CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. POIARES MADURO
van 6 mei 2004(1)
Zaak C-72/03
Carbonati Apuani Srl
tegen
Comune di Carrara
[verzoek van de Commissione tributaria provinciale di Massa Carrara (Italië) om een prejudiciële beslissing]
„Vrij verkeer van goederen – Heffing van gelijke werking als douanerecht – Heffing op marmer dat op grondgebied van gemeente wordt gewonnen en buiten dit grondgebied wordt gebracht – Louter interne situatie”
1. Het is geen zeldzaamheid meer dat het Hof wordt verzocht om zich uit te spreken over de toepassing van de regels inzake het vrije verkeer van goederen op interne situaties in de lidstaten. Eén van de door de rechtspraak van het Hof op dit gebied aangeroerde vragen betreft ongetwijfeld het probleem tot waar de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht reikt en, bijgevolg, tot welk punt het Hof bevoegd is om te antwoorden op een prejudiciële vraag die dergelijke situaties aangaat. De onderhavige verwijzing lijkt mij het Hof de gelegenheid te geven om dit vraagstuk opnieuw te behandelen.
2. Met haar verwijzing vraagt de Commissione tributaria provinciale di Massa Carrara (Italië) het Hof namelijk, zich uit te spreken over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van een heffing die wordt geïnd wanneer goederen het grondgebied van een in een lidstaat gelegen gemeente verlaten, waarbij deze heffing op dezelfde wijze op naar een andere lidstaat uitgevoerde goederen als op naar een ander deel van de betrokken lidstaat verzonden goederen wordt toegepast (2) . Op het eerste zicht kan het verleidelijk zijn zich af te vragen of een onderscheid moet worden gemaakt tussen de producten die worden belast wegens hun uitvoer uit Italië en de producten die worden belast wegens hun verzending naar andere delen van het Italiaanse grondgebied.
3. Op basis van de arresten in de zaken Lancry e.a. en Simitzi lijkt het antwoord eenvoudig (3) . Zodra de heffing wordt toegepast naar aanleiding van de overschrijding van een grens, al is dit een grens in een lidstaat, kan een heffing als een heffing van gelijke werking als een douanerecht worden aangemerkt. Het is in dat geval hoe dan ook van geen belang of de heffing alleen betrekking heeft op de intracommunautaire handel, of ook op de binnenlandse handel. Het volstaat dat een grens wordt overschreden, opdat de regeling waarbij de heffing is ingevoerd, als zodanig zich niet met artikel 25 EG verdraagt. Door de rechtspraak van het Hof wordt dus een klaarblijkelijk eenvoudige en duidelijke oplossing geboden voor de vraag die in onderhavige zaak rijst.
4. Deze oplossing lijkt mij nochtans niet echt voldoening te schenken. De vaste rechtspraak van het Hof leidt ertoe dat in de praktijk het omgekeerde beginsel wordt geponeerd dan het beginsel dat voor heffingen van gelijke werking geldt. Volgens deze rechtspraak kunnen de voorschriften inzake het vrije verkeer niet worden toegepast op een situatie die slechts de handel binnen een lidstaat betreft. Ook al werden er al uitzonderingen op dit strenge beginsel gemaakt, deze moeten als werkelijk exceptioneel worden beschouwd op grond van de bijzondere omstandigheden van de zaak, waarbij steeds is vastgehouden aan het beginsel dat de regels inzake het vrije verkeer niet van toepassing zijn op louter interne situaties (4) . Derhalve moet worden nagegaan of de ter zake van heffingen van gelijke werking gekozen oplossing wel altijd gerechtvaardigd is, en, indien niet, of het probleem niet moet worden bezien op een meer coherente wijze die tot hetzelfde resultaat kan leiden.
I – Het rechtskader, de feiten en de prejudiciële vraag
5. De onderhavige heffing is een erfenis van de geschiedenis. Er kan een spoor van worden gevonden in een door de gouverneur van de provincie Lunigiana Estense afgekondigde Notificazione Governatoriale van 14 juli 1846. Na de eenmaking van het Koninkrijk Italië werd zij op 19 september 1860 bij koninklijk decreet ingevoerd als tolrecht voor het vervoer van marmer over de wegen van Carrara. Bij wet nr. 749 van 15 juli 1911 werd zij omgezet in een heffing op het vervoer van in de gemeente gewonnen marmer.
6. Momenteel is deze heffing in een ingewikkelde wetsbepaling vervat. Het enige artikel van wet nr. 749/1911, waarvan sommige bepalingen door wet nr. 449 van 27 december 1997 zijn gewijzigd, luidde ten tijde van de feiten als volgt:
„Ten gunste van de gemeente Carrara wordt een heffing ingevoerd op marmer dat op haar grondgebied wordt gewonnen en buiten dit grondgebied wordt gebracht. Deze heffing wordt door de gemeente toegepast en geïnd wanneer het marmer het grondgebied van de gemeente verlaat, op basis van een door de gemeenteraad, na raadpleging van de sociale partners, vastgestelde bijzondere regeling.
De gemeenteraad stelt jaarlijks bij de vaststelling van de begroting van de gemeente de hoogte van de heffing voor het volgende jaar vast. Wanneer de gemeente evenwel met de opbrengst van de heffing duurzame investeringen moet bekostigen of garanderen, kan de gemeenteraad de hoogte van de bedoelde heffing voor meerdere jaren vooraf vaststellen.
De gemeente kan, bij besluit van de gemeenteraad, overeenkomstig de gemeentelijke en provinciale regelgeving en onder voorbehoud van goedkeuring door de Giunta provinciale amministrativa [provinciale bestuurlijke commissie], voorschrijven dat een deel van de opbrengst van de heffing wordt besteed aan de kosten en de verplichtingen voor de aanleg en de exploitatie van de haven van Marina di Carrara, in voorkomend geval met inachtneming van wet nr. 50 van 12 februari 1903; zij kan tevens voorschrijven dat een deel van de heffing wordt besteed voor betaling van de bijdragen van de werknemers in de marmerindustrie aan de Cassa nazionale di previdenza per gli operai [nationaal socialezekerheidsfonds voor werknemers].”
7. Vervolgens werd deze bepaling nader uitgewerkt door decreto legge (voorlopig wetsbesluit) nr. 8 van 26 januari 1999, met een aantal wijzigingen omgezet in wet nr. 75 van 25 maart 1999, dat bepaalt:
„Het enige artikel van wet nr. 749 […] moet aldus worden uitgelegd dat de heffing [...] wordt toegepast op marmer en marmerderivaten en dat bij de vaststelling van de hoogte ervan rekening wordt gehouden met de kosten die rechtstreeks of indirect voortvloeien uit de activiteiten van de lokale marmersector.”
8. Ten slotte moet ook rekening worden gehouden met een door de Comune di Carrara (gemeente Carrara) op 23 maart 1999 vastgestelde verordening die voorschrijft dat de gemeenteraad elk jaar het tarief van de heffing vaststelt, op basis van met name de milieuhinder die door de marmerindustrie wordt veroorzaakt. De wettelijke en bestuursrechtelijke wijzigingen die in 2001 en 2004 in deze wettelijke regeling werden aangebracht, zijn evenwel niet relevant voor het onderzoek van het Hof in deze zaak, aangezien zij van na de aangevoerde feiten dateren (5) .
9. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat de toepassing van deze bepaling tot gevolg heeft dat het op het grondgebied van de gemeente Carrara gewonnen en gebruikte marmer van de heffing is vrijgesteld, terwijl geheel of gedeeltelijk vrijstelling kan worden verleend voor marmer dat in de buurgemeenten van de gemeente wordt gebruikt of bewerkt.
10. In deze zaak zijn de feiten de volgende. De vennootschap Carbonati Apuani Srl oefent in de gemeente Carrara werkzaamheden uit ter zake van de ontginning van marmer, de verwerking van marmergruis en de afvoer van grond. Bij een heffingsaanslag van 7 mei 2001 heeft de gemeente Carrara betaling gevorderd van de door deze vennootschap verschuldigde heffing op marmer uit hoofde van de over de maand april 2001 verwezenlijkte uitvoer over de gemeentegrenzen. De vennootschap is voor de verwijzende rechter tegen deze aanslag opgekomen op grond dat de wettelijke regeling op basis waarvan deze betaling werd opgelegd, zich niet met het gemeenschapsrecht verdraagt.
11. De door de rechter in het hoofdgeding opgeworpen vraag is of deze wettelijke regeling verenigbaar is met de artikelen 23 EG, 81 EG, 85 EG en 86 EG.
II – Voorafgaande opmerkingen
12. Het gaat om drieërlei opmerkingen, aan de hand waarvan ik het kader kan schetsen waarin de gestelde vraag moet worden geplaatst.
A – De ontvankelijkheid van de voorgelegde vraag
13. In haar schriftelijke opmerkingen verzoekt de Commissie het Hof zich over de ontvankelijkheid van de gestelde vraag uit te spreken. Volgens haar is het onzeker of de prejudiciële verwijzing voldoet aan de uit de rechtspraak van het Hof voortvloeiende vereisten dat de nationale rechter het feitelijke en juridische kader moet omschrijven waarin de door hem gestelde vragen dienen te worden geplaatst (6) .
14. Dit bezwaar is niet gegrond. De feitelijke situatie vertoont geen enkele bijzondere moeilijkheid, en ook al is zij niet tot in detail beschreven in de verwijzingsbeschikking, een volledige omschrijving is zonder probleem af te leiden uit de door de partijen in het hoofdgeding ingediende schriftelijke opmerkingen. Wat het rechtskader betreft, dit wordt duidelijk weergegeven in de verwijzingsbeschikking (7) . In die omstandigheden heeft het geen pas te eisen dat het Hof over alle gegevens van het geschil beschikt om het nut van de hem gevraagde uitlegging te kunnen beoordelen. Het feit alleen al dat de Commissie in staat is geweest in deze zaak nuttige opmerkingen in te dienen, volstaat trouwens als bewijs dat de beschikking toereikend is gemotiveerd (8) . Het Hof beschikt in deze zaak over de nodige gegevens om zich over de hem gestelde rechtsvraag uit te spreken.
15. Ter zake van prejudiciële verwijzingen zou het hoe dan ook onvoorzichtig zijn om de gronden van niet-ontvankelijkheid uit te breiden tot buiten de gevallen waarin het Hof geen inzicht heeft in het voorwerp van het geschil, hetzij door het ontbreken van informatie (9) , hetzij juist door een pure constructie (10) . Een dergelijke voorzichtige benadering lijkt mij in overeenstemming met de aard en de geest van de rechtsprekende samenwerking van artikel 234 EG, die berust op de noodzakelijke samenwerking van twee rechtsprekende instanties om een zelfde geschil af te doen.
B – De afbakening van het in casu toepasselijke recht
16. De verwijzende rechter vraagt het Hof zich uit te spreken over de verenigbaarheid van de Italiaanse wettelijke regeling met zowel artikel 23 EG inzake de douane-unie als met de artikelen 81 EG, 85 EG en 86 EG betreffende de op ondernemingen toepasselijke mededingingsregels.
17. Om te beginnen merk ik op dat het Hof in het kader van een procedure krachtens artikel 234 EG niet bevoegd is om zich over de verenigbaarheid van een nationale bepaling met het gemeenschapsrecht uit te spreken. Volgens vaste rechtspraak dient de in deze zaak gestelde vraag aldus te worden begrepen dat het Hof wordt verzocht de nationale rechterlijke instantie alle gemeenschapsrechtelijke gegevens omtrent de uitlegging te verstrekken waarmee deze instantie voor de beslechting van de bij haar aanhangige zaak de verenigbaarheid van deze wettelijke regeling kan toetsen (11) .
18. Vervolgens dient het voorwerp van het verzoek te worden beperkt tot het eerste deel van de vraag.
19. Dit behoeft geen enkel betoog. In de eerste plaats kan artikel 86 EG niet op de onderhavige zaak worden toegepast, aangezien de betrokken maatregel noch op openbare bedrijven, noch op de uitoefening van aan deze bedrijven verleende bijzondere of uitsluitende rechten betrekking heeft.
20. In de tweede plaats is de heffing een nationale overheidsmaatregel, waarop de artikelen 81 EG en 82 EG niet van toepassing kunnen zijn. Volgens vaste rechtspraak van het Hof spelen de mededingingsregels voor de ondernemingen geen rol bij de beoordeling van de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van een wettelijke of bestuursrechtelijke regeling van een lidstaat (12) . Het is weliswaar niet uitgesloten dat een nationale overheidsmaatregel in strijd is met de artikelen 81 EG en 82 EG, gelezen in samenhang met artikel 10 EG, indien deze maatregel het nuttig effect van de mededingingsregels voor de ondernemingen ongedaan zou kunnen maken. Dat is volgens het Hof het geval wanneer de staat ofwel het totstandkomen van met artikel 81 EG strijdige afspraken oplegt of begunstigt, dan wel de werking ervan versterkt, of aan haar eigen regeling het overheidskarakter ontneemt door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten tot interventie op economisch gebied aan particuliere ondernemingen op te dragen (13) . Op zijn minst moet er een rechtstreeks verband tussen de betrokken maatregel en de mededingingsbeperkende ondernemingsgedragingen worden aangetoond. In de omstandigheden van het hoofdgeding wijst evenwel niets op het bestaan van een dergelijk verband. Hoe dan ook volstaat de enkele bewering van een zekere „invloed op de vrije mededinging”, zoals verzoekster in het hoofdgeding doet, niet om de onderhavige heffing binnen de werkingssfeer van de genoemde regels te doen vallen.
21. Aangezien de artikelen 81 EG, 85 EG en 86 EG in omstandigheden als in het hoofdgeding in beginsel niet van toepassing zijn, kunnen zij niet als referentiekader dienen voor de beoordeling van de verenigbaarheid van de onderhavige heffing met het gemeenschapsrecht.
C – De in deze conclusie gevolgde methode
22. Aldus afgegrensd, kan op de gestelde vraag schijnbaar een eenvoudig antwoord worden gegeven. De grond waarom een heffing van dit type onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, is klassiek in de rechtspraak van het Hof. Het ligt voor de hand deze grond te behandelen overeenkomstig de beginselen tot uitlegging van artikel 25 EG, zoals deze in de reeds aangehaalde arresten Lancry e.a. en Simitzi zijn geformuleerd. In eerste instantie wordt inderdaad die methode gevolgd.
23. Deze methode lijkt mij evenwel ontoereikend. Volgens vaste rechtspraak zijn de regels inzake het vrije verkeer niet van toepassing op situaties waarvan de bestanddelen en de gevolgen tot de interne sfeer van één lidstaat zijn beperkt (14) . Indien het Hof de in de reeds aangehaalde arresten Lancry e.a. en Simitzi toegepaste uitlegging zou bevestigen, is een breuk in de samenhang van de regels inzake de vrijheden van verkeer te duchten. Een gemeenschapsrechtelijke bepaling mag mijns inziens echter nooit aldus worden uitgelegd dat hierdoor een incoherentie in de communautaire rechtsorde ontstaat, indien een andere uitlegging mogelijk is. Derhalve lijkt het verkieslijk om het Hof in tweede instantie die andere uitlegging in overweging te geven.
III – De toepassing van de rechtspraak van het Hof ter zake van heffingen van gelijke werking als de onderhavige heffing
A – De gegrondheid van de toepassing van de rechtspraak Lancry e.a. en Simitzi
24. De onderhavige zaak heeft een bekend precedent, de reeds aangehaalde zaak Simitzi. In die zaak ging het om een heffing die werd toegepast op zowel de producten die werden ingevoerd in een geografisch geïsoleerd deel van het Griekse grondgebied, de eilanden van de Dodecanesos, als de hieruit uitgevoerde producten. Een analyse in zijn arresten Legros e.a. en Lancry e.a. volgend, heeft het Hof in deze zaak het beginsel geponeerd van de gelijkwaardigheid tussen, enerzijds, een belemmering die voortvloeit uit een heffing die aan een landsgrens wordt toegepast wanneer producten vanuit het gehele grondgebied van een lidstaat worden uitgevoerd, en, anderzijds, een belemmering die voortvloeit uit een heffing die aan een binnengrens wordt toegepast wanneer producten vanuit een gebied van een lidstaat worden verzonden naar andere gebieden van diezelfde lidstaat (15) . Omdat de gevolgen van deze beide soorten heffingen gelijk zijn, moet ook deze laatste soort heffingen worden verboden.
25. Op basis van een dergelijk beginsel kan de door de verwijzende rechter opgeworpen vraag eenvoudig in die zin worden beantwoord dat een heffing die door een gemeente wordt toegepast op de goederen die buiten het grondgebied van die gemeente worden gebracht, als een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht moet worden aangemerkt, niet alleen voorzover zij drukt op de goederen die worden uitgevoerd buiten het grondgebied van de staat waartoe deze gemeente behoort, maar ook voorzover zij wordt toegepast op de goederen die de gemeente verlaten met andere delen van diezelfde lidstaat als bestemming (16) .
26. Tegen een dergelijke benadering heeft de gemeente Carrara evenwel twee bezwaren aangevoerd. Eén ervan is dat, anders dan in de omstandigheden waarin het reeds aangehaalde arrest Simitzi is gewezen, de litigieuze heffing slechts betrekking heeft op één soort goederen, het marmer van Carrara, en niet op alle producten die vanuit de gemeente worden uitgevoerd.
27. Dit eerste bezwaar is niet gegrond. Aangaande heffingen van gelijke werking bestaat er geen enkel vereiste betreffende het aantal producten waarop de betrokken heffing wordt toegepast. Van een dergelijk vereiste is er sprake in de definitie die het Hof aan het begrip binnenlandse belasting in de zin van artikel 90 EG heeft gegeven, voorzover dit begrip ziet op „gehele categorieën van producten”, die aan een „algemeen stelsel van binnenlandse belastingen kunnen worden onderworpen” (17) . Maar dit vereiste is niet relevant op het gebied van de heffingen van gelijke werking. Op dit gebied beoogt het EG-Verdrag elke tarifaire handelsbelemmering weg te werken, ook als het maar om één enkel product gaat (18) .
28. Het andere bezwaar betreft de geringe oppervlakte van de gemeente Carrara, in vergelijking met die van het gebied waar het in de reeds aangehaalde zaak Simitzi om ging.
29. Dit bezwaar heeft niet meer kans op slagen. In deze beide zaken gaat het om een handeling waarbij door de bevoegde overheidsinstanties een tarifaire handelsbelemmering wordt opgeworpen. In het geval dat in de reeds aangehaalde zaak Simitzi aan de orde was, werd deze handeling eenvoudigweg meermaals herhaald. Om deze als zodanig te kunnen aanmerken, is evenwel alleen het resultaat van een dergelijke handeling van belang, namelijk het bestaan van een − zij het bescheiden of zelfs minieme − tarifaire handelsbelemmering binnen de gemeenschappelijke markt (19) . Een door een gemeenteraad krachtens een nationale wet voor zijn grondgebied vastgestelde heffing, zoals de heffing waar het in deze zaak om gaat, moet dus niet anders worden behandeld dan een heffing die krachtens een regeringsdecreet door de gemeenteraden van de hoofdplaatsen van een gebied wordt vastgesteld voor elk deel van het grondgebied waarvoor zij bevoegd zijn, zoals de heffing waar het in de reeds aangehaalde zaak Simitzi om ging.
B – Verwerping van de ter verdediging aangevoerde argumenten
30. Ingeval als beginsel wordt aanvaard dat de reeds aangehaalde Simitzi-rechtspraak op het onderhavige geval van toepassing is, dient nog de strekking van de door de gemeente Carrara ter verdediging aangevoerde argumenten te worden onderzocht. Het gaat om drieërlei argumenten.
31. Enerzijds hebben zij betrekking op de vermeende effecten van de bestreden heffing. De gemeente is van mening dat deze heffing geen enkel verstorend effect op de mededinging op de gemeenschappelijke markt kan hebben.
32. Een heffing van gelijke werking in de zin van het Verdrag wordt evenwel gedefinieerd als eenzijdig opgelegde geldelijke last die op binnenlandse of buitenlandse goederen drukt wegens de overschrijding van een grens, zelfs als deze heffing niet ten gunste van de staat wordt geïnd en zij geen enkel discriminatoir of beschermend effect sorteert (20) . Bijgevolg is deze kwalificatie noch afhankelijk van de effecten die de heffing op de intracommunautaire handel kan hebben, noch van de vervalsing van de mededinging waartoe zij kan leiden. Ook volgt hieruit dat het argument van de gemeente dat het belaste product niet concurreert met producten die uit gebieden buiten de gemeente afkomstig zijn, volkomen irrelevant is.
33. Anderzijds berust het betoog van de gemeente op de doelstellingen die met de invoering van de heffing worden nagestreefd. De heffing zou met name tot doel hebben, de aanleg en het herstel van wegen- en haveninfrastructuur mogelijk te maken, milieubeschermingsmaatregelen te nemen, culturele initiatieven te ondersteunen, en ook de sociale bijstand aan de werknemers te financieren. Dit is ook het voornaamste argument dat ter terechtzitting door de Italiaanse Republiek werd aangevoerd. Zij voegt hieraan toe dat al deze activiteiten rechtstreeks met de sector en met de marmerindustrie te maken hebben.
34. Uit de algemene en absolute aard van het verbod van elk douanerecht op goederen die tussen de lidstaten circuleren, volgt evenwel dat douanerechten verboden zijn, onafhankelijk van elke overweging ter zake van het doel waarvoor zij zijn ingevoerd en de bestemming van de opbrengst ervan (21) . Derhalve kan noch enige sociale, milieu-, culturele of andere doelstelling waarvoor zij is ingesteld, noch de omstandigheid dat de opbrengst ervan voor de marmersector is bestemd, beletten dat de onderhavige heffing als een heffing van gelijke werking als een douanerecht in de zin van de artikelen 23 EG en 25 EG moet worden aangemerkt (22) .
35. Door het Hof wordt slechts één afwijking op het algemene verbod van heffingen van gelijke werking toegestaan. Het Hof erkent dat „het niet is uitgesloten dat in sommige gevallen voor een bepaalde en werkelijk verleende dienst een daaraan evenredige tegenprestatie mag worden verlangd” (23) . Maar in die gevallen moet dan wel werkelijk een dienst zijn verleend, moet deze individueel aan de betrokken marktdeelnemers zijn verleend en dient het bedrag van de opgelegde last strikt evenredig te zijn aan deze dienst (24) . Indien deze − cumulatieve − voorwaarden zijn vervuld, mag er op goede gronden van worden uitgegaan dat de opgelegde last geen eenvoudig beschermingsinstrument van de betrokken lidstaat is.
36. Het staat aan de nationale rechter om te oordelen of deze voorwaarden in casu zijn vervuld. Ik wil evenwel de voornaamste uitleggingsgegevens in herinnering roepen die bij deze beoordeling van nut kunnen zijn wanneer zij uit de aan het Hof overgelegde stukken kunnen worden afgeleid. Hoewel zij een beroep doet op deze afwijking, erkent de gemeente in haar opmerkingen dat uit wet nr. 75/1999, waarbij een authentieke uitlegging van de wet tot invoering van de onderhavige heffing wordt gegeven, volgt dat de marktdeelnemers uit de sector niet de „rechtstreekse begunstigden van de opbrengst van de heffing” zijn (25) . De heffing dient indirect de belangen van al degenen die marmer exploiteren. Om te beginnen moet worden nagegaan of de opbrengst van deze heffing inderdaad aan met de marmerindustrie verbonden uitgaven wordt besteed. Zelfs indien dit het geval is, betreft het voordeel dat aan de heffing zou worden ontleend, hoe dan ook het algemene belang van alle exploitanten samen, en niet een werkelijk en individueel verleende dienst (26) . Deze conclusie wordt nog versterkt door de omstandigheid dat de door de exporteurs gedragen last uitsluitend wordt vastgesteld op basis van de hoeveelheid te vervoeren marmer. In de praktijk blijkt deze last dus geen verband te vertonen met de werkelijke kosten van enige individueel verleende dienst (27) .
37. Uit deze analyse volgt dat geen van de door de gemeente Carrara ter verdediging aangevoerde argumenten kan worden aanvaard.
C – Verwerping van de kwalificatie van de heffing als binnenlandse belasting
38. Ten slotte stelt de gemeente Carrara voor, de onderhavige heffing als een binnenlandse belasting in de zin van artikel 90 EG aan te merken. Zij baseert zich voornamelijk op de omstandigheid dat geen, althans geen aanzienlijke hoeveelheid, geproduceerd marmer op het grondgebied van de gemeente blijft. Volgens haar volgt logischerwijze hieruit dat de heffing als een binnenlandse algemene belasting moet worden beschouwd, met als enige uitzondering het marmer dat bestemd is om in de gemeente te blijven. Bovendien wordt deze belasting op dezelfde wijze en in hetzelfde stadium van verhandeling toegepast op marmer dat op het Italiaanse grondgebied blijft en op marmer dat wordt uitgevoerd. Aangezien een dergelijk stelsel geen enkel element van discriminatie bevat, moet het worden geacht in overeenstemming te zijn met de regels van het Verdrag.
39. Deze redenering is niet overtuigend. Enerzijds staat het tussen partijen niet vast dat de lokale productie die bestemd is om op het grondgebied van de gemeente te blijven, inderdaad verwaarloosbaar is. Anderzijds heeft een dergelijk feit geen enkele invloed op de kwalificatie van de onderhavige heffing. Volgens vaste rechtspraak ziet artikel 90 EG op de geldelijke lasten die deel uitmaken van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen waardoor de nationale en de buitenlandse producten volgens dezelfde criteria worden getroffen (28) . In casu staat evenwel vast dat de onderhavige rechten niet worden toegepast op de voortgebrachte goederen die op het grondgebied van de gemeente Carrara blijven. Anders dan de gemeente Carrara en de Italiaanse Republiek ter terechtzitting hebben verklaard, is de bestemming van de producten de doorslaggevende factor voor de toepassing van de heffing. De heffing wordt niet reeds toegepast wanneer het marmer in de gemeente wordt gewonnen. Het marmer moet bovendien, hetzij in onbewerkte vorm, hetzij als derivaat, buiten het grondgebied van de gemeente worden gebracht. Uit de bewoordingen van de onderhavige regeling volgt duidelijk dat het feit dat de belasting doet ontstaan, het overschrijden van de gemeentegrenzen is. Deze fiscale regeling is bijgevolg aldus opgezet dat zij specifiek geldt voor de verzendingen en de uitvoer. Dat is het objectieve criterium waarop zij berust. De omstandigheid dat slechts weinig producten niet voor uitvoer bestemd zijn, verandert niets aan de aard van deze regeling, de enige die relevant is voor de betrokken kwalificatie.
40. Indien desalniettemin de omstandigheid dat het marmer niet ter plaatse wordt gebruikt en verbruikt, in het kader van dit onderzoek als een relevant gegeven mocht worden beschouwd, anders dan daarnet werd gesteld, zou de gemeente dan op goede gronden kunnen beweren dat deze omstandigheid tot gevolg heeft dat de onderhavige heffing als een binnenlandse belasting moet worden aangemerkt?
41. Er is alle reden om dat te betwijfelen. Weliswaar heeft het Hof verklaard dat, in het geval dat een last wordt gelegd op een product dat uit een andere lidstaat wordt ingevoerd, de omstandigheid dat er geen gelijk of soortgelijk nationaal product bestaat, niet betekent dat deze last niet onder het stelsel van artikel 90 EG kan vallen, indien de betrokken last inderdaad deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen (29) . Daarentegen zal in een dergelijk geval de heffing als een heffing van gelijke werking moeten worden aangemerkt, indien blijkt dat de last in feite specifiek op ingevoerde of uitgevoerde producten dient te drukken (30) . In casu blijkt na onderzoek van de structuur van de onderhavige heffing geen ernstige twijfel mogelijk over haar voorwerp en over de bedoeling van de wetgever die ze heeft ingevoerd (31) . Deze heffing geldt specifiek voor de uitgevoerde goederen. Derhalve kan zij onmogelijk als een binnenlandse belasting in de zin van artikel 90 EG worden aangemerkt.
42. Bijgevolg treft de verklaring dat de heffing op dezelfde wijze en in hetzelfde stadium van verhandeling op de Italiaanse producten en op de uitgevoerde producten wordt toegepast, geen doel. Indien wordt aangenomen dat artikel 25 EG van toepassing is op de rechten die worden geïnd op goederen die binnen een lidstaat een gemeentegrens overschrijden, moet de vergelijking niet worden gemaakt tussen de Italiaanse en de uitgevoerde producten, maar tussen de producten die bestemd zijn om op een deel van het Italiaanse grondgebied te blijven en de producten dat buiten dit grondgebied worden uitgevoerd. Vanuit deze laatste invalshoek levert de heffing op het vervoerde marmer kennelijk een aantasting van het communautaire douanegebied en een schending van artikel 25 EG op.
43. Uit het voorafgaande volgt dat de onderhavige heffing als zodanig binnen de categorie van heffingen van gelijke werking als een douanerecht valt, ongeacht of zij voor de binnenlandse dan wel voor de communautaire handel geldt. Zij ontkomt dan ook niet aan het principiële verbod van het Verdrag op dergelijke lasten.
IV – Een andere benadering
A – De nadelen van de „Lancry”-oplossing
44. De oplossing die zojuist op basis van de ter zake toepasselijke rechtspraak van het Hof werd aangedragen, biedt het voordeel dat de homogeniteit van het communautaire douanegebied en, tezelfdertijd, de eenvormige toepassing van de voorschriften van het Verdrag betreffende de douane-unie wordt gewaarborgd. Gelijk advocaat-generaal Tesauro in zijn conclusie in de zaak Lancry e.a. heeft opgemerkt, zou het immers paradoxaal zijn te aanvaarden dat in een binnenmarkt, „waar handelsbelemmeringen tussen Portugal en Denemarken verboden zijn, […] belemmeringen van het handelsverkeer tussen Napels en Capri buiten beschouwing blijven” (32) . Anderzijds heeft deze oplossing ook drie grote nadelen.
45. In de eerste plaats blijven de fundamenten van deze rechtspraak broos. Dit blijkt onmiddellijk bij lezing van de verdragsbepalingen waarop zij berust. In de artikelen 23 EG en 25 EG beoogt het Verdrag de tarifaire belemmeringen in het verkeertussen de lidstaten op te heffen. Deze bepalingen lijken dus niet van toepassing te zijn op de handel tussen delen van het grondgebied van één zelfde lidstaat.
46. Stellig berust de Lancry-rechtspraak op de gedachte dat een „passageheffing” − per definitie −- de „eenheid van het communautaire douanegebied” aantast (33) . In theorie moge dit waar zijn, in de praktijk leidt dit tot onhoudbare gevolgen. Artikel 23 EG vormt slechts de uitdrukking van de wil van de staten die de Gemeenschap hebben opgericht, om voortaan het gebruik dat de lidstaten van deze Gemeenschap van hun bevoegdheid op douanegebied zullen maken, te beperken. Maar hiermee hebben zij deze staten hun bevoegdheid niet willen ontnemen om uitsluitend aan hun grondgebied gerelateerde situaties te regelen. In feite heeft het Hof evenwel uit een beginsel van vrij verkeer dat uitsluitend transnationale situaties betreft, een beginsel afgeleid dat op grensoverschrijdende situaties betrekking heeft, door een regionale grens gelijk te stellen met een nationale grens (34) . Het stelsel van de douane-unie is in eerste instantie evenwel een stelsel van vrij verkeer tussen de lidstaten en niet een stelsel van passage van binnengrenzen. Door beide gelijk te stellen, moet het Hof het beginsel van het vrije verkeer toepassen op lasten die worden geïnd in situaties die hiermee geen enkel verband houden.
47. In de tweede plaats stellen het reeds aangehaalde arrest Lancry e.a. en de rechtspraak die erop is gevolgd, het Hof bloot aan incoherenties. Het lag immers in de lijn der verwachting dat de „Lancry-oplossing” zou worden uitgedeind tot alle aangelegenheden die met de bepalingen inzake het vrije verkeer te maken hebben (35) . Niets leek eraan in de weg te staan dat de gedachtegang in deze zaak op andere gevallen van handelsbelemmeringen zou worden toegepast. In plaats van een aantasting van de eenheid van het douanegebied, volstond het om een aantasting van de binnenmarkt in te roepen (36) of zelfs van de uit de Economische en Monetaire Unie voortvloeiende economische eenheid (37) . In theorie zouden deze begrippen dezelfde praktische gevolgen kunnen hebben. Toch is het Hof niet deze weg ingeslagen. Het heeft besloten op al deze gebieden het klassieke beginsel te handhaven dat de regels van het vrije verkeer niet van toepassing zijn op louter interne situaties.
48. Er blijft dus een klaarblijkelijk niet te rechtvaardigen tegenspraak bestaan tussen het standpunt dat is ingenomen op het gebied van de heffingen van gelijke werking en het algemene standpunt van het Hof op andere gebieden (38) . Stellig draagt de recente rechtspraak ertoe bij, het onderscheid tussen de douane-unie en de andere stelsels van vrij verkeer af te zwakken. Het Hof heeft onlangs getracht zijn bevoegdheid uit te breiden om zich uit te spreken over de toepassing van het gemeenschapsrecht op interne situaties die een band kunnen hebben met situaties die aan dit recht zijn onderworpen (39) . Toen heeft het evenwel niet het beginsel van de niet-toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht op louter interne situaties op losse schroeven gezet. Het feit dat het Hof niet van dit beginsel wil afwijken, geeft naar mijn mening blijk van gewettigde reserves met betrekking tot het risico van een willekeurige uitbreiding van de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht.
49. Ten slotte is het laatste argument dat aanleiding zou moeten zijn om de „Lancry-oplossing” op te geven, gelegen in de omstandigheid dat er serieuze redenen bestaan om terug te keren naar de rechtspraak die voor de maatregelen van gelijke werking geldt. Enerzijds is deze rechtspraak in overeenstemming met de letter en de geest van de regels betreffende het vrije verkeer, die niet van toepassing zijn op louter interne situaties. Anderzijds komt zij mijns inziens tegemoet aan een meer algemeen streven van het Hof om de regels van het vrije verkeer van goederen niet uit te leggen op basis van een beginsel van de vrije uitoefening van handelsactiviteiten. Eén van de belangrijkste redenen die een grond zijn om de werkingssfeer van de regels van het vrije verkeer tot transnationale situaties te beperken, is om deze regels uitsluitend binnen het kader van de vrijmaking van de handel te houden (40) .
50. Al deze redenen lijken mij thans te pleiten voor een nieuwe benadering, zonder dat nochtans de gewettigde vereisten van de rechtspraak Lancry e.a. ter discussie worden gesteld.
B – De mogelijke oplossingen
51. Volgens een klassieke opvatting moet de litigieuze heffing als een complex geheel worden gezien, waarbij de verschillende bestanddelen van elkaar moeten worden onderscheiden, aangezien sommige binnen de werkingssfeer van de communautaire bepalingen inzake het vrije verkeer vallen, en andere niet. Dit betekent dat de betrokken regeling niet in haar algemeenheid moet worden bezien, doch gedifferentieerd naargelang zij al dan niet effecten sorteert voor de intracommunautaire handel (41) .
52. Voorzover zij van toepassing is op de producten die buiten het Italiaanse nationale grondgebied worden uitgevoerd, valt de onderhavige heffing onder het in artikel 25 EG vervatte verbod. Bijgevolg moet op dit onderdeel van de nationale regeling de analyse worden toegepast die in de punten 24 tot en met 43 van deze conclusie werd uiteengezet. Voorzover zij van toepassing is op producten die in Italië blijven, ontsnapt zij evenwel aan het communautaire stelsel van de douane-unie.
53. Wat dit aangaat heeft het Hof in theorie de keuze tussen drie oplossingen.
54. De eerste oplossing is het herstel van de niet-toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht op een heffing die door een lidstaat op de interne handel binnen zijn grondgebied wordt toegepast. Aldus zou het Hof het standpunt aanvaarden dat advocaat-generaal Tesauro in zijn conclusie in de reeds aangehaalde zaak Lancry e.a. heeft bepleit.
55. Deze oplossing lijkt mij voor kritiek vatbaar, omdat zij geen rekening houdt met de legitieme redenen voor de „Lancry-oplossing”. In de eerste plaats hebben deze te maken met de praktische problemen betreffende de identificatie van de herkomst of de bestemming van de producten die in de Gemeenschap in omloop zijn (42) . Ook hebben zij betrekking op de problemen die ontstaan door de zogenaamde „omgekeerde discriminaties” (43) . Deze uitdrukking doelt met name op de gevallen waarin de onderdanen van een lidstaat die geen gebruik hebben gemaakt van de door het Verdrag gewaarborgde vrijheden, zich in een minder gunstige rechtspositie bevinden dan de onderdanen die de aan deze vrijheden ontleende rechten wel hebben uitgeoefend. Het is bekend dat het Hof zich tot regel heeft gesteld om die gevallen buiten beschouwing te laten, op grond dat louter interne situaties van de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht zijn uitgesloten (44) . Derhalve staat het alleen aan de nationale rechter om deze situaties te beoordelen (45) . Deze onbevoegdverklaring kan evenwel tot gevolg hebben dat de nationale rechterlijke instantie machteloos komt te staan tegenover discriminatoire situaties die hun oorsprong vinden in de toepassing van het gemeenschapsrecht (46) . Het is moeilijk te aanvaarden dat het gemeenschapsrecht geen belangstelling heeft voor een situatie die het zelf mede in het leven heeft geroepen. In die gevallen heeft het gemeenschapsrecht een situatie gecreëerd die het nationale recht zonder dit recht niet zou hebben gekend, en ongetwijfeld ook niet zou hebben getolereerd en waartegen het nationale recht mogelijkerwijs niets kan doen.
56. Om deze moeilijkheden uit de weg te gaan zou een tweede mogelijke oplossing zijn om op het interne deel van de heffing een regeling toe te passen als in het arrest Guimont werd aangewend (47) . Dan zou aan de nationale rechterlijke instantie worden voorgesteld om de uit het verbod van heffingen van gelijke werking voortvloeiende oplossing te transponeren op de gevallen waarin op grond van het nationale recht van de betrokken lidstaat aan een nationale marktdeelnemer dezelfde rechten moeten worden toegekend als een exporteur in dezelfde situatie aan het gemeenschapsrecht ontleent. Aldus zouden de twee onderdelen van de regeling, van elkaar onderscheiden vanuit het oogpunt van de toepassing van het gemeenschapsrecht, rechtstreeks of indirect volgens dezelfde beginselen worden behandeld, te weten die van het vrije verkeer van goederen.
57. Hoewel deze oplossing de voorkeur heeft boven de vorige, lijkt zij mij toch niet geheel bevredigend. Enerzijds dreigt zij, ten gunste van een uitbreiding van de prejudiciële bevoegdheid van het Hof, tot een moeilijk te beheersen uitbreiding van de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht te leiden. De strekking van de bewoordingen van het arrest Guimont is uitermate ruim. Volgens deze bewoordingen blijven er praktisch geen situaties over die aan de bevoegdheid van het Hof en aan de − zelfs indirecte − greep van het gemeenschapsrecht zouden kunnen ontkomen. Het volstaat hiertoe namelijk dat de betrokken situatie in verband kan worden gebracht met een probleem van uitlegging van het gemeenschapsrecht dat niet kennelijk irrelevant is. Het leggen van een dergelijk verband lijkt evenwel niet buitensporig moeilijk, zeker omdat het in beginsel alleen aan de nationale rechter staat om de relevantie en de noodzaak van een prejudiciële verwijzing te beoordelen (48) . Anderzijds blijft de doeltreffendheid van deze oplossing afhankelijk van de voorwaarde dat het nationale recht aan onderdanen in een louter interne situatie dezelfde rechten biedt als die welke aan het gemeenschapsrecht kunnen worden ontleend (49) . Zij laat het ongedaan maken van eventuele omgekeerde discriminaties uitsluitend over aan de eventuele mogelijkheden van het nationale recht en aan de kans om hierin een geschikt middel te vinden. In sommige gevallen stuit deze oplossing evenwel af op beletsels in verband met het karakter zelf van de betrokken rechtstelsels (50) .
58. Daarom gaat mijn voorkeur uiteindelijk uit naar een derde oplossing, die het dubbele voordeel heeft dat het beginsel van de niet-toepasselijkheid van de regels inzake het vrije verkeer op louter interne situaties wordt gehandhaafd, zonder evenwel voorbij te gaan aan de problemen die dit beginsel in de praktijk dreigt te veroorzaken. Deze oplossing houdt in dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de betrokken nationale regeling en de louter interne situaties die er het resultaat van kunnen zijn. Hoewel de regeling deels onder de communautaire bepalingen betreffende de douane-unie valt, is dit stellig niet het geval voor de interne situaties. Hieruit volgt evenwel niet dat deze laatste in alle opzichten buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallen. Als „residuaire” situaties, die noodzakelijkerwijs de gevolgen ondergaan van de toepassing van de verdragsregels op de regeling waaraan zij zijn onderworpen, blijven zij mijns inziens onder de werking van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht vallen.
C – De voorgestelde oplossing
59. Voor het onderzoek stel ik voor, onderscheid te maken tussen de vraag van de toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht in interne situaties als die welke in casu aan de orde is, en de vraag van de gemeenschapsrechtelijke instrumenten die op deze situaties kunnen worden toegepast, aangezien deze twee vragen verschillende problemen opwerpen.
1. Toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht in situaties als die welke in casu aan de orde is
60. Ik herinner aan het beginsel dat het elke lidstaat vrijstaat om, binnen de grenzen van de verplichtingen die krachtens het Verdrag op hem rusten, het voor elk product meest geschikte geachte belastingstelsel in te voeren (51) . Het is allerminst de bedoeling om de aan de lidstaten voorbehouden fiscale bevoegdheid op het gebied van binnenlandse belastingen ter discussie te stellen. Dat betekent evenwel niet dat een interne situatie die het gevolg is van de toepassing van de verdragsregels op een belastingregeling, volstrekt niets met het gemeenschapsrecht te maken zou hebben.
61. Het gaat hier om een nationale regeling die een deel van haar draagwijdte heeft verloren door de toepassing van de regels inzake het vrije verkeer, doch die, wat het gemeenschapsrecht betreft, nog steeds een aantal litigieuze situaties laat ontstaan. De nationale regeling dient deels, voorzover zij op de communautaire handel betrekking heeft, buiten toepassing te worden gelaten ten gunste van de communautaire regeling inzake het vrije verkeer. Nochtans blijft zij ook deels, voorzover zij louter interne situaties betreft, haar werking behouden. Bijgevolg zal op de producten waarop deze regeling betrekking heeft, naar gelang van hun bestemming, een verschillende regeling worden toegepast. Het is mogelijk dat hieruit een discriminatie voortvloeit, die het gevolg zal zijn van de alternatieve toepassing van communautaire of nationale voorschriften op klaarblijkelijk gelijke situaties (52) . In casu zullen aldus twee verschillende stelsels van toepassing zijn, naargelang van de bestemming van de producten, terwijl het in alle gevallen om een zelfde verzending van producten buiten het grondgebied van een gemeente van een lidstaat gaat.
62. In dit geval doet noch de nationale regeling, noch het gemeenschapsrecht als zodanig een discriminatie ontstaan. Deze is evenwel het gevolg van de gedeeltelijke toepassing van het gemeenschapsrecht op de betrokken nationale regeling. Zelfs indien deze situatie is gewild noch voorzien, is zij een noodzakelijk gevolg van de toepassing van het gemeenschapsrecht. Ook al valt deze situatie, wat haar belangrijkste bestanddelen betreft, onder het nationale recht, zij is ook een „residuaire” situatie vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht. Door de effecten die het bewust of onbewust sorteert, wordt het gemeenschapsrecht er één van de constitutieve bestanddelen van.
63. Het kan zijn dat dit element van betrokkenheid als materiële aanknopingsfactor met het gemeenschapsrecht niet sterk genoeg is om de situatie als binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallend te beschouwen. In de regel volstaat het immers niet dat een situatie haar oorsprong in de toepassing van het gemeenschapsrecht vindt om binnen de werkingssfeer ervan te vallen. Daarnaast moet nog worden aangetoond dat zij tegen één van de specifieke doelstellingen van het Verdrag indruist. Klassiek is dit het geval wanneer de betrokken situatie aan de basis ligt van een tarifaire handelsbelemmering (53) . In dat geval kan deze situatie aan de bepalingen betreffende de fundamentele vrijheden en de doelstelling van de bescherming van de gemeenschappelijke markt worden gerelateerd. Thans zijn de doelstellingen van het Verdrag evenwel verruimd. Naar mijn oordeel behoort het voortaan duidelijk tot de fundamentele doelstellingen van de Gemeenschap om het ontstaan van het om even welke discriminatie als gevolg van de toepassing van haar eigen regels te voorkomen (54) . Hieruit volgt dat de toepassing van een gemeenschapsnorm steeds in de mate van het mogelijke moet voorkomen dat hij een schending van het verbod van discriminatie in het leven roept.
64. Zowel door haar vorm als door haar werking houdt een situatie als waar het in casu om gaat, verband met het gemeenschapsrecht. Zij kan derhalve niet van het kader van het gemeenschapsrecht worden uitgesloten.
2. Instrumenten van gemeenschapsrecht die op de betrokken situatie van toepassing zijn
65. De instrumenten die zich van nature tot deze relatieve uitbreiding van de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht lenen, zijn de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht. Deze beginselen zijn fundamentele regels van de communautaire rechtsorde. Zij vormen een objectieve achtergrond voor het geheel van regels en situaties die binnen het kader van het gemeenschapsrecht kunnen vallen (55) . Zij dienen dan ook hetzij als criterium ter beoordeling van de geldigheid van gemeenschapshandelingen, hetzij als criterium voor de uitlegging van handelingen en situaties die binnen het kader van het gemeenschapsrecht vallen. Deze laatste invalshoek is de basis voor de herhaaldelijk door het Hof gebruikte formule dat een door een lidstaat aangevoerde grond ter rechtvaardiging van een wettelijke regeling die de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kan beperken, „in het licht van de algemene rechtsbeginselen en met name de fundamentele rechten [moet worden uitgelegd]” (56) . Deze formule kan goed tot een residuaire situatie zoals hierboven omschreven worden uitgebreid, indien vaststaat dat deze binnen het kader van het gemeenschapsrecht valt.
66. De bevoegde nationale instanties dienen dit te beoordelen. Zij zullen bij het gebruik en de toepassing van de middelen die het gemeenschapsrecht hun ter beschikking stelt, uiteraard over een ruime beoordelingsmarge beschikken. Dit volgt uit de omstandigheid dat zij binnen een louter nationaal kader rekening dienen te houden met een reeks van concrete, tegenstrijdige belangen. Het spreekt vanzelf dat de nationale rechterlijke instantie bij wie de zaak aanhangig is, het best in staat is om te weten of er in een bepaald geval sprake is van een discriminatie. In een geval als in casu aan de orde is, zal bijvoorbeeld dienen te worden nagegaan of de eventuele verschillende behandeling van de producten die op het nationale grondgebied blijven en van de producten die voor de uitvoer bestemd zijn, gerechtvaardigd is. Het kan evenwel zijn dat het nationale recht haar niet de nodige middelen verschaft om dergelijke discriminaties te identificeren en ongedaan te maken (57) . In dat geval lijkt het mij volkomen terecht dat het gemeenschapsrecht haar de normatieve middelen aanreikt waarover het beschikt.
67. Tot de beginselen die in dat geval van toepassing zijn, behoort met name het algemene verbod van discriminatie, dat door het Hof als een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht is erkend (58) . Traditioneel wordt in dit beginsel een eenvoudige „functionele verlenging” van de regels inzake het vrije verkeer gezien (59) . In feite, wanneer de gemeenschapsrechter dit beginsel hanteert, wenst hij in de regel de in het Verdrag neergelegde vrijheden te beschermen. In de klassieke doctrine van het Hof is dit beginsel beschouwd als een instrument ten dienste van de verwezenlijking van de door het Verdrag beschermde economische vrijheden (60) .
68. Het lijkt nu aangewezen om voor dit beginsel een zelfstandige plaats in te ruimen en het een autonome draagwijdte toe te kennen. Aanvaard kan worden dat het gebruik van de economische vrijheden niet langer een noodzakelijke voorwaarde vormt voor de toepassing van het verbod van discriminatie. Dit is het logische resultaat van het arrest Martínez Sala, gelezen tegen de achtergrond van het arrest Baumbast en R (61) . In de zaak Martínez Sala heeft het Hof het verbod van discriminatie losgekoppeld van elke overweging betreffende de uitoefening van een economische werkzaamheid. Uit de zaak Baumbast en R volgt dat de rechten van het Europese burgerschap rechtstreeks deel uitmaken van het persoonlijke patrimonium van de onderdanen van de lidstaten, in hun hoedanigheid van burger van de Unie. Tot deze rechten behoort het recht om zich geen ongerechtvaardigde discriminatie te moeten laten welgevallen (62) .
69. Dat betekent nog niet dat het gemeenschapsrecht zich moet uitstrekken tot alle nationale situaties die mogelijkerwijs een discriminatie inhouden. Net zomin als de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer of de bepalingen betreffende het burgerschap van de Unie (63) , heeft het verbod van discriminatie tot doel de materiële werkingssfeer van het gemeenschapsrecht uit te breiden tot interne situaties die geen enkele aanknoping met het gemeenschapsrecht vertonen (64) . Naar mijn mening mag evenwel aan een onderdaan die zich in een residuaire situatie van communautaire origine bevindt, zonder rechtvaardiging geen enkele discriminatie worden opgelegd op grond van de oorsprong of de bestemming van zijn producten. Hij moet een communautaire bescherming kunnen genieten, niet op grond van de regels inzake het vrije verkeer, maar op grond van het discriminatieverbod.
3. Conclusie van het onderzoek
70. Wanneer we dit gehele onderzoek in een coherent dispositief samenvatten, blijkt dat:
1) een heffing als de onderhavige heffing een heffing van gelijke werking als een douanerecht is voorzover zij wordt toegepast op goederen die buiten het grondgebied van een lidstaat worden uitgevoerd;
2) de situaties die het gevolg kunnen zijn van de toepassing van artikel 25 EG op de onderhavige heffing, wanneer zij betrekking hebben op producten die bestemd zijn om op het nationale grondgebied te blijven, met inachtneming van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht en met name van het verbod van discriminatie dienen te worden beoordeeld.
71. Ongeacht of het Hof dit voorstel volgt, zou ik het in overweging willen geven een oplossing te kiezen die weer een coherentie tot stand brengt tussen de heffingen van gelijke werking en de andere gebieden van het vrije verkeer. Indien het mijn voorstel volgt, kan het bovendien een dubbel voordeel verwachten. Enerzijds kan het Hof hiermee het beginsel handhaven dat de regels inzake het vrije verkeer niet van toepassing zijn op situaties die geen enkele aanknoping vertonen met de in deze regels bedoelde situaties. Anderzijds zou het, binnen de grenzen van de bevoegdheid waarover het reeds op basis van het reeds aangehaalde arrest Guimont beschikt, in staat zijn om de nationale rechterlijke instanties doeltreffende instrumenten te verstrekken om de litigieuze situaties te regelen die door de toepassing van het gemeenschapsrecht zijn ontstaan.
V – De gevolgen in de tijd van het prejudiciële arrest
72. In het geval dat het Hof vaststelt dat de heffing op marmer onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, verzoekt de gemeente Carrara de gevolgen in de tijd van het arrest te beperken tot de toekomst. Zij wijst dienaangaande op de onzekerheid omtrent het recht dat van toepassing is op de betrokken heffing en voorts op de ernstige financiële consequenties die voor de gemeente uit een dergelijke beslissing kunnen voortvloeien.
73. In beginsel kan en moet de door het Hof krachtens artikel 234 EG uitgelegde regel door de nationale rechter zelfs worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek tot uitlegging is beslist (65) . Het is dan ook slechts in uitzonderlijke omstandigheden, rekening houdend met dwingende redenen van rechtszekerheid, dat het Hof voor de belanghebbenden beperkingen heeft kunnen stellen aan de mogelijkheid om met een beroep op een aldus door hem uitgelegde bepaling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen weer in geding te brengen (66) .
74. In casu blijkt uit het onderzoek dat er niet de minste objectieve onzekerheid bestond over de draagwijdte van artikel 25 EG. Er is geen enkel serieus gegeven aangevoerd op grond waarvan twijfel over de onverenigbaarheid van een dergelijke heffing met het gemeenschapsrecht mogelijk was. Er dient alleen een voorbehoud te worden gemaakt voor de gevallen waarin de heffing is opgeëist vóór het reeds aangehaalde arrest Legros e.a. werd gewezen. Tot dit arrest werd uitgesproken, kon de gemeente er immers redelijkerwijs van uitgaan dat deze heffing − althans voorzover zij op de louter interne handel drukte − niet onverenigbaar was met het gemeenschapsrecht. Daarentegen had het onderzoek in dit arrest aanleiding moeten zijn voor ernstige twijfel omtrent de geldigheid van deze heffing. Dat was overigens ook het standpunt van het Hof in het reeds aangehaalde arrest Simitzi.
75. Aangezien de betrokken heffing dezelfde kenmerken vertoont als de heffing die in dat arrest aan de orde was, lijkt het mij aangewezen om daarop dezelfde oplossing toe te passen als in die zaak. Het Hof kan bijgevolg beslissen dat op de verdragsbepalingen betreffende de heffingen van gelijke werking als douanerechten geen beroep kan worden gedaan voor vorderingen tot terugbetaling van bedragen die uit hoofde van de onderhavige heffing zijn geïnd vóór 16 juli 1992, behalve door verzoekers die vóór die datum een beroep in rechte hebben ingesteld of een daarmee gelijk te stellen bezwaarschrift hebben ingediend.
76. Subsidiair kan hieraan worden toegevoegd dat, indien het Hof zou beslissen de door mij voorgestelde analyse te volgen, dienaangaande niet een ander standpunt behoeft te worden ingenomen. Er kan namelijk terecht van worden uitgegaan dat het reeds aangehaalde arrest Legros e.a. op dit gebied een nieuwe rechtssituatie heeft doen ontstaan die de betrokken partijen als stabiel en duidelijk konden beschouwen. Voorts wordt er met de voorgestelde oplossing niet een ander resultaat nagestreefd dan die van het arrest Simitzi, ook al worden in de analyse nieuwe wegen ingeslagen.
VI – Conclusie
77. Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging, de hem in deze zaak voorgelegde vraag te beantwoorden als volgt:
„1) Een heffing die door een lidstaat wordt toegepast op goederen wegens het feit dat deze goederen het grondgebied van een gemeente verlaten, is een heffing van gelijke werking als een douanerecht, voorzover zij op naar een andere lidstaat uitgevoerde goederen wordt toegepast.
2) De situaties die het gevolg kunnen zijn van de toepassing van de bepalingen van het EG-Verdrag betreffende de heffingen van gelijke werking als douanerechten op de onderhavige heffing, dienen, wanneer zij betrekking hebben op producten die naar een ander deel van het nationale grondgebied worden verzonden, met inachtneming van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht en met name van het verbod van discriminatie te worden beoordeeld.
3) Op de bepalingen van het Verdrag betreffende de heffingen van gelijke werking als douanerechten kan geen beroep worden gedaan voor vorderingen tot terugbetaling van bedragen die uit hoofde van de onderhavige heffing zijn geïnd vóór 16 juli 1992, behalve door verzoekers die vóór die datum een beroep in rechte hebben ingesteld of een daarmee gelijk te stellen bezwaarschrift hebben ingediend.”
1 – Oorspronkelijke taal: Portugees.
2 – Bij wege van prejudiciële verwijzing zijn momenteel bij het Hof soortgelijke vragen aanhangig met betrekking tot de toepassing van deze heffing in drie bij een beschikking gevoegde zaken (GE.M.E.G. e.a., C-426/03−C-429/03).
3 – Arresten van het Hof van 9 augustus 1994, Lancry e.a. (C-363/93, C-407/93, C-408/93, C‑410/93 en C-411/93, Jurispr. blz. I‑3957) en 14 september 1995, Simitzi (C-485/93 en C‑486/93, Jurispr. blz. I‑2655). De eerste aanzet voor deze rechtspraak is het arrest van 16 juli 1992, Legros e.a. (C-163/90, Jurispr. blz. I‑4625).
4 – Zie, met name, arresten van het Hof van 7 mei 1997, Pistre e.a. (C-321/94−C-324/94, Jurispr. blz. I‑2343) en 5 december 2000, Guimont (C-448/98, Jurispr. blz. I‑10663).
5 – Volgens de debatten die ter terechtzitting werden gehouden, lijken deze aanpassingen de aard en de draagwijdte van de door het Hof in casu onderzochte regeling niet te wijzigen.
6 – Arrest van 26 januari 1993, Telemarsicabruzzo e.a. (C-320/90−C-322/90, Jurispr. blz. I‑393, punten 6 en 7).
7 – In die zin verschilt de situatie van die waarin de beschikking van het Hof van 13 maart 1996, Banco de Fomento e Exterior (C-326/95, Jurispr. blz.. I‑1385) is gegeven, waarin de aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen kennelijk niet-ontvankelijk werden verklaard.
8 – Zie, met name, arrest van 12 september 2000, Pavlov e.a. (C-180/98−C-184/98, Jurispr. blz. I‑6451, punten 52 en 53).
9 – Zie, met name, arresten van 12 juli 1979, Union laitière normande (244/78, Jurispr. blz. 2663), en Telemarsicabruzzo e.a., aangehaald in voetnoot 6.
10 – Zie, met name, arresten van 11 maart 1980, Foglia (104/79, Jurispr. blz. 745), en 16 december 1981, Foglia (244/80, Jurispr. blz. 3045).
11 – Zie, met name, arrest van het Hof van 30 april 1998, Sodiprem e.a. (C-37/96 en C-38/96, Jurispr. blz. I‑2039, punt 22).
12 – Arrest van het Hof van 7 februari 1984, Duphar e.a. (238/82, Jurispr. blz. 523, punt 30).
13 – Arresten van het Hof van 21 september 1988, Van Eycke (267/86, Jurispr. blz. 4769, punt 16) en, laatstelijk, 9 september 2003, Consorzio Industrie Fiammiferi (C-198/01, Jurispr. blz. I‑8055, punten 45 en 46).
14 – Zie, met name, arresten van 15 december 1982, Oosthoek’s Uitgeversmaatschappij (286/81, Jurispr. blz. 4575, punt 9); 18 februari 1987, Mathot (98/86, Jurispr. blz. 809, punten 7‑9); 28 januari 1992, Steen (C-332/90, Jurispr. blz. I‑341, punt 9), en 9 september 1999, RI.SAN. (C‑108/98, Jurispr. blz. I‑5219, punt 23).
15 – Arrest Simitzi, aangehaald in voetnoot 3, punten 21 en 25. Het Hof verwijst dienaangaande naar de arresten Legros e.a. en Lancry e.a., aangehaald in voetnoot 3.
16 – Zie, mutatis mutandis, arrest Simitzi, aangehaald in voetnoot 3, punt 22.
17 – Zie, met name, arrest van 9 november 1983, Commissie/Denemarken (158/82, Jurispr. blz. 3573, punt 24), alsook de conclusie van advocaat-generaal Mancini in deze zaak.
18 – Zie, met name, arrest van 21 september 2000, Michaïlidis (C-441/98 en C-442/98, Jurispr. blz. I‑7145). In deze zaak ging het om een heffing die alleen op de uitvoer van tabaksproducten werd toegepast.
19 – Arrest van 1 juli 1969, Commissie/Italië (24/68, Jurispr. blz. 193, punten 9 en 14).
20 – Zie, met name, arrest van 1 juli 1969, Sociaal Fonds voor de Diamantarbeiders (2/69 en 3/69, Jurispr. blz. 211, punt 18).
21 – Arrest Commissie/Italië, aangehaald in voetnoot 19, punt 7.
22 – Zie, met name, arresten van 10 december 1968, Commissie/Italië (7/68, Jurispr. blz. 590); 14 december 1972, Marimex (29/72, Jurispr. blz. 1309, punt 7), en Michaïlidis, aangehaald in voetnoot 18, punt 17.
23 – Arrest Commissie/Italië, aangehaald in voetnoot 19, punt 11.
24 – Zie, met name, arresten van 26 februari 1975, Cadsky (63/74, Jurispr. blz. 281, punt 8), en 17 mei 1983, Commissie/België (132/82, Jurispr. blz. 1649, punt 8).
25 – Opmerkingen van verwerende partij, blz. 12. Inderdaad bepaalt wet nr. 75/1999 tot uitlegging van wet nr. 749/1911, dat bij de vaststelling van de hoogte van de heffing op marmer „rekening wordt gehouden met de kosten die rechtstreeks of indirect voortvloeien uit de activiteiten van de […] marmersector”.
26 – Zie, mutatis mutandis, arrest Cadsky, aangehaald in voetnoot 24, punt 8.
27 – Zie, mutatis mutandis, arrest van 27 februari 2003, Commissie/Duitsland (C-389/00, Jurispr. blz. I‑2001, punten 35 en 36).
28 – Zie, met name, arresten Marimex, aangehaald in voetnoot 22, punt 7, en van 22 maart 1977, Steineke & Weinlig (78/76, Jurispr. blz. 595, punt 28).
29 – Zie, met name, arrest van 3 februari 1981, Frankrijk/Commissie (90/79, Jurispr. blz. 283, punt 14).
30 – Zie, met name, arresten van 9 november 1983, Commissie/Denemarken (158/82, Jurispr. blz. 3573), en 22 april 1999, CRT France International (C-109/98, Jurispr. blz. I‑2237).
31 – In zijn conclusie bij het in voetnoot 30 aangehaalde arrest CRT France International herinnert advocaat-generaal Cosmas eraan dat, om de kwalificatie te bepalen die in een dergelijk geval in aanmerking moet worden genomen, de vaststelling en de doelstelling van de betrokken belasting het Hof niet onverschillig zijn (punt 25).
32 – Conclusie van advocaat-generaal Tesauro bij het arrest Lancy e.a., aangehaald in voetnoot 3, punt 28.
33 – Deze zorg vormt één van de meest wezenlijke gronden van de gedachtegang van het Hof in deze zaak. Ik merk op dat het begrip „communautair douanegebied” door het Hof meestal wordt gebruikt om het ruimtelijke toepassingsgebied van de verdragsbepalingen betreffende de douane-unie en niet een als zodanig aan de Gemeenschap erkende bevoegdheid aan te duiden.
34 – Hiervoor heeft het Hof zich moeten baseren op een begrip grens dat niet in overeenstemming is met de definitie die in de regel in het volkenrecht hieraan wordt gegeven. De dictionnaire de la terminologie du droit international public, die is gepubliceerd onder de leiding van J. Basdevant, definieert het begrip grens als volgt: „Limiet van het grondgebied van een staat. Grenslijn welke bepaalt waar het grondgebied van twee naburige staten begint en eindigt” (definitie die is overgenomen in de Dictionnaire de droit international public, die is gepubliceerd onder de leiding van Salmon J., Bruylant, Brussel, 2001, blz. 520). Een soortgelijke definitie kan worden gevonden in de Encyclopedia of Public International Law, die is gepubliceerd onder de leiding van Bernhardt R., onder het trefwoord „Boundaries”.
35 – Een deel van de rechtsleer heeft zich inderdaad op dat standpunt gesteld: met name, Keppenne, J.-P., en van Ypersele, P., „Vers une application du droit communautaire à des obstacles à la libre circulation des marchandises à l’intérieur d’un État membre”, Journal des tribunaux de droit européen, 1994, blz. 179, alsook Rigaux, A. en Simon, D., in hun commentaar op het arrest Lancry e.a., Europe, 1994, nr. 361.
36 – Zie, in die zin, d’Oliveira, H.U.J., „Is reverse discrimination still possible under the Single European Act ?”, Forty years on: the evolution of private international law in Europe, Kluwer, Deventer, 1990, blz. 71‑86.
37 – In die zin was advocaat-generaal Geelhoed van oordeel dat, na de verwezenlijking van de uit de Economische en Monetaire Unie voortvloeiende eenheidsmarkt voor kapitalen, er met betrekking tot het vrije verkeer van kapitalen niet meer van louter interne situaties kan worden gesproken. Aldus ziet hij in de eenheid van de markt voor kapitalen een eenheid die vergelijkbaar is met die van het reeds veel langer bestaande gemeenschappelijke douanegebied (conclusie bij het arrest van 5 maart 2002, Reisch e.a., C-515/99 en C-527/99−C-540/99, Jurispr. blz. I‑2157, punten 104 en 105).
38 – Deze tegenspraak is overigens door de doctrine opgemerkt, met name door Oliver, P., Free Movement of Goods in the European Community, Sweet & Maxwell, nrs. 6.103‑6.106, 2003.
39 – Deze uitbreiding heeft in de recente rechtspraak van het Hof twee afzonderlijke vormen gekregen: een nationale regeling, die discriminatoir is of de toegang tot de markt van een lidstaat bemoeilijkt, creëert en handhaaft uit zichzelf een verschil in behandeling dat de intracommunautaire handel belemmert (arrest Pistre e.a., aangehaald in voetnoot 4, en arrest van 13 januari 2000, TK-Heimdienst, C-254/98, Jurispr. blz. I‑151), of het Hof wenst, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, aan de nationale rechter een nuttig antwoord te verstrekken dat hem in staat stelt de nationale regeling in de bij hem aanhangige zaak te toetsen (arresten Guimont, aangehaald in voetnoot 4, en Reisch e.a., aangehaald in voetnoot 37).
40 – Zie, met name, het arrest van 24 november 1994, Keck en Mithouard (C-267/91 en C-268/91, Jurispr. blz. I-6097), de conclusie van advocaat-generaal Tesauro bij het arrest van 15 december 1993, Hünermund e.a. (C-292/92, Jurispr. blz. I-6787), en de conclusie van advocaat-generaal Tizzano in de zaak CaixaBank France van 25 maart 2004 (C-442/02, Jurispr. blz. I‑8961, punten 62 en 63). Zie eveneens, in die zin, Bernard, N., „La libre circulation des marchandises, des personnes et des services dans le traité CE sous l’angle de la compétence”, Cahiers de droit européen, 1998, inz. blz. 26.
41 – Zie, mutatis mutandis, arrest van 14 december 1982, Waterkeyn e.a. (314/81−316/81 en 83/82, Jurispr. blz. 4337, punten 11 en 12).
42 – Arrest Lancry e.a., aangehaald in voetnoot 3, punt 31.
43 – Zie laatstelijk, betreffende dit probleem, de conclusie van advocaat-generaal Léger bij het arrest van 13 november 2003, Granarolo SpA (C-294/01, Jurispr. blz. I‑13429, punten 78 e.v.).
44 – Zie, met name, arresten van 13 maart 1979, Peureux (86/78, Jurispr. blz. 897, punt 38); 23 oktober 1986, Driancourt (355/85, Jurispr. blz. 3231, punten 10 en 11), en 18 februari 1987, Mathot (98/86, Jurispr. blz. 809, punt 7). Zie eveneens het meer genuanceerde standpunt van advocaat-generaal Mischo in de zaak Edah (arrest van 13 november 1986, 80/85 en 159/85, Jurispr. blz. 3359), toen hij verklaarde: „Omgekeerde discriminaties zijn uiteraard op den duur ondenkbaar binnen een echte gemeenschappelijke markt, die noodzakelijkerwijs op het beginsel van gelijke behandeling moet zijn gebaseerd. Zij moeten door middel van een harmonisatie der wetgevingen worden opgeheven.”
45 – Zie, in die zin, arrest van 16 juni 1994, Steen (C-132/93, Jurispr. blz. I‑2715, punt 10).
46 – Te denken ware bijvoorbeeld aan de weifelende houding van de Franse rechterlijke instanties na de veroordeling door het Hof van de Franse regeling betreffende de reclame voor alcoholische dranken; zie Isaac, G., „La condamnation du régime français de publicité pour les boissons alcooliques”, Revue trimestrielle de droit européen, 1983, blz. 470 e.v.
47 – Aangehaald in voetnoot 4.
48 – Volgens vaste rechtspraak, zie, met name, arrest van 15 december 1995, Bosman (C-415/93, Jurispr. blz. I‑4921, punt 59).
49 – Arrest Guimont, aangehaald in voetnoot 4, punt 23.
50 – Een aantal nationale rechtstelsels zijn bijzonder slecht uitgerust om discriminaties te bestrijden die uit de toepassing van een nationale wettelijke regeling voortvloeien. Het gaat om stelsels die geen rechterlijke toetsing van de grondwettigheid van de wetten of althans geen preventieve toetsing kennen. Dit is met name het geval in Frankrijk en in het Verenigd Koninkrijk.
51 – Arrest van 22 juni 1976, Bobie (127/75, Jurispr. blz. 1079, punt 9).
52 – Zie, in die zin, Due, O., en Gulmann, C., „Restrictions à la libre circulation intracommunautaire et situations purement internes”, Une Communauté de droit. Festschrift für Gil Carlos Rodríguez Iglesias Verlag, Berlin, 2003, inz. blz. 383.
53 – Zie, met name, arrest van 7 februari 1979, Knoors (115/78, Jurispr. blz. 399, punten 20 en 24), en arrest Driancourt, aangehaald in voetnoot 44, punt 10.
54 – Zonder hieraan enig juridische conclusie te verbinden, herinner ik eraan dat het ontwerp-Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa een artikel 2 bevat, dat met betrekking tot de waarden van de Unie bepaalt dat „[de lidstaten deze waarden gemeen hebben] in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en door het verbod van discriminatie”, alsook een artikel 3, dat de Unie met name als doel opdraagt om discriminaties te bestrijden.
55 – Zie de uiteenzetting van advocaat-generaal Stix-Hackl over de plaats van de algemene beginselen in de communautaire rechtsorde in haar conclusie van 18 maart 2004 in de zaak Omega (C-36/02), die nog bij het Hof aanhangig is.
56 – In de rechtspraak van het Hof wordt deze formule toegepast op zowel de rechtvaardigingsgronden van de lidstaten betreffende de dwingende eisen van algemeen belang (arrest van 26 juni 1997, Familiapress, C-368/95, Jurispr. blz. I‑3689, punt 24) als de rechtvaardigingsgronden betreffende de bepalingen van openbare orde van het Verdrag (arrest van 18 juni 1991, ERT, C-260/89, Jurispr. blz. I‑2925, punt 43).
57 – Zo heeft de Corte costituzionale (Italië) in een beschikking van 30 december 1997 een nationale regeling die een omgekeerde discriminatie in het leven riep, buiten toepassing gelaten, na artikel 28 EG op een deel van de betrokken regeling te hebben toegepast (beschikking nr. 443, punt 5 van de motivering, gepubliceerd in de Rivista di diritto internazionale, 1998, blz. 531). In die zaak baseerde hij zich uitsluitend op de nationale constitutionele beginselen van gelijkheid en het vrije economische initiatief. Het kan evenwel voorkomen dat een nationale rechterlijke instantie, die met een soortgelijke situatie wordt geconfronteerd, in het nationale recht niet de middelen en instrumenten vindt voor een dergelijke oplossing.
58 – Arrest van 19 oktober 1977, Ruckdeschel e.a. (117/76 en 16/77, Jurispr. blz. 1753, punt 7).
59 – Zie, in die zin, met name Lenaerts, K., „L’égalité de traitement en droit communautaire. Un principe unique aux apparences multiples”, Cahiers de droit européen, 1991, blz. 3‑41.
60 – Zie, met name, arresten van 2 februari 1989, Cowan (186/87, Jurispr. blz. 195), en 11 juli 2002, D’Hoop (C-224/98, Jurispr. blz. I‑6191). Zie, eveneens in die zin, de conclusie van advocaat-generaal Lagrange bij het arrest van 17 juli 1963, Italië/Commissie (13/63, Jurispr. blz. 351), waarin wordt verklaard dat „dit beginsel slechts in het kader van de nagestreefde doelstellingen dient te worden nageleefd”, alsmede de conclusie van advocaat-generaal La Pergola bij het arrest van 12 mei 1998, Martínez Sala (C-85/96, Jurispr. blz. I‑2691), waarin dit beginsel als het „corollarium van het vrije verkeer” wordt aangemerkt.
61 – Arrest Martínez Sala, aangehaald in voetnoot 60, alsook arrest van 17 september 2002, Baumbast en R (C-413/99, Jurispr. blz. I‑7091). Tussen deze twee arresten heeft het Hof zijn rechtspraak ter zake nader uitgewerkt in de arresten van 24 november 1998, Bickel en Franz (C‑274/96, Jurispr. blz. I‑7637); 20 september 2001, Grzelczyk (C-184/99, Jurispr. blz. I‑6193), en D’Hoop, aangehaald in voetnoot 60.
62 – In die zin, conclusie van advocaat-generaal La Pergola in de zaak Martínez Sala, aangehaald in voetnoot 60, punt 23.
63 – Arrest van 5 juin 1997, Uecker en Jacquet (C-64/96 en C-65/96, Jurispr. blz. I‑3171, punt 23).
64 – Arrest van 15 januari 1986, Hurd (44/84, Jurispr. blz. 29, punt 55).
65 – Arrest van 27 maart 1980, Denkavit italiana (61/79, Jurispr. blz. 1205, punt 16).
66 – Arrest Legros, aangehaald in voetnoot 3, punten 30‑36.
Full & Egal Universal Law Academy