbekend aantal fabrikanten uit derde landen, die thans of in de toekomst fetakaas in de Gemeenschap zouden willen invoeren (beschikking Gerecht van 6 juli 2004, Alpenhain-Camembert-Werk e.a./Commissie, T‑370/02, Jurispr. blz. II‑2097, punt 54).
52 De bestreden verordening is dus een maatregel van algemene strekking in de zin van artikel 249, tweede alinea, EG. Zij is van toepassing op objectief bepaalde situaties en heeft rechtsgevolgen voor algemeen en abstract aangewezen categorieën van personen (zie in die zin beschikkingen Gerecht van 15 september 1998, Molkerei Großbraunshain en Bene Nahrungsmittel/Commissie, T‑109/97, Jurispr. blz. II‑3533; 26 maart 1999, Biscuiterie-confiserie LOR en Confiserie du Tech/Commissie, T‑114/96, Jurispr. blz. II‑913, punten 27‑29, 9 november 1999, CSR Pampryl/Commissie, T‑114/99, Jurispr. blz. II‑3331, punten 42 en 43, en Alpenhain-Camembert-Werk e.a./Commissie, punt 51 supra, punt 55). Deze algemene strekking volgt overigens ook uit het doel van de betrokken regeling, te weten aan regelmatig geregistreerde geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen erga omnes en in de gehele Gemeenschap bescherming te bieden.
53 Het is echter niet uitgesloten dat een regeling die naar de aard en strekking ervan een normatief karakter heeft, een natuurlijke of rechtspersoon toch individueel raakt.
54 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat een beroepsvereniging die is opgericht voor de verdediging en de vertegenwoordiging van de belangen van haar leden, bevoegd is voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring in drie soorten situaties, namelijk, ten eerste, wanneer een wettelijke bepaling haar uitdrukkelijk een aantal procedurele bevoegdheden toekent, ten tweede, wanneer de vereniging de belangen vertegenwoordigt van ondernemingen die zelf procesbevoegdheid hebben, en ten derde, wanneer de vereniging zelf is geïndividualiseerd wegens de aantasting van haar eigen belangen als vereniging, met name omdat haar positie als onderhandelaar werd aangetast door de handeling waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd (zie beschikking Gerecht van 8 september 2005, ASAJA/Raad, T‑295/04–T‑297/04, Jurispr. blz. II‑3151, punt 50).
55 In casu betoogt verzoekster niet dat zij procesbevoegdheid heeft wegens de aantasting van haar eigen belangen, maar alleen dat het beroep ontvankelijk is omdat de eerste twee situaties zich voordoen.
56 Aangaande de eerste situatie, namelijk het bestaan van een wettelijke bepaling die de beroepsverenigingen uitdrukkelijk een aantal procedurele bevoegdheden toekent, voert verzoekster aan dat zij gebruik maakt van een procedureel recht dat haar werd toegekend door de gemeenschapsregeling, namelijk door artikel 7 van de basisverordening. Zij is bovendien van mening dat zij, indien de Commissie de normale procedure voor de registratie van de benaming „feta” had gevolgd, bezwaar had kunnen indienen.
57 Dit betoog kan niet worden aanvaard. Vastgesteld moet immers worden dat beroepsverenigingen als verzoekster op grond van de basisverordening geen aanspraak kunnen maken op een procedureel recht voor henzelf.
58 Bovendien dient eraan te worden herinnerd dat het Gerecht reeds heeft geoordeeld dat de basisverordening niet in specifieke procedurele waarborgen op communautair vlak voorziet voor particulieren (beschikkingen Molkerei Großbraunshain en Bene Nahrungsmittel/Commissie, punt 52 supra, punt 67, en Alpenhain-Camembert-Werk e.a./Commissie, punt 51 supra, punt 67).
59 Die rechtspraak is door het Hof bevestigd in zijn beschikking van 26 oktober 2000, Molkerei Großbraunshain en Bene Nahrungsmittel/Commissie (C‑447/98 P, Jurispr. blz. I‑9097, punten 71‑73; zie in dezelfde zin ook beschikking van 30 januari 2002, La Conqueste/Commissie, C‑151/01 P, Jurispr. blz. 1179, punten 43 en 44).
60 Derhalve kan het argument inzake het bestaan van procedurele rechten, voor de vereniging zelf dan wel voor haar leden, verzoekster niet individualiseren.
61 Aangaande de tweede hypothese waarin een vereniging beroep tot nietigverklaring kan instellen, moet worden nagegaan, enerzijds, of verzoekster in het onderhavige beroep, in overeenstemming met haar statuten, de belangen van haar leden vertegenwoordigt en, anderzijds, of deze procesbevoegdheid zouden hebben.
62 Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt dat, in overeenstemming met artikel 1 van haar statuten, de leden van de Confédération générale des producteurs de lait de brebis et des industriels de roquefort, enerzijds, de Fédération régionale des syndicats des éleveurs de brebis en, anderzijds, de Fédération des syndicats des industriels de roquefort zijn. Het eerste lid is een groepering van gemeentelijke en intergemeentelijke beroepsverenigingen van schapenfokkers en het tweede lid omvat het Syndicat aveyronnais des fabricants de fromage de roquefort en de Chambre syndicale des industriels de roquefort.
63 Bijgevolg zijn de leden van verzoekster organisaties van beroepsverenigingen en geen kaasproducenten. Aangezien de argumenten die verzoekster aanvoert voor haar stelling dat de door haar vertegenwoordigde leden procesbevoegdheid hebben, evenwel niet alleen verband houden met haar leden – de organisaties van beroepsverenigingen – maar eveneens met individuele kaasproducenten, die zelf ook lid zijn van deze organisaties, zal de ontvankelijkheid van het beroep worden onderzocht voor beide hypothesen.
64 Aangaande de organisaties van beroepsverenigingen moet worden vastgesteld dat verzoekster geen enkel element heeft aangevoerd dat vermag aan te tonen dat dezen procesbevoegdheid hebben voor het onderhavige beroep.
65 Bovendien verdedigen deze organisaties slechts de algemene belangen van hun leden, die actief zijn in de kaassector, respectievelijk de producenten van schapenmelk binnen de Fédération régionale des syndicats des éleveurs de brebis, en de verwerkers binnen de Fédération des syndicats des industriels de roquefort. De eigen belangen van deze twee organisaties worden niet aangetast door de bestreden verordening, die hen niet raakt uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert.
66 De organisaties van beroepsverenigingen die lid zijn van verzoekster, worden dus niet individueel geraakt door de bestreden verordening, die van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor abstract aangewezen categorieën van personen.
67 Bijgevolg hebben de twee organisaties die lid zijn van de verzoekende vereniging, geen procesbevoegdheid.
68 Aangaande de individuele kaasproducenten die lid zijn van organisaties die zelf lid zijn van verzoekster, moet om te beginnen worden onderzocht of verzoekster hen in het onderhavige beroep geldig vertegenwoordigt.
69 Dienaangaande moet erop worden gewezen dat verzoekster in haar schrifturen meermaals de vertegenwoordiging van algemene belangen aanhaalt, die verschillen van de individuele belangen van sommige van haar leden. Zo voert verzoekster in haar verzoekschrift louter aan dat zij tot taak heeft, de inzameling en de controle van de kwaliteit van de schapenmelk te organiseren, de markt voor de melk te reguleren, gezamenlijke reclame te maken en een systeem van gelijktrekking van de melkprijs tussen de verschillende gebruikers toe te passen. Ook in haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid benadrukt zij dat zij niet „de belangen van een bepaalde onderneming of fokker verdedigt”. Zij betoogt bovendien dat haar actie „met name beoogt een afzetmarkt te verzekeren aan de schapenmelkproducten en aan de producenten van het Roquefortgebied”.
70 Overigens omvat het maatschappelijk doel van verzoekster, zoals geformuleerd in artikel 4 van haar statuten, algemene doelstellingen die gericht zijn op de studie en de verdediging van de gemeenschappelijke economische belangen van schapenfokkers en roquefortfabrikanten.
71 Hieruit vloeit enerzijds voort, dat niet blijkt dat verzoekster tot taak heeft, de belangen van bepaalde fetaproducenten in rechte te verdedigen, en anderzijds dat, gelet op zowel haar statuten als haar schrifturen, verzoekster niet belast is met de verdediging van de particuliere belangen van bepaalde fetakaasproducenten die lid zijn van beroepsverenigingen die zelf lid zijn van verzoekster, maar uitsluitend met de bescherming van algemene en collectieve belangen in de sector van de markt van schapenmelk in de Roquefortstreek en van de benaming „roquefort”.
72 In deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat verzoekster de belangen van bepaalde fetaproducenten in het kader van het onderhavige beroep geldig vertegenwoordigt.
73 Ten overvloede, voor het geval dat zou worden aangenomen dat verzoekster in overeenstemming met haar statuten individuele kaasproducenten geldig kan vertegenwoordigen, moet vervolgens worden nagegaan of deze producenten bevoegd zijn om een beroep tot nietigverklaring van de bestreden verordening in te stellen en, in het bijzonder, of zij procesbelang hebben en door de bestreden verordening individueel worden geraakt.
74 Met betrekking tot, ten eerste, verzoeksters stelling dat de Franse producenten – die bij haar zijn aangesloten – de enigen zijn die werkelijk aanzienlijke hoeveelheden fetakaas op basis van schapenmelk produceren, zodat deze producenten een gesloten kring vormen en geïndividualiseerd zijn, moet worden opgemerkt dat het betoog van de verzoekende vereniging niet relevant is.
75 Volgens vaste rechtspraak wordt immers aan de algemene strekking en dus aan de normatieve aard van een handeling niet afgedaan door de omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de justitiabelen waarop zij op een gegeven moment van toepassing is, meer of minder nauwkeurig kan worden bepaald, zolang vaststaat dat die toepassing voortvloeit uit een in de betrokken handeling in samenhang met haar doelstelling omschreven objectieve feitelijke of rechtssituatie (arrest Hof van 11 juli 1968, Zuckerfabrik Watenstedt/Commissie, 6/68, Jurispr. blz. 595, 605 en 606, en beschikking Gerecht van 29 juni 1995, Cantina cooperativa fra produttori vitivinicoli di Torre di Mosto e.a./Commissie, T‑183/94, Jurispr. blz. II‑1941, punt 48).
76 Dit is in casu het geval, aangezien de bestreden verordening alle huidige en toekomstige producenten die kaas onder de benaming „feta” in de Gemeenschap in de handel wensen te brengen, zonder onderscheid raakt. De producenten van kaas op basis van schapenmelk of van roquefortkaas worden dus op dezelfde wijze geraakt als alle andere ondernemingen waarvan de producten evenmin aan de eisen van de bestreden verordening voldoen.
77 Aangaande, ten tweede, verzoeksters stelling dat een aantal van haar leden – fetakaasproducenten – merken hebben gedeponeerd en gebruikt die de term „feta” bevatten, te weten de merken „Salakis- Feta brebis”, „Valbreso feta” en „Salakis, la Feta au bon lait de brebis”, waarvan het gebruik op de helling wordt gezet door de bestreden verordening, moet worden vastgesteld dat de bestreden verordening geen inbreuk maakt op een specifiek recht in de zin van de rechtspraak (zie beschikking Gerecht van 30 januari 2001, La Conqueste/Commissie, T‑215/00, Jurispr. blz. II‑181, punt 39, en aldaar aangehaalde rechtspraak) dat werd verworven door de fetakaasproducenten die houder zijn van merken met de term „feta”.
78 Door de vaststelling van de bestreden verordening werd de houders van deze merken immers niet de mogelijkheid ontnomen om hun merkrecht te gebruiken, aangezien deze merken conform artikel 14, lid 2, van de basisverordening, op voorwaarde dat zij te goeder trouw zijn geregistreerd vóór de datum van indiening van de aanvraag tot registratie van de benaming „feta”, verder kunnen worden gebruikt ondanks de registratie van deze oorsprongsbenaming. Alleen ingeval er gronden zijn voor nietig‑ of vervallenverklaring zoals bedoeld in richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB L 40, blz. 1), zou de houders van deze merken het recht om deze te gebruiken kunnen worden ontnomen.
79 Wat de na de aanvraag tot registratie van de benaming „feta” geregistreerde merken betreft, moet er, in de eerste plaats, op worden gewezen dat de houders van dergelijke merken zich niet op het arrest Codorníu/Raad (punt 45 supra), kunnen beroepen, aangezien, anders dan in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, de betrokken merken niet zijn ingeschreven en gebruikt tijdens een lange periode vóór de vaststelling van de verordening waarbij de benaming „feta” is geregistreerd.
80 Derhalve maakt de bestreden verordening geen inbreuk op een specifiek recht van de fetakaasproducenten dat voortvloeit uit de inschrijving van merken die de term „feta” bevatten, en dat hen kan individualiseren ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer.
81 Aangaande, ten derde, verzoeksters stelling dat de Commissie rekening had moeten houden met de situatie van een producent die een communautaire financiering heeft genoten, volstaat de vaststelling dat verzoekster niet heeft aangegeven krachtens welke specifieke bepalingen de Commissie rekening diende te houden met de situatie van deze bepaalde producent (zie in die zin arrest Hof van 11 februari 1999, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, C‑390/95 P, Jurispr. blz. I‑769, punt 25). Zelfs indien dit het geval zou zijn, kan uit de vaststelling alleen dat de Commissie verplicht is, inlichtingen in te winnen over de weerslag die de betrokken handeling op bepaalde ondernemingen dreigt te hebben, hoe dan ook niet worden afgeleid dat deze individueel geraakt zijn in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG (zie in die zin arrest Hof van 10 april 2003, Commissie/Nederlandse Antillen, C‑142/00 P, Jurispr. blz. I‑3483, punt 75).
82 Uit een en ander blijkt dat verzoekster, enerzijds, geen eigen procedurele rechten heeft en, anderzijds, niet de belangen vertegenwoordigt van leden die in het onderhavige beroep zouden kunnen worden ontvangen, aangezien zij volgens haar statuten niet tot taak heeft, de belangen van de fetaproducenten in rechte te verdedigen, en zij is belast met de verdediging van louter collectieve belangen en niet met de vertegenwoordiging van één van haar leden als houder van een merk, en deze producenten hoe dan ook zelf geen beroep zouden kunnen instellen.
83 Het onderhavige beroep dient dus niet-ontvankelijk te worden verklaard.
84 Bijgevolg behoeft geen uitspraak te worden gedaan over het verzoek om tussenkomst van SEV-GAP.
Kosten
85 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig het door de Commissie gevorderde worden verwezen in haar eigen kosten, alsmede in die van de Commissie.
86 Volgens artikel 87, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten. In casu moeten de Helleense Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland dus hun eigen kosten dragen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekster zal haar eigen kosten dragen, alsmede die van de Commissie.
3) De Helleense Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zullen hun eigen kosten dragen.
Luxemburg, 13 december 2005.
De griffier
De president van de Derde kamer
E. Coulon
M. Jaeger
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy