CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 28 oktober 2004 (1)
Zaak C‑15/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Republiek Oostenrijk
en
Zaak C‑92/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Republiek Portugal
„Richtlijn 75/439 – Verwijdering van afgewerkte olie – Behandeling van afgewerkte olie door regeneratie – Voorrang”
1. In deze zaken verwijt de Commissie van de Europese Gemeenschappen de Republiek Oostenrijk, respectievelijk de Republiek Portugal, dat zij de verplichtingen niet zijn nagekomen die op hen rusten krachtens artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie(2), zoals gewijzigd bij richtlijn 87/101/EEG(3) (hierna: „richtlijn”).
I – Rechtskader
A – Gemeenschapsrecht
2. Met het doel het milieu te beschermen „tegen de schadelijke invloeden veroorzaakt door het lozen, bewaren of behandelen van [afgewerkte] olie” (derde overweging van de considerans), heeft de Raad richtlijn 75/439 vastgesteld, krachtens welke de lidstaten verplicht zijn de nodige maatregelen te nemen teneinde het inzamelen en het onschadelijk verwijderen van afgewerkte olie te waarborgen.
3. Aangezien van de verschillende bestaande verwijderingstechnieken regeneratie, wegens de grotere „energiebesparingen”, „de meest rationele wijze van verwerking van afgewerkte olie” is (tweede overweging van de considerans), heeft de Raad richtlijn 87/101 tot wijziging van richtlijn 75/439 vastgesteld, teneinde voorrang te verlenen aan dit type behandeling.
4. Volgens de in de richtlijn gehanteerde definitie wordt onder regeneratie verstaan „elk procédé dat door middel van zuivering van afgewerkte olie, met name door afscheiding van verontreinigingen, oxidatieproducten en additieven, basisolie oplevert” (artikel 1, vierde streepje, van richtlijn 87/101).
5. In casu is met name artikel 3 van richtlijn 87/101 relevant, dat luidt:
„1. Wanneer beperkingen van technische, economische en organisatorische aard zich daar niet tegen verzetten, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om voorrang te geven aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie.
2. Wanneer de afgewerkte olie tengevolge van de in lid 1 genoemde beperkingen niet wordt geregenereerd, nemen de lidstaten maatregelen om ervoor te zorgen dat iedere verbranding van afgewerkte olie plaatsvindt op een uit milieu-oogpunt verantwoorde wijze, in overeenstemming met de bepalingen van deze richtlijn, op voorwaarde dat deze verbranding technisch, economisch en organisatorisch gezien uitvoerbaar is.
3. Wanneer de afgewerkte olie tengevolge van de in de leden 1 en 2 genoemde beperkingen noch gegenereerd, noch verbrand wordt, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om de onschadelijke vernietiging of de gecontroleerde opslag of bewaring op of in de bodem van de afgewerkte olie te waarborgen.”
B – Nationaal recht
De Oostenrijkse regelgeving
6. De verplichting om voorrang te geven aan regeneratie, als bepaald in artikel 3, lid 1, van de richtlijn, is in de Oostenrijkse rechtsorde omgezet bij § 1, lid 1, en § 22, lid 1, van het Abfallwirtschaftsgesetz 1990 (federale wet van 1990 betreffende het afvalstoffenbeheer; hierna: „AWG 1990”).(4)
7. Deze wet bepaalt in § 1:
„Het beheer van afvalstoffen is erop gericht
1. schadelijke of nadelige dan wel het menselijk welzijn anderszins aantastende gevolgen voor mensen, dieren, planten, hun levensomstandigheden en hun natuurlijk milieu zoveel mogelijk te verminderen;
2. grondstoffen‑ en energievoorraden [...] te ontzien.”(5)
8. § 22, lid 1, bepaalt:
„Recyclage van afgewerkte olie is enkel toegestaan wanneer het recyclage van stoffen (zuivering, be‑ of verwerking) of terugwinning van energie betreft.”(6)
9. Teneinde het aan regeneratie gehechte belang beter te doen uitkomen, heeft de Republiek Oostenrijk vervolgens de federale wet van 2002 betreffende het afvalstoffenbeheer aangenomen (Abfallwirtschaftsgesetz 2002; hierna: „AWG 2002”).(7) Deze wet is op 2 november 2002 in werking getreden en bepaalt in § 16, lid 3:
„Afgewerkte olie dient te worden gerecycleerd [...] wanneer het technisch mogelijk is om een basisolie te produceren uit afgewerkte olie in voor de eigenaar van de afvalstoffen rendabele omstandigheden, rekening houdend met de geproduceerde hoeveelheden, de wijze van transport en de daarmee gemoeide kosten. Wanneer de afgewerkte olie wordt gerecycleerd, mogen de aldus verkregen producten op basis van minerale oliën niet meer dan 5 ppm PCB’s/PCT’s en niet meer dan 0,03 % halogenen in verhouding tot de massa bevatten.”(8)
De Portugese regelgeving
10. Met het oog op de omzetting van de richtlijn in haar nationale rechtsorde heeft de Republiek Portugal de volgende regelgeving aangenomen:
– het Decreto-Lei nr. 88/91 van 23 februari 1991 dat de opslag, de inzameling en de verbranding van afgewerkte olie regelt;
– het ministerieel besluit nr. 240/92 van 25 maart 1992 houdende goedkeuring van de verordening inzake de verlening van vergunningen voor de inzameling, de opslag, de voorafgaande behandeling, de regeneratie, de terugwinning en de verbranding van afgewerkte olie;
– het ministerieel besluit nr. 1028/92 van 5 november 1992, dat de veiligheids‑ en identificatienormen voor het vervoer van afgewerkte olie vaststelt;
– het interministerieel besluit van de minister van Industrie en de minister van Milieu van 18 maart 1993 betreffende de toepassing van de verordening inzake de verlening van vergunningen voor het beheer van afgewerkte olie.
11. Met het oog op de wijziging van deze regelgeving hebben de Portugese autoriteiten op 19 maart 2001 een document, getiteld „Nieuwe nationale strategie voor het beheer van afgewerkte olie” goedgekeurd, waarin regeneratie als prioritaire doelstelling van het nieuwe beleid inzake het beheer van deze stoffen wordt genoemd.
II – Feiten en procesverloop
Zaak C‑15/03: Commissie/Oostenrijk
12. Nadat zij de antwoorden op een vragenlijst, opgesteld om na te gaan in hoeverre de richtlijn was omgezet, had onderzocht, zond de Commissie de Republiek Oostenrijk op 7 april 2001 een aanmaningsbrief waarin zij laatstgenoemde onder meer verweet artikel 3, lid 1, van de richtlijn niet in de nationale rechtsorde te hebben omgezet.
13. Na deze brief volgde op 21 december 2001 een met redenen omkleed advies.
14. Van oordeel dat de antwoorden en de uiteenzettingen van de Republiek Oostenrijk niet bevredigend waren, heeft de Commissie het Hof bij op 14 januari 2003 ingediend verzoekschrift verzocht vast te stellen dat „de Republiek Oostenrijk, door niet de nodige juridische en feitelijke maatregelen te nemen om voorrang te verlenen aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie wanneer beperkingen van technische, economische en organisatorische aard zich daar niet tegen verzetten, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439 [...].”
15. Bij beschikking van 17 juni 2003 zijn de Republiek Finland en het Verenigd Koninkrijk in de onderhavige zaak toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Republiek Oostenrijk, overeenkomstig artikel 93, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.
16. De Commissie en de Republiek Oostenrijk zijn ter terechtzitting van 16 september 2004 gehoord.
Zaak C‑92/03: Commissie/Portugal
17. Bij aanmaningsbrief van 11 april 2001 heeft de Commissie ook de Republiek Portugal erop gewezen dat zij artikel 3, lid 1, van de richtlijn niet had omgezet.
18. De door Portugal verschafte gegevens en ingediende opmerkingen werden door de Commissie evenmin overtuigend geacht, zodat zij de procedure heeft voortgezet door op 24 oktober 2001 een met redenen omkleed advies uit te brengen, op 21 december 2001 gevolgd door een aanvullend met redenen omkleed advies.
19. Evenals ten aanzien van de Republiek Oostenrijk heeft de Commissie ten slotte op 28 februari 2003 een verzoekschrift ingediend waarin zij het Hof verzocht vast te stellen dat „de Portugese Republiek, door niet de maatregelen te nemen die nodig zijn om voorrang te geven aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie wanneer beperkingen van technische, economische en organisatorische aard zich daar niet tegen verzetten, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439 [...], zoals gewijzigd bij richtlijn 87/101 [...]”.
20. Bij beschikking van het Hof van 11 september 2003 is de Republiek Finland ook in deze zaak toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Portugese Republiek.
III – Juridische analyse
21. Zoals we hebben gezien, formuleert de Commissie in beide zaken tegen de verwerende staten slechts één enkele grief, te weten dat zij niet de krachtens artikel 3, lid 1, van de richtlijn nodige maatregelen hebben genomen om voorrang te verlenen aan de behandeling van afgewerkte olie door middel van regeneratie.
22. Aangezien de gronden waarop deze grief berust en de daartegen aangevoerde verweermiddelen grotendeels samenvallen, zal ik de twee zaken gezamenlijk onderzoeken en daarbij – voorzover nodig – de aandacht vestigen op de bijzonderheden van elke zaak.
23. In de eerste plaats lijkt het mij echter nuttig te herinneren aan de arresten Commissie/Duitsland en Commissie/Verenigd Koninkrijk(9), waarin het Hof zich al heeft uitgesproken over de reikwijdte van de verplichting van artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439. Mijns inziens kunnen namelijk aan deze arresten beginselen worden ontleend die voor de beantwoording van de vragen die in de onderhavige zaken een rol spelen, van nut zijn.
24. In de twee aangehaalde arresten heeft het Hof om te beginnen de reikwijdte verduidelijkt van de „verwijzing naar ‚beperkingen van technische, economische en organisatorische aard’ in artikel 3, lid 1, van de richtlijn” als mogelijke beperking van de verplichting van de lidstaten om de voorrang van de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie te verzekeren.
25. Het Hof is van oordeel dat deze verwijzing „deel uitmaakt van een bepaling waarbij de lidstaten in algemene bewoordingen een verplichting wordt opgelegd”. Daarmee heeft „de gemeenschapswetgever niet [...] willen voorzien in beperkte uitzonderingen op een regel die van algemene toepassing is”, maar „de werkingssfeer en de inhoud [...] willen vastleggen van een positieve verplichting, namelijk te waarborgen dat de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie voorrang krijgt”.(10)
26. Het Hof heeft derhalve uitgesloten dat „de technische, economische en organisatorische situatie in een lidstaat noodzakelijkerwijs een beperking is die zich verzet tegen de vaststelling van de maatregelen als bedoeld in artikel 3, lid 1”. Een dergelijke uitlegging zou er immers op neerkomen „dat aan die bepaling elke nuttige werking wordt ontnomen, aangezien de verplichting van de lidstaten zich zou beperken tot de handhaving van de status-quo, zodat er geen reële verplichting zou zijn om de nodige maatregelen te treffen ten gunste van de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie”.(11)
27. Met betrekking tot de vraag over welke maatregelen het gaat, heeft het Hof beslist „dat het niet aan [hem] staat [dit] te bepalen.” Het behoort daarentegen wél tot zijn bevoegdheden „te onderzoeken of het mogelijk was maatregelen te treffen die voorrang geven aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie en die voldoen aan het criterium dat die maatregelen vanuit technisch, economisch en organisatorisch oogpunt haalbaar moeten zijn”.(12)
28. In het kader van dit onderzoek heeft het Hof in de twee bij hem aanhangige zaken vastgesteld, dat het voor de naleving van de in artikel 3, lid 1, van de richtlijn neergelegde verplichting niet volstaat „een algemene juridische context die [...] de voorwaarden voor een behandeling door regeneratie creëert”(13) te scheppen of „onderzoeken uit [te] voeren en rapporten op [te] stellen om de modaliteiten voor de verwijdering van afgewerkte olie vast te leggen”.(14)
29. Vervolgens moeten binnen de reeds genoemde beperkingen van technische, economische en organisatorische aard, „concrete maatregelen [worden genomen] om te waarborgen dat voorrang wordt gegeven aan regeneratie”.(15) Dit kunnen zowel „dwingende” als „stimulerende maatregelen”(16) zijn en zij kunnen zelfs de vorm aannemen van vergoedingen om de regeneratie te stimuleren, zoals toegestaan bij artikel 14 van de richtlijn, of van een specifieke belasting, die eveneens is toegestaan, namelijk bij artikel 15 van die richtlijn.(17)
30. In het licht van de hierboven uiteengezette beginselen moeten de door de Commissie en de verwerende regeringen in de onderhavige zaak aangevoerde argumenten dus worden onderzocht.
31. De Republiek Oostenrijk en de Republiek Portugal, op dit punt ondersteund door de Finse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk, beroepen zich nu juist op het feit dat de verplichting om de voorrang van regeneratie te verzekeren, volgens de richtlijn afhangt van de afwezigheid van „beperkingen van technische, economische en organisatorische aard”. Volgens de verwerende regeringen bestaan er in hun respectieve landen beperkingen van dit type die hen ertoe dwingen gebruik te maken van de andere behandelingen van afgewerkte olie (verbranding, vernietiging of opslag), die de richtlijn subsidiair toestaat.
32. Volgens de Oostenrijkse regering was het inzonderheid wegens de geringe hoeveelheid in Oostenrijk ingezamelde afgewerkte olie voor de staat noch voor particulieren rendabel om in regeneratie-installaties te investeren.
33. Deze beperking zou ook in Portugal bestaan en volgens de Portugese regering is de situatie zelfs nog verslechterd door de regeling van het vrije verkeer van afvalstoffen van verordening (EEG) nr. 259/93.(18) Volgens deze regering kunnen de Portugese autoriteiten zich namelijk krachtens deze verordening niet verzetten tegen de overbrenging van afgewerkte olie en hun verbranding naar installaties in andere lidstaten. Hierdoor wordt de mogelijkheid om de op zich reeds beperkte hoeveelheid afgewerkte olie in nationale installaties te regenereren, nog geringer en de exploitatie door particulieren dus nog moeilijker en minder aantrekkelijk.
34. Volgens de Portugese regering beschikt zij bij de huidige stand van zaken niet over voldoende geavanceerde technologieën om geregenereerde olie van hoge kwaliteit te produceren die met basisolie kan concurreren, nog daargelaten dat het aanbod daarvan al groter is dan de vraag.
35. Ik ben het evenwel met de Commissie eens wanneer zij verwijst naar de reeds aangehaalde rechtspraak en opmerkt dat de door de verwerende regeringen aangevoerde omstandigheden (de geringe hoeveelheid ingezamelde afgewerkte olie en de geringe efficiency van de beschikbare technologieën) deel uitmaken van de „bestaande technische, economische en organisatorische situatie” in die landen en derhalve op zich niet beschouwd kunnen worden als een „beperking” die de uit artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439 voortvloeiende verplichting opheft.
36. Zoals dit terecht in de reeds aangehaalde rechtspraak is vastgesteld, zou deze bepaling immers, indien haar reikwijdte kon worden beperkt tot de handhaving van de bestaande situatie, van haar inhoud worden beroofd, zodat er van de „positieve” verplichting van de lidstaten om de nodige maatregelen te treffen teneinde de voorrang van regeneratie te verzekeren, niets of bijna niets zou overblijven. Deze „positieve” verplichting geldt echter uiteraard eveneens voor „kleine” staten, ondanks hun geringere productie van afgewerkte olie.
37. Volgens de door het Hof ontwikkelde toets moet bijgevolg niet worden nagegaan of de in Oostenrijk en Portugal bestaande situatie regeneratie al dan niet winstgevend maakt, maar of deze staten zich hebben ingespannen om de bestaande moeilijkheden te overwinnen teneinde de toepassing bij voorrang van deze behandeling economisch rendabel (of althans acceptabel) te maken. Anders gezegd, om de door het Hof zelf gebezigde formulering over te nemen, er moet worden vastgesteld of de lidstaten die de mogelijkheid daartoe hadden, „positieve maatregelen” hebben getroffen teneinde voorrang te verlenen aan de behandeling door regeneratie, door een „wettelijk kader” vast te stellen dat de noodzakelijke voorwaarden daartoe waarborgt en door bovendien „concrete maatregelen” te treffen met het oog op de verwezenlijking van die voorrang.
38. Afgezien van de in hun respectieve landen bestaande problemen, menen zowel de Republiek Oostenrijk als de Republiek Portugal dat zij maatregelen hebben getroffen die aan deze criteria beantwoorden.
39. Met name de Oostenrijkse regering bevestigt dat de voorrang van regeneratie in de nationale rechtsorde wordt verzekerd door § 22, lid 1, AWG 1990, die voorziet in de recyclage van afgewerkte olie, juncto § 1, lid 1, van diezelfde wet, volgens welke het beheer van afvalstoffen erop gericht moet zijn, de bestaande voorraden van grondstoffen en energie te ontzien. Deze voorrang komt in het AWG 2002 nog duidelijker tot uiting, aangezien deze wet de toepassing van dit procédé voorschrijft wanneer dit voor de houder van de olie technisch mogelijk en economisch rendabel is.
40. Dezelfde regering voert bovendien aan, dat de voorrang van voornoemde behandeling eveneens wordt bevorderd door concrete maatregelen, zoals de ontwikkeling van projecten bestemd om regeneratie in ondernemingen te bevorderen en de vaststelling, in het kader van maatregelen ter bescherming van het milieu, van financiële maatregelen ten behoeve van de verwijdering en terugwinning van gevaarlijke afvalstoffen, waarop eveneens een beroep kan worden gedaan ter verwijdering van afgewerkte olie.
41. Daarentegen erkent de Portugese regering dat een wijziging van de relevante nationale wetgeving noodzakelijk is. Nochtans meent zij alle vereiste maatregelen te hebben getroffen om aan regeneratie voorrang te verlenen, namelijk door de goedkeuring van het document „Nieuwe nationale strategie voor het beheer van afgewerkte olie”, waarin het algemene kader voor genoemde wijziging is vastgelegd.
42. Mijns inziens weerleggen deze argumenten de bezwaren van de Commissie echter niet op afdoende wijze.
43. Om met de Republiek Oostenrijk te beginnen, deze heeft zich ten behoeve van haar verweer vooral beroepen op het AWG 2002. Zonder de op dit punt aangevoerde argumenten, die overigens door de Commissie worden betwist, ten gronde te onderzoeken, beperk ik mij hier tot de opmerking dat deze wet pas op 2 november 2002 in werking is getreden, dat wil zeggen toen de in het met redenen omklede advies van 21 december 2001 gestelde termijn van twee maanden sinds geruime tijd was verstreken.
44. Zoals echter bekend, moet volgens vaste rechtspraak „het bestaan van een niet-nakoming [...] worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn”.(19) Dit betekent dat in de onderhavige zaak alleen van belang zijn § 1, lid 1, en § 22, lid 1, van het AWG 1990, dat van kracht was toen de Commissie haar bezwaren heeft geformuleerd.
45. Gelet dus op deze bepalingen, stel ik met de Commissie vast dat zij geen geschikte juridische context vormen om de voorrang van regeneratie te verzekeren. Deze bepalingen staan namelijk toe dat afgewerkte olie wordt verwijderd via recyclage „of” terugwinning van energie, en zij behandelen derhalve regeneratie en verbranding op gelijke voet, hetgeen in strijd is met de in de richtlijn vastgelegde rangorde.
46. Deze dubbelzinnigheid van de Oostenrijkse wetgeving komt mijns inziens eveneens terug in de door deze staat getroffen „concrete maatregelen”. De door de Oostenrijkse regering aangevoerde financiële maatregelen zijn immers niet specifiek gericht op de bevordering van regeneratie, omdat zij van toepassing zijn op elke methode van verwijdering of terugwinning van gevaarlijke afvalstoffen.
47. Wat vervolgens de door de Oostenrijkse regering aangevoerde regeneratieprojecten in ondernemingen betreft, komt het mij voor dat zij bij gebreke van een normatief kader dat deze projecten dwingend voorschrijft of van specifieke financiële maatregelen die ze ondersteunen ten nadele van andere behandelingen, in werkelijkheid voor de marktdeelnemers slechts een alternatief vormen bij de nuttige toepassing van afgewerkte olie, dat bovendien technisch ingewikkeld en kostbaar is.
48. Wat ten slotte de positie van de Republiek Portugal aangaat, ben ik van mening dat deze regering de door de Commissie geformuleerde grief betreffende het tekortschieten van de nationale regelgeving niet serieus heeft betwist. De Portugese regering erkent immers zelf de noodzaak van een „wijziging van de wetgeving [...] om de voorwaarden te creëren die nodig zijn om daadwerkelijk voorrang te geven aan regeneratie” en geeft zelf toe, dat het desbetreffende project „nog door de regering moet worden goedgekeurd”.(20)
49. Anderzijds kan niet worden gesteld dat het opstellen van het document „Nieuwe nationale strategie voor het beheer van afgewerkte olie” volstaat om in deze leemten te voorzien. Het betreft namelijk een document van puur programmatische aard, dat zich ertoe beperkt de eventuele normatieve en concrete maatregelen, die pas in de toekomst door de Portugese regering zullen worden getroffen, te bestuderen en te definiëren.(21)
50. Kortom, naar mijn mening heeft de Republiek Portugal tot op heden geen enkele actie ondernomen om de verplichting van artikel 3, lid 1, van de richtlijn om te zetten.
51. In deze omstandigheden faalt derhalve het betoog van de Portugese regering dat het beheer van regeneratie-installaties door particulieren in Portugal weinig rendabel is wegens het stelsel van het vrije verkeer van afvalstoffen zoals ingevoerd bij verordening nr. 259/93 (zie boven, punt 33). Dit geldt temeer daar artikel 7, lid 4, sub a, tweede streepje, van deze verordening de bevoegde nationale autoriteiten het recht verleent bezwaar te maken tegen de overbrenging van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen naar een andere lidstaat, „indien de overbrenging niet in overeenstemming is met de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake milieubescherming [...]”.
52. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, zou de Republiek Portugal, indien zij, zoals de richtlijn voorschreef, aan regeneratie de voorrang had gegeven boven verbranding, bezwaar hebben kunnen maken tegen de overbrenging van deze afvalstoffen naar andere landen van de Gemeenschap. Indien dergelijke voorschriften hadden bestaan, zou de uitvoer van afgewerkte olie met het oog op verbranding in strijd zijn geweest met nationale milieubeschermingsbepalingen en had daartegen dus overeenkomstig voornoemde bepaling bezwaar kunnen worden gemaakt. Welbeschouwd is de onmogelijkheid om op deze bepaling een beroep te doen dan ook niet de oorzaak maar het gevolg van het feit dat de Portugese Republiek de krachtens de richtlijn op haar rustende verplichtingen nog steeds niet is nagekomen.
53. Op grond van bovenstaande overwegingen ben ik derhalve van mening, dat de door de Commissie jegens de verwerende regeringen geformuleerde grief gegrond is en dat het Hof dient vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk en de Republiek Portugal, door niet de nodige maatregelen te treffen om voorrang te verlenen aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie ofschoon technische, economische en organisatorische beperkingen zich daartegen niet verzetten, de op hen krachtens artikel 3, lid 1, van de richtlijn rustende verplichtingen niet zijn nagekomen.
IV – Kosten
54. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien ik, zoals gezegd, van mening ben dat de Republiek Oostenrijk en de Republiek Portugal in het ongelijk moeten worden gesteld, geef ik het Hof in overweging hen overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te verwijzen.
V – Conclusie
55. Mitsdien geef ik het Hof in overweging vast te stellen:
– in zaak C‑15/03
„1) Door niet de juridische en feitelijke maatregelen te nemen die nodig zijn om voorrang te verlenen aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie wanneer beperkingen van technische, economische en organisatorische aard zich daar niet tegen verzetten, is de Republiek Oostenrijk de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie.
2) De Republiek Oostenrijk wordt verwezen in de kosten.”
– in zaak C‑92/03
„1) Door niet de nodige maatregelen te nemen om voorrang te verlenen aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie wanneer beperkingen van technische, economische en administratieve aard zich daartegen niet verzetten, is de Portugese Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439, zoals gewijzigd bij richtlijn 87/101/EEG van de Raad van 22 december 1986.
2) De Portugese Republiek wordt verwezen in de kosten.”
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – PB L 194, blz. 23.
3 – Richtlijn van de Raad van 22 december 1986 tot wijziging van richtlijn 75/439/EEG inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PB L 42, blz. 43).
4 – BGBl. 325/1990.
5 – Vrije vertaling.
6 – Vrije vertaling.
7 – BGBl. I 102/2002.
8 – Vrije vertaling.
9 – Arresten van 9 september 1999, Commissie/Duitsland (C‑102/97, Jurispr. blz. I‑5051), en 15 juli 2004, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑424/02, nog niet in de Jurisprudentie gepubliceerd).
10 – Arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punt 20. Cursivering van mij.
11 – Ibidem, punt 22.
12 – Ibidem, punt 24.
13 – Arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 34.
14 – Arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punten 25 en 26.
15 – Ibidem, punt 25.
16 – Arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 34.
17 – Ibidem, punten 45 en 46.
18 – Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PB L 30, blz. 1).
19 – Zie inzonderheid arresten van 15 maart 2001, Commissie/Frankrijk (C‑147/00, Jurispr. blz. I‑2387, punt 26); 4 juli 2002, Commissie/Griekenland (C‑173/01, Jurispr. blz. I‑6129, punt 7), en 10 april 2003, Commissie/Frankrijk (C‑114/02, Jurispr. blz. I‑3783, punt 9).
20 – Zie verweerschrift, punt 48. Niet-officiële vertaling.
21 – Zie bijlage V bij het verzoekschrift van de Commissie, blz. 10‑12.
Full & Egal Universal Law Academy