Zaak T‑397/02
Arla Foods AMBA e.a.
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Verordening (EG) nr. 1829/2002 – Registratie van oorsprongsbenaming – ‚feta’ – Beroep tot nietigverklaring – Procesbevoegdheid – Niet-ontvankelijkheid”
Beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 13 december 2005
Samenvatting van de beschikking
Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Verordening betreffende registratie van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen – Beroep van ondernemingen die „Feta”-kaas produceren in andere lidstaat dan die van oorsprong van deze kaas – Regeling van eerste lidstaat betreffende gebruik van benaming – Ondernemingen die aanzienlijk gedeelte van productie van fetakaas in Europese Unie voor hun rekening nemen – Geen invloed – Niet-ontvankelijkheid van beroep
(Art. 230, vierde alinea, EG; verordening nr. 2081/92 van de Raad; verordening nr. 1829/2002 van de Commissie)
Het beroep van Deense fetaproducenten tot nietigverklaring van verordening nr. 1829/2002 tot wijziging van de bijlage bij verordening nr. 1107/96 betreffende de registratie van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen in het kader van de procedure van artikel 17 van verordening nr. 2081/92, voorzover daarbij de benaming „feta” als beschermde benaming in de rubrieken „kaas” en „Griekenland” wordt geregistreerd, is niet-ontvankelijk.
De bestreden verordening is namelijk een maatregel van algemene strekking in de zin van artikel 249, tweede alinea, EG. Zij is van toepassing op objectief bepaalde situaties en heeft rechtsgevolgen voor algemeen en abstract aangewezen categorieën van personen.
Bovendien worden verzoekers door deze verordening slechts geraakt in hun hoedanigheid van ondernemers die kaas vervaardigen of in de handel brengen, met name die welke hun producten eveneens hebben verhandeld als „feta” of „dansk Feta” die niet voldoen aan de voorwaarden voor gebruik van de beschermde oorsprongsbenaming „feta”. Zij worden dus op dezelfde manier getroffen als alle andere ondernemingen wier producten niet aan de vereisten van de in geding zijnde gemeenschapsregeling beantwoorden.
Dienaangaande kunnen verzoekers niet met een beroep op de Deense regeling, die voorschrijft dat de in die staat geproduceerde feta wordt voorzien van een etiket met de woorden „Deense feta”, stellen dat zij zich in een specifieke situatie bevinden op grond waarvan zij zouden moeten worden ontvangen in hun beroep tegen de bestreden verordening, zulks in tegenstelling tot alle andere producenten van feta in de Gemeenschap. Aan deze regeling ontlenen zij namelijk geen specifiek recht. En ook al zouden verzoekers naar nationaal recht een bijzonder recht hebben, dan nog worden zij niet individueel geraakt, daar de benaming „dansk Feta” niet een overeenkomstig verordening nr. 2081/92 beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding is. Anders dan het geval is bij merken, waar een nationaal en een communautair beschermingssysteem naast elkaar bestaan, genieten oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen alleen dan in alle lidstaten bescherming, indien zij overeenkomstig de basisverordening op het niveau van de Gemeenschap zijn geregistreerd.
Zelfs al zou deze wettelijke regeling kunnen worden beschouwd als een regeling die een kwaliteitslabel invoert, dan zou dit feit alleen hoe dan ook niet volstaan om verzoeksters te individualiseren ten opzichte van elke andere fetaproducent die aan de in de betrokken regeling omschreven verplichtingen voldoet.
Ten slotte kunnen verzoeksters evenmin worden geïndividualiseerd doordat zij een aanzienlijk gedeelte van de productie van fetakaas in de Europese Unie voor hun rekening nemen, aangezien de omstandigheid dat een onderneming een groot aandeel in de betrokken markt heeft, op zich niet voldoende is om haar ten opzichte van iedere andere door de bestreden verordening getroffen marktdeelnemer te karakteriseren. Zo ook is de omstandigheid dat een verzoeker op het moment van vaststelling van een verordening houdende registratie van een oorsprongsbenaming, in een situatie verkeert die hem dwingt zijn productiestructuur aan te passen om aan de voorwaarden van die verordening te kunnen voldoen, onvoldoende grond om hem als individueel geraakt te beschouwen op soortgelijke wijze als de adressaat van een handeling.
(cf. punten 53, 55‑56, 61, 63, 67, 69, 71, 76)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer)
13 december 2005 (*)
„Verordening (EG) nr. 1829/2002 – Registratie van oorsprongsbenaming – ‚Feta’ – Beroep tot nietigverklaring – Procesbevoegdheid – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑397/02,
Arla Foods AMBA, gevestigd te Viby (Denemarken),
Løgismose A/S, gevestigd te Broby (Denemarken),
Nordex Food A/S, gevestigd te Dronninglund (Denemarken),
Sinai Landmejeri, gevestigd te Broby,
Andelsmejeriet Sædager, gevestigd te Hobro (Denemarken),
Søvind Mejeri, gevestigd te Horsens (Denemarken),
Steensgaard Herregårdsmejeri, gevestigd te Millinge (Denemarken),
Mejeriet Grambogård I/S, gevestigd te Tommerup (Denemarken),
Kirkeby Cheese Export, gevestigd te Svendborg (Denemarken),
vertegenwoordigd door G. Lett, advocaat,
verzoeksters,
ondersteund door
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door P. Ormond als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. Støvlbæk, J. Iglesias Buhigues en A.‑M. Rouchaud-Joët als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
ondersteund door
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos, I. Chalkias en M. Tassopoulou als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
en door
Syndesmos Ellinikon Viomichanion Galaktokomikon Proïonton (SEV-GAP), gevestigd te Athene (Griekenland), vertegenwoordigd door N. Korogiannakis, advocaat,
interveniënten,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1829/2002 van de Commissie van 14 oktober 2002 tot wijziging van de bijlage bij verordening (EG) nr. 1107/96 wat de benaming „feta” betreft (PB L 277, blz. 10),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Jaeger, kamerpresident, J. Azizi en E. Cremona, rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Rechtskader
1 Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 208, blz. 1; hierna „basisverordening”), stelt volgens artikel 1 ervan de voorschriften vast voor de communautaire bescherming van de oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen voor bepaalde landbouwproducten en levensmiddelen.
2 Volgens artikel 2, lid 2, sub a, van de basisverordening wordt onder „oorsprongsbenaming” verstaan „de naam van een streek, van een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, van een land, die wordt gebruikt in de benaming van een landbouwproduct of levensmiddel:
– dat afkomstig is uit die streek, die bepaalde plaats of dat land en
– waarvan de kwaliteit of de kenmerken hoofdzakelijk of uitsluitend aan het geografische milieu, dat factoren van natuurlijke en menselijke aard omvat, zijn toe te schrijven en waarvan de productie, de verwerking en de bereiding in het geografische gebied geschieden”.
3 Artikel 2, lid 3, van de basisverordening bepaalt:
„Als oorsprongsbenamingen worden eveneens beschouwd, bepaalde, al dan niet geografische, traditionele benamingen, indien zij een landbouwproduct of levensmiddel van oorsprong uit een streek of bepaalde plaats aanduiden dat aan de voorwaarden van lid 2, onder a, tweede streepje, voldoet.”
4 Ingevolge artikel 3 van de basisverordening kunnen benamingen die soortnamen zijn geworden, niet worden geregistreerd. In de zin van deze verordening wordt onder een „tot soortnaam geworden benaming” verstaan de naam van een landbouwproduct of een levensmiddel, die weliswaar verband houdt met de plaats of streek waar het product of het levensmiddel oorspronkelijk werd geproduceerd of in de handel gebracht, doch de gangbare naam is geworden van een product of een levensmiddel.
5 Om vast te stellen of een naam al dan niet een soortnaam is geworden, wordt rekening gehouden met alle factoren, in het bijzonder:
– de bestaande situatie in de lidstaat waar de naam zijn oorsprong heeft en in het traditionele verbruiksgebied,
– de situatie in andere lidstaten,
– de relevante nationale of communautaire wetgeving.
6 Voor de registratie van de benaming van een landbouwproduct of een levensmiddel als beschermde oorsprongsbenaming moet dus zijn voldaan aan de in de basisverordening gestelde voorwaarden; in het bijzonder moet het product of levensmiddel in overeenstemming zijn met een productdossier als omschreven in artikel 4, lid 1, van de verordening. Door deze registratie verkrijgt de benaming communautaire bescherming.
7 De artikelen 5 tot en met 7 van de basisverordening regelen de zogenoemde „normale procedure” voor de registratie van een benaming. Volgens deze procedure kan iedere groepering, dat wil zeggen elke organisatie van bij hetzelfde landbouwproduct of levensmiddel betrokken producenten en/of verwerkers, of, onder bepaalde voorwaarden, elke natuurlijke of rechtspersoon, een registratieaanvraag indienen bij de lidstaat waarin het betrokken geografische gebied is gelegen. De lidstaat gaat na of de aanvraag gerechtvaardigd is en zendt ze door aan de Commissie. Indien deze meent dat de benaming aan de voor bescherming vereiste voorwaarden voldoet, maakt zij de in artikel 6, lid 2, van de basisverordening vermelde specifieke gegevens bekend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
8 Artikel 7 van de basisverordening bepaalt:
„1. Binnen zes maanden na de datum van de in artikel 6, lid 2, bedoelde bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen kan elke lidstaat tegen de registratie bezwaar aantekenen.
2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten dragen er zorg voor, dat alle personen die kunnen aantonen een wettig economisch belang te hebben, gemachtigd zijn om van de ingediende aanvraag kennis te nemen. Daarnaast en in overeenstemming met de bestaande situatie in de lidstaten kunnen zij andere partijen die een wettig belang hebben, inzage verlenen.
3. Iedere wettig betrokken natuurlijke of rechtspersoon kan tegen de overwogen registratie bezwaar aantekenen middels toezending van een naar behoren gegronde verklaring aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij verblijf houdt of is gevestigd. De bevoegde autoriteit treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze opmerkingen of deze bezwaren binnen de vereiste termijnen in overweging worden genomen.
[...]”
9 Wanneer geen enkele lidstaat bij de Commissie bezwaar maakt tegen de voorgenomen registratie, wordt de benaming ingeschreven in het door de Commissie bijgehouden „Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen”.
10 Indien het bezwaar ontvankelijk is en de belanghebbende lidstaten er niet in slagen om overeenkomstig artikel 7, lid 5, van de basisverordening onderling een akkoord te bereiken, neemt de Commissie een besluit met toepassing van de procedure van artikel 15 van de verordening (procedure van het regelgevend comité). Overeenkomstig artikel 7, lid 5, sub b, houdt zij daarbij rekening met „de loyale en traditionele gebruiken en met de werkelijke risico’s van verwarring”.
11 Artikel 17 van de basisverordening voorziet in een van de normale registratieprocedure afwijkende „vereenvoudigde procedure”. Volgens deze procedure delen de lidstaten de Commissie mee, welke van hun wettelijk beschermde of door het gebruik algemeen gangbaar geworden benamingen zij krachtens de verordening willen laten registreren. De procedure van artikel 15 van de verordening is van overeenkomstige toepassing. Artikel 17, lid 2, tweede zin, van de verordening preciseert, dat de bezwaarprocedure van artikel 7 in het kader van de vereenvoudigde procedure niet van toepassing is.
Feiten
12 Bij schrijven van 21 januari 1994 verzocht de Griekse regering de Commissie, de benaming „feta” overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening als beschermde oorsprongsbenaming te registreren.
13 Op 19 januari 1996 legde de Commissie het bij artikel 15 van de basisverordening ingestelde regelgevend comité een ontwerpverordening voor met een lijst van benamingen die in aanmerking kwamen voor registratie als beschermde geografische aanduidingen of oorsprongsbenamingen, overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening. Die lijst bevatte ook de benaming „feta”. Toen het comité zich niet binnen de hem gestelde termijn over dat voorstel had uitgesproken, legde de Commissie het op 6 maart 1996 overeenkomstig artikel 15, vierde alinea, van de basisverordening voor aan de Raad. De Raad kwam echter niet tot een besluit binnen de in artikel 15, vijfde alinea, van de verordening bepaalde termijn van drie maanden.
14 Overeenkomstig artikel 15, vijfde alinea, van de basisverordening stelde de Commissie daarop op 12 juni 1996 verordening (EG) nr. 1107/96 vast, betreffende de registratie van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen in het kader van de procedure van artikel 17 van [de basisverordening] (PB L 148, blz. 1). Volgens artikel 1 van verordening nr. 1107/96 was de in de bijlage bij deze verordening – deel A, rubriek „kaas”, land „Griekenland” – vermelde benaming „feta” als beschermde oorsprongsbenaming geregistreerd.
15 Bij arrest van 16 maart 1999, Denemarken e.a./Commissie (C?289/96, C?293/96 en C?299/96, Jurispr. blz. I?1541), verklaarde het Hof verordening nr. 1107/96 nietig voorzover het de registratie van de benaming „feta” als beschermde oorsprongsbenaming betrof. Het Hof overwoog dat de Commissie bij het onderzoek van de vraag of „feta” een soortnaam was, onvoldoende rekening had gehouden met de factoren die zij ingevolge artikel 3, lid 1, derde alinea, van de basisverordening in aanmerking had moeten nemen.
16 Na dat arrest stelde de Commissie op 25 mei 1999 verordening (EG) nr. 1070/1999 tot wijziging van de bijlage bij verordening nr. 1107/96 vast (PB L 130, blz. 18). Daarbij werd de benaming „feta” doorgehaald in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen alsmede in de bijlage van verordening nr. 1107/96.
17 Na een hernieuwd onderzoek van de registratieaanvraag van de Griekse regering legde de Commissie het regelgevend comité overeenkomstig artikel 15, tweede alinea, van de basisverordening een ontwerpverordening voor met het voorstel de benaming „feta” krachtens artikel 17 van de basisverordening als beschermde oorsprongsbenaming op te nemen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen. Toen het comité zich niet binnen de hem gestelde termijn over dat voorstel had uitgesproken, legde de Commissie het overeenkomstig artikel 15, vierde alinea, van de verordening voor aan de Raad.
18 Aangezien de Raad niet tot een besluit kwam binnen de termijn bepaald in artikel 15, vijfde alinea, van de basisverordening, stelde de Commissie op 14 oktober 2002 verordening (EG) nr. 1829/2002 vast, tot wijziging van de bijlage bij verordening (EG) nr. 1107/96 wat de benaming „feta” betreft (PB L 277, blz. 10; hierna „bestreden verordening”). Ingevolge deze verordening werd de benaming „feta” opnieuw als beschermde oorsprongsbenaming geregistreerd en opgenomen in de bijlage bij verordening nr. 1107/96, deel A, rubriek „kaas”, land „Griekenland”.
Procesverloop
19 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 december 2002, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.
20 Bij brief van 5 februari 2003 verzocht de Commissie om opschorting van de zaak tot de uitspraak van het arrest in de zaken C‑465/02 en C‑466/02.
21 Bij brief van 26 februari 2003 deelden verzoeksters mee, dat zij zich tegen het opschortingsverzoek verzetten.
22 Bij beschikking van 19 maart 2003 wees het Gerecht het verzoek om opschorting af.
23 Bij op 5 juni 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Commissie krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
24 Verzoeksters hebben op 20 augustus 2003 schriftelijke opmerkingen over deze exceptie ingediend.
25 Bij op 16 april respectievelijk 9 mei 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten hebben de Helleense Republiek en de Syndesmos Ellinikon Viomichanion Galaktokomikon Proïonton (SEV-GAP) (Bond van Griekse producenten van zuivelproducten) verzocht om toelating tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
26 Bij op 2 mei 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland verzocht om toelating tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van verzoeksters.
27 Bij beschikking van 8 september 2003 zijn de Helleense Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland toegelaten tot interventie.
28 De Helleense Republiek heeft op 21 oktober 2003 haar memorie in interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie ingediend.
29 Bij beschikking van 23 maart 2004 is SEV-GAP toegelaten tot interventie.
30 SEV-GAP heeft op 10 mei 2004 haar memorie in interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie ingediend.
31 Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland heeft geen memorie in interventie ingediend binnen de gestelde termijn.
Conclusies van partijen
32 In hun verzoekschrift concluderen verzoeksters dat het het Gerecht behage:
– de bestreden verordening nietig te verklaren;
– de Commissie in de kosten te verwijzen.
33 In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert de Commissie dat het het Gerecht behage:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– verzoeksters in de kosten te verwijzen.
34 In hun opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concluderen verzoeksters tot verwerping van deze exceptie.
35 In hun memories in interventie concluderen de Helleense Republiek en SEV-GAP dat het het Gerecht behage:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– verzoeksters in de kosten te verwijzen.
In rechte
36 Met het onderhavige beroep vorderen verzoeksters nietigverklaring van de bestreden verordening.
37 De Commissie alsmede de Helleense Republiek en SEV‑GAP, die zich aan haar zijde in het geding hebben gevoegd, menen dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat verzoeksters niet procesbevoegd zijn in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG. De Helleense Republiek stelt bovendien dat het beroep te laat is ingesteld.
38 Volgens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien een partij daarom verzoekt, uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Overeenkomstig lid 3 van dat artikel geschiedt de verdere behandeling mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu acht het Gerecht zich door de processtukken voldoende voorgelicht om zonder mondelinge behandeling op de door de Commissie opgeworpen exceptie te kunnen beslissen.
De door de Helleense Republiek opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens te late instelling van het beroep
39 De Helleense Republiek is van mening dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingesteld. Aangezien de bestreden verordening op 15 oktober 2002 is bekendgemaakt en het beroep pas op 19 december 2002 is ingesteld, is haars inziens de in artikel 230, vijfde alinea, EG bepaalde termijn van twee maanden niet in acht genomen.
40 Deze exceptie van niet-ontvankelijkheid is kennelijk ongegrond. Overeenkomstig artikel 102, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering begint de beroepstermijn immers pas te lopen vanaf het einde van de veertiende dag volgend op die waarop de betrokken handeling is bekendgemaakt. Deze termijn wordt nog verlengd met de in artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalde termijn wegens afstand van tien dagen. Het onderhavige beroep is bijgevolg op tijd ingesteld.
De exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens ontbreken van procesbevoegdheid van verzoeksters
Argumenten van partijen
41 De Commissie, de Helleense Republiek en SEV-GAP stellen dat het beroep gericht is tegen een verordening van algemene strekking in de zin van artikel 249, tweede alinea, EG en dat verzoeksters door deze verordening niet individueel worden geraakt.
42 Verzoeksters menen dat het beroep ontvankelijk is. Het feit dat de bestreden verordening is gegoten in de vorm van een verordening van algemene strekking, sluit huns inziens niet uit dat zij er individueel en rechtstreeks door worden geraakt. Zij voeren in dit verband vijf argumenten aan.
43 In de eerste plaats stellen zij dat zij individueel worden geraakt, omdat zij een bijzonder recht op het gebruik van de benaming „feta” of „dansk Feta” hebben. Zij menen dan ook dat de bestreden verordening inbreuk maakt op hun historisch verworven recht om de benaming „feta” te gebruiken, alsook op hun recht om als Deense producent de wettelijk beschermde benaming „dansk Feta” te gebruiken, aangezien volgens deze verordening uitsluitend Griekse producenten de benaming „feta” mogen bezigen. Zij merken op dat zij fetakaas produceren onder de benaming „dansk Feta”, overeenkomstig de Deense voorschriften die het recht op het gebruik van deze benaming voorbehouden aan Deense fetaproducenten. De benaming „dansk Feta” heeft volgens verzoekster bovendien het karakter van een „kwaliteitslabel”, dat aangeeft dat een product voldoet aan bepaalde wettelijk omschreven criteria betreffende oorsprong, samenstelling, productiemethode of kwaliteit.
44 Tot staving van hun betoog verwijzen verzoeksters naar het arrest van het Hof van 18 mei 1994, Codorníu/Raad (C‑309/89, Jurispr. blz. I‑1853), en naar de beschikkingen van het Gerecht van 26 maart 1999, Biscuiterie-confiserie LOR en Confiserie du Tech/Commissie (T‑114/96, Jurispr. blz. II‑913), en 30 januari 2001, La Conqueste/Commissie (T‑215/00, Jurispr. blz. II‑181).
45 Zij stellen dat hun in de zin van die rechtspraak een overeenkomstig specifiek, op nationaal niveau verworven recht toekomt, voorzover hun in Denemarken het beschermde recht op het gebruik van de benaming „dansk Feta” is toegekend, dat een bescherming biedt die vergelijkbaar is met die welke door verordening nr. 2081/92 wordt geboden. Dit stelselmatig uitgeoefende recht karakteriseert de Deense producenten, die als gevolg van de registratie van de benaming „feta” schade lijden doordat zij een benaming waarmee de meeste consumenten vertrouwd zijn, niet langer mogen gebruiken.
46 In de tweede plaats menen verzoeksters dat zij worden geïndividualiseerd doordat zij het leeuwendeel van de productie van fetakaas in de Europese Unie voor hun rekening nemen. Zo is Arla Foods AMBA, met een productie van 15 609 ton in 2001, de grootste individuele producent van fetakaas in de Gemeenschap. Verder vertegenwoordigde verzoeksters’ totale productie in de periode 1988‑1995 gemiddeld 39 % van de totale productie van fetakaas in de Europese Unie, en kwam in 2001 13 % van die totale productie voor rekening van verzoeksters.
47 In de derde plaats menen verzoeksters dat hun individualisering voortvloeit uit de gevolgen vanuit mededingingsoogpunt, die de registratie van de benaming „feta” ten gunste van uitsluitend de Griekse producenten heeft. Zij merken in dit verband op dat de registratie van deze benaming als Griekse oorsprongsbenaming hun marktpositie zal schaden, temeer waar de Griekse producenten, die als enigen gerechtigd zijn de benaming „feta” te gebruiken, hun belangrijkste concurrenten op de Europese markt zijn.
48 In de vierde plaats zijn verzoeksters van mening dat, wanneer de Commissie verplicht is rekening te houden met de gevolgen die de handeling die zij voornemens is vast te stellen, voor bepaalde particulieren heeft, deze particulieren als door die handeling individueel geraakt kunnen worden beschouwd. In casu bevindt de Commissie zich volgens hen in een dergelijke situatie, met name gelet op artikel 3 van de basisverordening, waaruit blijkt dat zij rekening dient te houden met de in andere lidstaten bestaande en rechtmatig verhandelde producten ingeval tegen de registratie van een oorsprongsbenaming bezwaar wordt aangetekend. Verzoeksters verwijzen in dit verband naar het arrest van het Gerecht van 3 mei 2002, Jégo-Quéré/Commissie (T‑177/01, Jurispr. blz. II‑2365).
49 In de vijfde plaats voeren verzoeksters aan, dat hun individuele geraaktheid voortvloeit uit het beginsel van een effectieve rechterlijke bescherming. Zij hebben geen antwoord kunnen krijgen op een prejudiciële vraag die het Hof was voorgelegd in de zaak Canadene Cheese Trading AMBA (C‑317/95, Jurispr. blz. I‑4681), aangezien de verwijzende rechter deze vraag heeft ingetrokken. Bovendien kunnen zij gedurende de overgangsperiode geen beroep instellen bij de nationale rechter, aangezien de verhandeling van kaas onder de benaming „dansk Feta” pas na afloop van die periode rechtsgevolgen voor hen zal hebben. Ten slotte moet volgens verzoeksters het begrip individueel belang op identieke wijze worden toegepast op Griekse en Deense producenten. Aangezien Griekse producenten beroep zouden hebben kunnen instellen tegen een afwijzing van het Griekse verzoek om registratie van de benaming „feta”, moeten in casu verzoeksters ook bevoegd worden geacht het voor hen nadelige besluit aan te vechten.
Beoordeling door het Gerecht
50 Ingevolge artikel 230, vierde alinea, EG kan iedere natuurlijke en rechtspersoon beroep instellen tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, hem rechtstreeks en individueel raken.
51 Volgens vaste rechtspraak moet het criterium voor het onderscheid tussen een verordening en een beschikking worden gezocht in de al dan niet algemene strekking van de betrokken handeling (beschikkingen Hof van 23 november 1995, Asocarne/Raad, C?10/95 P, Jurispr. blz. I?4149, punt 28, en 24 april 1996, CNPAAP/Raad, C?87/95 P, Jurispr. blz. I?2003, punt 33). Een handeling heeft een algemene strekking, indien zij van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor algemeen en abstract aangewezen categorieën van personen (zie arrest Gerecht van 10 juli 1996, Weber/Commissie, T?482/93, Jurispr. blz. II?609, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 De thans bestreden verordening verleent aan de benaming „feta” de bescherming die volgens de basisverordening aan oorsprongsbenamingen toekomt. Deze bescherming bestaat hierin, dat het gebruik van de benaming „feta” is voorbehouden aan de fabrikanten in het aangeduide geografische gebied, wier producten voldoen aan de geografische en kwalitatieve vereisten die in het productdossier aan de vervaardiging van feta worden gesteld. De bestreden verordening kent alle ondernemingen wier producten aan de gestelde geografische en kwalitatieve vereisten voldoen, het recht toe die producten onder bedoelde benaming in de handel te brengen, en ontzegt dit recht aan alle ondernemingen wier producten niet aan die vereisten, die voor allen gelijk zijn, beantwoorden. De verordening is van toepassing op zowel alle, huidige en toekomstige, fetafabrikanten die deze benaming rechtmatig mogen gebruiken, als diegenen aan wie het gebruik ervan na de overgangsperiode verboden is. Zij betreft niet uitsluitend de producenten uit de lidstaten, maar heeft eveneens rechtsgevolgen voor een onbekend aantal fabrikanten uit derde landen, die thans of in de toekomst fetakaas in de Gemeenschap zouden willen invoeren (beschikking Gerecht van 6 juli 2004, Alpenhain-Camembert-Werk e.a./Commissie, T‑370/02, Jurispr. blz. II‑0000, punt 54).
53 De bestreden verordening is dus een maatregel van algemene strekking in de zin van artikel 249, tweede alinea, EG. Zij is van toepassing op objectief bepaalde situaties en heeft rechtsgevolgen voor algemeen en abstract aangewezen categorieën van personen (beschikking Alpenhain-Camembert-Werk e.a./Commissie, punt 52 hierboven, punt 55). Deze algemene strekking volgt overigens ook uit het voorwerp van de betrokken regeling, te weten aan regelmatig geregistreerde geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen erga omnes en in de gehele Gemeenschap bescherming te bieden.
54 Het is echter niet uitgesloten dat een regeling die naar haar aard en strekking een normatief karakter heeft, een natuurlijke of rechtspersoon toch individueel raakt. Dit is het geval indien zij hem treft op grond van een bepaalde bijzondere hoedanigheid of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem daardoor op overeenkomstige wijze individualiseert als de adressaat van een beschikking (arresten Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 207, en Codorníu/Raad, punt 44 hierboven, punten 19 en 20; beschikking Alpenhain-Camembert-Werk e.a./Commissie, punt 52 hierboven, punt 56).
55 In casu blijkt uit geen van de door verzoeksters aangevoerde argumenten van het bestaan van een bijzondere hoedanigheid of van een feitelijke situatie die hen zou karakteriseren en hen daardoor ten opzichte van de andere betrokken deelnemers aan het economisch verkeer zou individualiseren. Verzoeksters worden integendeel door de bestreden verordening slechts geraakt in hun hoedanigheid van ondernemers die een kaas vervaardigen of in de handel brengen die niet voldoet aan de voorwaarden voor gebruik van de beschermde oorsprongsbenaming „feta”. Zij worden dus op dezelfde manier getroffen als alle andere ondernemingen wier producten niet aan de vereisten van de in geding zijnde gemeenschapsregeling beantwoorden.
56 Wat in de eerste plaats het argument betreft dat verzoeksters individueel worden geraakt omdat hun een bijzonder recht op het gebruik van de benaming „feta” of „dansk Feta” toekomt, staat om te beginnen vast dat die benaming „dansk Feta” niet een overeenkomstig de basisverordening beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding is. Anders dan het geval is bij merken, waar een nationaal en een communautair beschermingssysteem naast elkaar bestaan, genieten oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen alleen dan in alle lidstaten bescherming, indien zij overeenkomstig de basisverordening op het niveau van de Gemeenschap zijn geregistreerd. Bovendien hebben verzoeksters evenmin gesteld dat het Koninkrijk Denemarken overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening de benaming „dansk Feta” als een in Denemarken wettelijk beschermde benaming aan de Commissie heeft meegedeeld. Hieruit volgt dat de Deense regeling verzoeksters niet een specifiek recht kan verlenen dat vergelijkbaar is met het merkrecht waarover de verzoekende partij in de in punt 44 hierboven aangehaalde zaak Codorníu/Raad beschikte.
57 Verzoeksters hebben ook niet aangetoond, dat het door hen ingeroepen gebruik van de benaming „feta” of „Dansk feta” op een overeenkomstig specifiek recht berust, dat zij nationaal of communautair vóór de vaststelling van de bestreden verordening zouden hebben verkregen en waarop deze verordening inbreuk zou hebben gemaakt in de zin van het arrest Codorníu/Raad en de beschikking Conqueste/Commissie (beide aangehaald in punt 44).
58 Het feit dat verzoeksters hun producten sinds lange tijd onder de benaming „feta” of „dansk Feta” in de handel brengen, verleent hun geen specifiek recht in de zin van de aangehaalde rechtspraak. Hun situatie verschilt daardoor niet van die van de andere producenten die hun producten eveneens als „feta” of „dansk Feta” hebben verhandeld en die deze benaming, die thans door de registratie ervan als oorsprongsbenaming beschermd is, niet meer mogen gebruiken (zie in die zin beschikking Alpenhain-Camembert-Werk e.a./Commissie, punt 52 hierboven, punt 66).
59 Het bestaan van Deense rechtsvoorschriften betreffende de benaming „dansk Feta” kan aan deze conclusie niet afdoen.
60 In de eerste plaats kan die regeling verzoeksters niet individualiseren, aangezien zij van toepassing is op alle producenten van kaas die aan de in de Deense wetgeving bepaalde criteria voldoet.
61 In de tweede plaats ontlenen verzoeksters aan de door hen ingeroepen Deense regeling geen specifiek recht. Deze regeling verlangt immers enkel dat de herkomst van de betrokken kaas wordt aangegeven, zoals blijkt uit het dossier en uit het in punt 15 hierboven aangehaalde arrest Denemarken e.a./Commissie, in punt 63 waarvan staat te lezen dat „[v]olgens de Deense regering [...] in Denemarken [...] sinds 1963 de regeling voorschrijft dat de aldaar geproduceerde feta wordt voorzien van een etiket met de woorden ‘Deense feta’”.
62 De bedoelde Deense regeling is dus geen maatregel die verzoeksters een specifiek recht verleent. Zij verplicht hen integendeel om de door hen in Denemarken geproduceerde en in de handel gebrachte fetakaas te voorzien van de vermelding „dansk”.
63 Verzoeksters kunnen derhalve niet met een beroep op de Deense regeling stellen, dat zij zich in een specifieke situatie bevinden op grond waarvan zij zouden moeten worden ontvangen in hun beroep tegen de bestreden verordening, zulks in tegenstelling tot alle andere producenten van feta in de Gemeenschap, met name in Frankrijk of Duitsland, die bij de productie en verhandeling van fetakaas niet gebonden zijn aan enig voorschrift betreffende de aanduiding van de geografische oorsprong van hun product.
64 Verzoeksters stellen ook dat de Deense regeling moet worden beschouwd als een regeling die een kwaliteitslabel invoert.
65 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat deze regeling blijkens het dossier niet is vastgesteld om eventuele bijzondere kwaliteiten van Deense feta te beschermen of onder de aandacht te brengen, doch beantwoordt aan de noodzaak een eerlijke en juiste voorlichting van de consument te verzekeren, door elk gevaar van verwarring met Griekse feta uit te sluiten. De Deense regeling schrijft overigens ook voor een hele reeks andere in Denemarken geproduceerde kaassoorten waarvan de historische oorsprong in andere lidstaten of in derde landen ligt (grana, munster, gouda, etc.), de toevoeging van het adjectief „Deens” voor.
66 Voorts hebben verzoeksters hun stelling dat de genoemde wettelijke regeling een kwaliteitslabel invoert, niet onderbouwd, noch de verenigbaarheid van een dergelijk label met de artikelen 28 EG en 30 EG weten aan te tonen. Uit de rechtspraak volgt immers dat het recht op een kwaliteitsaanduiding voor een product ? behoudens de voorschriften betreffende oorsprongsbenamingen en herkomstaanduidingen ? slechts kan afhangen van de objectieve wezenskenmerken waaruit de kwaliteit van het product ten opzichte van hetzelfde product van mindere kwaliteit voortvloeit, doch niet van de geografische locatie van deze of gene productiefase, en dat deze kwaliteitsaanduidingen niet mogen zijn gebonden aan de voorwaarde dat het productieproces van de betrokken producten in het binnenland plaatsvindt, doch uitsluitend aan de aanwezigheid van objectieve wezenskenmerken die de producten de wettelijk vereiste kwaliteit verlenen (zie in die zin arresten Hof van 12 oktober 1978, Eggers, 13/78, Jurispr. blz. 1935, punten 24 en 25; 5 november 2002, Commissie/Duitsland, C‑325/00, Jurispr. blz. I‑9977, en 6 maart 2003, Commissie/Frankrijk, C‑6/02, Jurispr. blz. I‑2389).
67 Zelfs al zou de genoemde Deense wettelijke regeling kunnen worden beschouwd als een regeling die een kwaliteitslabel invoert, dan zou dit feit alleen hoe dan ook niet volstaan om verzoeksters te individualiseren ten opzichte van elke andere fetaproducent die aan de in die regeling omschreven verplichtingen voldoet.
68 Dat verzoeksters niet over een specifiek recht beschikken, wordt overigens bevestigd door het feit dat hun situatie uitdrukkelijk op algemene en abstracte wijze is geregeld in artikel 13, lid 2, van de basisverordening, dat in een overgangsperiode voorziet die alle fabrikanten zonder onderscheid onder bepaalde voorwaarden voldoende tijd laat om eventuele schade te voorkomen (zie in die zin beschikking Alpenhain-Camembert-Werk e.a./Commissie, punt 53 hierboven, punt 66). Het feit dat verzoeksters onder deze overgangsregeling vallen, is dus onvoldoende om hen te individualiseren.
69 Wat in de tweede plaats verzoeksters bewering betreft dat zij worden geïndividualiseerd doordat zij een aanzienlijk gedeelte van de productie van fetakaas in de Europese Unie voor hun rekening nemen, kan worden volstaan met in herinnering te brengen dat de omstandigheid dat een onderneming een groot aandeel in de betrokken markt heeft, op zich niet voldoende is om haar ten opzichte van iedere andere door de bestreden verordening getroffen marktdeelnemer te karakteriseren (beschikkingen Gerecht van 9 november 1999, CSR Pampryl/Commissie, T‑114/99, Jurispr. blz. II‑3331, punt 46, en Alpenhain-Camembert-Werk e.a./Commissie, punt 52 hierboven, punt 58).
70 Wat in de derde plaats verzoeksters’ argument betreft dat zij worden geïndividualiseerd wegens de gevolgen die voor hen de registratie van de benaming „feta” ten gunste van de Griekse producenten uit mededingingsoogpunt heeft, herinnert het Gerecht eraan dat de omstandigheid dat een normatieve handeling uiteenlopende concrete gevolgen kan hebben voor de verschillende rechtssubjecten waarop zij van toepassing is, hen niet ten opzichte van alle andere betrokken marktdeelnemers karakteriseert, wanneer de toepassing van die handeling op grond van een objectief bepaalde situatie plaatsvindt, zoals in casu het geval is (arrest Gerecht van 22 februari 2000, ACAV e.a./Raad, T‑138/98, Jurispr. blz. II‑341, punt 66, en beschikking La Conqueste/Commissie, punt 44 hierboven, punt 37).
71 Bovendien heeft het Hof met zoveel woorden bevestigd dat de omstandigheid dat een verzoeker op het moment van vaststelling van een verordening houdende registratie van een oorsprongsbenaming, in een situatie verkeert die hem dwingt zijn productiestructuur aan te passen om aan de voorwaarden van die verordening te kunnen voldoen, onvoldoende grond is om hem als individueel geraakt te beschouwen op soortgelijke wijze als de adressaat van een handeling (beschikking La Conqueste/Commissie, punt 44 hierboven, punt 35).
72 Met betrekking tot, in de vierde plaats, verzoeksters’ bewering dat de Commissie bij de vaststelling van de verordening rekening diende te houden met hun situatie, kan uit de enkele vaststelling dat de Commissie zich op de hoogte dient te stellen van de negatieve gevolgen die de betrokken handeling voor bepaalde ondernemingen kan hebben, nog niet worden afgeleid dat deze ondernemingen individueel worden geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG (zie in die zin arrest Hof van 10 april 2003, Commissie/Nederlandse Antillen, C‑142/00 P, Jurispr. blz. I‑3483, punt 75).
73 Wat ten slotte het argument betreft dat verzoeksters ontlenen aan het vereiste van een effectieve rechterlijke bescherming, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat geen rechtstreeks beroep tot nietigverklaring bij de gemeenschapsrechter openstaat, ook al zou na een concreet onderzoek van de nationale regels van procesrecht door deze rechter blijken dat deze regels de particulier niet toestaan om een beroep in te stellen waarmee hij de geldigheid van de betwiste gemeenschapshandeling kan aanvechten (beschikking Hof van 12 december 2003, Bactria/Commissie, C‑258/02 P, Jurispr. blz. I‑15105, punt 58).
74 Bovendien heeft het Hof met betrekking tot de in artikel 230, vierde alinea, EG geformuleerde voorwaarde van individueel belang duidelijk uitgesproken, dat ofschoon deze voorwaarde moet worden uitgelegd in het licht van het beginsel van een effectieve rechterlijke bescherming en rekening houdend met de verschillende omstandigheden die een verzoeker kunnen individualiseren, een dergelijke uitlegging er niet toe mag leiden dat die uitdrukkelijk door het Verdrag gestelde voorwaarde een dode letter wordt, omdat de communautaire rechter daarmee de grenzen van de hem verleende bevoegdheden zou overschrijden. Bijgevolg kan een natuurlijke of rechtspersoon die niet aan deze voorwaarde voldoet, in geen geval een beroep tot nietigverklaring van een verordening instellen (arresten Hof van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677, punten 36, 37 en 39, en 1 april 2004, Commissie/Jégo-Quéré, C‑263/02 P, Jurispr. blz. I‑3425, punt 33).
75 Uit al het voorgaande volgt dat de Deense producenten van fetakaas niet kunnen worden geacht door de bestreden verordening individueel te worden geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.
76 Aangezien de verordening een normatieve maatregel is die verzoeksters niet treft op grond van bepaalde bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en daardoor individualiseert, is het beroep niet-ontvankelijk.
Kosten
77 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dat is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig het door de Commissie gevorderde worden verwezen in hun eigen kosten, alsmede in die van de Commissie.
78 Volgens artikel 87, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten. In casu moeten de Helleense Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland dus hun eigen kosten dragen.
79 Volgens artikel 87, lid 4, derde alinea, van het Reglement voor de procesvoering kunnen andere interveniërende partijen dan de lidstaten en de instellingen in hun eigen kosten worden verwezen. In casu moet dus worden beslist, dat SEV-GAP zijn eigen kosten zal dragen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoeksters zullen hun eigen kosten dragen, alsmede die van de Commissie.
3) De Helleense Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Syndesmos Ellinikon Viomichanion Galaktokomikon Proïonton (SEV-GAP) zullen hun eigen kosten dragen.
Luxemburg, 13 december 2005.
De griffier
De president van de Derde kamer
E. Coulon
M. Jaeger
* Procestaal: Deens.
Full & Egal Universal Law Academy