CONCLUSIE VAN ADVOCAAT‑GENERAAL
M. POIARES MADURO
van 25 maart 2004 (1)
Zaak C‑19/03
Verbraucher-Zentrale Hamburg e.V.
tegen
02 (Germany) GmbH & Co. OHG
[Verzoek van het Landgericht München (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Economisch en monetair beleid – Uitlegging van artikel 5 van verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro – Omrekening tussen nationale munteenheden en euro-eenheid – Continuïteit van overeenkomsten in de telecommunicatiesector – Afronding van geldbedragen na omrekening – Begrip ‚te betalen of te boeken geldbedrag’ – Tarifering per minuut van telefoongesprekken”
1. Het Landgericht München verzoekt het Hof om uitlegging van verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro(2) (hierna: „verordening nr. 1103/97”). De komst van de euro heeft een bijzondere uitwerking gehad op het dagelijks leven van alle economische subjecten in de euro-zone. Het Landgericht München wil in wezen weten of de in euro omgerekende geldbedragen met betrekking tot telecommunicatietarieven die in een prijs per minuut zijn uitgedrukt, mogen of moeten worden afgerond op de dichtstbijzijnde cent dan wel of het omgerekende bedrag nauwkeuriger dan op de dichtstbijzijnde cent moet worden uitgedrukt. Het antwoord op deze vraag kan van invloed zijn op een groot aantal overeenkomsten, met name in lidstaten die aan de eenheidsmunt deelnemen en waarin de waarde van de kleinste onderverdeling van de nationale munt – vaak gebruikt bij de vermelding van prijzen per eenheid in overeenkomsten voor de levering van goederen en diensten zoals elektriciteit, telecommunicatie of motorbrandstof – lager is dan de kleinste ondereenheid van de euro (de cent). Bovendien zij erop gewezen dat de problemen die in de onderhavige zaak zijn gerezen, zich wellicht telkens weer zullen voordoen wanneer een lidstaat tot de gemeenschappelijke munt toetreedt.
I – De feiten van het hoofdgeding en de aan het Hof voorgelegde vragen
2. Verweerster in het hoofdgeding, O2 (Germany) GmbH & Co. OHG (hierna: „O2”), voorheen – tot in april 2002 – VIAG INTERCOM GmbH & Co., is een in München (Bondsrepubliek Duitsland) gevestigde vennootschap die een mobieletelefoonnetwerk exploiteert. In de zomer van 2001 heeft O2 haar overeenkomsten op het gebied van de mobiele telefonie van Duitse mark (DEM) in euro omgezet. De in deze overeenkomsten vermelde tarieven waren gebaseerd op een in DEM uitgedrukte prijs per minuut. De overeenkomsten bepaalden eveneens dat het factuurbedrag voor elk afzonderlijk telefoongesprek per telpuls van 10 seconden werd berekend.
3. O2 heeft de verschillende prijzen per minuut omgezet op basis van de omrekeningskoers vastgesteld in artikel 1 van verordening (EG) nr. 2866/98 van de Raad van 31 december 1998 over de omrekeningskoersen tussen de euro en de munteenheden van de lidstaten die de euro aannemen(3), dat bepaalt dat één euro overeenkomt met 1,95583 DEM. O2 heeft vervolgens afgerond op de dichtstbijzijnde cent overeenkomstig de eerste volzin van artikel 5 van verordening nr. 1103/97, die voorschrijft dat de te betalen of te boeken geldbedragen na omrekening in de euro-eenheid naar boven of naar beneden op de dichtstbijzijnde cent worden afgerond.
4. Volgens het door het Landgericht München verstrekte voorbeeld heeft verweerster voor telefoongesprekken na 21 uur naar het vaste net in het kader van het tarief „Genion Home” de prijs per minuut van 0,05 DEM volgens de vaste koers omgezet in 0,02556 EUR en vervolgens afgerond op 0,03 EUR (de dichtstbijzijnde cent), zulks overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 1103/97. Zodoende bedroegen voortaan de kosten van een telefoongesprek van 10 minuten 0,30 EUR (overeenkomend met 0,59 DEM) in plaats van 0,50 DEM (overeenkomend met 0,26 EUR), zoals voordien.
5. Nadat de Verbraucher-Zentrale Hamburg e.V. (hierna: „Verbraucher‑Zentrale”) – een organisatie die bevoegd is om in rechte op te treden tegen inbreuken op de consumentenbeschermingswetgeving – had vastgesteld dat consumenten die na 21 uur tegen dit tarief per minuut naar het vaste net telefoneerden, deze hogere prijs moesten betalen, heeft zij een vordering voor het Landgericht ingesteld. Zij stelde in wezen dat de eenzijdige beslissing van verweerster om de litigieuze wijze van omrekening en afronding te gebruiken inbreuk maakte op de beginselen van continuïteit van contracten en van de grootst mogelijke nauwkeurigheid bij de omrekening die aan de verordeningen ter invoering van de euro ten grondslag liggen.
6. Het Landgericht is de mening toegedaan dat het ter beoordeling van de verenigbaarheid van de door O2 toegepaste wijze van omrekening en afronding met verordening nr. 1103/97 van wezenlijk belang is dat het Hof op de volgende twee vragen antwoordt:
„1) Moet artikel 5, eerste volzin, van verordening nr. 1103/97 aldus worden uitgelegd, dat bij een privaatrechtelijke contractuele relatie enkel het eindbedrag van een factuur of een in de factuur opgenomen individueel bedrag mag of moet worden afgerond, of is een ook contractueel vastgelegde prijs per eenheid/tarief (hier: prijs per minuut) een te betalen en te boeken bedrag in de zin van genoemde bepaling? Is het voor de beantwoording van de vraag of een tarief een te betalen of te boeken bedrag in de zin van artikel 5 van verordening nr. 1103/97 is, beslissend dat dit tarief bestaat uit een bepaald veelvoud (hier: zesvoud) van de eenheid op basis waarvan het eindbedrag van de factuur wordt berekend (hier: telpuls van tien seconden), dan wel of het tarief in de ogen van de consument de bepalende rekeneenheid is?
2) Moet verordening nr. 1103/97 (met name artikel 5) aldus worden uitgelegd, dat deze een uitputtende regeling bevat op grond waarvan de andere dan de te betalen of te boeken bedragen (indien deze bestaan) niet op de in artikel 5 beschreven wijze mogen worden afgerond, zodat deze bedragen verder in de tot dan toe geldende nationale munteenheid moeten worden vermeld, of anders het resultaat van de omrekening nauwkeurig moet worden vermeld?”
7. Voor de beantwoording van deze vragen moeten met name de volgende gemeenschapsrechtelijke bepalingen worden uitgelegd.
8. Artikel 3 van verordening nr. 1103/97 bepaalt:
„De invoering van de euro heeft niet ten gevolge dat wijziging wordt gebracht in enige bepaling in een rechtsinstrument of dat een partij wordt ontslagen of ontheven van de uitvoering van enig rechtsinstrument, en geeft een partij niet het recht een rechtsinstrument eenzijdig te wijzigen of te beëindigen. Partijen mogen bij overeenkomst afwijken van deze bepaling.”
9. Artikel 1 van verordening nr. 1103/97 bepaalt dat voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder
„‚rechtsinstrumenten’: wettelijke en reglementaire bepalingen, bestuursakten, rechterlijke uitspraken, contracten, eenzijdige rechtsakten, betaalmiddelen anders dan bankbiljetten en muntstukken, alsmede andere instrumenten die rechtsgevolgen hebben”.
10. Artikel 4 van verordening nr. 1103/97 luidt:
„1. De omrekeningskoersen worden vastgesteld als één euro, uitgedrukt in de afzonderlijke nationale munteenheden van de deelnemende lidstaten. Deze koersen worden vastgesteld in zes significante cijfers.
2. Bij omrekeningen worden de omrekeningskoersen niet afgerond of verkort.
3. De omrekeningskoersen worden gebruikt voor omrekening van de euro-eenheid naar de nationale munteenheden en vice versa. Inverse koersen, die van de omrekeningskoersen zijn afgeleid, mogen niet worden gebruikt.
4. Geldbedragen die van de ene in de andere nationale munteenheid moeten worden omgerekend, moeten eerst worden omgerekend in een geldbedrag in euro, dat op niet minder dan drie decimalen wordt afgerond en vervolgens wordt omgerekend in de andere nationale munteenheid. Alternatieve berekeningsmethoden mogen niet gebruikt worden, tenzij zij tot dezelfde resultaten leiden.”
11. Artikel 5 van verordening nr. 1103/97 bepaalt ten slotte:
„Te betalen of te boeken geldbedragen die na omrekening in de euro-eenheid volgens artikel 4 afgerond worden, moeten naar boven of naar beneden worden afgerond op de dichtstbijzijnde cent. Te betalen of te boeken geldbedragen die in een nationale munteenheid worden omgerekend, moeten naar boven of naar beneden worden afgerond op de dichtstbijzijnde ondereenheid of, indien die niet bestaat, op de dichtstbijzijnde eenheid, of naar de nationale wetgeving of het nationaal gebruik op een veelvoud of fractie van de ondereenheid of eenheid van de nationale munt. Als toepassing van de omrekeningskoers tot een resultaat leidt dat precies de helft van een (onder)eenheid is, wordt het bedrag naar boven afgerond.”
12. O2 en de Commissie hebben mondelinge en schriftelijke opmerkingen gemaakt. Ik zal ernaar verwijzen wanneer ik de door de nationale rechter opgeworpen rechtsvragen behandel.
II – Beoordeling
A – Inleidende opmerkingen
13. Aanleiding tot het verzoek om een prejudiciële beslissing is het feit dat de omrekening van een prijs per minuut van 0,05 DEM – contractueel overeengekomen voor bepaalde telefoongesprekken – en de afronding ervan op 0,03 EUR ertoe leiden, dat reeds een gesprek van 2 minuten de consument die voor dit specifieke tarief heeft gekozen één pfennig (0,01 DEM) meer kost dan vóór de omrekening. Hoe langer het telefoongesprek tegen dit speciale tarief duurt, hoe hoger het extra te betalen bedrag wordt. Een gesprek van 10 minuten bijvoorbeeld kost 9 pfennig (0,09 DEM) meer dan vóór de invoering van de eenheidsmunt. Dit is omgerekend 0,05 EUR. Aangezien de telecommunicatietarieven en andere prijzen in langetermijncontracten van tijd tot tijd worden verhoogd, zou een dergelijke verhoging niet zeer opmerkelijk zijn indien deze niet uitsluitend het gevolg was van de omrekening in euro van een voorheen in DEM uitgedrukt bedrag. Met andere woorden, de oorzaak van het probleem is dat de verhoging van het te betalen bedrag niet wordt voorgesteld als een uitdrukkelijke prijsverhoging, maar integendeel wordt gemaskeerd door de omrekening, die geacht wordt neutraal te zijn ten opzichte van contractueel overeengekomen prijzen.
14. Er zij om te beginnen op gewezen dat de omrekening van geldbedragen, zoals contractueel overeengekomen prijzen per minuut, uiterlijk aan het eind van de „overgangsperiode” dient te geschieden. Volgens artikel 1 van verordening (EG) nr. 974/98 van de Raad van 3 mei 1998 over de invoering van de euro(4) (hierna: „verordening nr. 974/98”) is dit „de periode die ingaat op 1 januari 1999 en eindigt op 31 december 2001”.
15. Dergelijke geldbedragen dienen in de eerste plaats op basis van het met name in artikel 14 van verordening nr. 974/98 neergelegde beginsel van de wettelijke gelijkwaardigheid van de euro met de nationale munteenheden te worden omgerekend. Deze bepaling luidt: „Verwijzingen naar de nationale munteenheden in rechtsinstrumenten die aan het einde van de overgangsperiode bestaan, worden gelezen als verwijzingen naar de euro-eenheid, overeenkomstig de respectieve omrekeningskoersen.”(5) In de tweede plaats is de noodzaak van omrekening van prijzen als tarieven per minuut die contractueel zijn overeengekomen, een gevolg van het beginsel dat de euro na afloop van de overgangsperiode als enig wettig betaalmiddel moet worden gebruikt.(6)
16. Daarmee is het laatste deel van de tweede vraag van het Landgericht impliciet beantwoord. Om na de overgangsperiode nog de verschillende tarieven per minuut in DEM te vermelden, was voor O2 geen aanvaardbaar alternatief. De Commissie en O2 zijn het hierover eens.
17. Er moet nu nog vastgesteld worden – en dat is de kern van het probleem waarvoor het Landgericht aan het Hof een oplossing vraagt – of verordening nr. 1103/97 een verhoging toestaat van de bedragen die de consument die voor een bepaald tarief heeft geopteerd uiteindelijk moet betalen, wanneer die verhoging louter het resultaat is van de omrekening in euro van de overeengekomen prijs per minuut, die eerst in een nationale munteenheid was uitgedrukt, en van de daaropvolgende afronding naar de dichtstbijzijnde cent.
18. Indien de conclusie luidt dat artikel 5 van verordening nr. 1103/97 voorschrijft dat de prijzen per minuut volgens de daarin vervatte regels worden afgerond, dan is de door O2 toegepaste wijze van omrekening en afronding toelaatbaar, zulks ondanks de negatieve gevolgen voor de consument die voor een bepaald tarief heeft gekozen, zoals de prijs per minuut van 0,05 DEM voor gesprekken met het vaste net na 21 uur. Indien daarentegen ervan wordt uitgegaan dat artikel 5 niet naar deze bedragen verwijst, dan behoeven deze niet op grond van dit artikel op de dichtstbijzijnde cent te worden afgerond; de vraag blijft echter of O2 desondanks eenzijdig tot een dergelijke afronding mocht overgaan. Er zijn drie antwoorden mogelijk. Ten eerste, verordening nr. 1103/97 verbiedt niet uitdrukkelijk dat andere bedragen dan die welke onder artikel 5 vallen, worden afgerond, zoals O2 subsidiair betoogt; de toegepaste afrondingsmethode is derhalve in overeenstemming met de verordening. Ten tweede, verordening nr. 1103/97 vereist, zoals de Verbraucher‑Zentrale stelt, uiterste nauwkeurigheid bij de omrekening van geldbedragen die niet onder artikel 5 vallen; de toegepaste wijze van afronding is dus niet met de verordening verenigbaar. Ten derde, verordening nr. 1103/97 sluit weliswaar de afronding van andere geldbedragen dan die welke onder artikel 5 vallen niet uit, maar onderwerpt ze aan bepaalde beperkingen.
19. Ter beantwoording van deze kernvragen zal ik eerst ingaan op de door verordening 1103/97 nagestreefde doelstellingen en de context waarin zij is vastgesteld. Daarna zal ik de grondregel van de continuïteit van de rechtsinstrumenten zoals bedoeld in artikel 3 van verordening nr. 1103/97 behandelen. Ik zal uiteenzetten dat deze regel centraal dient te staan bij de beoordeling van de gevolgen van de invoering van de euro voor bestaande contracten. Vervolgens zal ik de specifieke vragen van het Landgericht in de hierna volgende volgorde onderzoeken. Is een prijs per minuut als waar het in het hoofdgeding om gaat, een te betalen of te boeken bedrag? Zo niet, mag een dergelijk bedrag na omrekening in euro worden afgerond? Indien andere dan te betalen of te boeken bedragen mogen worden afgerond, worden hieraan dan beperkingen gesteld door verordening nr. 1103/97 als een contractant eenzijdig besluit dergelijke bedragen af te ronden, en zo ja, welke?
B – Doelstellingen van verordening nr. 1103/97
20. Verordening nr. 1103/97 stoelt op het beginsel van rechtszekerheid, dat door het Hof als een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht is erkend.(7)
21. Verordening nr. 1103/97 is in alle lidstaten in werking getreden op 20 juni 1997, ruimschoots vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 974/98 over de invoering van de euro en van verordening nr. 2866/98, waarmee de omrekeningskoersen tussen de euro en de munteenheden van de deelnemende lidstaten onherroepelijk werden vastgelegd. Dit feit op zich bewijst hoe belangrijk het was dat aan alle economische subjecten in de Gemeenschap rechtszekerheid werd verschaft, zoals is geschied door middel van de in verordening nr. 1103/97 bepaalde regels, in het bijzonder de regels inzake de continuïteit van de rechtsinstrumenten alsmede de omrekening en de afronding van geldbedragen.
22. Onvoorwaardelijk moest worden gegarandeerd dat de overgang naar de nieuwe munteenheid niet tot destabilisering van de contractuele betrekkingen en onzekerheid bij de economische subjecten zou leiden over de gevolgen van de invoering van de euro. De continuïteit van de waarde van de in nationale munteenheden uitgedrukte bedragen na de omrekening ervan in euro diende op uniforme wijze zo snel en zo duidelijk mogelijk te worden gewaarborgd, aangezien zonder deze continuïteit – bijvoorbeeld in het geval van een minder nauwkeurige omrekening – gevaarlijke prijsinstabiliteit het gevolg zou kunnen zijn, zulks ten nadele van de consument.(8) In dit verband vormen de in verordening nr. 1103/97 voorgeschreven regels een uniform kader dat ertoe dient onzekerheid bij de economische subjecten te vermijden.
C – De regel van de continuïteit van de rechtsinstrumenten in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1103/97
23. Artikel 3 van verordening nr. 1103/97 stelt de grondregel van de continuïteit van de rechtsinstrumenten vast. Dit is een leidend beginsel in het gehele proces van de invoering van de eenheidsmunt.
24. Het beginsel van de continuïteit van contracten, „pacta sunt servanda”, vormt een algemeen rechtsbeginsel dat het Hof uitdrukkelijk als een „basisbeginsel van elke rechtsorde” heeft aangemerkt.(9) De strekking van artikel 3 is echter ruimer dan dit loutere beginsel, aangezien het garandeert dat geen enkele bepaling in de rechtsinstrumenten door de invoering van de nieuwe munteenheid zal worden aangetast. Volgens artikel 1 omvatten rechtsinstrumenten behalve contracten onder meer wettelijke en reglementaire bepalingen alsmede bestuursakten. Artikel 3 kan dus niet louter als een regel worden beschouwd die de aandacht wil vestigen op het feit dat er in de wettelijke regelgeving van de lidstaten voorschriften zijn die het algemeen beginsel van de continuïteit van contracten in het kader van de invoering van een nieuwe munteenheid bekrachtigen. Dit wordt bijzonder duidelijk wanneer we de specifieke redenen bestuderen die hebben geleid tot de opname van artikel 3 in verordening nr.1103/97.
25. De verordeningen inzake de euro, met inbegrip van verordening nr. 1103/97, zijn bedoeld om „met name voor de consument een evenwichtige overgang te waarborgen”.(10) Met andere woorden, een dergelijke overgang mag, zoals het Landgericht benadrukt, niet tot onbillijkheden voor de consument leiden. Deze zorg om de consument te beschermen is een van de redenen waarom artikel 3 in verordening nr. 1103/97 is opgenomen.(11)
26. Het is begrijpelijk dat de consument in de bijzondere context van de voorbereiding van de overgang naar de eenheidsmunt er zeker van moest zijn dat de contractuele bepalingen, en met name die welke de prijzen in de nationale munteenheid vaststelden, niet louter wegens de omrekening in euro zouden veranderen.
27. Hoewel artikel 3 van verordening nr. 1103/97 de bescherming van de consument beoogt, heeft het ook betrekking op een verwant probleem voorzover het een antwoord biedt op de gewettigde bezorgdheid over de mogelijke negatieve gevolgen van de invoering van de eenheidsmunt voor de prijsstabiliteit in de euro‑zone. Bij de overgang naar de euro kon het voorkomen van uitsluitend aan de invoering van de euro te wijten prijsstijgingen niet eenvoudigweg worden overgelaten aan de nationale wetgeving van de verschillende lidstaten en aan hun regelingen om prijsschommelingen tegen te gaan. Artikel 3 is derhalve ook belangrijk om op uniforme wijze prijsstabiliteit bij de overgang naar de nieuwe munteenheid te garanderen. De invoering van de euro staat centraal bij de uitvoering van het beleid inzake de Europese eenheidsmunt en de handhaving van de prijsstabiliteit is het voornaamste doel van de vaststelling en de uitvoering van dit beleid, zoals uitdrukkelijk is vastgelegd in artikel 4, lid 2, EG.(12)
28. Artikel 3 van verordening nr. 1103/97 speelt bij de hele invoering van de euro een centrale rol. Uit de regel van de continuïteit van de rechtsinstrumenten als bedoeld in artikel 3 en het beginsel van de wettelijke gelijkwaardigheid van de euro met de nationale munteenheid kan een neutraliteitsbeginsel worden afgeleid dat aan de verordeningen over de euro ten grondslag ligt.(13) Krachtens dit neutraliteitsbeginsel kan de omrekening van nationale munteenheden in euro de waarde van schulden of vorderingen die uit een rechtsinstrument voortkomen niet wijzigen. Hun waarde dient gelijk te blijven aan de waarde die zij hadden vóór de verandering van de munteenheid. De invoering van de euro moet worden beschouwd als een neutraal gebeuren ten opzichte van de op het tijdstip van deze invoering bestaande rechtsinstrumenten, met inbegrip van de waarde van elk geldbedrag waarnaar daarin wordt verwezen. Zulks komt overeen met het doel van verordening nr. 1103/97, namelijk waarborgen dat de door de invoering van de euro vereiste wijzigingen in het belang van de consument en ter vermijding van een inflatoire tendens tot een minimum beperkt blijven.
29. Zelfs indien artikel 3 enkel bedoeld was om een algemeen rechtsbeginsel(14) te bekrachtigen dat eveneens in de verschillende nationale rechtsstelsels erkend is, laten de bewoordingen van deze bepaling en de doelstellingen van verordening nr. 1103/97 duidelijk blijken dat het een artikel is met eigen rechtsgevolgen.(15) Ook al zou een marktdeelnemer op grond van nationale bepalingen het recht hebben eenzijdig rechtsinstrumenten of meer specifiek elke contractuele bepaling louter wegens de overgang naar de euro ten nadele van de consument te wijzigen, dan nog verbiedt artikel 3 de toepassing van dergelijke nationale bepalingen.(16)
30. Voorzover artikel 3 van verordening nr. 1103/97 relevant is voor de bescherming en het gebruik van de euro bij zijn invoering, maakt dit artikel voor de deelnemende lidstaten deel uit van één communautair monetair rechtsstelsel.(17) In die zin vormt artikel 3 een privaatrechtelijke tegenhanger van de verordeningen over de euro, die voorrang heeft boven elke daarmee strijdige nationale bepaling van de wet die van toepassing is op de overeenkomst (lex contractus). Dit is zeer wel te begrijpen aangezien artikel 3, zoals bekend, in verordening nr. 1103/97 is opgenomen om een uniform beschermingsniveau van de eenheidsmunt alsmede een hoog peil van rechtszekerheid en transparantie bij de invoering ervan te waarborgen.
31. Het door de verordeningen nrs. 1103/97 en 974/98 voor de euro gevormde kader omvat dus de volgende beginselen en regels: 1) het beginsel dat de euro als enig wettig betaalmiddel ter vervanging van de nationale munteenheden moet worden gebruikt; 2) het beginsel van de juridische gelijkwaardigheid van de euro met de nationale munteenheden; 3) de regel van de continuïteit van de rechtsinstrumenten en de neutraliteit ten aanzien van de waarde van de geldbedragen waarnaar in deze rechtsinstrumenten wordt verwezen, en 4) het beginsel van de contractsvrijheid. Deze beginselen en regels zijn alle van bijzonder belang ter beantwoording van de vraag of krachtens de verordeningen over de euro en meer in het bijzonder krachtens verordening nr. 1103/97 een partij in een contract eenzijdig mag besluiten prijzen per eenheid op de dichtstbijzijnde cent af te ronden wanneer deze afronding rechtstreeks een belangrijke verandering in de uiteindelijke geldelijke verplichtingen van andere marktdeelnemers veroorzaakt.(18)
D – Is een prijs zoals door het Landgericht München omschreven, een te betalen of te boeken bedrag?
32. Volgens artikel 3 van verordening nr. 1103/97 heeft de invoering van de euro niet tot gevolg dat wijziging wordt gebracht in enige bepaling in een rechtsinstrument of dat een partij wordt ontslagen van de uitvoering van enig rechtsinstrument, en geeft zij een partij niet het recht een rechtsinstrument eenzijdig te wijzigen of te beëindigen. Hierdoor zou het vermoeden kunnen rijzen dat alle in een nationale munteenheid uitgedrukte prijzen als wezenlijke contractuele bepalingen met de grootst mogelijke nauwkeurigheid in euro moeten worden omgerekend. Feit is echter dat bij de overgang van één munteenheid naar een andere in bepaalde gevallen praktische redenen kunnen vereisen dat er wordt afgerond.(19) Het is dus niet verwonderlijk dat verordening nr. 1103/97 voorziet in de afronding van bepaalde geldbedragen en hiervoor een regeling vaststelt.
33. Artikel 5 bepaalt dat de afronding op de dichtstbijzijnde cent in de eerste plaats wordt toegepast op te betalen geldbedragen. Niettegenstaande het feit dat geen enkele definitie van te betalen geldbedragen in de verordeningen over de euro kan worden gevonden, zijn O2 en de Commissie het erover eens dat de uitdrukking „te betalen geldbedragen” alle vormen van geldschulden omvat.(20)
34. In tegenstelling echter tot wat O2 meent, kan een prijs per minuut op zich niet als een te betalen bedrag worden beschouwd, want het is intrinsiek geen geldschuld. De gegevens die onmisbaar zijn voor de berekening van het te betalen bedrag voor een bepaald gesprek, zijn pas beschikbaar wanneer bekend is hoeveel minuten een telefoongesprek heeft geduurd. Exact op dit tijdstip wordt de consument voor een specifiek bedrag schuldenaar van de telefoonexploitant. Wanneer de consument geen gesprek voert gedurende een bepaalde periode, is er vanzelfsprekend geen geldschuld, terwijl de overeengekomen prijs per minuut volledig blijft gelden.
35. De reden waarom de in artikel 5 van verordening nr. 1103/97 uitdrukkelijk genoemde geldbedragen op de dichtstbijzijnde cent worden afgerond, is, zoals de Commissie benadrukt, van praktische aard. Dit is een rechtstreeks gevolg van het feit dat de euro verdeeld is in 100 centen en dat er geen wettelijk betaalmiddel is voor de ondereenheden van de cent.(21) De geldbedragen waarnaar in artikel 5 wordt verwezen zijn derhalve die welke, na omrekening, om praktische redenen niet nauwkeuriger dan op de dichtstbijzijnde cent kunnen worden vastgesteld. Deze praktische redenen vormen daarentegen geen rechtvaardiging voor de afronding op de dichtstbijzijnde cent van een prijs per minuut, aangezien die prijs op zich geen geldschuld is.
36. Artikel 5 past dezelfde regel van afronding op de dichtstbijzijnde cent toe op de te boeken bedragen. Ook hiervan geven de verordeningen over de euro geen definitie. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen stelt, omvat deze categorie de bedragen die voor boekhoudkundige doeleinden in rekeninguittreksels en balansen worden gebruikt. Zelfs indien dergelijke bedragen niet de te betalen eindbedragen zijn, zijn zij uiteindelijk geldschulden. Een prijs per minuut op zich is zeker geen bedrag dat in de boekhouding van de telefoonexploitanten moet worden geboekt. De prijs per minuut wordt enkel gebruikt voor tussenberekeningen(22) die nodig zijn om de te betalen bedragen (zoals het eindbedrag van de factuur) en de te boeken bedragen (zoals eventueel de kosten van elk telefoongesprek) vast te stellen.
37. Bovendien zijn de praktische redenen die voor de afronding op de dichtstbijzijnde cent van te betalen of te boeken eindbedragen pleiten, geen rechtvaardiging voor de afronding op de dichtstbijzijnde cent van een prijs per minuut die enkel bij de berekening van dergelijke bedragen wordt gebruikt.
38. Het feit dat, volgens de door het Landgericht verstrekte informatie, de berekening van de kosten van elk telefoongesprek uiteindelijk zelfs niet is gebaseerd op de prijs per minuut, maar op een zesde van dit bedrag, namelijk op een prijs per telpuls van 10 seconden, maakt het ondenkbaar de prijs per minuut te beschouwen als een te boeken bedrag dat, na omrekening in euro, moet worden afgerond op de dichtstbijzijnde cent. In feite is in dit bijzondere geval de prijs per minuut zelfs geen bedrag dat rechtstreeks wordt gebruikt bij de berekening van de voor elk telefoongesprek te factureren kosten.
39. Ik kan derhalve het argument van O2 niet onderschrijven dat de uitdrukking „te betalen of te boeken geldbedragen” in artikel 5 van verordening nr. 1103/97 alle geldbedragen omvat. Deze bepaling schrijft niet voor dat „alle geldbedragen” moeten worden afgerond op de dichtstbijzijnde cent. Zij luidt: „Te betalen of te boeken geldbedragen die na omrekening in de euro-eenheid volgens artikel 4 afgerond worden, moeten naar boven of naar beneden worden afgerond op de dichtstbijzijnde cent.”(23)
40. Het feit dat alle geldbedragen in de munteenheid van een deelnemende lidstaat in euro moeten worden omgerekend, betekent niet dat zij op de dichtstbijzijnde cent dienen te worden afgerond. O2 heeft gesteld dat bij elke omrekening van een geldbedrag op de dichtstbijzijnde cent moet worden afgerond, maar heeft geen enkel argument daarvoor naar voren gebracht.
41. A contrario staat artikel 5 van verordening nr. 1103/97 duidelijk toe dat een omrekening niet noodzakelijkerwijze met een afronding gepaard hoeft te gaan. Deze bepaling voorziet immers in de afronding op de dichtstbijzijnde cent van de „te betalen of te boeken geldbedragen die na omrekening in de euro-eenheid volgens artikel 4 afgerond worden”.(24) Ik ben het dus niet met O2 eens waar zij stelt dat artikel 4 de omrekening en de afronding mogelijk maakt, terwijl artikel 5 enkel de wijze van afronding betreft. De omrekening en de eropvolgende afronding zijn twee geheel verschillende verrichtingen. Artikel 4 stelt de wijze van omrekening in euro van geldbedragen in nationale munteenheden vast(25) en betreft niet de afronding van omgerekende bedragen(26), die voor te betalen of te boeken geldbedragen in artikel 5 wordt geregeld.
42. Het antwoord op de eerste vraag dient mijns inziens derhalve te zijn dat een bedrag zoals de prijs per minuut niet een te betalen of te boeken geldbedrag is in de zin van artikel 5 van verordening nr. 1103/97. Bedragen als een prijs per minuut zijn geldbedragen die in tussenberekeningen worden gebruikt ter bepaling van de te betalen of te boeken bedragen.
43. Aangezien de geldbedragen waarnaar in artikel 5 wordt verwezen, bedragen zijn die, na omrekening, om praktische redenen niet nauwkeuriger kunnen worden bepaald dan op de dichtstbijzijnde cent, dient in een telefoonrekening enkel het eindbedrag op de dichtstbijzijnde cent te worden afgerond.
44. Wat de afzonderlijke kosten van elk telefoongesprek betreft, zou een afronding van de betrokken bedragen op de dichtstbijzijnde cent kunnen worden toegestaan indien – om praktische redenen van boekhoudkundige aard of op grond van specifieke contractuele bepalingen – de kosten van elk telefoongesprek afzonderlijk moeten worden geboekt. Wanneer in zulk een situatie wordt afgerond, zal het effect op het eindbedrag van de factuur in werkelijkheid neigen naar nul. Aangezien de afzonderlijke kosten van elk telefoongesprek afhangen van de duur ervan en dit element variabel is, zal de afronding naar boven of naar beneden wisselend zijn, zodat het eindbedrag van de factuur praktisch hetzelfde zal zijn als wanneer de afzonderlijke bedragen op de factuur nauwkeuriger waren vastgesteld.(27)
E – Mag een bedrag, zoals een prijs per minuut, dat gebruikt wordt bij tussenberekeningen, na omrekening in euro worden afgerond?
45. Artikel 5 bepaalt, zoals reeds gezegd, dat te betalen of te boeken bedragen op de dichtstbijzijnde cent moeten worden afgerond; uit geen enkele bepaling van verordening nr. 1103/97 kan worden afgeleid dat de bedragen die bij de tussenberekeningen worden gebruikt ook op de dichtstbijzijnde cent moeten worden afgerond. Er is, zoals de Commissie met nadruk stelt, geen enkele praktische reden om te verbieden dat tussenbedragen nauwkeuriger worden omgerekend dan op de dichtstbijzijnde cent, omdat de afrondingsregels van artikel 5 daarop gewoonweg niet van toepassing zijn.
46. Omgekeerd is de afronding van bedragen, zoals prijzen per minuut, die in tussenberekeningen worden gebruikt, zelfs als het gaat om een afronding op de dichtstbijzijnde cent, niet door verordening nr. 1103/97 uitgesloten, onder de voorwaarde dat de betrokken marktdeelnemers, dat wil zeggen de contractpartijen, dit zijn overeengekomen. Het beginsel van de contractsvrijheid is uitdrukkelijk in artikel 3 erkend; er is geen enkele reden om deze vrijheid te beperken wanneer het erom gaat tussenbedragen naar boven of naar beneden af te ronden op de dichtstbijzijnde cent. Het feit dat artikel 5 van de verordening niet in de afronding van deze bedragen voorziet, kan niet a contrario als een verbod van een dergelijke afronding worden opgevat.
47. Er moet echter in aanmerking worden genomen dat, wat bij de afronding van een geldbedrag door de ene partij wordt gewonnen, door de andere wordt verloren en dat de som van wat is gewonnen en wat is verloren nul bedraagt. Er zal dus zelden worden overeengekomen dat afronding moet plaatsvinden, omdat het zeer onwaarschijnlijk is dat een contractpartij de verliezen wil aanvaarden die noodzakelijkerwijze het resultaat zijn van de afronding van bij tussenberekeningen gebruikte prijzen per eenheid in het uitsluitende voordeel van de andere contractpartij.
48. Uit het voorgaande vloeit voort dat een afronding op de dichtstbijzijnde cent van een prijs per eenheid die bij tussenberekeningen wordt gebruikt, verenigbaar is met verordening nr. 1103/97, op voorwaarde dat dit door partijen is overeengekomen. In de onderhavige zaak heeft O2 evenwel eenzijdig besloten tot afronding van de prijzen per minuut die in de tussenberekeningen worden gebruikt.
49. Nergens in verordening nr. 1103/97 wordt uitdrukkelijk verboden dat een contractpartij eenzijdig besluit tot afronding van het bedrag dat is verkregen door de omrekening in euro van een prijs per telpuls die gebruikt wordt in tussenberekeningen ter bepaling van de door de andere partij te betalen of te boeken bedragen. De Commissie vestigt in haar schriftelijke opmerkingen terecht de aandacht hierop, wanneer zij stelt dat artikel 5 niet de afronding verbiedt van andere geldbedragen dan in die bepaling zijn genoemd. Ten eerste zou een dergelijk verbod duidelijk moeten zijn vastgesteld. Ten tweede had artikel 5 noodzakelijkerwijze daarvoor het aantal vereiste decimalen moeten vaststellen. In tegenstelling tot wat de Verbraucher-Zentrale in het hoofdgeding heeft betoogd, is het voor een marktdeelnemer als O2 niet nodig om de omgerekende prijs per minuut zo nauwkeurig mogelijk te vermelden. Bovendien zet de elfde overweging van de considerans van verordening nr. 1103/97 duidelijk uiteen dat de afrondingsregels van deze verordening „geen gevolgen hebben voor afrondingsmethoden, afrondingsovereenkomsten, of nationale bepalingen inzake afronding die bij tussenberekeningen een hogere nauwkeurigheid opleveren”. Deze overweging is duidelijk in tegenspraak met het argument dat de standaardmethode altijd die moet zijn welke de grootst mogelijke nauwkeurigheid biedt.
50. Het feit echter dat eenzijdige afronding van geldbedragen die gebruikt worden om een te betalen of een te boeken bedrag te berekenen in beginsel is toegestaan, betekent niet dat de afronding niet aan enigerlei, rechtstreeks uit verordening nr. 1103/97 voortvloeiende beperking onderworpen is. Artikel 3 van verordening nr. 1103/97 bevat de grondregel van de continuïteit van de contractbepalingen. Indien prijzen per minuut wezenlijke contractbepalingen zijn, moet een eenzijdig besluit om deze prijzen af te ronden onvermijdelijk in het licht van deze regel worden beoordeeld. Er bestaat derhalve, in tegenstelling tot wat O2 meent, een bepaling van gemeenschapsrecht die beperkingen kan stellen aan de eenzijdige afronding van tarieven per minuut die tussen O2 en haar klanten zijn overeengekomen.
F – Door verordening nr. 1103/97 opgelegde beperkingen indien een contractpartij eenzijdig besluit de prijzen per eenheid die zij bij tussenberekeningen gebruikt, af te ronden
51. Er bestaat een duidelijk verschil tussen enerzijds de te betalen of te boeken bedragen en anderzijds de bedragen die bij de tussenberekeningen worden gebruikt. Deze beide soorten geldbedragen kunnen echter niet volledig van elkaar worden gescheiden en er kan ook niet worden ontkend dat de bedragen die in de tussenberekeningen worden gebruikt een grote rol spelen bij de vaststelling van de te betalen of te boeken bedragen. Het lijdt geen twijfel dat de eenzijdige afronding door een marktdeelnemer van een bedrag dat gebruikt wordt bij de berekening van een te betalen of te boeken bedrag, de vaststelling van dit bedrag materieel kan beïnvloeden ten nadele van andere marktdeelnemers.(28)
52. Dat is precies wat er gebeurt wanneer een telefoonexploitant als O2 besluit haar verschillende tarieven per minuut, na omrekening in euro, af te ronden op de dichtstbijzijnde cent. Voorzover deze afronding leidt tot een verhoging van de te betalen of te boeken bedragen voor telefoongesprekken die door de consument tegen een specifieke prijs per minuut worden gevoerd (bijvoorbeeld tegen het tarief van 0,05 DEM voor gesprekken na 21 uur naar het vaste net), is deze afronding rechtstreeks in strijd met de regel van de continuïteit van de contractuele bepalingen van artikel 3 van verordening nr. 1103/97.
53. Deze afronding brengt een eenzijdige verandering met zich van een contractuele bepaling waarbij partijen een bepaalde prijs per minuut zijn overeengekomen voor gesprekken na een bepaald tijdstip die onder een bepaald tarief vallen. Geen van de contractpartijen heeft in een bepaalde prijs per minuut toegestemd in de veronderstelling dat enkel gesprekken van één minuut zouden worden gevoerd. Dit tarief maakte het daarentegen voor partijen mogelijk zowel de vermoedelijke kosten van elk afzonderlijk telefoongesprek van om het even welke duur, als de totale kosten van alle telefoongesprekken tezamen te berekenen. Het effect van de afronding van de prijs per minuut dient derhalve aan de hand van het effect ervan op de kosten van elk telefoongesprek of op de totale kosten van alle telefoongesprekken (zijnde de „te betalen of te boeken bedragen”) te worden beoordeeld.
54. Ik kan het derhalve niet met de Commissie eens zijn wanneer zij uitdrukkelijk stelt dat nauwkeurigheid bij de omrekening iets heel anders is dan continuïteit van de contracten en betoogt dat de onderhavige zaak niet de continuïteit van de contractuele bepalingen betreft, maar enkel de graad van nauwkeurigheid bij de omrekening in euro. Mijns inziens is er een nauw verband tussen de nauwkeurigheid bij de omrekening van prijzen per minuut en de continuïteit van de contractuele bepalingen, aangezien een contractueel afgesproken prijs per minuut stellig in een bepaling van het contract is vastgelegd. Wanneer een bepaalde prijs contractueel is afgesproken, zal een hogere graad van nauwkeurigheid dan op de dichtstbijzijnde cent over het algemeen onontbeerlijk zijn om de continuïteit van de contractuele prijsbepaling te waarborgen. Dit wordt meteen duidelijk indien men bedenkt dat het zeker niet de bedoeling was van verordening nr. 1103/97 om prijsverhogingen louter als gevolg van de omrekening van nationale munteenheden in euro toe te staan. Teneinde dergelijke verhogingen te vermijden, is het van wezenlijk belang dat artikel 3 van verordening nr. 1103/97 aldus wordt uitgelegd dat geldbedragen die gebruikt worden bij tussenberekeningen, in bepaalde omstandigheden nauwkeuriger dan op de dichtstbijzijnde cent moeten worden omgerekend.
55. Verordening nr. 1103/97 (en met name artikel 3) staat mijns inziens niet toe dat een contractuele bepaling wordt gewijzigd door een manier van afronding zoals eenzijdig door O2 in de praktijk wordt gebracht. Voorzover er echt sprake is van een reële verhoging van het te betalen bedrag voor telefoongesprekken na 21 uur door iedere consument die het tarief „Genion Home” kiest, wordt de contractueel vastgestelde prijs per minuut gewijzigd. In wezen was tussen O2 en haar klanten overeengekomen dat een bedrag van 0,50 DEM betaald zou worden voor ieder gesprek van 10 minuten na 21 uur. De prijs per minuut van telefoongesprekken na 21 uur was zeker niet de enige bepaling in het contract, maar wel een bepaling die tussen O2 en iedere klant was afgesproken. Het lijdt geen twijfel dat een afrondingsmethode zoals door O2 toegepast, deze bijzondere contractuele bepaling verandert en derhalve de continuïteit ervan schendt ten nadele van iedere klant die na 21 uur telefoneert.
56. Voorzover deze prijsverhoging wordt voorgesteld als het loutere resultaat van de omrekening van vroeger in DEM uitgedrukte bedragen in euro, schendt zij artikel 3 van verordening nr. 1103/97.
57. O2 betoogt ter weerlegging van deze analyse, dat de door haar toegepaste afronding op de dichtstbijzijnde cent neutraal is wat de prijsverhogingen ten nadele van haar klanten betreft. Daartoe stelt zij dat de afronding op de dichtstbijzijnde cent van alle prijzen per minuut die contractueel zijn afgesproken, de consumenten als geheel uiteindelijk geen schade heeft berokkend omdat, zelfs indien de omrekening van veertien prijzen per minuut in zeven gevallen tot prijsverhogingen heeft geleid, in de zeven andere gevallen de omgerekende prijzen naar beneden zijn afgerond, ten voordele dus van de consumenten.
58. Aldus redenerend miskent zij echter in de eerste plaats dat waar het bij de regel van de continuïteit van contracten op aankomt, het effect is van de omrekening op de afzonderlijke bepalingen overeengekomen met iedere consument en niet het algemene effect ervan op de met alle klanten gesloten contracten. Dit wordt meteen duidelijk indien men bedenkt dat bepaalde consumenten met O2 de toepassing van enkel bepaalde specifieke prijzen per minuut kunnen zijn overeengekomen. Maar zelfs de stelling van O2, dat de afronding neutraal is voor een consument die alle tarieven gelijkmatig gebruikt, is niet bestand tegen een wat grondiger onderzoek. De zeven tarieven per minuut die naar boven werden afgerond, hebben immers tot een prijsverhoging geleid die groter was dan de verlaging van de naar beneden afgeronde prijzen. Met andere woorden, zelfs indien (ten onrechte) elke prijs per minuut afzonderlijk niet als een contractuele bepaling wordt beschouwd en van de som van de veertien prijzen per minuut van het „Genion Home-tarief” wordt uitgegaan, dan nog is de door O2 toegepaste wijze van afronding niet neutraal en brengt zij een prijsverhoging voor alle consumenten tezamen teweeg.(29)
59. Dit alles brengt mij ertoe te beklemtonen dat de eenzijdige beslissing de prijzen per minuut van het „Genion Home-tarief” al dan niet af te ronden, is genomen in omstandigheden die duiden op een klassiek geval van asymmetrie van informatie (waar één partij over kennis beschikt die de andere niet heeft). Zo ontstaat er gevaar voor opportunistisch gedrag van de zijde van die contractpartij die beschikt over gedetailleerde informatie over de voorkeuren van haar klanten, de meest toegepaste prijzen per minuut en de gemiddelde duur van de telefoongesprekken in elk tarief, dus over alle informatie over de kosten en de winsten die waarschijnlijk zullen voortvloeien uit een beslissing om dergelijke prijzen op de dichtstbijzijnde cent af te ronden.
60. Het gevaar voor opportunistisch gedrag is vanuit het oogpunt van verordening nr. 1103/97 voldoende reden O2 te verbieden om de verschillende prijzen per minuut die voorheen met haar klanten waren overeengekomen, eenzijdig en zonder enige beperking af te ronden, zelfs wanneer de afronding van alle prijzen per minuut binnen hetzelfde tarief zonder onderscheid geschiedt. Ten eerste zou de afronding van dergelijke prijzen per minuut op de dichtstbijzijnde cent kunnen leiden tot een verhoging van de totale te betalen of te boeken bedragen voor telefoongesprekken die zonder de omrekening niet duurder zouden zijn geworden. Ten tweede kan de werkelijke grootte van deze verhoging vanwege de hierboven bedoelde informatieasymmetrie door een persoon van buitenaf niet nauwkeurig worden bepaald.
61. Indien een marktdeelnemer als O2 in deze context van informatieasymmetrie ontdekt dat afronding op de dichtstbijzijnde cent winstgevend is, zal hij waarschijnlijk besluiten tot deze afronding. Indien hij daarentegen ontdekt dat hij als gevolg van de afronding geld zal verliezen, zal hij ervoor kiezen een hogere graad van nauwkeurigheid te betrachten teneinde verliezen te voorkomen. In ieder geval bevindt het economisch subject dat van de informatieasymmetrie profiteert, zich in een bevoorrechte positie om eenzijdig de met zijn klanten overeengekomen prijzen te verhogen door gebruik te maken van een verondersteld neutrale gebeurtenis, zoals de overgang van een nationale munteenheid naar de euro, en daarmee een prijsverhoging te maskeren.
62. Artikel 3 van verordening nr. 1103/97 dient derhalve aldus te worden uitgelegd, dat het niet de eenzijdige afronding belet van geldbedragen zoals prijzen per eenheid die in tussenberekeningen van te betalen of te boeken bedragen worden gebruikt, voorzover de afronding niet voor de andere betrokken economische subjecten een verhoging van de te betalen of te boeken bedragen met zich brengt, die zonder de omrekening in euro onveranderd zouden zijn gebleven.
63. Krachtens verordening nr. 1103/97 kunnen de prijzen per eenheid die bij tussenberekeningen van te betalen of te boeken geldbedragen worden gebruikt eenzijdig door een contractpartij worden afgerond. De verordening stelt echter wel een beperking aan een dergelijke afronding: zij mag niet leiden tot een systematische verhoging van deze bedragen. Of de eenzijdige afronding artikel 3 schendt, moet per geval worden getoetst. Zulks zal afhangen van variabelen die per lidstaat verschillen. Deze variabelen omvatten bijvoorbeeld de waarde van de kleinste ondereenheid van de nationale munteenheid waarin de prijzen per eenheid vroeger werden vermeld.
64. Ik zal trachten dit punt te verduidelijken met een voorbeeld dat is gebaseerd op cijfers die het Landgericht München in de onderhavige zaak heeft verstrekt en waarin eenzijdig zonder schending van artikel 3 van verordening nr. 1103/97 zou kunnen worden afgerond.
65. Vóór de omrekening van de DEM in euro kostte een telefoongesprek van 10 minuten, tegen bijvoorbeeld de prijs per minuut van 0,05 DEM voor gesprekken na 21 uur naar het vaste net, de consument 0,50 DEM. Na de omrekening in euro en de daaropvolgende afronding door O2 kostte het gesprek 0,586749 DEM, hetgeen na de afronding op de dichtstbijzijnde cent leidde tot een prijsverhoging van 9 pfennig in vergelijking met het contractueel met de klant overeengekomen bedrag voor een gesprek van 10 minuten tegen dit bijzondere tarief. Indien er niet was afgerond na de omrekening in euro van deze specifieke prijs per minuut, zou de prijs, vastgesteld met de hoogste graad van nauwkeurigheid, 0,0255645 EUR hebben bedragen. Als dit bedrag was afgerond tot op de vierde decimaal, zou de prijs per minuut 0,0256 EUR hebben bedragen. Als deze prijs per minuut in de betrokken berekeningen was gebruikt, had de consument 0,256 EUR voor dit gesprek van 10 minuten moeten betalen. Afronding van dit bedrag op de dichtstbijzijnde cent ingevolge artikel 5 van verordening nr. 1103/97 geeft als uitkomst 0,26 EUR. Dit bedrag komt overeen met 0,5085158 DEM, wat afgerond op de dichtstbijzijnde pfennig overeenkomt met 0,51 DEM in plaats van de 0,50 DEM die vóór de omrekening en de afronding had moeten worden betaald.
66. Afronding tot op de vierde decimaal lijkt geen garantie in te houden dat de klanten die voor dit bijzondere tarief kiezen niet worden geconfronteerd met een verhoging van de te betalen of te boeken bedragen, die zonder de omrekening in euro niet zouden zijn verhoogd. Wanneer echter de klant in plaats van een gesprek van 10 minuten er een van 15 minuten voert tegen hetzelfde tarief, moet hij 0,384 EUR (0,0256 EUR x 15) betalen, hetgeen naar beneden afgerond uitkomt op 0,38 EUR. Dit bedrag komt overeen met 0,74 DEM in plaats van 0,75 DEM, het bedrag dat voor hetzelfde telefoongesprek had moeten worden betaald vóór de omrekening in euro (een prijsverlaging van 0,01 DEM). Nog een voorbeeld: wanneer een klant een telefoongesprek van 5 minuten tegen dit bijzondere tarief voert, moet hij bij afronding tot op de vierde decimaal 0,31 EUR betalen, hetgeen precies overeenkomt met de 0,25 DEM die hij vóór de omrekening had moeten betalen voor een gesprek van 5 minuten tegen hetzelfde tarief.
67. Uit deze voorbeelden kan men afleiden dat afronding tot op de vierde decimaal bepaalde schommelingen naar boven en naar beneden teweeg kan brengen van het bedrag dat voor elk telefoongesprek tegen een bepaalde prijs per minuut moet worden betaald. Er zij echter op gewezen dat, wanneer een dergelijke schommeling optreedt, deze niet groter zal zijn dan een bedrag in euro dat overeenkomt met 0,01 DEM, en vooral dat de schommelingen willekeurig zijn en enkel afhankelijk van de precieze duur van het telefoongesprek. Met andere woorden, het uiteindelijke resultaat is neutraal ten opzichte van wat tussen partijen contractueel is overeengekomen. Hoewel elke klant kan controleren hoe lang een telefoongesprek duurt, is het niet realistisch te veronderstellen dat elke klant zal besluiten (en daartoe in staat zal zijn) zijn telefoongesprekken te chronometreren, teneinde er zeker van te zijn dat zij, naar gelang van het tarief, een bepaald aantal minuten zullen duren (bijvoorbeeld 15 in plaats van 14 minuten) en zo een voordeel te verkrijgen dat in elk geval voor ieder telefoongesprek niet meer kan bedragen dan 0,01 DEM.
68. Zo zou in de beschreven omstandigheden de eenzijdige afronding tot op de vierde decimaal, hoewel die niet de hoogst mogelijke graad van nauwkeurigheid inhoudt, niet de contractuele bepalingen aantasten en derhalve krachtens verordening nr. 1103/97 aanvaardbaar zijn. Hetzelfde kan niet gezegd worden van de afronding op de dichtstbijzijnde cent, zoals die door O2 in de onderhavige zaak eenzijdig wordt toegepast. Wat wordt voorgesteld als een neutrale wijze van omrekening en afronding (en dat zou moeten zijn) maskeert in feite een prijsverhoging.
69. Krachtens artikel 3 van verordening nr. 1103/97 zou het toelaatbaar zijn geweest om eenzijdig de verschillende prijzen per minuut van een tarief als het „Genion Home-tarief” tot de vierde decimaal af te ronden, maar niet tot de dichtstbijzijnde cent of zelfs maar tot de derde decimaal, aangezien beide laatste afrondingsmethoden niet verenigbaar zijn met de regel van de continuïteit van de contractuele bepalingen en van de neutraliteit van de omrekening ten aanzien van de waarde van de geldbedragen waarnaar in deze contractuele bepalingen wordt verwezen. Met andere woorden, de verschillende prijzen per minuut mogen worden afgerond, onder de voorwaarde dat de afronding voldoende gelijkwaardigheid tussen de prijs per eenheid uitgedrukt in euro en diezelfde prijs uitgedrukt in de nationale munteenheid oplevert om te garanderen dat systematische verhogingen van de te betalen of te boeken geldbedragen worden vermeden.
70. Een illustratie van het voorgaande punt vormt het feit dat bepaalde Duitse telefoonexploitanten hun prijzen per minuut na omrekening hebben afgerond tot op de vierde decimaal.(30) Andere exploitanten hebben dergelijke prijzen tot op de derde decimaal afgerond, maar steeds naar beneden en dus altijd in het voordeel van hun klanten.
71. In het geval van punt 70 of in ieder ander geval waarbij ten gunste van de andere betrokken economische subjecten (namelijk de consumenten) naar beneden wordt afgerond, leidt de afrondingsmethode niet tot schending van artikel 3 van verordening nr. 1103/97. In een dergelijk geval aanvaardt elke klant in feite stilzwijgend een prijsverlaging.
72. Dat in overeenstemming met de bovengenoemde criteria beperkingen worden gesteld aan de eenzijdige afronding van prijzen per eenheid, is ten slotte ook van wezenlijk belang ter vermijding van een belangrijke afwijking van de grootste onnauwkeurigheid die de verordeningen over de euro bij de omrekening van te betalen bedragen toestaan. De door artikel 5 van verordening nr. 1103/97 toegestane onnauwkeurigheid bij de omrekening in euro van een te betalen of een te boeken bedrag bedraagt 0,005 EUR. Het zou niet in overeenstemming zijn met dit in artikel 5 vermelde doel – een hoge graad van nauwkeurigheid bij de omrekening te garanderen – indien een contractpartij werd toegestaan een bedrag dat gebruikt wordt om die bedragen te berekenen, eenzijdig op zo'n wijze af te ronden dat dit de facto zou leiden tot een veel lagere graad van nauwkeurigheid bij de bepaling van de te betalen bedragen.
III – Conclusie
73. Op grond van bovenstaande overwegingen ben ik van mening dat de door de nationale rechter gestelde vragen als volgt moeten worden beantwoord:
„1) Een bedrag zoals een prijs per minuut is niet een te betalen of te boeken bedrag in de zin van artikel 5 van verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro. Het is een geldbedrag dat bij de tussenberekeningen wordt gebruikt ter bepaling van de te betalen of te boeken bedragen.
2) Verordening nr. 1103/97 moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen de eenzijdige afronding van contractueel overeengekomen geldbedragen zoals prijzen per minuut die bij tussenberekeningen van te betalen of te boeken bedragen worden gebruikt, op voorwaarde dat een dergelijke afronding niet in strijd met artikel 3 van verordening nr. 1103/97 een stelselmatige verhoging van de te betalen of te boeken geldbedragen met zich brengt.”
1 – Oorspronkelijke taal: Portugees.
2 – PB L 162, blz. 1.
3 – PB L 359, blz. 1.
4 – PB L 139, blz. 1.
5 – Artikel 13 van deze verordening bepaalt dat artikel 14 „vanaf het einde van de overgangsperiode van toepassing [is]”.
6 – Zie artikel 15, lid 1, dat in het bijzonder bepaalt: „bankbiljetten en muntstukken die in een nationale munteenheid als bedoeld in artikel 6, lid 1, luiden, blijven tot uiterlijk zes maanden na het einde van de overgangsperiode binnen hun territoriale grenzen wettig betaalmiddel; de periode kan door nationale wetgeving worden bekort.”
7 – Zie onder meer arresten van 13 november 1990, Fedesa e.a. (C‑331/88, Jurispr. blz. I‑4023, punten 7-11); 29 februari 1996, Inzo (C‑110/94, Jurispr. blz. I‑857, punt 21), en 20 maart 1997, Alcan Deutschland (C‑24/95, Jurispr. blz. I‑1591, punten 29-37).
8 – De vijfde en zevende overweging van de considerans van verordening nr. 1103/97 vermelden uitdrukkelijk de noodzaak om bij de overgang naar de euro rekening te houden met de positie van de consument.
9 – Arrest van 16 juni 1998, Racke (C‑162/96, Jurispr. blz. I‑3655, punt 49).
10 – Zie vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 1103/97.
11 – In de zevende overweging van de considerans staat dat „de bepalingen over de continuïteit alleen als zij zo spoedig mogelijk in werking treden, kunnen beantwoorden aan het doel de economische subjecten, met name de consument, rechtszekerheid en doorzichtigheid te verschaffen” (cursivering van mij).
12 – Artikel 4, lid 2, EG luidt: „gelijktijdig daarmee omvat dit optreden [van de lidstaten en de Gemeenschap], onder de voorwaarden en volgens het tijdschema en de procedures waarin dit Verdrag voorziet, de onherroepelijke vaststelling van wisselkoersen, leidend tot de invoering van één munt, de Ecu, alsmede het bepalen en voeren van één monetair en wisselkoersbeleid, beide met als hoofddoel het handhaven van prijsstabiliteit [...]” (cursivering van mij).
13 – Bepaalde nationale wetgevingen die tot doel hebben te waarborgen dat de nationale wettelijke en monetaire stelsels in overeenstemming zijn met de verordeningen over de euro, vermelden dit beginsel van neutraliteit ten aanzien van de bestaande rechtsinstrumenten uitdrukkelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval met artikel 6 van de Spaanse wet nr. 46/98 van 17 december 1998 met betrekking tot de invoering van de euro, dat bepaalt dat „ de vervanging van de peseta door de euro de waarde van schulden en vorderingen van welke aard ook niet verandert; hun waarde blijft identiek met die welke zij op het tijdstip van de overgang hadden en zulks zonder onderbreking” (niet-officiële vertaling).
14 – Waarnaar de zevende overweging van de considerans van verordening nr. 1103/97 uitdrukkelijk verwijst.
15 – In Duitse juridische kringen vindt een belangrijke discussie over dit onderwerp plaats. Zie J. W. Ritter, Euro-Einführung und IPR unter besonderer Berücksichtigung nachehelicher Unterhaltsverträge, Lang, Frankfurt a.M., 2003, blz. 91-117, met name blz. 117, en M. Hahn, Europäische Währungsumstellung und Vertragskontinuität: eine rechtsvergleichende Analyse aus der Perspektive Deutschlands, Frankreichs und Großbritanniens unter Berücksichtigung der Verordnung (EG) Nr. 1103/97, Lang, Frankfurt a.M., blz. 101-114.
16 – Met de vanzelfsprekende uitzondering, uitdrukkelijk vermeld in artikel 3, dat de partijen hiervan bij overeenkomst kunnen afwijken.
17 – Zie de achtste overweging van de considerans van verordening nr. 1103/97, waarin wordt erkend dat de invoering van de euro een wijziging van de monetaire wetgeving van de [deelnemende] lidstaten betekent.
18 – Dit is te wijten aan het multiplicatoreffect, waardoor een kleine verandering, veroorzaakt door de omrekening en de afronding van een prijs per eenheid, in het verschuldigde eindbedrag wordt uitvergroot, afhankelijk van het aantal verbruikte eenheden.
19 – M. T. Martin Mélendez, El Euro – Paridad, continuidad, conversión y redondeo, La Ley, Madrid, 2001, blz. 234-238, geeft voorbeelden van oude afrondingsregels die in de negentiende eeuw in Spanje en in de twintigste eeuw in het Verenigd Koninkrijk werden vastgesteld.
20 – Zie eveneens The Introduction of the euro and the rounding of currency amounts, DG II/C4‑SP(99), bijgewerkt in februari 1999, blz. 10.
21 – Artikel 2 van verordening nr. 974/98 bepaalt: „Met ingang van 1 januari 1999 is de euro de munteenheid van de deelnemende lidstaten. De rekeneenheid is één euro. Eén euro is verdeeld in honderd cent.” Artikel 3 van deze verordening bepaalt: „De munteenheid van elke deelnemende lidstaat wordt tegen de omrekeningskoers vervangen door de euro.”
22 – Het begrip „tussenberekening” wordt in de elfde overweging van de considerans van verordening nr. 1103/97 uitdrukkelijk genoemd.
23 – Cursivering van mij.
24 – Cursivering van mij.
25 – Artikel 4, lid 4, bepaalt ook hoe de omrekening van een nationale munteenheid in een andere nationale munteenheid dient te geschieden, hetgeen duidelijk niet relevant is voor de onderhavige zaak.
26 – In artikel 4 is slechts in twee gevallen, die beide buiten het bestek vallen van dit onderzoek, sprake van afronding. Ten eerste verbiedt artikel 4, lid 2, de afronding of het weglaten van decimalen van omrekeningskoersen, die volgens artikel 4, lid 1, in zes significante cijfers dienen te worden vastgesteld. Het is duidelijk dat deze verwijzing niet slaat op de afronding van geldbedragen na een omrekening in euro. Ten tweede stelt artikel 4, lid 4, precieze regels vast, met inbegrip van een regel over afronding, om geldbedragen van de ene in de andere nationale munteenheid om te rekenen, hetgeen eveneens irrelevant is voor de onderhavige zaak.
27 – Het feit dat verordening nr. 1103/97 bepaalt dat naar boven wordt afgerond wanneer de omrekening tot een resultaat leidt dat precies de helft van een (onder)eenheid is, betekent dat er een grotere waarschijnlijkheid bestaat dat naar boven zal moeten worden afgerond dan naar beneden. Met andere woorden, de tendens bestaat dat het aantal telefoongesprekken waarvan de afzonderlijke kosten als te boeken bedrag uiteindelijk naar boven zullen worden afgerond, groter is dan dat waarbij naar beneden wordt afgerond. Het effect hiervan zal echter te verwaarlozen zijn en, wat belangrijker is, het is een gevolg van het feit dat artikel 5 van de verordening zelf de afronding naar boven voorschrijft wanneer de omrekening van te betalen of te boeken bedragen tot een resultaat leidt dat precies de helft van een (onder)eenheid is.
28 – Bepaalde lidstaten hebben correct het gevaar ingeschat dat de eenzijdige afronding van de prijs per eenheid op de dichtstbijzijnde cent, met name op het gebied van de telecommunicatie, belangrijke gevolgen heeft voor de door de consument te betalen eindbedragen. Dit probleem vormt trouwens de rechtvaardiging voor de bestaande bepalingen in de nationale wetgevingen ter voorbereiding van nationale regelingen voor de invoering van de euro. Een goed voorbeeld is artikel 11, lid 2, van de Spaanse wet nr. 46/1998 van 17 december 1998, zoals gewijzigd bij wet nr. 9/2001 van 4 juni 2001, dat bepaalt dat na omrekening de prijzen per eenheid, met inbegrip van de prijzen van telecommunicatie, in zes decimalen moeten worden uitgedrukt.
29 – Als illustratie diene het voorbeeld van klant X van O2 die elke maand telefoongesprekken van in totaal 420 minuten volgens het „Genion Home-tarief” (gemiddeld 14 minuten per dag) voert. Om tot een gelijke beoordeling van alle 14 prijzen per minuut te komen ga ik, de redenering van O2 volgend, ervan uit dat deze 420 minuten gelijkelijk zijn verdeeld over de 14 verschillende prijzen per minuut, hetgeen 30 minuten voor elke prijs per minuut oplevert gedurende die maand. Na de nodige berekeningen kan men vaststellen dat consument X als gevolg van de omrekening en de daaropvolgende afronding op de dichtstbijzijnde cent van de verschillende eenzijdig door O2 vastgestelde prijzen 0,22 DEM (omgerekend 0,11 EUR) meer voor de telefoongesprekken moet betalen dan vóór de omrekening in euro. Onnodig te wijzen op de grootte van de desbetreffende bedragen wanneer deze klaarblijkelijk onbeduidende prijsverhoging voor consument X wordt vermenigvuldigd met het totale aantal klanten dat gebruikmaakt van het „Genion Home-tarief”.
30 – Indien O2 dezelfde weg had bewandeld, had zij zich de moeite om de consument in staat te blijven stellen de prijzen per minuut van de verschillende exploitanten te vergelijken, waar zij zelf uitdrukkelijk op heeft gewezen, kunnen besparen.
Full & Egal Universal Law Academy