CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 25 mei 2004(1)
Zaak C-13/03 P
Tetra Laval BV
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Verordening (EEG) nr. 4064/89 – Beschikking tot scheiding van ondernemingen ingevolge beschikking waarbij concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard”
1. De onderhavige zaak betreft de hogere voorziening van de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 25 oktober 2002 (zaak T-80/02), waarbij de „beschikking van de Commissie van 30 januari 2002 tot vaststelling van maatregelen om een daadwerkelijke mededinging te herstellen overeenkomstig artikel 8, lid 4, van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad [van 21 december 1989] (zaak COMP/M.2416 – Tetra Laval/Sidel)” nietig is verklaard.
I – Rechtskader
2. Zoals bekend is, om bij te dragen tot de invoering van „een regime waardoor wordt verzekerd dat de mededinging binnen de interne markt niet wordt vervalst” (artikel 3, sub g, EG), bij verordening nr. 4064/89 van de Raad (hierna ook: „concentratieverordening” of „verordening”) (2) een controle ingesteld op concentraties met een communautaire dimensie (3) . Daartoe is in de verordening inzonderheid vastgesteld dat bedoelde concentraties van te voren moeten worden aangemeld bij de Commissie, die tot taak heeft aan de hand van de criteria van artikel 2 van de verordening na te gaan of zij al dan niet met de gemeenschappelijke markt verenigbaar zijn.
3. In casu moet eraan worden herinnerd dat concentraties met een communautaire dimensie krachtens artikel 7, lid 1, van de verordening niet tot stand kunnen worden gebracht vóór zij bij de Commissie zijn aangemeld en door haar uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn goedgekeurd. In lid 3 van dat artikel is evenwel bepaald dat dit „de totstandkoming [niet belet] van een openbaar overnemings- of ruilaanbod dat […] bij de Commissie is aangemeld, voorzover de verkrijger de aan de deelnemingen in het kapitaal verbonden stemrechten niet uitoefent dan wel slechts uitoefent om de volle waarde van zijn belegging te handhaven en op basis van een door de Commissie […] verleende ontheffing”.
4. Aangaande de beschikkingen die de Commissie kan geven, moet hier worden herinnerd aan artikel 8, lid 3, waarin is bepaald dat de Commissie, wanneer niet aan de criteria is voldaan, „een beschikking [geeft] waarbij verklaard wordt dat de concentratie onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt”. Lid 4 van voornoemd artikel bepaalt vervolgens dat „indien de concentratie reeds tot stand is gebracht, de Commissie in de overeenkomstig lid 3 gegeven beschikking of in een afzonderlijke beschikking de scheiding van de samengevoegde ondernemingen of vermogensbestanddelen, de beëindiging van de gemeenschappelijke controle of elke andere passende maatregel [kan] gelasten om weer een daadwerkelijke mededinging te herstellen”.
II – Feiten en procesverloop
De aangemelde concentratie en de door de Commissie gegeven beschikkingen
5. Uit de voorstelling van de feiten in het bestreden arrest komt het volgende als relevant naar voren:
„6. Op 27 maart 2001 deed Tetra Laval SA, een particuliere vennootschap naar Frans recht en voor 100 % eigendom van Tetra Laval BV, een financieringsvennootschap van de groep Tetra Laval (hierna: ‚Tetra’ of ‚verzoekster’), voor rekening van laatstgenoemde een openbaar bod op alle uitstaande aandelen in Sidel SA, een in Frankrijk aan de beurs genoteerde onderneming. Dezelfde dag verwierf Tetra Laval SA ongeveer 9,75 % van de aandelen in Sidel van Azeo (5,56 %) en van de directie van Sidel (4,19 %).
7. Op grond van het openbare aanbod verwierf Tetra ongeveer 81,3 % van de uitstaande aandelen van Sidel. Na sluiting van het aanbod verkreeg zij nog enkele aandelen, zodat zij thans ongeveer 95,20 % van de aandelen en 95,93 % van de stemrechten in Sidel bezit.
8. Op 18 mei 2001 werden de transacties waardoor Tetra haar deelneming in Sidel had verworven, bij de Commissie aangemeld. Overeenkomstig artikel 7, lid 3, van de verordening verbond verzoekster zich, de aan die aandelen verbonden stemrechten niet zonder uitdrukkelijke toestemming van de Commissie uit te oefenen.
9. Tussen partijen is onbetwist, dat het gaat om een concentratie in de zin van artikel 3, lid 1, sub b, van de verordening, die een communautaire dimensie heeft in de zin van artikel 1, lid 2, van de verordening.
10. Op 30 oktober 2001 gaf de Commissie een beschikking op de grondslag van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 4064/89 [C(2001) 3345 def. (zaak COMP/M.2416 – Tetra Laval/Sidel)] (hierna: ‚onverenigbaarheidsbeschikking’).
11. Artikel 1 van deze beschikking luidt als volgt:
‚De door Tetra Laval BV [...] op 18 mei 2001 bij de Commissie aangemelde concentratie, waardoor zij de uitsluitende zeggenschap over de vennootschap Sidel SA zou verkrijgen, wordt onverenigbaar verklaard met de gemeenschappelijke markt en met de werking van de EER-Overeenkomst.’
[…]
15. Op 30 januari 2002 gaf de Commissie krachtens artikel 8, lid 4, van de verordening een beschikking waarin maatregelen tot herstel van een daadwerkelijke mededinging werden uiteengezet (zaak COMP/M.2416 – Tetra Laval/Sidel) (hierna: ‚scheidingsbeschikking’). Bij deze […] beschikking wordt Tetra gelast zich van haar aandelen in Sidel te ontdoen, en worden de modaliteiten van de scheiding omschreven.
[…]”
De arresten van het Gerecht en de door de Commissie bij het Hof ingestelde hogere voorzieningen
6. Bij op 15 januari en 19 maart 2002 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften heeft Tetra beroep ingesteld tegen de beschikkingen.
7. Het Gerecht heeft over deze beroepen uitspraak gedaan bij twee arresten van 25 oktober 2002, waarbij het i) in zaak T‑5/02 de „onverenigbaarheidsbeschikking” nietig heeft verklaard, en ii) in zaak T‑80/02 de „scheidingsbeschikking” nietig heeft verklaard.
8. In het bijzonder oordeelde het Gerecht in dat tweede arrest – waartegen in de onderhavige zaak wordt opgekomen – dat „een scheidingsbeschikking die wordt gegeven ná de beschikking waarbij de concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard, onderstelt dat laatstgenoemde beschikking geldig is.” (4) Na in herinnering te hebben gebracht dat de onverenigbaarheidsbeschikking bij het arrest in de zaak T‑5/02 nietig was verklaard (5) , merkte het Gerecht vervolgens enkel op dat, „daar de onwettigheid van de onverenigbaarheidsbeschikking […] de onwettigheid van de scheidingsbeschikking met zich [bracht], de […] vordering tot nietigverklaring van laatstgenoemde beschikking [diende] te worden toegewezen”. (6)
9. Bij op 8 januari 2003 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift, heeft de Commissie hogere voorziening ingesteld tegen de twee arresten, strekkende tot de vernietiging ervan.
III – Juridische analyse
10. Tot staving van haar hogere voorziening in de onderhavige zaak betoogt de Commissie in wezen enkel dat, indien het Hof in zaak C‑12/03 het arrest van het Gerecht betreffende de „onverenigbaarheidsbeschikking” zou vernietigen, het eveneens het daarop gebaseerde arrest inzake de „scheidingsbeschikking” zou moeten vernietigen.
11. Gelet evenwel op het feit dat ik in zaak C‑12/03 heb voorgesteld de hogere voorziening van de Commissie af te wijzen, kan ik niet anders dan te concluderen dat ook de onderhavige hogere voorziening moet worden afgewezen, zonder dat de door Tetra in dat verband opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid behoeven te worden onderzocht. (7)
Kosten
12. Overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, en gezien mijn conclusie dat de hogere voorziening moet worden afgewezen, ben ik van mening dat de Commissie in de kosten moet worden verwezen.
IV – Conclusie
13. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging:
– de hogere voorziening af te wijzen;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – Verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 395, blz. 1) (een gerectificeerde versie is gepubliceerd in PB L 257 van 21 september 1990, blz. 13). Verordening nr. 4064/89 is gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1310/97 van de Raad van 30 juni 1997 (PB L 180, blz. 1).
3 – Het begrip „concentratie” wordt omschreven in artikel 3 van de verordening, terwijl in artikel 1, leden 2 en 3, is gepreciseerd wanneer een concentratie een „communautaire dimensie” heeft.
4 – Punt 37.
5 – Punt 41.
6 – Punt 42.
7 – Zie in dat verband de punten 51 en 52 van het arrest van het Hof van 26 februari 2002, Boehringer Ingelheim Vetmedica (C‑23/00 P, Jurispr. blz. I-1873), waaruit blijkt dat de gemeenschapsrechter een beroep of hogere voorziening om redenen van proceseconomie ten gronde kan verwerpen respectievelijk afwijzen, zonder dat hij uitspraak behoeft te doen over door de verwerende partij opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid.
Full & Egal Universal Law Academy