CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. A. GEELHOED
van 9 september 2004(1)
Zaak C-79/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk Spanje
„Niet-nakoming – artikelen 8 en 9 van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand – gedogen door de Spaanse autoriteiten van de vangst, in de regio Valencia, van vier soorten lijsterachtigen (Turdus philomelos, Turdus pilaris, Turdus iliacus en Turdus viscivorus) door middel van ‚parany’ (met lijmstokken)”
I – Inleiding
1. Deze zaak betreft een door de Commissie ingestelde inbreukprocedure tegen het Koninkrijk Spanje omdat het Koninkrijk Spanje zou handelen in strijd met een aantal bepalingen van richtlijn 79/409/EG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (2) (hierna: „richtlijn” of „vogelrichtlijn”). Zoals uit het onderstaande nog zal blijken hebben de Commissie en de Spaanse regering daaromtrent verschillende opvattingen.
2. Meer in het bijzonder spitst het geding zich toe op de toepassing en uitlegging van de artikelen 8 en 9 van de vogelrichtlijn bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van een traditionele jachtmethode voor de vangst van enkele lijstersoorten in de Spaanse regio Valencia: „de parany”.
3. Een „parany” is een inrichting voor het vangen van vogels. Zij bestaat uit een samenstel van lijmstokken dat in een boom wordt aangebracht en waarheen de bejaagde vogels worden gelokt met lokvogels. Zodra een vogel met een lijmstok in aanraking komt, kleeft deze vast op zijn veren. De vogel verliest zijn vermogen tot vliegen, komt op de grond terecht en wordt daar buitgemaakt door de bediener van de inrichting.
II – Het relevante recht
4. Artikel 8 van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten, wat betreft de jacht op en de vangst of het doden van vogels in het kader van deze richtlijn, het gebruik van alle middelen, installaties of methoden voor het massale of niet-selectieve vangen of doden van vogels of waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen, en in het bijzonder het gebruik van de in bijlage IV, sub a, genoemde middelen verbieden.
5. Bijlage IV, sub a, noemt in het bijzonder lijm en explosieven.
6. Volgens artikel 9, lid 1, van de vogelrichtlijn mogen de lidstaten, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om de in sub a tot en met c genoemde redenen afwijken van de artikelen 5, 6, 7 en 8 van de richtlijn. Meer concreet is er een uitzondering mogelijk „ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren” (sub a) en „ten einde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan” (sub c).
7. De vangst van lijsters met behulp van een parany wordt in de autonome regio Valencia beheerst door decreet 135/2000 van 12 september 2000 van de regering van Valencia, waarin de voorwaarden en de formaliteiten voor de verlening van vangstvergunningen zijn geregeld. (3) In dit decreet worden achtereenvolgens geregeld:
– de eisen waaraan de parany moet voldoen (o.a. de afstand tussen de lijmstokken, de eigenschappen van de te gebruiken lijm, etc.);
– de vogelsoorten waarvan de vangst is toegelaten: zanglijster (Turdus philomelos), kramsvogel (Turdus pilaris), koperwiek (Turdus iliacus) en grote lijster (Turdus viscivorus)
– het jachtseizoen en de dagdelen waarbinnen mag worden gejaagd;
– de vangstmaxima per inrichting
III – De geschilpunten
8. De Commissie stelt dat de vangst met paranys een niet-selectieve jachtmethode is in de zin van bijlage IV, sub a, bij richtlijn 79/409. Zij is daarom verboden op grond van artikel 8 van de richtlijn. Immers deze methode, waarbij lijmstokken worden toegepast, biedt onvoldoende waarborgen tegen de vangst van vogels van één van de in bijlage I bij de richtlijn genoemde beschermde soorten of van andere beschermde trekvogels of van soorten waarvoor de jacht gesloten is. De bijzondere voorwaarden waaraan volgens decreet 135/2000 paranys thans moeten voldoen, acht de Commissie onvoldoende om de vogeljacht met paranys als selectief te kunnen aanmerken.
9. De Commissie meent voorts dat voor de toepassing van deze methode geen beroep kan worden gedaan op de specifieke uitzonderingsmogelijkheden die voorzien zijn in artikel 9, lid 1, sub a of c, van de richtlijn.
10. Het beroep op artikel 9, lid 1, sub a, derde streepje, van de richtlijn kan volgens de Commissie niet slagen. In de eerste plaats heeft de Spaanse regering niet aangetoond dat er „geen andere bevredigende oplossing” zou bestaan ter voorkoming van de door haar gestelde belangrijke schade aan wijn‑ en olijvengaarden. Volgens de Commissie bestaan er adequate alternatieven om landbouwgewassen te beschermen tegen de schade die door de desbetreffende lijstersoorten zou worden veroorzaakt, zoals het gebruik van geluidskanonnen of jachtgeweren. Dergelijke alternatieven worden ook gehanteerd in andere Spaanse regio's waar olijven en/of druiven worden geteeld, zoals Andalusië en Castilië La‑Mancha. In die regio's is vogelvangst met behulp van lijmstokken niet meer toegestaan en voldoen genoemde alternatieve methoden klaarblijkelijk wel.
11. In de tweede plaats trekt de Commissie de door de Spaanse regering gestelde omvang van schade in twijfel. Zowel de aangenomen populaties van de desbetreffende lijstersoorten als de dagelijkse opname van plantaardig voedsel van deze vogels zijn veel te hoog geschat. Bovendien vallen, zo voert de Commissie aan, de geografische concentraties van toegekende vergunningen voor het gebruik van de parany en die van de wijn‑ en olijvengaarden volstrekt niet samen.
12. Evenmin is het beroep op artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn gerechtvaardigd. Op deze uitzonderingsgrond kan alleen een beroep worden gedaan als het gaat om het selectief vangen van „kleine hoeveelheden” vogels en „onder strikt gecontroleerde omstandigheden”.
13. De Commissie stelt dat ook onder de voorwaarden bij decreet 135/2000 gesteld de jachtmethode met behulp van paranys niet selectief is en dat het aantal vergunningen vermenigvuldigd met de per vergunninghouder toegekende vangstmaxima een totaal vangstcontingent oplevert dat onmogelijk als „klein” in de zin van artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn kan worden aangemerkt. Ook het werkelijke aantal vogels dat volgens de Spaanse regering sinds de inwerkingtreding van dit decreet zou zijn gevangen, overschrijdt deze drempel.
14. Het verweer van de Spaanse regering spitst zich toe op drie elementen:
– de selectiviteit van de vangstmethode;
– het niet beschikbaar zijn van adequate alternatieve vangstmethoden;
– het criterium van de „kleine hoeveelheden”in artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn.
15. De Spaanse regering meent dat de vangstmethode met behulp van paranys, zoals die thans wordt gereguleerd in decreet 135/2000, selectief is. Derhalve zou deze vangstmethode in overeenstemming met de richtlijn zijn en derhalve buiten het toepassingsbereik vallen van artikel 8 juncto bijlage IV, sub a, van de richtlijn. Weliswaar wordt in de considerans van decreet 135/2000 aangegeven dat lijm op zich een niet‑selectief jachtmiddel is, maar dat zou anders worden als zij volgens de in het decreet gestelde voorschriften en beperkingen wordt toegepast. In dat verband benadrukt de Spaanse regering enkele voorschriften waaruit zou blijken dat met de paranys thans selectief wordt gejaagd: de afstand en de positie van de lijmstokken, de eisen gesteld aan de lijm, het gebruik van lokvogels die van dezelfde soort zijn als de vogels waarop mag worden gejaagd en de minimale hoogte van de bomen waarin de parany wordt bevestigd.
16. De door de Commissie genoemde alternatieve oplossingen om schade aan landbouwgewassen te voorkomen, bieden volgens de Spaanse regering geen bevredigende oplossing. Het gebruik van geluidskanonnen zou – te – kostbaar en, met het oog op het risico van bosbranden, te riskant zijn. Het gebruik van geweren zou een vergroting van het aantal jachtvergunningen en een verruiming van de jachtperiode meebrengen. De daaruit voortvloeiende jachtdruk zou consequenties kunnen hebben voor het natuurlijke evenwicht in het bestand van andere jaagbare trekvogels.
17. Met een beroep op 's Hofs rechtspraak (4) waarin is uitgemaakt „dat het criterium van kleine hoeveelheden geen absoluut criterium is, maar verband houdt met de handhaving van de totale populatie en de voortplantingssituatie van de betrokken soort”, bestrijdt de Spaanse regering dat de Commissie zou hebben aangetoond dat de regelgeving van de regio Valencia strijdig is met de in artikel 9, lid 1, sub c, neergelegde criteria.
IV – Beoordeling
18. In deze zaak gaat het met name om de interpretatie en toepassing van de artikelen 8 en 9 van de vogelrichtlijn. Artikel 8, lid 1, verbiedt het gebruik van alle middelen, installaties of methoden voor het massale of niet-selectieve vangen of doden van vogels, en in het bijzonder het gebruik van de in bijlage IV, sub a, genoemde middelen, waaronder „lijm”. Artikel 9 voorziet in een aantal nauwkeurig omschreven uitzonderingen op de verbodsbepaling van, onder meer, artikel 8.
19. Om te beginnen acht ik onhoudbaar het argument van de Spaanse regering inhoudende dat de parany, als geregeld bij het decreet 135/2000, niet onder het verbod van artikel 8, lid 1, zou vallen.
20. Ingevolge de tekst van deze bepaling zijn de lidstaten verplicht het gebruik van lijm als middel voor het vangen of doden van vogels te verbieden. Die tekst gelezen, in verband met bijlage IV, sub a, biedt geen enkel aanknopingspunt voor de stelling dat het gebruik van lijm in een beweerdelijk meer selectieve vangstmethode aan de daarin neergelegde verbodsbepaling zou ontsnappen.
21. Ergo is het gebruik van dit vangmiddel slechts toegestaan in het geval van een ingevolge artikel 9 van de richtlijn toegelaten afwijking. In het licht van die bepaling zal dan ook de houdbaarheid van het selectiviteitsargument van de Spaanse regering nader moeten worden bezien.
22. Voor het gebruik van de parany als vangstmethode doet de Spaanse regering een beroep op twee uitzonderingsgronden:
– artikel 9, lid 1, sub a: het voorkomen van belangrijke schade aan landbouwgewassen;
– artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn: het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde voorwaarden.
23. Uit de tekst van artikel 9 van de richtlijn, zoals uitgelegd door het Hof (5) , is af te leiden dat voor een afwijking van artikel 8 van de richtlijn aan drie voorwaarden moet zijn voldaan: de afwijking moet beperkt blijven tot gevallen waarin geen andere bevredigende oplossing bestaat; de afwijking moet berusten op ten minste één van de in artikel 9, lid 1, sub a, b of c, limitatief opgesomde gronden en de afwijking moet voldoen aan de in artikel 9, lid 2, nauwkeurig omschreven vormvoorschriften. Deze laatste voorwaarde speelt in het onderhavige geval overigens geen rol.
24. Voor een beroep op artikel 9, lid 1, sub a, derde streepje: het voorkomen van belangrijke schade aan landbouwgewassen, zal de Spaanse regering achtereenvolgens moeten aantonen dat er inderdaad belangrijke schade aan landbouwgewassen door toedoen van de in decreet 135/2000 genoemde vier lijstersoorten te duchten is, dat die schade niet met gewone in de richtlijn toegelaten methoden en middelen te voorkomen is en, tenslotte, dat de jachtmethode met de parany een verantwoord alternatief is.
25. De Spaanse regering voert aan dat genoemde lijstersoorten op de trek in grote hoeveelheden de regio Valencia opzoeken en daar vooral schade aanrichten in de druiven- en olijvengaarden. Tussen de Spaanse regering en de Commissie bestaan overigens grote verschillen omtrent de hoeveelheid vogels en omtrent de aard en omvang van de schade. Het getal van 20 miljoen vogels dat de Spaanse regering in haar verweerschrift heeft opgevoerd, is door de Commissie verder onweersproken teruggebracht tot 5 miljoen. De opgaven die de Spaanse regering heeft gegeven over de dagelijkse consumptie per vogel van olijven, worden in de door de Commissie aangevoerde deskundigenberichten ook drastisch lager gesteld (uit de berekeningen van de Spaanse regering zou voortvloeien dat lijsters ongeveer 30 gram olijven per dag eten, terwijl volgens de bronnen van de Commissie lijsters slechts tussen ongeveer 6 tot 12 gram per dag zouden eten, waarvan maar een deel uit olijven en andere vruchten zou bestaan). Tenslotte stelt de Commissie dat lijsters vooral afgevallen, niet voor consumptie of bewerking vatbare, olijven zouden eten.
26. Op basis van deze gegevens waaromtrent partijen het grosso modo eens zijn, lijkt een zekere schade aan gewassen door de betrokken lijstersoorten onmiskenbaar. Evenwel, veel minder zeker is het of de feiten die de Spaanse regering heeft aangevoerd de conclusie kunnen dragen dat er sprake is van een „belangrijke schade” als bedoeld in artikel 9, lid 1, sub a, derde streepje, van de richtlijn.
27. Zelfs indien zou mogen worden aangenomen dat er inderdaad sprake is van „belangrijke schade” volstaat dat nog niet voor een beroep op de uitzonderingsbepaling van artikel 9. Daarvoor zal, zoals ondubbelzinnig uit de eerste zin van artikel 9 blijkt, ook moeten worden aangetoond dat er voor het voorkomen en beperken van de schade „geen bevredigende oplossing” bestaat. Tenslotte zal nog aannemelijk moeten worden gemaakt dat de voorgestelde uitzonderlijke vangstmethode wel een adequate oplossing biedt.
28. Welnu, de Spaanse regering heeft niet kunnen aantonen dat wel algemeen toegelaten jacht‑, vangst‑ en afschrikkingsmethoden geen oplossing zouden kunnen bieden voor het voorkomen of beperken van de beweerde schade.
29. In andere regio's waar ook een omvangrijke olijven‑ en druiventeelt voorkomt en waar ook grote aantallen lijsters doortrekken, zoals Andalusië en Castilië‑La Mancha, blijkt te kunnen worden volstaan met gewone vangstmethoden, als de jacht met het geweer, en afschrikkingsmethoden als het geluidskanon.
30. De reden waarom het geluidskanon in de regio Valencia geen oplossing zou kunnen bieden, zoals de kosten en het gevaar voor bosbranden, zouden mutatis mutandis ook moeten gelden voor streken waar de vangst met de parany niet is toegelaten. De Spaanse regering heeft niet kunnen aantonen waarom in de regio Valencia de elders aanvaarde en klaarblijkelijk afdoende methode geen oplossing zou kunnen bieden.
31. De argumenten die de Spaanse regering tegen de jacht met het geweer aanvoert, namelijk dat die methode een te hoge jachtdruk op andere bejaagbare soorten zou voortbrengen en dat de jagers in de regio Valencia minder gedisciplineerd zijn, vermogen evenmin te overtuigen. De jacht met het geweer is, mits conform de voorschriften uitgevoerd, een bij uitstek selectieve vangstmethode. Het beweerde gebrek aan discipline zou, indien dit argument al feitelijk correct is, hoogstens een reden kunnen zijn deze jachtmethode volledig te verbieden. Daarvan blijkt overigens niets in het dossier. Overigens laat de Spaanse regering in het midden waarom de vangst met behulp van de parany wel gedisciplineerd zou verlopen.
32. De Spaanse regering heeft ook niet overtuigend kunnen aantonen waarom de vangst met de paranys die vooral gelokaliseerd is in het deel van de regio Valencia waar de olijven‑ en druiventeelt niet is geconcentreerd, soelaas zou kunnen bieden voor de beweerdelijke schaden aan die teelten. Zo blijkt dat 80 % van de paranys zich bevinden in de provincie Castellon, 69 % daarvan staan opgesteld in gebieden waar geen olijven‑ of wijnbouw plaatsvindt, zij staan ofwel in gebieden waar in het geheel geen landbouw wordt gedreven (11,7 %), dan wel in gebieden waar zich uitsluitend sinaasappelgaarden bevinden. De Spaanse regering verweert zich weliswaar door te stellen dat de oppervlakte van Valencia uitgestrekt is en deze paranys de schade aan de olijventeelt in geheel Valencia dienen te voorkomen, maar dat argument snijdt, zoals de Commissie terecht heeft geadstrueerd, geen hout. Het vangen van lijsters mag slechts plaatsvinden in een bepaalde periode, die samenvalt met de trek van lijsters. Dat gegeven betekent dat de paranys slechts bescherming kunnen bieden aan die landbouwzones waarin zij zijn geplaatst. Daarmee ontvalt de grond om het vereiste causale verband tussen de schade en de noodzaak tot het hanteren van een vangstmethode die ingevolge artikel 8, lid 1, juncto bijlage IV, sub a, verboden is.
33. Bij het beroep dat de Spaanse regering op de afwijkingsmogelijkheid van artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn doet, passen twee prealabele opmerkingen.
34. In de eerste plaats valt uit de bewoording en het systeem van artikel 9, lid 1, af te leiden dat voor een beroep op de onder sub a tot en met c opgesomde afwijkingsmogelijkheden steeds zal moeten worden voldaan aan het criterium „indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat”.
35. Het is niet duidelijk voor welk probleem dat om een oplossing vraagt, de Spaanse regering een beroep doet op artikel 9, lid 1, sub c. Impliciet lijkt zij de instandhouding van een traditionele en cultureel bepaalde vangstmethode in de regio Valencia als de grond voor haar beroep op deze afwijkingsmogelijkheid te beogen. Echter noch uit de overwegingen bij de richtlijn, noch uit de tekst ervan blijkt dat de richtlijn de bescherming beoogt van traditionele vangstmethoden, die in strijd zijn met artikel 8, lid 1, juncto bijlage IV, sub a.
36. In de tweede plaats maakt het beroep dat de Spaanse regering op de afwijkingsmogelijkheid van artikel 9, lid 1, sub c, doet, haar argumentatie voor de toelating van de vogelvangst met behulp van paranys innerlijk tegenstrijdig. Ofwel is er in casu sprake van belangrijke schade aan gewassen die noopt tot het gebruik van uitzonderlijke vangstmethoden, die willen zij effectief zijn niet beperkt zullen kunnen blijven tot het „vangen van vogels in kleine hoeveelheden”, ofwel gaat het om het toelaten van een traditionele vangstmethode, die gelet op de zeer beperkende voorwaarden die in artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn daaraan worden gesteld, onmogelijk effectief kunnen zijn ter voorkoming of beperking van belangrijke schade aan gewassen.
37. Indien het Hof artikel 9, lid 1, sub c, min of meer in de lijn van zijn motivering in de zaak C‑282/85 (6) , punten 27 en 28, zo zou willen uitleggen dat de instandhouding van een traditionele vangstmethode als zodanig een voldoende reden oplevert – in punt 35 merkte ik al op dat de bewoordingen noch het systeem van artikel 9 daarvoor aanknopingspunten bieden – moet worden nagegaan of in casu het in decreet 135/2000 gereguleerde gebruik van de parany als vangstmethode aan de gestelde eisen van „kleine hoeveelheden” en selectiviteit voldoet.
38. De Spaanse regering stelt dat de vangstmethode met de paranys, door de daaraan in het genoemde decreet gestelde eisen voldoende waarborgen voor selectiviteit zouden bieden. De grotere afstand tussen de lijmstokken, de positionering ervan, het gebruik van afwasbare lijmsoorten en het gebruik van uitsluitend lijsters als lokvogels zou ertoe leiden dat de overgrote meerderheid van de gevangen vogels inderdaad uit zanglijsters, kramsvogels, koperwieken en grote lijsters zou bestaan. De overige vogels zouden na behandeling weer in vrijheid worden gesteld.
39. Dit standpunt van de Spaanse regering acht ik in het licht van de studies die de Commissie heeft aangevoerd niet houdbaar. Het gebruik van lijmstokken in paranys is als zodanig een aselectieve vangstmethode, omdat degene die deze methode gebruikt niet kan voorkomen dat ook andere vogels dan de vier soorten lijsters waarvoor het gebruik is toegelaten, met de lijmstokken in aanraking komen. De Commissie heeft onweersproken gesteld dat met paranys ook andere vogels worden gevangen dan de vier betrokken lijstersoorten, waaronder insecteneters als de boszanger, de roodborst, de zwarte roodstaart en talrijke andere soorten. Daarnaast zijn ook verschillende uilensoorten, zoals de kerkuil en steenuil, het slachtoffer van deze 's avonds, 's nachts en in de vroege morgen uitgevoerde vangst. Daarbij is niet uitgesloten te achten dat deze nachtroofvogels de andere vogels volgen die door de lokroep van de lokvogels worden aangetrokken.
40. Dat andere vogels, dan de vier lijstersoorten, die onbedoeld met een parany worden gevangen, volgens het decreet moeten worden schoongemaakt en vervolgens vrijgelaten, maakt de vangstmethode als zodanig niet selectief. Hierboven is al aangegeven dat het gebruik van lijmstokken per definitie aselectief is. Nu kan weliswaar aan dit bezwaar getracht worden tegemoet te komen met rigoureuze voorschriften, of die ook het beoogde effect zullen hebben hangt in de eerste plaats af van de nauwgezetheid waarmee zij worden nageleefd door de vergunninghouder en in de tweede plaats van het antwoord op de vraag of de vogels die onbedoeld worden gevangen daarvan al dan niet schade ondervinden. Onzekerheid bestaat er, tenslotte, over de overlevingskansen van de meestal kleine kwetsbare insecteneters die, na „behandeld” te zijn, worden vrijgelaten.
41. Evenmin voldoet de door het decreet 135/2000 gereguleerde vangstmethode met paranys aan de eis dat het om kleine hoeveelheden zou gaan. Blijkens een door de Commissie overgelegde berekening machtigen de voor het gebruik van paranys afgegeven vergunningen tot een totale vangst van 429 600 exemplaren (2 864 vergunningen maal het aantal exemplaren van 150 dat per seizoen per parany mag worden gevangen). Dit aantal, dat rechtmatig kan worden gevangen, is mijns inziens bepalend voor de vraag of er sprake is van een kleine hoeveelheid. Of in een bepaald vangstseizoen minder exemplaren worden gevangen dan die toegelaten hoeveelheid is niet relevant, omdat de mogelijke schade aan het bestand dient te worden afgemeten aan de omvang van de toegelaten uitzondering op het verbod van artikel 8, lid 1, juncto bijlage IV, sub a.
42. Terecht heeft het Hof in de al aangehaalde zaak C‑252/85 gesteld dat voor de beantwoording van de vraag of het gaat om „kleine hoeveelheden” niet moet worden uitgegaan van absolute getallen, maar dat moet worden gelet op de handhaving van de relevante totale populatie en de voortplantingssituatie van de betrokken soort.
43. Welnu, de relevante populatie is, zoals de Commissie, niet nader weersproken door de Spaanse regering, heeft gesteld, ongeveer 5 miljoen exemplaren. Op dat aantal maakt een krachtens de vergunningen toegelaten tal van 429 600 exemplaren ruim 8,5 % uit. Zuiver proportioneel is dat aantal al moeilijk „klein” te noemen.
44. In haar in 1993 gepubliceerde „Tweede verslag over de tenuitvoerlegging van richtlijn 79/409/EEG inzake het behoud van de vogelstand” (7) heeft de Commissie een methode uitgewerkt voor de bepaling van wat als een kleine hoeveelheid voor de toepassing van artikel 9, lid 1, sub c, mag worden aangemerkt. Voor de handhaving, c.q. stabiliteit van een bepaalde populatie zijn van belang de voortplantingssituatie en de totale jaarlijkse sterfte door natuurlijke oorzaken en – voor jaagbare soorten – de jacht met gewone methoden. Indien bij een gegeven evenwicht tussen voortplanting en jaarlijkse sterfte de omvang van een populatie in grote trekken stabiel blijft, zal de uitzonderlijke toelating van een bijzondere vangstmethode voor „kleine hoeveelheden” dat evenwicht niet mogen verstoren.
45. Op grond van ornithologische studies heeft de Commissie in het aangehaalde verslag geconcludeerd dat voor jaagbare soorten een bijzondere tol van 1 % voor de gewone jaarlijkse sterfte binnen een populatie nog als een kleine hoeveelheid in de zin van artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn zou mogen worden aangemerkt. Bij het respecteren van die bovengrens zou de stabiliteit van de soort niet in gevaar komen.
46. Voor de lijstersoorten waarop het decreet 135/2000 de vangst met behulp van de parany toelaat heeft de Commissie berekend dat 1 % van de jaarlijkse sterfte in de betrokken populatie zou neerkomen op een aantal van 83 750 exemplaren. Bij alle onzekerheidsmarges die aan dergelijke berekeningen eigen zijn, moet worden geconstateerd dat er tussen het aantal exemplaren dat ingevolge de afgegeven vergunningen mag worden gedood – 429 600 – en de uit de berekeningen van de Commissie resulterende aantal van 83 750, een zo grote afstand bestaat, dat de stelling van de Spaanse regering inhoudende dat het slechts om een „kleine hoeveelheid” zou gaan, onhoudbaar is.
47. Op grond van het bovenstaande, stel ik vast dat de Spaanse regering voor het toelaten van de vangst van lijsters door middel van paranys in de regio Valencia geen beroep kan doen op de afwijkingsgrond van artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn. De vangstmethode is als zodanig niet voldoende selectief en zij betreft de vangst van een hoeveelheid vogels die de norm „kleine hoeveelheid” aanzienlijk te boven gaan.
V – Conclusie
48. Op grond van het bovenstaande, stel ik het Hof voor als volgt te beslissen:
– vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, de verplichtingen die op hem rusten krachtens de artikelen 8, lid 1, en 9, lid 1, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand niet is nagekomen.
– het Koninkrijk Spanje te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Nederlands.
2 – PB L 103, blz. 1.
3 – Dit decreet is bij arrest van 26 september 2001 door de Tribunal Superior de Justicia vernietigd. Tegen deze uitspraak is beroep tot cassatie ingesteld.
4 – Arrest van 27 april 1988, Commissie/Frankrijk (C‑252/85, Jurispr. blz. I‑2243).
5 – Zie bijvoorbeeld arrest van 8 juli 1987, Commissie/Italiaanse Republiek (C‑262/85, Jurispr. blz. I‑3073).
6 – Aangehaald in voetnoot 4.
7 – Com(93)572 def, 24 november 1993.
Full & Egal Universal Law Academy