CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 13 januari 2005 (1)
Zaak C‑91/03
Koninkrijk Spanje
tegen
Raad van de Europese Unie
„Visserij – Verordening (EG) nr. 2371/2002 – Toetredingsakte Koninkrijk Spanje – Toegang tot gebied van 12 mijl vanaf kust – Instandhouding en exploitatie van visbestanden – Non-discriminatiebeginsel”
I – Inleiding
1. In de onderhavige zaak verzoekt het Koninkrijk Spanje (hierna: „Spanje” of ook „verzoeker”) het Hof krachtens artikel 230 EG om punt 6 van bijlage I bij verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid(2) (hierna: „verordening nr. 2371/2002” of „bestreden verordening”) nietig te verklaren.
2. Volgens Spanje is deze bepaling om de hierna te noemen redenen strijdig met het non-discriminatiebeginsel alsmede met de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de verdragen(3) (hierna: „toetredingsakte van het Koninkrijk Spanje” of kortweg „toetredingsakte”).
II – Rechtskader
3. Met het oog op bescherming van de communautaire visbestanden tegen overexploitatie heeft de Gemeenschap verschillende maatregelen vastgesteld die de toegang van vissersvaartuigen tot de communautaire wateren regelen.
4. Teneinde de context van de bestreden verordening te verduidelijken, wil ik in de eerste plaats refereren aan verordening (EEG) nr. 2141/70 van de Raad van 20 oktober 1970 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector(4), waarin het beginsel van vrije toegang tot de onder de soevereiniteit of jurisdictie van de lidstaten vallende wateren is vastgelegd (artikel 2).
5. In afwijking van dit beginsel konden de lidstaten krachtens artikel 100, lid 1, van de akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de aanpassing der Verdragen(5) (hierna: „toetredingsakte van 1972”) tot en met 31 december 1982 de uitoefening van de visserij in de onder hun soevereiniteit of jurisdictie vallende wateren, binnen een grens van zes zeemijlen vanaf de kust, beperken tot de vaartuigen die van oudsher in deze wateren visten. De Raad kon volgens artikel 103 van deze akte de betrokken afwijking verlengen tot na de voornoemde datum.
6. Inderdaad heeft de Raad – bij verordening (EEG) nr. 170/83 van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden(6) (artikel 6, lid 1) – de beperking van de toegang tot de kustwateren van de lidstaten verlengd tot 31 december 1992 en uitgebreid tot 12 mijl vanaf de kust.
7. Volgens lid 2 van het genoemde artikel „worden de visserijactiviteiten in het kader van de in lid 1 vastgestelde regeling uitgeoefend overeenkomstig de regelingen opgenomen in bijlage I bij deze verordening, waarin voor elke lidstaat worden vermeld de gebieden in de kustwateren van de andere lidstaten waar en de soorten ten aanzien waarvan die activiteit mag worden uitgeoefend”.
8. De betrokken bijlage werd gewijzigd bij artikel 26 van de toetredingsakte van het Koninkrijk Spanje, dat, voorzover hier van belang, de toegang van Spaanse vaartuigen tot de Franse kustwateren en van Franse vaartuigen tot de Spaanse kustwateren regelt. Voordien was dit vastgelegd in de visserijovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de regering van Spanje van 1980(7) (hierna: „visserijovereenkomst EEG/Spanje van 1980”).
9. De wijzigingen van de betrokken bijlage bestonden in het bijzonder uit de toevoeging van een nieuwe tabel over de „Spaanse kustwateren” en de aanpassing van de tabel over de „kustwateren van Frankrijk en van de Overzeese Departementen”.
10. Uit deze tabellen volgt dat Spaanse vaartuigen slechts gedurende bepaalde periodes van het jaar en uitsluitend voor de visserij op sardine en ansjovis toegang hebben tot de Franse wateren van de Atlantische kust tussen 6 en 12 mijl vanaf de grens tussen Spanje en Frankrijk (tot 46º 08' noorderbreedte).
11. De Franse vaartuigen kunnen daarentegen vissen op alle pelagische soorten in de Spaanse wateren van de Atlantische kust tussen 6 en 12 mijl vanaf de Frans-Spaanse grens tot de vuurtoren van Cap Mayor (3º 47' westerlengte).
12. Deze regeling werd bevestigd bij verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur(8), die in bijlage I de tabellen van bijlage I bij verordening nr. 170/83, zoals gewijzigd bij de toetredingsakte van het Koninkrijk Spanje, overneemt.
13. Verordening nr. 3760/92 werd ingetrokken bij verordening nr. 2371/2002, waartegen het onderhavige beroep is gericht.
14. Deze laatste verordening heeft als doel „een exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen te waarborgen die voor duurzame omstandigheden op economisch, ecologisch en sociaal gebied zorgt” (artikel 2).
15. De veertiende overweging van de genoemde verordening verklaart dienaangaande:
„[d]e geldende regels die de toegang tot de hulpbronnen binnen de zones van 12 zeemijl van de lidstaten beperken, hebben op bevredigende wijze gefunctioneerd en de instandhouding in de hand gewerkt door beperking van de visserij-inspanning in het gevoeligste deel van de communautaire wateren en instandhouding van de traditionele visserijactiviteiten waarvan de sociale en economische ontwikkeling van bepaalde kustgemeenschappen sterk afhankelijk is. Ze dienen derhalve verder te worden toegepast tot en met 31 december 2012.”
16. Daartoe bepaalt artikel 17 van de betrokken verordening, na in lid 1 de algemene regel van gelijke toegang van communautaire vissersvaartuigen tot de communautaire wateren en bestanden te hebben bevestigd, in lid 2:
„[i]n de wateren onder hun soevereiniteit of jurisdictie tot 12 zeemijl vanaf de basislijnen worden de lidstaten vanaf 1 januari 2003 tot en met 31 december 2012 gemachtigd de visserij te beperken tot de vissersvaartuigen die van oudsher in die wateren vissen vanuit havens aan de aangrenzende kust, onverminderd [...] de regelingen die zijn opgenomen in bijlage I, waarin voor elke lidstaat de geografische zones van de kustwateren van de andere lidstaten zijn vastgesteld waar visserijactiviteiten mogen plaatsvinden, evenals de soorten waarop deze activiteiten betrekking mogen hebben.”
17. De punten 6 en 7 van de betrokken bijlage nemen respectievelijk de tabellen „kustwateren van Frankrijk en van de Overzeese Departementen” en „Spaanse kustwateren” over, opgenomen in bijlage I bij verordening nr. 170/83 zoals gewijzigd bij de toetredingsakte van het Koninkrijk Spanje (zie boven, punten 9 en volgende).
18. Ook merk ik op dat de regel van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 2371/2002 – vrije toegang tot de communautaire wateren buiten de 12-mijlszone – wat betreft de toegang van Spaanse vissersvaartuigen tot de Franse wateren in de plaats treedt van de bij de toetredingsakte en met name bij artikel 160 ervan ingevoerde regeling. Deze bepaling bevatte soortgelijke beperkingen als bijlage I bij verordening nr. 2371/2002 (en de daaraan voorafgaande regelingen) voor het gebied tussen 6 en 12 mijl.
19. Ten slotte wijs ik erop dat de regeling van artikel 160 uiterlijk 31 december 2002 zou expireren, de in artikel 166 van de toetredingsakte bepaalde einddatum van de in de artikelen 156 tot 164 vervatte regeling.(9)
III – Feiten en procedure
20. Tijdens de onderhandelingen over verordening nr. 2371/2002 verlangde het Koninkrijk Spanje opheffing van de in de toenmalige gemeenschapswetgeving gestelde beperkingen voor zijn vaartuigen in het gebied tussen 6 en 12 mijl vanaf de kust van de Franse Atlantische wateren, om de voorwaarden van toegang tot dit gebied aan te passen aan die voor Franse vaartuigen in de Spaanse wateren.
21. De Raad besloot echter de toegangsregeling voor de Spaanse vissersvaartuigen niet te wijzigen en de tabellen van de bijlagen I bij verordening nr. 170/83 (zoals gewijzigd bij de toetredingsakte van het Koninkrijk Spanje) en bij verordening nr. 3760/92 over te nemen in de punten 6 en 7 van bijlage I bij de bestreden verordening.
22. Na deze weigering heeft het Koninkrijk Spanje bij een op 28 februari 2003 neergelegd verzoekschrift het Hof verzocht punt 6 van bijlage I bij verordening nr. 2371/2002 nietig te verklaren en de Raad in de kosten te verwijzen.
23. De Raad heeft tegen dit verzoek verweer gevoerd en verwerping van het beroep gevorderd, met verwijzing van verzoeker in de kosten.
24. Bij beschikkingen van 30 juni en van 8 september 2003 heeft de president van het Hof de Commissie van de Europese Gemeenschappen, respectievelijk de Franse Republiek, toegestaan in de onderhavige zaak te interveniëren aan de zijde van de Raad overeenkomstig artikel 93, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.
25. Verzoeker, de Raad, de Commissie en de Franse Republiek hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
26. Ter terechtzitting van 11 november 2004 hebben voornoemde partijen mondelinge opmerkingen gemaakt.
IV – Analyse
A – Schending van het non-discriminatiebeginsel
27. Met zijn eerste middel betoogt Spanje dat de bestreden verordening een schending in zijn nadeel inhoudt van het non-discriminatiebeginsel, dat in artikel 12 EG in het algemeen en in artikel 34, lid 2, EG in het bijzonder voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid is neergelegd.
28. Spanje voert met name aan dat de visserij in de Spaanse wateren tot 12 mijl vanaf de kust voor Franse vaartuigen niet aan soortgelijke beperkingen is onderworpen als de visserij in de overeenkomstige Franse wateren voor de Spaanse vaartuigen. Bovendien komen beperkingen als die voor Spaanse vissersvaartuigen in geen enkele andere toegangsregeling voor vaartuigen van een lidstaat tot de visbestanden in de 12-mijlszone van een andere lidstaat voor. Spanje is derhalve de enige lidstaat waarvan de vaartuigen een beperkte toegang tot de visbestanden van een naburige lidstaat hebben.
29. Verzoeker voegt daaraan toe dat geen enkele objectieve reden de handhaving van een dergelijke discriminerende behandeling kan rechtvaardigen, daar hij zich na het verstrijken van de overgangsperiode (volgens artikel 166 van de toetredingsakte uiterlijk 31 december 2002) in dezelfde situatie als de andere lidstaten bevindt. Zijn vaartuigen behoren derhalve onbeperkte toegang tot de Franse wateren te hebben, zowel binnen als buiten de 12-mijlszone.
30. De Raad – alsmede de Franse Republiek en de Commissie – bestrijdt deze stelling. Zijns inziens steunt de gestelde schending van het non-discriminatiebeginsel op twee onjuiste premissen. Naar zijn mening is het onjuist dat enkel de toegang voor de vaartuigen van de verzoeker naar soort en periode van het jaar beperkt is, evenals dat er geen enkele objectieve rechtvaardiging voor deze behandeling bestaat.
31. Wat de onderhavige stellingen betreft merk ik ten eerste met de Raad op dat reeds bij lezing van bijlage I bij verordening nr. 2371/2002 blijkt dat de exploitatieregels voor wateren binnen de 12-mijlszone niet op het wederkerigheidsbeginsel steunen. Franse vaartuigen hebben bijvoorbeeld toegang tot de visbestanden van de Ierse wateren binnen de 12-mijlszone, maar Ierse vaartuigen hebben niet hetzelfde voorrecht in de Franse wateren; insgelijks kunnen Belgische vaartuigen de kustwateren van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken exploiteren, maar mogen vaartuigen van deze staten hetzelfde niet in Belgische wateren.
32. Daarenboven bevat de betrokken bijlage I ook voor andere lidstaten dan Spanje visserijbeperkingen naar soort (dit is het geval voor de vaartuigen van Frankrijk, Ierland, Duitsland, Nederland en België in de 12-mijlszone van het Verenigd Koninkrijk en voor de vaartuigen van Duitsland, Nederland en België in de 12-mijlszone van Denemarken) en periode van het jaar (voor de Belgische vaartuigen in de 12-mijlszone van Denemarken en voor de Duitse vaartuigen in de 12-mijlszone van Frankrijk).
33. Het staat bijgevolg vast dat de situatie van het Koninkrijk Spanje geen op zichzelf staand geval vormt. Ik zal nu bezien of de beschreven situatie niet toch strijdig is met het non-discriminatiebeginsel.
34. Hierbij moet allereerst in aanmerking worden genomen dat het doel van de bestreden verordening erin bestaat om, zoals hierboven vermeld, „een exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen [te waarborgen] die voor duurzame omstandigheden op economisch, ecologisch en sociaal gebied zorgt” (artikel 2).
35. Om dit doel te bereiken maakt de bestreden verordening, zoals de Raad en de Commissie hebben beklemtoond, een onderscheid – dat mijns inziens door verzoeker wordt verwaarloosd – tussen de tot 12 mijl vanaf de kust geldende regeling en die welke daarbuiten toepasselijk is.
36. Terwijl artikel 17, lid 1, van deze verordening in dit laatste geval voorziet in de algemene toepassing van het beginsel van de vrije toegang tot de visbestanden, verlengt lid 2 van dit artikel voor het gebied binnen de 12-mijlszone de regeling van de beperkte toegang uit de voorafgaande verordeningen.(10) Dientengevolge blijft de toegang slechts toegestaan voor vaartuigen die van oudsher in deze gebieden visten, volgens de gebruikelijke in dit verband gestelde voorwaarden.
37. Blijkens de veertiende overweging van de bestreden verordening is het doel van deze beperkingen, „het gevoeligste deel van de communautaire wateren” te beschermen, daarbij tevens rekening houdend met de noodzaak tot „instandhouding van de traditionele visserijactiviteiten waarvan de sociale en economische ontwikkeling van bepaalde kustgemeenschappen sterk afhankelijk is”.
38. Bijgevolg is enerzijds een regel ingevoerd die op instandhouding van de visbestanden in dit gebied is gericht, door de exploitatie zoveel mogelijk te beperken. Anderzijds is een poging gedaan om deze doelstelling te verzoenen met de bescherming van degenen die van oudsher in de betrokken wateren de visserij beoefenen en die deze voor hen levensnoodzakelijke activiteit zouden moeten opgeven indien voorheen onbestaande beperkingen werden ingevoerd.
39. Overigens merk ik op dat bij dit zoeken naar een evenwicht tussen het vereiste van bescherming van visbestanden in de bijzonder gevoelige 12-mijlszone en het even belangrijke vereiste van bescherming van degenen die traditioneel in deze wateren vissen, geen enkele rol is toebedeeld aan overwegingen van wederkerigheid of verband houdend met de nabuurschapsbetrekkingen tussen de lidstaten.
40. Nu het in de door de bestreden verordening ingevoerde toegangsregeling erom gaat of de door de vissersvaartuigen van andere lidstaten in de 12-mijlszone van een lidstaat uitgeoefende visserijactiviteit „traditioneel” is of niet, zal ik thans nagaan of er in deze context sprake is van discriminatie ten nadele van Spaanse vissersvaartuigen.
41. Ik hoef in dit verband eigenlijk nauwelijks te herhalen dat volgens vaste rechtspraak van het Hof(11) het non-discriminatiebeginsel vereist dat vergelijkbare situaties niet op verschillende wijze en verschillende situaties niet op dezelfde wijze worden behandeld, tenzij dit objectief noodzakelijk is.
42. Tegen deze achtergrond lijkt mij allereerst het argument van Spanje, dat beperking van de toegang tot de 12-mijlszone voor zijn vaartuigen discriminerend is aangezien de bestanden in het gebied buiten die grens voor hen vrij toegankelijk zijn, voorbij te gaan aan het feit dat voor deze twee gebieden verschillende regels gelden, zodat de grondslag zelf voor toepasselijkheid van het non-discriminatiebeginsel ontbreekt.
43. In de tweede plaats levert ook de omstandigheid dat de bestreden verordening voor de exploitatie van de Franse wateren binnen de 12-mijlszone door de Spaanse vaartuigen minder voordelige voorwaarden stelt dan voor de exploitatie van het overeenkomstige Spaanse gebied door de Franse vissersvaartuigen, mijns inziens geen discriminatie op.
44. De exploitatie van de Franse wateren binnen de 12-mijlszone is immers voor vissersvaartuigen van alle lidstaten verboden, uitgezonderd voor die vaartuigen (waaronder de Spaanse) die er van oudsher hebben gevist, waarvoor de bestanden van dit gebied toegankelijk blijven volgens de traditioneel geldende voorwaarden behouden. Hetzelfde geldt voor de exploitatie van de Spaanse wateren binnen de 12-mijlszone, die voor de vissersvaartuigen van alle lidstaten is verboden uitgezonderd – ook hier – voor die vaartuigen waarvoor de traditioneel bestaande voorwaarden blijven gelden (en die overigens in casu enkel de Franse vissersvaartuigen blijken te zijn).
45. In beide gevallen is de algemene regel derhalve, dat de visbestanden van de – bijzonder gevoelige – wateren binnen de 12-mijlszone worden beschermd door de vissersvaartuigen van andere lidstaten in beginsel de toegang te weigeren. Op deze regel bestaan uitzonderingen die zijn geworteld in het objectieve vereiste, de vissers van de andere lidstaten niet de mogelijkheid te ontnemen om de activiteiten waarvan zij van oudsher leven, uit te oefenen.
46. Daar de bij verordening nr. 2371/2002 vastgestelde exploitatieregeling bestaat uit een niet-discriminerende algemene regel en objectief gerechtvaardigde uitzonderingen, kunnen verzoekers klachten naar mijn mening geen doel treffen.
47. Evenmin kan worden aangevoerd dat, door zich te beperken tot een momentopname van de situatie die op het tijdstip van de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Gemeenschap bestond, verordening nr. 2371/2002 geen rekening houdt met de noodzaak om de door de Spaanse vissers vóór de toetreding verworven situaties te beschermen.
48. Gezien de vele jaren die sinds de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Gemeenschap zijn verstreken, lijkt het mij in de eerste plaats moeilijk om te stellen dat de Spaanse vissers zich nog op de vóór de toetreding verworven (zoals wij hebben gezien, niet door de toetredingsakte bevestigde) situaties kunnen beroepen, dat deze situaties voor bescherming vatbaar zijn en derhalve tot opheffing van bescherming van de visbestanden in de Franse wateren binnen de 12-mijlszone moeten leiden.
49. Maar nog afgezien daarvan, verleende – in tegenstelling tot hetgeen het Koninkrijk Spanje stelt – de aan de toetreding voorafgaande regeling de Spaanse vissersvaartuigen feitelijk geen vrije toegang tot dit gebied.
50. Weliswaar is het juist – zie het arrest Arbelaiz-Emazabel(12) – dat tijdens de onderhandelingen die tot de visserijovereenkomst EEG/Spanje van 1980 hebben geleid, de Spaanse regering aanvankelijk handhaving verlangde van de rechten die haar vissersvaartuigen in de zone van de Franse Atlantische wateren tussen 6 en 12 mijl hadden krachtens oudere internationale overeenkomsten, met name het Verdrag van Londen van 1964(13) en het Frans-Spaanse visserij-akkoord van 1967(14). Desalniettemin heeft deze regering vervolgens in de loop van de onderhandelingen haar aanspraken in dit verband opgegeven en verklaard dat „de bepalingen van de overeenkomst in de plaats treden van de bepalingen van de overeenkomsten inzake de betrekkingen op visserijgebied, waarbij de lidstaten van de EEG en Spanje partij zijn”(15), overeenkomsten waarvan het Verdrag van Londen en het genoemde Frans-Spaanse akkoord ongetwijfeld deel uitmaken.
51. Het bovenstaande brengt mij tot de slotsom dat verordening nr. 2371/2002, en in het bijzonder punt 6 van bijlage I ervan, niet strijdig met het non-discriminatiebeginsel is. Ik stel derhalve voor dat het Hof het eerste middel afwijst.
B – Schending van de akte van toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Europese Gemeenschappen
52. Met zijn tweede middel betoogt Spanje dat punt 6 van bijlage I bij verordening nr. 2371/2002 strijdig is met de toetredingsakte.
53. Artikel 160 van de akte, zo betoogt Spanje, beperkt de toegang van Spaanse vissersvaartuigen tot visbestanden in de Franse Atlantische wateren, zowel binnen de 12-mijlszone als daarbuiten. Aangezien echter volgens artikel 166 van de akte de bepalingen van de artikelen 156 tot 164 daarvan slechts gedurende een overgangsperiode van toepassing waren, die verstreek op 31 december 2002 (zie boven, punt 19), was er geen rechtmatige grondslag meer voor handhaving na deze datum van de beperkingen op de activiteiten van de Spaanse vissersvaartuigen in de Franse Atlantische wateren, ook niet voor het gebied binnen de 12-mijlszone.
54. De verzoekende regering is dan ook van mening dat, door de Spaanse vaartuigen aan dezelfde voorwaarden voor toegang tot het voornoemde gebied te onderwerpen als reeds in de daaraan voorafgaande verordeningen waren bepaald(16), die waren vastgesteld tijdens de geldingsduur van artikel 160 van de toetredingsakte, de bestreden verordening de overgangsregeling zonder rechtvaardiging tot na de in de akte gestelde termijn verlengt.
55. Tegen deze grieven voert de Raad, gesteund door de Franse Republiek en de Commissie, argumenten aan die ik meen te kunnen aanvaarden.
56. Ten eerste kan de bestreden verordening naar mijn mening niet in strijd zijn met artikel 166 van de toetredingsakte, omdat dit helemaal niet tot doel heeft de gemeenschapswetgever na het verstrijken van de overgangsperiode te beperken. Het bepaalt enkel dat verschillende artikelen van de toetredingsakte, waaronder artikel 160, na een bepaalde datum niet meer van kracht zijn.
57. Maar afgezien daarvan lijkt het mij belangrijk te preciseren dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende regering beweert, de regeling waaraan de communautaire rechtsorde – thans door de bestreden verordening en daarvóór door de voorgangers hiervan(17) – de toegang tot de Franse Atlantische wateren binnen de 12-mijlszone onderwerpt, helemaal niet onder het toepassingsgebied van de artikelen 156 tot 164 van de toetredingsakte valt en derhalve geen enkel verband houdt met het al dan niet van kracht blijven van deze artikelen.
58. Zoals de Raad en vooral de Commissie ter terechtzitting juist hebben beklemtoond, sluit artikel 160 van de toetredingsakte de Franse Atlantische wateren binnen de 12-mijlszone inderdaad niet uitdrukkelijk uit van het toepassingsgebied ervan. Toch is het genoemde artikel in het voorliggende geval niet ter zake dienend omdat voor de toegang tot deze wateren in werkelijkheid een bijzondere regeling geldt sedert de in verordening nr. 170/83 aangebrachte wijzigingen bij de toetredingsakte. Zoals ik eerder heb uiteengezet (zie punten 8 en volgende), heeft artikel 26 van de akte een nieuwe tabel betreffende de „Spaanse kustwateren” toegevoegd aan bijlage I bij de vermelde verordening en de tabel aangaande de „kustwateren van Frankrijk en van de Overzeese Departementen” aangepast. Deze tabellen zijn ten slotte als zodanig in bijlage I bij de bestreden verordening overgenomen.
59. Aangezien artikel 26 in deel drie van de toetredingsakte, „aanpassingen van de besluiten van de instellingen”, staat, en niet in deel vier inzake de „overgangsbepalingen”, is er echter geen enkel verband tussen dit artikel en de in artikel 166 van deze akte genoemde overgangsperiode. Dat enkel de beperkingen van de toegang tot de wateren buiten de 12-mijlszone – en niet ook die betreffende de wateren daarbinnen – overgangskarakter hebben, is overigens het logische gevolg van het feit dat, zoals vermeld bij de behandeling van het eerste middel, het beginsel van vrije toegang voor alle communautaire vaartuigen slechts algemeen toepasselijk is op de eerstgenoemde wateren. Het is derhalve logisch dat een van dit beginsel afwijkende regeling voor Spaanse vaartuigen slechts kon worden getroffen voor de duur van de met de toetreding tot de Gemeenschap verband houdende overgangsperiode.
60. Aangezien dit beginsel echter niet toepasselijk is op het gebied binnen de 12-mijlszone, is de bewering van de verzoekende regering dat het verstrijken van de overgangsperiode automatisch leidde tot het wegvallen van de toegangsbeperkingen voor Spaanse vaartuigen tot de Franse Atlantische wateren binnen 12 mijl, mijns inziens ongegrond.
61. Deze beperkingen zijn immers bij de toetredingsakte in verordening nr. 170/83 aangebracht (en in de opvolgende verordeningen bevestigd) teneinde de toegangsvoorwaarden voor Spaanse vaartuigen tot de Franse wateren binnen de 12-mijlszone in overeenstemming te brengen met de algemeen toepasselijke regel aangaande de toegang van de vissersvaartuigen van lidstaten tot de kustwateren van een andere lidstaat. Zoals ik reeds verschillende malen heb aangegeven, bestaat deze regel uit het verbod van exploitatie van de visbestanden in dit gebied, onverminderd de voornoemde uitzonderingen ten voordele van de staten waarvan de vissersvaartuigen van oudsher in de kustwateren van andere lidstaten vissen.
62. Aangezien door de invoering en handhaving van de beperkingen op de activiteiten van zijn vissersvaartuigen in de Franse wateren binnen de 12-mijlszone, dezelfde regel toepasselijk is geworden op Spanje als tussen de andere lidstaten is blijven gelden, is er geen reden om aan te nemen dat het verstrijken van de met de toetreding verbonden overgangsperiode automatisch de onwettigheid van deze beperkingen meebracht.
63. Dat de door de verzoekende regering aangevoerde argumenten ongegrond zijn, wordt daarenboven bevestigd door de omstandigheid dat, ofschoon zij bij de toetredingsakte in verordening nr. 170/83 zijn ingevoerd, de regels betreffende de exploitatie van de Franse wateren binnen de 12-mijlszone in volle omvang zijn overgenomen in voormelde verordening, zodat zij dezelfde draagwijdte dienen te hebben als de andere bepalingen die de verordening oorspronkelijk bevatte. Daar de verordening eveneens beperkingen vaststelde in de betrekkingen tussen de oprichtende staten (zoals bijvoorbeeld voor de Duitse vissersvaartuigen in de Franse wateren), is het mijns inziens echter vanzelfsprekend dat het verstrijken van de met de toetredingen verbonden overgangsperiodes geen invloed heeft op de in verordening nr. 170/83 bepaalde maatregelen.
64. Hetzelfde moet te meer gelden met betrekking tot verordening nr. 2371/2002, die geen enkel verband heeft met de toetredingsakte van het Koninkrijk Spanje en uitsluitend op grond van artikel 37 EG is vastgesteld.
65. Gelet op het voorgaande stel ik bijgevolg voor dat het Hof ook het tweede middel, en mitsdien het beroep in zijn geheel, verwerpt.
V – Kosten
66. Gelet op artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering en het resultaat waartoe ik ben gekomen met betrekking tot de verwerping van het beroep, meen ik dat verzoeker in de kosten van de Raad dient te worden verwezen. De Franse Republiek en de Commissie dienen daarentegen hun eigen kosten te dragen overeenkomstig artikel 69, lid 4, van voornoemd reglement.
VI – Conclusie
67. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
„1) Het beroep wordt verworpen.
2) Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten.
3) De Franse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen dragen hun eigen kosten.”
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – PB L 358, blz. 59.
3 – PB 1985, L 302, blz. 23.
4 – PB L 236, blz. 1.
5 – PB 1972, L 73, blz. 14.
6 – PB L 24, blz. 1.
7 – Deze overeenkomst werd namens de Gemeenschap goedgekeurd door verordening (EEG) nr. 3062/80 van de Raad van 25 november 1980 betreffende de sluiting van de visserij-overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Regering van Spanje (PB L 322, blz. 3).
8 – PB L 389, blz. 1.
9 – Artikel 166 bepaalt: „[d]e in de artikelen 156 tot en met 164 omschreven regeling, met inbegrip van de aanpassingen die door de Raad krachtens artikel 162 kunnen worden vastgesteld, blijft van toepassing tot het verstrijken van de in artikel 8, lid 3, van verordening (EEG) nr. 170/83 bedoelde periode.” Deze laatste bepaling luidt als volgt: „[i]n het tiende jaar na 31 december 1992 brengt de Commissie aan de Raad een verslag uit over de economische en sociale situatie in de kustgebieden. Op grond van dit verslag besluit de Raad, volgens de procedure van artikel 43 van het Verdrag, over de bepalingen die, na afloop van de in dit lid genoemde periode van tien jaar, zouden kunnen volgen op de in de artikelen 6 en 7 bedoelde regeling.” Zoals ik in de tekst heb aangegeven, was 31 december 2002 bijgevolg de in artikel 166 van de toetredingsakte bedoelde einddatum.
10 – Zoals bij de behandeling van het rechtskader uiteengezet, betreft het verordening nr. 170/83 (als gewijzigd bij de toetredingsakte van het Koninkrijk Spanje) en verordening nr. 3760/92.
11 – Zie bijvoorbeeld arresten van 23 februari 1983, Wagner (C‑8/82, Jurispr. blz. 371, punt 18); 13 november 1984, Racke (C‑283/83, Jurispr. blz. 3791, punt 7), 29 april 1999, Royal Bank of Scotland (C‑311/97, Jurispr. blz. I‑2651, punt 26), en 25 oktober 2001, Italië/Raad (C‑120/99, Jurispr. blz. I‑7997, punt 80).
12 – Arrest van 8 december 1981 (C‑181/80, Jurispr. blz. 2961).
13 – Verdrag van Londen inzake de visserij van 9 maart 1964 (UN Treaty Series 581, nr. 8432), bekrachtigd door de Franse Republiek en het Koninkrijk Spanje in 1965.
14 – Algemeen akkoord inzake de visserij, gesloten tussen de Franse Republiek en het Koninkrijk Spanje door een notawisseling van 20 maart 1967 (Journal officiel de la République Française van 4 augustus 1967, blz. 7807).
15 – Arrest van 8 december 1981, reeds aangehaald, punt 18.
16 – Zoals uiteengezet bij de bespreking van het rechtskader, de verordeningen nrs. 170/83 (zoals gewijzigd bij de toetredingsakte van het Koninkrijk Spanje) en 3760/92.
17 – Zie boven, voetnoot 16.
Full & Egal Universal Law Academy