CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. A. GEELHOED
van 10 juni 2004(1)
Zaak C-28/03
Epikouriko Kefalaio
tegen
Minister van Ontwikkeling
[Verzoek om een prejudiciele beslissing van het Simvoulio tis Epikratias (Griekenland)]
„Uitlegging van de artikelen 15 en 16 van de Eerste richtlijn (73/239/EEG) van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan, en uitlegging van de artikelen 17 en 18 van de Eerste richtlijn (79/267/EEG) van de Raad van maart 1979 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en de uitoefening daarvan – Nationale wettelijke regeling waarbij loonvorderingen van werknemers voorrang genieten op het garantiefonds – Verenigbaarheid”
I – Inleiding
1. In deze procedure heeft het Simvoulio tis Epikratias (de Griekse Raad van State) het Hof een prejudiciële vraag gesteld over de verenigbaarheid met de communautaire verzekeringsrichtlijnen (2) van een nationale wettelijke regeling waarin vorderingen van werknemers op een in liquidatie verkerende verzekeringsonderneming voorrang genieten op de vorderingen die de verzekerden op een dergelijke verzekeringsonderneming hebben. Hoewel dit onderwerp in 2001 in een speciale richtlijn (3) is geregeld, is dit kennelijk niet onder de aandacht van de verwijzende rechter gebracht, waarschijnlijk omdat de feiten van het hoofdgeding zich vóór de vaststelling van die richtlijn hebben voorgedaan.
II – De relevante wetgeving
A – Het gemeenschapsrecht
2. De interne markt voor verzekeringsdiensten is geleidelijk tot stand gebracht door drie generaties richtlijnen betreffende enerzijds het directe verzekeringsbedrijf met uitzondering van de levensverzekeringsbranche en anderzijds de levensverzekeringsbranche. De regulering van beide verzekeringsbranches berust op dezelfde beginselen. Ten eerste het beginsel van één enkele vergunning, dat bestaat uit twee aspecten: 1) voor de verlening van verzekeringsdiensten op de interne markt is een vergunning van een lidstaat vereist en 2) die vergunning volstaat voor het verlenen van die diensten in de gehele Gemeenschap. Het tweede beginsel is dat van het toezicht van de lidstaat van herkomst, hetgeen inhoudt dat elke verlener van verzekeringsdiensten uitsluitend onder toezicht staat van de lidstaat waar hij zijn statutaire zetel heeft.
3. Voor het onderhavige geval relevant zijn de bepalingen van de verzekeringsrichtlijnen die de garantie van de financiële stabiliteit van verzekeringsondernemingen ten doel hebben: de artikelen 15, 16 en 22 van richtlijn 73/239, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/49, en de parallelle bepalingen, de artikelen 17, 18 en 26 van richtlijn 79/267, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/69. Daar de bepalingen voor de niet-levensverzekeringsbranche en die voor de levensverzekeringsbranche nagenoeg identiek geformuleerd zijn en het antwoord op de prejudiciële vraag niet afhangt van de exacte bewoordingen, zal ik alleen de bepalingen van de eerste richtlijn citeren.
4. De artikelen 15, lid 1, en 16, lid 1, van richtlijn 73/239 waren ten tijde van de feiten vrijwel identiek geformuleerd en bepalen dat de lidstaat van herkomst van iedere verzekeringsonderneming eist dat deze voldoende technische voorzieningen vormt en over een voldoende solvabiliteitsmarge beschikt met betrekking tot het geheel van haar werkzaamheden.
5. Volgens artikel 22, lid 1, kan de door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van de statutaire zetel verstrekte vergunning in bepaalde omstandigheden worden ingetrokken. In dat geval nemen de toezichthoudende autoriteiten van het land van de statutaire zetel onder meer alle passende maatregelen om de belangen van de verzekerden te beschermen en met name om de vrije beschikking over de activa van de onderneming te beperken.
6. Ofschoon deze niet door het Simvoulio tis Epikratias wordt genoemd, moet ook worden gewezen op richtlijn 2001/17, daar deze een belangrijk element vormt voor de beantwoording van de prejudiciële vraag. De artikelen 10 en 11 van deze richtlijn luiden:
„Artikel 10 (Behandeling van vorderingen uit hoofde van verzekering)
1) De lidstaten zorgen ervoor dat schuldvorderingen uit hoofde van verzekering gerangschikt worden boven alle andere schuldvorderingen op de verzekeringsonderneming, overeenkomstig een van beide of beide hierna volgende methoden:
a) schuldvorderingen uit hoofde van verzekering zijn met betrekking tot de activa ter dekking van de technische voorzieningen absoluut bevoorrecht boven alle andere vorderingen op de verzekeringsonderneming;
b) schuldvorderingen uit hoofde van verzekering zijn met betrekking tot de algehele activa van de verzekeringsonderneming bevoorrecht boven alle andere vorderingen op de verzekeringsonderneming, met als enige mogelijke uitzonderingen:
i) vorderingen van werknemers uit hoofde van arbeidsovereenkomst en arbeidsbetrekking,
ii) […]
2) Onverminderd lid 1 kunnen de lidstaten voorschrijven dat alle of een deel van de uitgaven in verband met de liquidatieprocedure, als bepaald in de nationale wetgeving, voorrang krijgen boven vorderingen uit hoofde van verzekering.
3) […]”
„Artikel 11 (Subrogatie door een garantiestelsel)
De lidstaat van herkomst kan voorschrijven dat als een in die lidstaat ingesteld garantiestelsel gesubrogeerd is in vorderingen uit hoofde van verzekering, het bepaalde in artikel 10, lid 1, niet geldt voor vorderingen van dat stelsel.”
B – Het Griekse recht
7. De verzekeringsrichtlijnen zijn omgezet in Grieks recht bij presidentiële decreten 118/1985 en 252/1996 tot wijziging van wetsdecreet 400/1970 betreffende de particuliere verzekeringsonderneming.
8. Artikel 3 van het wetsdecreet stelt voor de werking van een in Griekenland gevestigde verzekeringsonderneming een door de Minister van Handel verleende vergunning verplicht. Het stelt ook de gevallen vast waarin de vergunning kan worden ingetrokken. Volgens lid 7 van dit artikel „leidt definitieve intrekking van de werkingsvergunning van rechtswege tot de intrekking van de oprichtingsvergunning en de ontbinding van de verzekeringsonderneming”.
9. Artikel 7 van het wetsdecreet bepaalt dat „de in Griekenland gevestigde verzekeringsondernemingen verplicht zijn, toereikende technische voorzieningen te vormen voor alle verzekeringsovereenkomsten die zij zowel in Griekenland als in andere lidstaten hebben gesloten via bijkantoren of in het kader van het vrij verrichten van diensten”. Die technische voorzieningen moeten worden gedekt door gelijkwaardige of in dezelfde munt uitgedrukte activa.
10. Daarnaast verplicht artikel 8, lid 1, van het wetsdecreet in Griekenland gevestigde verzekeringsondernemingen om een garantiefonds te vormen dat erin bestaat, in Griekenland of in enige andere lidstaat van de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte over activa te beschikken met het doel de belangen te verzekeren van de rechthebbenden op een prestatie uit hoofde van een verzekeringsovereenkomst. Het garantiefonds omvat de activa die de in artikel 7 van het wetsdecreet bedoelde technische voorzieningen dekken, alsook de activa die een vierde van het in artikel 20, lid 2, tweede alinea, sub e, van het wetsdecreet bedoelde minimum dekken.
11. Indien de verzekeringsonderneming zich niet naar de bepalingen van eerdergenoemde artikelen 7 en 8 betreffende technische voorzieningen voegt, kan de Minister van Handel ingevolge artikel 9 van het wetsdecreet bij in het Griekse Staatsblad bekendgemaakte beschikking, gegeven na de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten waar de onderneming eventueel via bijkantoren of in het kader van het vrij verrichten van diensten werkzaam is, van zijn voornemen op de hoogte te hebben gesteld, haar gehele vrije vermogen of een deel ervan in een garantiefonds onderbrengen, haar de vrije beschikking over haar gehele vermogen of een deel ervan verbieden, haar vergunning voor alle of bepaalde branches waarin zij actief is voorlopig of definitief intrekken, en elke andere passende maatregel treffen om de belangen van de verzekerden en elke andere rechthebbende op een verzekeringsvergoeding te beschermen.
12. De bepaling waar het in deze zaak om gaat, is artikel 10, lid 1, van het wetsdecreet, zoals gewijzigd bij artikel 35, lid 9, van wet 2496/1997:
„De rechthebbenden op een verzekeringsvergoeding en hun rechtverkrijgenden onder algemene en bijzondere titel hebben op het garantiefonds een voorrecht dat voorrang heeft boven ieder algemeen of bijzonder voorrecht, behalve het voorrecht van artikel 12a, lid 8, en het voorrecht voor vorderingen uit een arbeidsverhouding, met uitzondering van die van personen die het recht van bestuur en beheer van de verzekeringsonderneming uitoefenen.”
Artikel 12a, lid 8, bepaalt dat de lonen en kosten van de toezichthouder op een liquidatie of faillissement en van de vereffenaar bevoorrechte vorderingen zijn.
13. Ten slotte zij vermeld dat in 1996 de bevoegdheid tot het houden van toezicht op verzekeringsondernemingen van de Minister van Handel werd overgedragen op de Minister van Ontwikkeling.
III – De feiten, het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
14. Epikouriko Kefalaio is een privaatrechtelijke rechtspersoon naar Grieks recht die opereert onder toezicht en controle van de Minister van Handel. Zij heeft tot doel, de vergoeding uit hoofde van burgerlijke aansprakelijkheid te betalen voor auto-ongevallen wanneer er geen verzekeringsdekking is, onder meer wanneer de verzekeraar failliet is verklaard of de vergunning voor de werking van een verzekeringsonderneming is ingetrokken wegens schending van de wet. Wanneer Epikouriko Kefalaio de vergoeding heeft betaald, treedt zij in alle uit het ongeval voortvloeiende rechten van de gelaedeerde tegenover de tot vergoeding verplichte persoon of zijn verzekeraar.
15. In 1995 heeft de Griekse Minister van Handel de oprichtings- en werkingsvergunning van de verzekeringsonderneming Intercontinental A.E. definitief ingetrokken en de roerende en onroerende goederen van de vennootschap geblokkeerd in een garantiefonds. Vervolgens heeft de Griekse Minister van Handel in november 1998 onder meer 28 967 185 GRD gedeblokkeerd om „bij voorrang de dekking te verzekeren van de vorderingen die uit een arbeidsverhouding voortvloeien”, overeenkomstig artikel 10, lid 1, van wetsdecreet 400/1970, zoals gewijzigd bij artikel 35, lid 9, van wet 2496/1997.
16. In de procedure voor het Simvoulio tis Epikratias verzoekt Epikouriko Kefalaio nietigverklaring van deze laatste beschikking. Zij betoogt dat de deblokkering van 28 967 185 GRD uit het garantiefonds van de verzekeringsonderneming, om bij voorrang de dekking te verzekeren van de vorderingen die uit de arbeidsverhouding van de werknemers met de onderneming voortvloeien, het vermogen vermindert waaruit haar vorderingen op Intercontinental A.E. moeten worden voldaan. Dit gaat volgens haar in tegen het doel van de verzekeringsrichtlijnen, de bescherming van de belangen van de verzekerden.
17. Het Simvoulio tis Epikratias is ten aanzien van de verenigbaarheid van artikel 35, lid 9, van wet 2496/1997 met de verzekeringsrichtlijnen wel tot een conclusie gekomen. In zijn uitspraak benadrukt het dat de doeltreffende bescherming van de verzekerden het hoofddoel van de communautaire regeling en de nationale omzettingsregeling is, en dat de verplichting om technische voorzieningen te vormen de belangrijkste waarborg is voor de bescherming van hun rechten. Het heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat artikel 35, lid 9, van wet 2496/1997, volgens hetwelk de vorderingen voortvloeiend uit een arbeidsverhouding met een verzekeringsonderneming, uit het garantiefonds van die onderneming worden voldaan bij voorrang boven de vorderingen van de rechthebbenden op een verzekeringsvergoeding en hun rechtverkrijgenden onder algemene en bijzondere titel, in strijd is met de bepalingen van de communautaire verzekeringsrichtlijnen, en dat de bestreden beslissing, die op artikel 35, lid 9, berust, dus nietig zou moeten worden verklaard. Niettemin heeft het Simvoulio tis Epikratias in verband met de redelijke twijfel die over deze uitlegging kan bestaan, besloten zijn definitieve beslissing aan te houden en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
„Kan, gezien de artikelen 15 en 16 van de Eerste richtlijn (73/239/EEG) van de Raad tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan, zoals aangevuld en gewijzigd bij de Tweede richtlijn (88/357/EEG) van de Raad en de Derde richtlijn (92/49/EEG) van de Raad, alsook de artikelen 17 en 18 van de Eerste richtlijn (79/267/EEG) van de Raad tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en de uitoefening daarvan, zoals aangevuld en gewijzigd bij de Tweede richtlijn (90/619/EEG) van de Raad en de Derde richtlijn (92/96/EEG) van de Raad, de nationale wetgever bepalen dat, wanneer een verzekeringsonderneming zich in staat van faillissement, in liquidatie of in een vergelijkbare toestand van insolventie bevindt, de vorderingen die voortvloeien uit een arbeidsverhouding met die onderneming, uit de activa van haar technische voorzieningen worden voldaan bij voorrang boven de vorderingen van de rechthebbenden op een verzekeringsvergoeding en hun rechtverkrijgenden onder algemene en bijzondere titel?”
18. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Epikouriko Kefalaio, de regering van de Helleense Republiek, de regering van het Verenigd Koninkrijk, en door de Commissie. De regering van de Helleense Republiek en de Commissie waren ter terechtzitting van 13 mei 2004 vertegenwoordigd.
IV – Antwoord op de prejudiciële vraag
19. Allereerst moet worden vastgesteld dat de verzekeringsrichtlijnen geen uitdrukkelijke regels bevatten ten aanzien van verzekeringsondernemingen die in liquidatie verkeren. Zulke regels zijn op gemeenschapsniveau eerst ingevoerd bij richtlijn 2001/17. In de tweede overweging van de considerans van deze richtlijn wordt uitdrukkelijk verklaard dat de verzekeringsrichtlijnen „geen coördinatieregels voor liquidatieprocedures” bevatten en dat „het in het belang van de goede werking van de interne markt en de bescherming van de schuldeisers” is om dergelijke regels vast te stellen. Daaruit zou a contrario eenvoudig kunnen worden afgeleid dat de verzekeringsrichtlijnen de vaststelling en toepassing van nationale bepalingen op dit punt niet uitsluiten.
20. Niettemin sluit het feit dat dit onderwerp op gemeenschapsniveau in een later stadium is geregeld niet uit dat de verzekeringsrichtlijnen in die zin worden uitgelegd dat zij de lidstaten beletten, maatregelen als de in geding zijnde vast te stellen. De verwijzende rechter is zelfs precies tot deze slotsom gekomen, waar hij overweegt dat, aangezien de verzekeringsrichtlijnen bedoeld zijn ter bescherming van de belangen van de verzekerden, elke nationale regel die de belangen van andere categorieën boven deze belangen stelt, onverenigbaar met die richtlijnen moet zijn.
21. Om te bepalen of de verzekeringsrichtlijnen aldus kunnen worden uitgelegd, moet worden gelet op het doel van deze richtlijnen, en in het bijzonder op de mate van harmonisatie die daarmee wordt beoogd. Uit de eerste overweging van de considerans van de verzekeringsrichtlijnen blijkt dat hun voornaamste doel is de interne verzekeringsmarkt te voltooien en het voor in de Gemeenschap gevestigde verzekeringsondernemingen gemakkelijker te maken, in de Gemeenschap gelegen risico's te dekken en verbintenissen aan te gaan. Of, in de bewoordingen van het Hof, hebben zij tot doel „de vrijheid om in de Gemeenschap verzekeringsproducten te verkopen […], tot stand te brengen”. (4) Om dit doel te bereiken, beogen de richtlijnen „een wezenlijke, noodzakelijke en voldoende harmonisatie tot stand te brengen om te komen tot een wederzijdse erkenning van de vergunningen en van de stelsels van bedrijfseconomisch toezicht, waardoor een en dezelfde vergunning voor de gehele Gemeenschap geldig is en waarbij het beginsel geldt dat het toezicht wordt uitgeoefend door de lidstaat van herkomst”. (5) Dit suggereert dat de door de richtlijnen tot stand te brengen harmonisatie beperkt is tot hetgeen noodzakelijk is om de toegang tot de verzekeringsmarkt in de gehele Gemeenschap te garanderen, en dus geen betrekking heeft op aspecten die geen verband houden met de toegang tot de markt.
22. Een van de belangrijkste voor dit doel te harmoniseren aspecten was de nationale wetgeving die de financiële en economische stabiliteit van verzekeringsondernemingen moest garanderen. Zoals het Hof heeft uiteengezet in het arrest Commissie/Duitsland (6) , hadden alle lidstaten, gezien de gevoeligheid van de verzekeringssector vanuit het oogpunt van bescherming van de consument als verzekeringnemer en verzekerde, wettelijke regelingen ingevoerd waarbij de verzekeringsondernemingen onderworpen werden aan dwingende bepalingen zowel met betrekking tot hun financiële situatie als tot de door hen toegepaste verzekeringsvoorwaarden, en aan een voortdurend toezicht op de naleving van die bepalingen. Deze regels, die beperking van het vrij verrichten van diensten tot gevolg konden hebben, konden echter worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, mits de bepalingen van de staat van vestiging niet voldoende waren om het noodzakelijke beschermingsniveau te bereiken, en de eisen van de staat waar de dienst werd verricht, niet verder gingen dan wat daarvoor strikt noodzakelijk was. (7) In die situatie kon de interne markt in de verzekeringssector alleen worden voltooid, wanneer uiteenlopende nationale maatregelen, die gemeenschapsrechtelijk gerechtvaardigd waren en zo de vrijheid van dienstverrichting bleven beperken, door harmonisatie op één lijn werden gebracht.
23. Terwijl verschillen tussen nationale regels ter voorkoming van insolventie, zoals de verplichting tot het treffen van technische voorzieningen en een solvabiliteitsmarge, gevolgen kunnen hebben voor de toegang tot de verzekeringsmarkten van andere lidstaten, kunnen uiteenlopende nationale regels op het gebied van insolventie of liquidatie op het eerste gezicht niet worden geacht dergelijke gevolgen te hebben, zoals ook door het Verenigd Koninkrijk in zijn schriftelijke opmerkingen is gesteld. Dit is op zich al een duidelijke aanwijzing dat regels op het gebied van insolventie niet binnen de werkingssfeer ratione materiae van de verzekeringsrichtlijnen vallen, zodat de lidstaten de bevoegdheid om op dat punt maatregelen vast te stellen, hebben behouden.
24. De opvatting van de verwijzende rechter en Epikouriko Kefalaio is gebaseerd op het argument dat, aangezien de vorming van technische reserves uiteindelijk bedoeld is om de belangen van verzekeringnemers en verzekerden te beschermen, hun vordering op de deze technische reserves dekkende activa bij insolventie van een verzekeringsonderneming voorrang moet genieten. Ofschoon deze opvatting heel logisch en acceptabel lijkt, blijft het een feit dat zij noch door de bewoordingen noch door het doel van de verzekeringsrichtlijnen wordt gesteund. Terwijl de nationale wettelijke regeling die onderwerp van harmonisering is geweest, inderdaad gericht was op de bescherming van de consumentenbelangen in de verzekeringssector, en de richtlijnen bijgevolg ook een voldoende bescherming in de gehele Gemeenschap beogen, was de primaire functie van deze richtlijnen in dat stadium van het harmoniseringsproces, het zij nogmaals gezegd, het uit de weg ruimen van belemmeringen voor het verrichten van verzekeringsdiensten in het kader van de vrijheid van vestiging of de vrijheid van dienstverrichting. De rechtsgrondslag van de richtlijnen, de artikelen 57, lid 2, en 66 EEG-Verdrag (thans de artikelen 47, lid 2, EG en 55 EG), die de Raad de bevoegdheid geven om richtlijnen vast te stellen teneinde de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden anders dan in loondienst (werkzaamheden verricht als rechtspersoon daaronder begrepen) te vergemakkelijken, wijst eveneens in die richting.
25. De regering van de Helleense Republiek betoogt dat de verzekeringsrichtlijnen zijn bedoeld om de verzekerden te beschermen, maar alleen zolang de verzekeringsonderneming normaal functioneert. Dit is mijns inziens niet juist. De verplichting van een verzekeringsonderneming om voldoende technische reserves en een solvabiliteitsmarge te vormen is uiteraard een voorzorgsmaatregel ter bescherming van onder meer de belangen van de bij die onderneming verzekerde personen, in het bijzonder wanneer die onderneming in een situatie geraakt dat zij niet aan haar verplichtingen kan voldoen. Deze functie heeft echter geen invloed op de rangorde van de vorderingen van verschillende categorieën schuldeisers. Al is de bescherming van consumentenbelangen op dit gebied een secundaire doelstelling van de verzekeringsrichtlijnen, dit betekent niet dat de belangen van andere categorieën schuldeisers niet worden beschermd wanneer er een situatie van insolventie ontstaat.
26. De vaststelling van richtlijn 2001/17 bevestigt deze zienswijze. Niet alleen bevat deze richtlijn in artikel 10 uitdrukkelijke voorschriften ten aanzien van de rangorde van vorderingen op verzekeringsondernemingen bij insolventie, in de considerans wordt tevens uitdrukkelijk verklaard dat de verzekeringsrichtlijnen „geen coördinatieregels voor liquidatieprocedures [bevatten]”. (8) Deze ondubbelzinnige verklaring van de gemeenschapswetgever betreffende de draagwijdte van de verzekeringsrichtlijnen leidt tot de onontkoombare conclusie dat vóór de vaststelling van richtlijn 2001/17 de regeling van dit onderwerp tot de bevoegdheid van de lidstaten behoorde.
27. Hieraan zou ik willen toevoegen dat, waar ik hiervóór heb opgemerkt dat regels inzake de insolventie van verzekeringsondernemingen de toegang tot de markt niet beïnvloeden, dit niet als zodanig het doel is van richtlijn 2001/17. Deze richtlijn wordt veeleer gepresenteerd als een maatregel in het belang van de „goede werking” van de interne markt. (9) Met andere woorden, ik geloof niet dat de vaststelling van deze richtlijn mijn opmerking in punt 23 van deze conclusie weerspreekt.
28. Wat de veronderstelde voorrang van vorderingen van verzekeringnemers en verzekerden betreft, is veelzeggend dat richtlijn 2001/17 in de tweede overweging van de considerans de bescherming van „schuldeisers” in het algemeen noemt en dat de beide in artikel 10 van de richtlijn voorgeschreven systemen van rangschikking, die worden beschreven als „in wezen gelijkwaardig”, ook de rechten van andere categorieën schuldeisers eerbiedigen, met inbegrip van de werknemers van de verzekeringsonderneming. Waar het eerste systeem aan schuldvorderingen uit hoofde van verzekering alleen met betrekking tot de activa ter dekking van de technische voorzieningen absolute voorrang geeft, zijn in het tweede systeem schuldvorderingen uit hoofde van verzekering bevoorrecht met betrekking tot alle activa van de verzekeringsonderneming, met uitzondering van vorderingen van vier andere categorieën schuldeisers, waaronder de werknemers van de verzekeringsonderneming.
V – Conclusie
29. Ik ben dan ook van mening dat de prejudiciële vraag van het Simvoulio tis Epikratias als volgt moet worden beantwoord:
„De artikelen 15 en 16 van de Eerste richtlijn (73/239/EEG) van de Raad tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan, zoals aangevuld en gewijzigd bij de Tweede richtlijn (88/357/EEG) van de Raad en de Derde richtlijn (92/49/EEG) van de Raad, alsook de artikelen 17 en 18 van de Eerste richtlijn (79/267/EEG) van de Raad tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en de uitoefening daarvan, zoals aangevuld en gewijzigd bij de Tweede richtlijn (90/619/EEG) van de Raad en de Derde richtlijn (92/96/EEG) van de Raad, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat, wanneer een verzekeringsonderneming zich in staat van faillissement, in liquidatie of in een vergelijkbare toestand van insolventie bevindt, de vorderingen die voortvloeien uit een arbeidsverhouding met die onderneming, uit de activa van haar technische voorzieningen worden voldaan bij voorrang boven de vorderingen van de rechthebbenden op een verzekeringsvergoeding en hun rechtverkrijgenden onder algemene en bijzondere titel.”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Richtlijn 73/239/EEG van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan, PB L 228, blz. 3, zoals gewijzigd bij de Tweede richtlijn 88/357/EEG van de Raad, PB L 172, blz. 1, en de Derde richtlijn 92/49/EEG van de Raad, PB L 228, blz. 1, en richtlijn 79/267/EEG van de Raad van 5 maart 1979 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en de uitoefening daarvan, PB L 63, zoals gewijzigd bij de Tweede richtlijn 90/619/EEG van de Raad, PB L 330, blz. 50, en de Derde richtlijn 92/96/EEG van de Raad, PB L 360, blz. 1 (hierna: „de verzekeringsrichtlijnen”).
3 – Richtlijn 2001/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van verzekeringsondernemingen, PB L 110, blz. 28 (hierna: „richtlijn 2001/17”).
4 – Arrest van 25 februari 2003, C-59/01, Commissie/Italië, Jurispr. blz. I-1759, punt 26.
5 – Vijfde overweging van de considerans van de richtlijnen 92/49 en 92/96.
6 – Arrest van 4 december 1986, 205/84, Commissie/Duitsland, Jurispr. blz. 3755.
7 – Punten 30-33.
8 – Tweede overweging van de considerans.
9 – Tweede overweging van de considerans.
Full & Egal Universal Law Academy