CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. POIARES MADURO
van 14 juli 2004(1)
Zaak C-109/03
KPN Telecom BV
tegen
Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA)
[Verzoek van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
„Telecommunicatie – Open network voor spraaktelefonie – Verrichten van gidsdiensten – Begrip ‚relevante informatie’ in artikel 6, lid 3, van richtlijn 98/10/EG – Vaststelling van prijs”
1. Het onderhavige verzoek van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland) om een prejudiciële beslissing betreft een probleem in verband met de liberalisering van de markt voor telecommunicatiediensten. De verwijzende rechter stelt vragen met betrekking tot de omvang van de verplichting van aanbieders van spraaktelefonie om informatie te verstrekken voor universele telefoongidsen. Het Hof wordt verzocht artikel 6, lid 3, van richtlijn 98/10/EG (2) uit te leggen. Bovendien geven de vragen van de verwijzende rechter en de omstandigheden van het hoofdgeding aanleiding om de eventuele toepassing van artikel 82 EG in overweging te nemen.
I – Bepalingen van gemeenschapsrecht betreffende gidsdiensten op het voor het geding relevante tijdstip
2. Voor de voor het onderhavige geding relevante periode bevatten drie richtlijnen een specifieke regeling inzake gidsdiensten: richtlijn 98/10/EG, richtlijn 97/66/EG (3) en richtlijn 96/19/EG. (4)
3. Richtlijn 98/10/EG is gebaseerd op het voormalige artikel 100 A van het EG‑Verdrag en heeft betrekking op de harmonisatie van de voorwaarden voor een open en efficiënte toegang tot en gebruik van vaste openbare telefoonnetwerken en vaste openbare telefoondiensten in een door open en concurrerende markten gekenmerkte omgeving overeenkomstig de beginselen van Open Network Provision (ONP). (5) Doel ervan is „het dienstenpakket te definiëren waartoe alle gebruikers, consumenten inbegrepen, in het kader van de universele dienst voor een aanvaardbare prijs toegang moeten hebben in het licht van specifieke nationale voorwaarden”. (6)
4. Universele dienst wordt in artikel 2, lid 2, sub f, omschreven als een gedefinieerd minimumpakket van diensten van een gegeven kwaliteit, dat beschikbaar is voor alle gebruikers onafhankelijk van hun geografische locatie en, in het licht van de specifieke nationale omstandigheden, tegen een betaalbare prijs.
5. De richtlijn laat gidsdiensten onder het gedefinieerde dienstenpakket vallen dat in het kader van de universele dienst kan worden gefinancierd. Punt 7 van de considerans van de richtlijn rechtvaardigt dit als volgt: „Overwegende dat de levering van gidsdiensten een aan concurrentie onderworpen activiteit is; […] dat gebruikers en consumenten behoefte hebben aan gidsen en gidsinformatiediensten die alle geregistreerde telefoonabonnees en hun nummers (inclusief het nummer van de vaste, mobiele en persoonlijke aansluiting) bestrijken; dat deze richtlijn geen verandering brengt in de situatie waarin bepaalde telefoongidsen en gidsdiensten ogenschijnlijk gratis aan de gebruiker worden verstrekt”.
6. Artikel 6 van richtlijn 98/10/EG luidt als volgt:
„1. De bepalingen van dit artikel zijn onderworpen aan de voorschriften van de relevante wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer, zoals richtlijn 95/46/EG en richtlijn 97/66/EG.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat:
a) de abonnees het recht hebben te worden vermeld in algemeen beschikbare telefoongidsen en de vermelde gegevens te controleren en zo nodig te corrigeren, of deze vermelding te laten schrappen;
b) telefoongidsen waarin alle abonnees worden vermeld die zich niet hiertegen hebben uitgesproken, met inbegrip van de nummers van hun vaste, mobiele en persoonlijke toestellen, in een door de nationale regelgevende instantie goedgekeurde vorm, gedrukt of elektronisch of beide, voor alle gebruikers beschikbaar zijn, en regelmatig worden bijgewerkt;
c) ten minste één telefoongidsinformatiedienst voor alle gebruikers, inclusief de gebruikers van openbare betaaltelefoons, beschikbaar is waarmee alle in de telefoongidsen opgenomen abonneenummers worden bestreken.
3. Om ervoor te zorgen dat de in lid 2, sub b en c, bedoelde diensten beschikbaar zijn, zorgen de lidstaten ervoor dat alle organisaties die telefoonnummers toewijzen aan abonnees alle redelijke verzoeken honoreren om de relevante informatie in een overeengekomen formaat beschikbaar te stellen op billijke, kostengeoriënteerde en niet-discriminerende voorwaarden.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat organisaties die de in lid 2, sub b en c, bedoelde dienst verstrekken, bij de behandeling en presentatie van de aan hen verstrekte informatie het principe van niet-discriminatie volgen.”
7. Richtlijn 97/66/EG betreft de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie. Artikel 11 heeft betrekking op „abonneelijsten”. Lid 1 daarvan luidt:
„Persoonsgegevens die zijn opgenomen in gedrukte of elektronische abonneelijsten die beschikbaar zijn voor het publiek, of te verkrijgen zijn via abonnee-informatiediensten, moeten worden beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om een abonnee te kunnen identificeren, tenzij die abonnee er ondubbelzinnig mee heeft ingestemd dat bijkomende persoonsgegevens worden gepubliceerd. De abonnee heeft het recht om kosteloos op zijn of haar verzoek uit een gedrukte of elektronische abonneelijst te worden weggelaten, om te eisen dat zijn/haar gegevens niet worden gebruikt voor direct marketing, dat zijn/haar adres gedeeltelijk wordt weggelaten en dat geen enkele verwijzing wordt opgenomen naar zijn/haar geslacht, waar zulks vanuit taalkundig oogpunt relevant is.”
8. Artikel 1, lid 6, van richtlijn 96/19/EG van de Commissie (tot wijziging van artikel 4 van richtlijn 90/388/EEG (7) ) bepaalt onder meer:
„De lidstaten zorgen ervoor, dat alle uitsluitende rechten met betrekking tot de totstandbrenging en het verrichten van gidsinformatiediensten, hieronder begrepen de publicatie van telefoongidsen en het verrichten van inlichtingendiensten, op hun grondgebied worden afgeschaft.”
9. Hoewel bovenvermelde richtlijnen van toepassing waren op het tijdstip van de feiten die tot het geschil in het hoofdgeding hebben geleid, zijn zij thans niet langer van kracht. Een min of meer met artikel 11 van richtlijn 97/66/EG overeenstemmende bepaling betreffende abonneelijsten en de bescherming van persoonsgegevens is opgenomen in richtlijn 2002/58/EG, terwijl bepalingen inzake gidsdiensten in het nieuwe gemeenschappelijke reguleringskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten zijn opgenomen. (8) Ingevolge artikel 5, lid 1, sub a, van richtlijn 2002/22/EG (9) moeten de lidstaten ervoor zorgen dat ten minste één volledige telefoongids beschikbaar is voor de eindgebruikers in een door de betrokken instantie goedgekeurde vorm, gedrukt of elektronisch of beide, en dat die gids regelmatig (ten minste eenmaal per jaar) wordt bijgewerkt. Artikel 25, lid 2, van richtlijn 2002/22/EG luidt:
„2. De lidstaten zorgen ervoor dat alle ondernemingen die telefoonnummers aan abonnees toekennen, aan alle redelijke verzoeken voldoen om, ten behoeve van het verstrekken van openbare telefooninlichtingendiensten en telefoongidsen, de relevante informatie in een overeengekomen formaat beschikbaar te stellen op billijke, objectieve, kostengeoriënteerde en niet-discriminerende voorwaarden.”
II – De feiten, de bepalingen van nationaal recht en de prejudiciële vragen
10. KPN Telecom BV (hierna: „KPN”) is de aanbieder van de universele telecommunicatiediensten in Nederland. Zij is ingevolge de Telecommunicatiewet wettelijk verplicht een universele telefoongids uit te geven. KPN heeft de feitelijke publicatie en distributie van deze gids aan Telefoongids Media BV uitbesteed.
11. Met de bedoeling om concurrerende telefoongidsen op cd-rom en op internet uit te geven, hebben Denda Multimedia BV, interveniënte in de onderhavige procedure (hierna: „Denda”), en Topware CD-Service AG (hierna: „Topware”) KPN verzocht, hun de basisgegevens van elke KPN-abonnee ter beschikking te stellen (dat wil zeggen: naam, adres, woonplaats, telefoonnummer en postcode, en de vermelding of het nummer uitsluitend als faxnummer wordt gebruikt), alsmede alle extra gegevens – uitgezonderd advertenties – die door KPN in haar „witte pagina’s” worden gepubliceerd (te weten, nummer van mobiele telefoon, beroep, vermelding onder een andere naam of in andere gemeenten).
12. KPN heeft geweigerd de bijkomende gegevens te verstrekken. Bovendien heeft zij geweigerd de basisvermeldingsgegevens voor een lagere prijs dan 0,85 NLG (0,39 EUR) per gegeven te verstrekken.
13. In 1997 hebben Denda en Topware bij de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (hierna: „OPTA”) een klacht ingediend tegen KPN, stellende dat KPN’s weigering om de bijkomende gegevens te verstrekken en de voor de basisgegevens in rekening gebrachte prijs in strijd waren met de Telecommunicatiewet en meer in het bijzonder met artikel 43 van het Besluit ONP huurlijnen en telefonie (hierna: „BOHT”). (10)
14. Artikel 43 van het BOHT bepaalt dat degene die nummers van de vaste openbare telefoondienst, nummers van de mobiele openbare telefoondienst en nummers van de persoonlijke nummerdienst in gebruik geeft, „op verzoek in een overeengekomen formaat, op billijke, kostengeoriënteerde en niet‑discriminerende voorwaarden die nummers met bijbehorende informatie beschikbaar stelt” ten behoeve van de beschikbaarstelling van telefoongidsen en de abonnee-informatiedienst, bedoeld in het Besluit universele dienstverlening. Artikel 43 van het BOHT zet artikel 6, lid 3, van richtlijn 98/10/EG om in Nederlands recht.
15. Op 29 september 1999 heeft de OPTA vastgesteld dat KPN enkel verplicht was de basisabonneegegevens te verstrekken. De door KPN in rekening gebrachte prijs mocht echter niet hoger zijn dan de marginale kosten van de daadwerkelijke terbeschikkingstelling van de basisvermeldingsgegevens, eventueel verhoogd met een redelijke winstopslag. Concreet betekende dit dat KPN minder dan 0,005 NLG (0,0023 EUR) per gegeven in rekening moest brengen. Tegen dit besluit zijn bezwaarschriften ingediend door KPN, Denda en Topware.
16. Bij besluit van 4 december 2000 heeft de OPTA haar besluit van 29 september 1999 herzien en besliste zij dat KPN verplicht was alle gegevens te verstrekken die zij ‚kant-en-klaar’ van haar abonnees ontvangt. Hieronder vallen het telefoonnummer van de aansluiting, naam en voorletter, eventueel bedrijfsnaam; volledig adres, waaronder postcode; een eventuele extra vermelding van het telefoonnummer onder een andere naam; de vermelding of de aansluiting (uitsluitend) als faxlijn wordt gebruikt; extra vermelding van mobiel(e) telefoonnummer(s); extra vermelding van beroep en extra vermelding(en) in andere gemeenten. De OPTA handhaafde haar standpunt over de toelaatbare prijs per gegeven.
17. KPN ging tegen het besluit van de OPTA in beroep bij de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam. Dit beroep werd bij uitspraak van 21 juni 2001 verworpen. KPN is vervolgens in hoger beroep gegaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Van mening dat artikel 43 van het BOHT uitvoering geeft aan artikel 6, lid 3, van richtlijn 98/10/EG, heeft dit College besloten het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vragen:
„1. Dient ‚relevante informatie’ in artikel 6, lid 3, van richtlijn 98/10/EG (PB L 101, blz. 24) aldus te worden uitgelegd dat hieronder enkel wordt verstaan de door de betrokken organisaties uitgegeven nummers met naam, adres, woonplaats en postcode van degene aan wie het nummer is uitgegeven alsmede een eventuele vermelding of het nummer (uitsluitend) als faxlijn wordt gebruikt, of vallen onder ‚relevante informatie’ tevens andere gegevens waarover de organisaties beschikken, zoals extra vermelding van een beroep, van een andere naam, in een andere gemeente of van mobiele telefoonnummers?
2. Dient ‚redelijke verzoeken honoreren […] op billijke, kostengeoriënteerde en niet-discriminerende voorwaarden’ in de onder 1 bedoelde bepaling aldus te worden uitgelegd dat:
a. nummers met naam, adres, woonplaats en postcode van degene aan wie het nummer is uitgegeven, beschikbaar dienen te worden gesteld tegen een vergoeding van enkel de marginale kosten, gemoeid met het daadwerkelijk ter beschikking stellen ervan, en
b. andere dan de onder a vermelde gegevens beschikbaar dienen te worden gesteld tegen een vergoeding die strekt tot dekking van de kosten waarvan de verstrekker van deze gegevens aantoont dat hij deze heeft gemaakt om de gegevens te verkrijgen c.q. te verstrekken?”
III – Beoordeling
A – Welke informatie is „relevant” in de zin van artikel 6, lid 3, van richtlijn 98/10/EG?
18. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen welke informatie „relevant” is in de zin van artikel 6, lid 3, van de betrokken richtlijn.
19. De tekst van richtlijn 98/10/EG geeft weinig concrete houvast met betrekking tot de betekenis van „relevante informatie” in artikel 6, lid 3. Voor de beantwoording van de eerste vraag van de verwijzende rechter moeten de context van deze bepaling en het doel van de richtlijn in beschouwing worden genomen. (11)
20. Zoals reeds is opgemerkt, is het doel van de richtlijn ervoor te zorgen dat in de gehele Gemeenschap vaste openbare telefoondiensten van hoge kwaliteit beschikbaar zijn en het dienstenpakket te definiëren waartoe alle gebruikers, consumenten inbegrepen, voor een aanvaardbare prijs toegang moeten hebben. Het is duidelijk dat het doel van de definiëring en de harmonisatie van de universele telefoondiensten een uitvloeisel is van de liberalisering van de markten voor spraaktelefonie. Het zou onpraktisch zijn voor de consumenten indien gidsinformatie, ten gevolge van het feit dat er meerdere aanbieders van spraaktelefonie zijn, over verschillende telefoongidsen zou worden verspreid. Evenzo zou het veranderen van aanbieder minder aantrekkelijk zijn, indien dit zou meebrengen dat men ongevraagd uit telefoongidsen zou worden geschrapt. Deze nadelen voor de eindgebruikers zouden zelfs een ongunstige invloed op de mededinging op de markt voor diensten van spraaktelefonie kunnen hebben. Artikel 6 van de richtlijn beschermt derhalve het bestaan van universele gidsdiensten, voor het geval de markt daar niet zelf in zou voorzien. Het vergemakkelijkt het maken van universele telefoongidsen door van de lidstaten te verlangen dat zij ervoor zorgen dat alle telefoonaanbieders gidsinformatie beschikbaar stellen. Als onderdeel van deze bepaling moet het begrip „relevante informatie” tegen de achtergrond van de in hoofdzaak gebruikersgerichte doelstelling van de richtlijn worden opgevat.
21. In wezen zijn aan het Hof drie benaderingen voor de uitlegging van het begrip „relevante informatie” voorgesteld. KPN’s uitlegging koppelt „relevant” aan hetgeen noodzakelijk is voor het opzetten en onderhouden van een spraaktelefoonaansluiting. KPN betoogt dat „relevante informatie” enkel de informatie omvat die door de abonnees is verstrekt voor publicatie in een telefoongids en die tegelijkertijd onlosmakelijk is verbonden met het verstrekken van vaste‑telefoondiensten.
22. De tweede, door de OPTA en Denda verdedigde uitlegging koppelt het begrip „relevant” aan hetgeen vereist is om mededinging op de markt voor gidsdiensten te realiseren. Volgens de OPTA en Denda omvat „relevante informatie” alle informatie die door KPN zelf in haar eigen telefoongids wordt gepubliceerd. Deze uitlegging is gebaseerd op de wens om een tegenwicht te vormen tegen het voordeel dat KPN op de markt voor telefoongidsdiensten heeft verkregen door haar verleden als voornaamste – en tot voor kort exclusieve –aanbieder van spraaktelefonie en uitgever van universele telefoongidsen in Nederland. Om een telefoongids te kunnen uitgeven die adequaat met de KPN-gids kan concurreren, moeten de concurrenten noodzakelijkerwijs de beschikking hebben over alle in die gids vermelde informatie.
23. De derde mogelijke uitlegging, die door de Commissie wordt verdedigd, koppelt „relevant” aan hetgeen nodig is voor het verstrekken van universele gidsdiensten.
24. Enkel de derde benadering doet recht aan het doel van richtlijn 98/10/EG. Zoals de Commissie op goede gronden heeft betoogd, betekent „relevant” in de zin van de richtlijn niet relevant om in staat te zijn om te concurreren op een markt voor universele gidsdiensten, maar relevant voor het verzekeren van de verstrekking van deze diensten. De richtlijn erkent – in overeenstemming met artikel 6 van richtlijn 96/19/EG van de Commissie – dat het verstrekken van gidsdiensten een aan concurrentie onderworpen activiteit is, en dat zij derhalve het ontstaan van meerdere telefoongidsen bevordert, waarbij het bestaan van ten minste één gids vereist is, maar dit betekent niet dat het haar doel is om de mededinging op de markt voor gidsdiensten te stimuleren in plaats van het behouden van een universele dienst van een goede kwaliteit.
25. Uit het doel van richtlijn 98/10/EG volgt voorts dat, anders dan KPN betoogt, „relevante informatie” niet eenvoudigweg kan worden beperkt tot informatie die onlosmakelijk is verbonden met het verstrekken van diensten van spraaktelefonie. De plicht van aanbieders van spraaktelefonie om de „relevante informatie” te verstrekken voor het maken van een universele gids, brengt tevens de plicht mee om deze informatie te verzamelen, ook al is die niet strikt noodzakelijk voor de verstrekking van de spraaktelefonie. (12) Vanzelfsprekend doet de plicht van aanbieders om de relevante gidsinformatie te verzamelen geen afbreuk aan rechten van abonnees om geen persoonlijke gegevens mee te delen of om publicatie daarvan in universele telefoongidsen tegen te houden.
26. Aangezien richtlijn 98/10/EG geen duidelijke definitie geeft en het begrip universele dienst wordt beïnvloed door de marktontwikkeling en door nationale verschillen in gebruikerseisen, is het aan de lidstaten gelaten om de precieze strekking van het begrip „relevante informatie” in het licht van de specifieke nationale omstandigheden te omlijnen. (13) Bij iedere uitlegging dient echter met de volgende aspecten rekening te worden gehouden.
27. Ten eerste moet ervan worden uitgegaan dat „relevante informatie” ten minste de opgave van de vaste, mobiele en persoonlijke nummers, en naam, adres en woonplaats die bij deze nummers horen, omvat. Dit zijn de minimumgegevens die gebruikers van telefoongidsen nodig hebben om de abonnees van de nummers die zij zoeken, te kunnen identificeren. Deze informatie moet derhalve als „relevant” in de zin van artikel 6, lid 3, van richtlijn 98/10/EG worden beschouwd.
28. Ten tweede, zoals hierboven is gesteld, betekent „relevant” in de zin van artikel 6, lid 3, relevant voor de verstrekking van een universele dienst. Bij het bepalen van de relevante informatie die bovenop de basisgegevens komt, moeten de lidstaten rekening houden met hetgeen een standaardgebruiker van een telefoongids verlangt, hetgeen van lidstaat tot lidstaat kan variëren. In dit opzicht kunnen zij rekening houden met hetgeen gebruikers traditioneel in een telefoongids verwachten te vinden – bijvoorbeeld beroep, titel, enz. – en ongetwijfeld zal een reeds lang bestaande exclusieve aanbieder de verwachtingen en eisen van de gebruikers in grote mate hebben beïnvloed, zoals de OPTA in haar schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt. Er kan echter niet automatisch van worden uitgegaan dat wat deze aanbieder ook maar in zijn gidsen heeft gepubliceerd of zal publiceren derhalve als relevant in de zin van de richtlijn moet worden aangemerkt. In de Nederlandse context zou dit de standaard voor universele gidsdiensten en de verplichting van iedere aanbieder van spraaktelefonie om de relevante informatie te verzamelen en te verstrekken volledig afhankelijk maken van hetgeen KPN in haar telefoongids besluit te publiceren. Noch de tekst noch het doel van artikel 6 biedt steun voor een dergelijke voorwaardelijke uitlegging. (14)
29. De OPTA heeft betoogd dat artikel 43 van het BOHT KPN verplicht om alle gidsinformatie waarover zij beschikt, te verstrekken, zelfs indien KPN niet verplicht was die informatie te verzamelen. De richtlijn zelf biedt echter geen steun voor deze uitlegging. Artikel 6, lid 3, voert een zelfde verplichting in voor iedere aanbieder van spraaktelefonie om gidsinformatie te verzamelen en te verstrekken, zonder onderscheid op grond van marktstructuur en van het bestaan van een wettelijke verplichting om een telefoongids uit te geven. Van KPN kan niet worden verwacht dat zij louter op basis van artikel 6, lid 3, van de richtlijn meer informatie verzamelt of verstrekt dan andere aanbieders van spraaktelefonie.
30. Daarnaast is, zoals in punt 7 van de considerans van de richtlijn wordt beklemtoond, het verstrekken van gidsdiensten een aan concurrentie onderworpen activiteit. Mededinging tussen aanbieders van gidsdiensten kan ook mededinging vereisen ten aanzien van de inhoud van de gidsen. Aanbieders van spraaktelefonie mogen best meer informatie verkrijgen dan wat relevant is in de zin van artikel 6, lid 3, van de richtlijn, zolang dit geen inbreuk maakt op de vereisten van bescherming van het privé-leven en van persoonsgegevens. Het staat hun tevens vrij een gids uit te geven – of te laten uitgeven – met meer dan de „relevante” informatie. Dat bepaalde telefoongidsen meer informatie zouden kunnen bieden dan andere doet niet af aan de beschikbaarheid van universele gidsdiensten, zolang gebruikers in staat zijn de informatie te vinden die zij als typisch relevant beschouwen.
31. Men zou kunnen stellen dat mededinging ten aanzien van de inhoud van de gidsen kan worden belemmerd indien KPN zich in een positie bevindt waarin zij toegang kan weigeren tot informatie die essentieel is om te kunnen concurreren. In dat opzicht zij opgemerkt dat de algemene mededingingsvoorschriften kunnen worden toegepast naast de sectorspecifieke voorschriften in de richtlijnen 98/10/EG en 96/19/EG. Indien KPN verplicht is om meer informatie te verstrekken dan hetgeen relevant wordt geacht voor het verstrekken van een universele gidsdienst, dan volgt deze verplichting niet uit artikel 6, lid 3, van richtlijn 98/10/EG, maar, eventueel, uit de toepassing van artikel 82 EG.
Toepassing van artikel 82 EG
32. De OPTA en Denda hebben betoogd dat de in de KPN-gids gepubliceerde abonnee-informatie onontbeerlijke input is voor degenen die een telefoongids willen uitgeven die doeltreffend met die gids kan concurreren. Uit de rechtspraak van het Hof inzake artikel 82 EG volgt dat een weigering om te leveren misbruik van machtspositie kan opleveren wanneer daardoor wordt verhinderd dat een product op een secundaire markt wordt gebracht in concurrentie met het eigen product van de onderneming met een machtspositie. (15) Naast mijn onderzoek van de richtlijn zal ik bespreken of deze rechtspraak (vaak doctrine van de „essential facilities” genoemd) (16) van toepassing kan zijn op het bij de nationale rechter aanhangige geding. Ik zal niet alle voorwaarden voor de toepassing van artikel 82 EG bespreken, maar zal mij concentreren op de vraag of de weigering van de aanbieder van spraaktelefonie om de verlangde abonneegegevens te verstrekken misbruik kan opleveren. (17)
33. In het arrest Magill (18) heeft het Hof geoordeeld dat de uitoefening van een alleenrecht door de rechthebbende misbruik kan opleveren. In die zaak gebruikten drie omroepmaatschappijen alleenrechten om te weigeren informatie over hun televisieprogramma’s te verstrekken aan een uitgever die een wekelijkse televisiegids wilde publiceren. Door eenieder de toegang tot de basisgegevens – het onontbeerlijke materiaal voor de productie van een dergelijk gids – te ontzeggen, hebben deze ondernemingen zich de afgeleide markt voor wekelijkse tv-gidsen voorbehouden door elke mededinging op die markt uit te sluiten. De weigering leverde in de omstandigheden van dat geval misbruik van een machtspositie op, in strijd met artikel 86 van het EG-Verdrag (thans artikel 82 EG). (19)
34. De redenering in Magill werd bevestigd door het arrest van het Hof in de zaak Bronner, hoewel het Hof in deze laatste zaak tot de slotsom kwam dat de weigering om toegang te verlenen tot een stelsel voor de distributie van dagelijkse kranten geen misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 86 van het EG‑Verdrag opleverde. (20)
35. In zijn prejudiciële beslissing van 29 april 2004 in de zaak IMS Health (21) heeft het Hof, op basis van de arresten Magill en Bronner, de cumulatieve voorwaarden samengevat op grond waarvan de weigering van een onderneming die houder is van een auteursrecht, om toegang te geven tot een product of een dienst die onontbeerlijk is voor het uitoefenen van een bepaalde activiteit, als misbruik kan worden aangemerkt, te weten: a) de weigering is van dien aard dat daardoor elke mededinging op een afgeleide markt wordt uitgesloten; b) de weigering staat in de weg aan de introductie van een nieuw product waarnaar van de zijde van de consumenten een potentiële vraag bestaat, en c) de weigering vindt geen rechtvaardigingsgrond in objectieve overwegingen. (22)
36. Om te beginnen moet, wil een weigering om te leveren onder artikel 82 EG vallen, worden aangetoond dat er sprake is van een machtspositie die de dominerende onderneming in staat stelt mededinging op een afgeleide markt uit te sluiten. Hiervoor moeten een primaire markt voor „input”, en een secundaire markt waarvoor deze input essentieel is, worden geïdentificeerd. (23)
37. In het arrest Magill werd vastgesteld dat de betrokken wekelijkse programma-informatie een specifieke markt vertegenwoordigde die niet identiek was met de markt van gegevens over televisieprogramma’s in het algemeen. (24) Deze enge definitie van de productmarkt vloeide voort uit het feit dat de informatie die de omroepmaatschappijen bezaten, niet kon worden vervangen door andere informatie betreffende televisieprogramma’s. De omroepmaatschappijen waren uit de aard der zaak de enige bron van informatie betreffende hun televisieprogramma’s en beschikten bijgevolg over een feitelijk monopolie op deze gegevens. (25) Evenzo kunnen aanbieders van spraaktelefonie worden geacht over een feitelijk monopolie te beschikken op hun abonneegegevens wanneer deze gegevens onvervangbaar en essentieel zijn om op een secondaire markt te opereren.
38. In de onderhavige omstandigheden zou moeten worden beoordeeld of KPN een positie heeft waarin zij een werkzame mededinging met haar eigen telefoongids kan beletten door te weigeren abonneegegevens te verstrekken die buiten de werkingssfeer van artikel 6, lid 3, van richtlijn 98/10/EG vallen. Als onderdeel van deze beoordeling zou moeten worden aangetoond dat een concurrent praktisch of redelijkerwijs niet in staat is zelf de verlangde abonneegegevens te verzamelen en bij te werken – dat wil zeggen dat het uitgeven van een gids zonder de verlangde gegevens of dat het verzamelen van deze gegevens via andere middelen economisch niet rendabel zou zijn. (26)
39. Niettemin moet niet te snel worden aanvaard dat een onderneming met een machtspositie krachtens artikel 82 EG verplicht is om haar concurrenten te steunen, en de weigering om aan een concurrent te leveren wordt niet automatisch als misbruik aangemerkt louter omdat de betrokken input noodzakelijk is om op de secundaire markt te kunnen concurreren. Er dient een evenwicht te worden bewaard tussen het belang van het behouden of creëren van vrije mededinging op een bepaalde markt en het belang om investeringen en innovaties niet te ontmoedigen door te vereisen dat de vruchten van een commercieel succes met de concurrenten worden gedeeld.
40. Bijvoorbeeld kan, bij gebreke van een objectieve rechtvaardiging, de weigering om producten of diensten te leveren die noodzakelijk zijn om op een secundaire markt met de eigen producten van de onderneming met een machtspositie te concurreren, als misbruik worden aangemerkt wanneer dit de stopzetting van leveringen aan een bestaande afnemer (27) of productbinding (28) meebrengt, wanneer de onderneming die een wettelijk monopolie bezit, buitenlandse concurrenten discrimineert (29) of, in de context van de intellectuele eigendom, wanneer een weigering in de weg staat aan het verschijnen van een nieuw product waarnaar van de zijde van de consumenten een potentiële vraag bestaat. (30)
41. Een leveringsweigering door een onderneming met een machtspositie kan misbruik van een machtspositie opleveren in de situatie van een recent gedereguleerde bedrijfstak waarin de noodzakelijke input voor een afgeleide markt door een onderneming is verkregen als rechtstreeks gevolg van haar voormalige positie als wettelijke monopolist en indien de toegang tot deze input niet door sectorspecifieke wetgeving is gereguleerd. In die omstandigheden, waar de leverancier een voordeel heeft op de secundaire markt, dat hij kon verkrijgen omdat hij voorheen tegen mededinging was beschermd, is de kans dat het opleggen van de plicht om te leveren voor investeringen en innovaties ontmoedigt minimaal en weegt waarschijnlijk niet op tegen het belang van stimulering van de mededinging. Zoals een commentator heeft opgemerkt, zouden maatregelen om industriesectoren te dereguleren of te liberaliseren „weinig zin hebben indien het de betrokken maatschappijen, waarvan de meeste een machtspositie op hun eigen terrein bezitten, vrij zou staan voorwaarts te integreren en ten gunste van hun eigen verticale activiteiten te discrimineren”. (31)
42. In dit opzicht dient te worden opgemerkt dat een adequate vergoeding voor investeringen en innovaties kan worden verkregen door van de afnemer van de noodzakelijke input een vergoeding te vragen. Zelfs wanneer een weigering om deze input te verstrekken als misbruik moet worden aangemerkt, moeten de leveringsvoorwaarden met inachtneming van het bovengenoemde evenwicht worden vastgesteld, hetgeen betekent dat deze voorwaarden billijk en niet‑discriminerend moeten zijn, waarbij rekening moet worden gehouden met enerzijds een redelijke opbrengst die noodzakelijk is om investeringen en innovaties te belonen in het licht van de omstandigheden van het specifieke geval, en anderzijds het belang van het stimuleren van de mededinging op de betrokken secundaire markt.
43. Gelet op het voorgaande dient te worden beoordeeld of de situatie van KPN voldoet aan de criteria op grond waarvan een weigering om de abonneegegevens te verstrekken die niet onder artikel 6, lid 3, van richtlijn 98/10/EG vallen, misbruik in de zin van artikel 82 EG zou opleveren.
44. Concluderend, buiten de basisgegevens die onder het begrip „relevante informatie” vallen, moeten de lidstaten met inachtneming van de nationale omstandigheden bepalen welke informatie relevant is voor het verstrekken van universele gidsdiensten. Op iedere aanbieder van spraaktelefonie rust de verplichting – die enkel begrensd wordt door de rechten van hun abonnees – om deze informatie in te winnen van hun abonnees en om alle redelijke verzoeken te honoreren om deze informatie beschikbaar te stellen aan degenen die voornemens zijn een universele telefoongids uit te geven. Voorzover KPN verplicht is meer informatie te verstrekken dan die welke als relevant moet worden beschouwd voor het verlenen van een universele gidsdienst, volgt deze verplichting niet uit artikel 6, lid 3, van richtlijn 98/10/EG, maar, eventueel, uit de toepassing van artikel 82 EG. Beoordeeld zou moeten worden of KPN een zodanige positie heeft dat zij een werkzame mededinging met haar eigen telefoongids kan beletten door te weigeren abonneegegevens te verstrekken die buiten de werkingssfeer van artikel 6, lid 3, van richtlijn 98/10/EG vallen.
B – De berekening van het tarief voor de telefoonabonneegegevens
45. Met zijn tweede vraag, betreffende dezelfde bepaling van richtlijn 98/10/EG, verzoekt de verwijzende rechter om uitlegging van de woorden „redelijke verzoeken honoreren […] op billijke, kostengeoriënteerde en niet‑discriminerende voorwaarden”, om te bepalen hoe het tarief kan worden berekend dat KPN voor de bovengenoemde gegevens in rekening mag brengen. Meer in het bijzonder wenst de verwijzende rechter te vernemen, welke van de kosten die in verband met het verzamelen, bijhouden en verstrekken van relevante gidsinformatie zijn gemaakt, in het tarief mogen worden verrekend.
46. Vanzelfsprekend maken aanbieders van spraaktelefonie kosten in verband met het verzamelen, bijhouden en verstrekken van abonneegegevens. Dit geldt ook voor gegevens van de rode lijst, dat wil zeggen de gegevens die iemand niet in een telefoongids vermeld wil hebben. Hoewel die gegevens niet strikt noodzakelijk zijn voor het verstrekken van spraaktelefonie, volgt uit artikel 6, leden 2 en 3, van richtlijn 98/10/EG, dat op iedere aanbieder de verplichting rust om een lijst bij te houden van zijn eigen abonnees die niet in de gids wensen te worden vermeld.
47. De toerekening van de kosten in verband met het bijhouden van rode lijsten was een van de kwesties waarover het Hof in het arrest van 6 december 2001, Commissie/Frankrijk, heeft geoordeeld. (32) De zaak betrof onder andere een nationale regeling voor het delen van de nettokosten van de verplichting tot universele dienstverstrekking voor vaste spraaktelefonie. De regeling vatte het bijhouden van een rode lijst op als een kostenfactor voor de verstrekking van de universele dienst van het uitgeven van een telefoongids. Het Hof oordeelde echter dat het bijhouden van een rode lijst tot het beheer van de abonnees van de aanbieder behoort en niet tot de universele dienst van het samenstellen van een telefoongids. (33) Mijns inziens moet hetzelfde worden aanvaard met betrekking tot relevante gidsgegevens.
48. Voor de kostentoerekening moet het bijhouden van een databank met relevante gegevens van de gids en van de rode lijst in de eerste plaats worden beschouwd als een activiteit in verband met het verstrekken van spraaktelefoondiensten en niet als een afzonderlijke activiteit waarvoor extra kosten moeten worden gemaakt om de uitgave van universele telefoongidsen mogelijk te maken. Het is uiteindelijk van het grootste belang voor de aanbieders van spraaktelefonie dat hun abonnees in telefoongidsen vermeld staan, omdat dit het gebruik van hun diensten stimuleert.
49. Wanneer artikel 6, lid 3, spreekt van het verstrekken van „relevante informatie” op kostengeoriënteerde voorwaarden, impliceert dit dat een vergoeding voor de kosten van het samenstellen en bijhouden van een databank met die informatie geen deel kan uitmaken van die voorwaarden. Deze kosten moeten worden gedragen door iedere aanbieder van spraaktelefonie en zijn reeds verrekend in de kosten en inkomsten van een normale spraaktelefoondienst. Het afwentelen van deze kosten op degenen die om gidsinformatie verzoeken, door ze retroactief over hen te verdelen of anderszins, zou uitmonden in een overcompensatie die niet in overeenstemming kan worden gebracht met de vereisten en de doelstelling van artikel 6, lid 3.
50. Het voorstel van KPN om het tarief voor de „relevante informatie” aan het aantal eindgebruikers van de telefoongidsen te koppelen, kan niet als kostengeoriënteerd in de zin van artikel 6, lid 3, van de richtlijn worden aangemerkt. De kosten van het verzamelen en het bijhouden van de informatie houden verband met het aantal spraaktelefoonabonnees, niet met het aantal universele telefoongidsen of het aantal gebruikers van die gidsen.
51. Het zou alleen anders zijn indien een telefoonaanbieder kan bewijzen dat hij extra kosten heeft moeten maken om aan zijn verplichting te kunnen voldoen om relevante gidsinformatie te verzamelen en aan uitgevers van telefoongidsen te verstrekken en dat hij deze kosten niet zou hebben hoeven maken in de context van het beheer van zijn eigen abonnees. Een voor de hand liggend voorbeeld vormen de kosten van het zenden van de gidsinformatie naar een uitgever als derde partij. Het begrip billijke en kostengeoriënteerde voorwaarden in artikel 6, lid 3, vereist dat deze kosten door de uitgevers van telefoongidsen worden gedragen.
52. De typische consequentie van artikel 6, lid 3, zou zijn dat de eindgebruikers van spraaktelefonie de kosten van het bijeenbrengen en het bijhouden van gidsinformatie dragen (34) , terwijl de eindgebruikers van een telefoongids de kosten van het verstrekken van die informatie aan de uitgever van „hun” telefoongids dragen. (35)
53. Derhalve moet de conclusie luiden dat het begrip „kostengeoriënteerd” vereist dat aanbieders van spraaktelefonie de daadwerkelijke kosten van het zenden van de relevante gidsinformatie naar een concrete uitgever van een universele telefoongids, op die uitgever mogen verhalen. De overige kosten mogen slechts in aanmerking worden genomen indien een telefoonaanbieder kan bewijzen dat hij deze kosten heeft moeten maken om aan zijn verplichting te voldoen om gidsinformatie te verzamelen en te verstrekken, en dat hij deze kosten niet zou hebben gemaakt in het kader van het beheer van zijn eigen abonnees.
54. Daarentegen kunnen de voorwaarden die gelden voor het verstrekken van de abonneegegevens die buiten de werkingssfeer van artikel 6, lid 3, vallen maar krachtens artikel 82 EG zouden moeten worden verstrekt, een redelijk rendement mogelijk maken van de investeringen die zijn gedaan om die gegevens te verzamelen en bij te houden.
55. Niettemin vereist zowel artikel 6, lid 3, van de richtlijn als artikel 82 EG dat de voorwaarden voor de verstrekking niet-discriminerend zijn. Deze voorwaarden voor de verstrekking mogen dus niet, zonder objectieve rechtvaardigingsgrond, concurrerende uitgevers van telefoongidsen in een ongunstigere positie plaatsen dan een concurrent die verbonden is aan de aanbieder van spraaktelefoniediensten aan wie om de abonneegegevens wordt verzocht.
IV – Conclusie
56. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, het College van Beroep voor het Bedrijfsleven te antwoorden als volgt:
„1) Relevante informatie in de zin van artikel 6, lid 3, van richtlijn 98/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 1998 inzake de toepassing van Open Network Provision (ONP) op spraaktelefonie en inzake de universele telecommunicatiedienst in een door concurrentie gekenmerkt klimaat, is de informatie die in het kader van de verstrekking van universele gidsdiensten, met inachtneming van de specifieke nationale omstandigheden, in een telefoongids moet worden opgenomen. Dit omvat noodzakelijkerwijs de basisgegevens die gebruikers van telefoongidsen normalerwijze nodig hebben om de abonnees van de door hen gezochte nummers te kunnen identificeren.
2) Met betrekking tot de verstrekking van ‚relevante informatie’ op ‚billijke, kostengeoriënteerde en niet‑discriminerende’ voorwaarden in de zin van artikel 6, lid 3, van richtlijn 98/10/EG, dienen enkel de kosten van de daadwerkelijke verstrekking van die informatie in aanmerking te worden genomen, alsmede andere kosten waarvan de aanbieder van spraaktelefonie kan bewijzen dat hij deze heeft moeten maken om aan zijn verplichting te voldoen om relevante gidsinformatie te verzamelen en te verstrekken, en die hij niet zou hebben gemaakt in het kader van het beheer van zijn eigen abonnees.”
1 – Oorspronkelijke taal: Portugees.
2 – Richtlijn 98/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 1998 inzake de toepassing van Open Network Provision (ONP) op spraaktelefonie en inzake de universele telecommunicatiedienst in een door concurrentie gekenmerkt klimaat (PB L 101, blz. 24). Deze richtlijn heeft richtlijn 95/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1995 inzake de toepassing van „Open Network Provision” (ONP) op spraaktelefonie (PB L 321, blz. 6) vervangen.
3 – Richtlijn 97/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de telecommunicatiesector (PB 1998, L 24, blz. 1).
4 – Richtlijn 96/19/EG van de Commissie van 13 maart 1996 tot wijziging van richtlijn 90/388/EEG met betrekking tot de invoering van volledige mededinging op de markten voor telecommunicatie (PB L 74, blz. 13).
5 – Zie tevens de spraaktelefonierichtlijn van 1995, waarin de beginselen van ONP op spraaktelefonie worden toegepast.
6 – Artikel 1, lid 1.
7 – Richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten (PB L 192, blz. 10).
8 – Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201, blz. 37), en richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn) (PB L 108, blz. 33).
9 – Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn) (PB L 108, blz. 51).
10 – Staatsblad 1998, 639.
11 – Zie bijvoorbeeld arresten Hof van 6 februari 2003, SENA (C-245/00, Jurispr. blz. I‑1251, punt 23); 19 september 2000, Linster (C‑278/98, Jurispr. blz. I‑6917, punt 43), en 18 januari 1984, Ekro (C‑327/82, Jurispr. blz. 107, punt 11).
12 – Er is sprake van een soortgelijke situatie met betrekking tot de gegevens van de rode lijst, dat wil zeggen de gegevens die iemand niet in een telefoongids vermeld wil hebben. Hoewel die gegevens niet strikt noodzakelijk zijn voor het verstrekken van spraaktelefonie, zijn aanbieders van telefonie verplicht een lijst bij te houden van hun eigen abonnees die niet wensen te worden vermeld.
13 – Zie artikel 1, lid 1, van richtlijn 98/10/EG.
14 – Iets anders is of de richtlijn lidstaten belet verplichtingen op te leggen aan aanbieders van spraaktelefonie om andere abonneegegevens te verstrekken dan die welke noodzakelijk zijn om een universele gidsdienst te verzekeren. Hoewel dergelijke maatregelen natuurlijk verenigbaar moeten zijn met de voorschriften van gemeenschapsrecht, kom ik tot de slotsom dat niets in de richtlijn zelf eraan in de weg staat dat lidstaten dergelijke verdere verplichtingen opleggen.
15 – Zie hiervoor arresten Hof van 6 maart 1974, Istituto Chemioterapico en Commercial Solvents/Commissie (6/73 en 7/73, Jurispr. blz. 223); 3 oktober 1985, CBEM (311/84, Jurispr. blz. 3261), en 6 april 1995, RTE en ITP/Commissie („Magill”) (C‑241/91 P en C‑242/91 P, Jurispr. blz. I-743), alsmede punt 43 van de conclusie van advocaat‑generaal Jacobs in zaak Bronner (C‑7/97, Jurispr. blz. I‑7791). „Secondaire markt” wordt soms „naburige markt” of „afgeleide markt” genoemd.
16 – De gedachte is dat de uitschakeling van de mededinging op een secundaire markt zal worden bereikt door de weigering om essentiële input te verstrekken of om toegang tot een „essentiële faciliteit” te verschaffen. De doctrine is ook bestempeld als „niet zozeer een doctrine als wel een epitheton voor een uitzondering op het recht om je eigen creaties voor jezelf te behouden, zonder dat daarbij echter wordt verteld wat die uitzonderingen zijn” (Areeda, P. ‚Essential Facilities: An Epithet in Need of Limiting Principles’, Antitrust Law Journal, Volume 58, 1990, blz. 841). Een gedetailleerde analyse van de recente rechtspraak van het Hof over dit onderwerp is te vinden in de conclusie van advocaat-generaal Tizzano van 2 oktober 2003 in zaak IMS Health (C‑418/01). Advocaat-generaal Jacobs heeft in de punten 35‑53 van zijn conclusie van 28 mei 1998 in de reeds aangehaalde zaak Bronner een overzicht gegeven van de relevante rechtspraak en praktijk in de EU en in de VS. Voor de huidige stand van zaken betreffende de doctrine van de „essential facilities” in het recht van de VS, zie de recente uitspraak van de Supreme Court of the United States in Verizon Communications Inc. v. Law Offices of Curtis V. Trinko, 13 januari 2004, 540 U.S. ___ (2004). De Supreme Court van de VS aanvaardt noch verwerpt de „door enkele lagere rechters ontwikkelde” doctrine van de „essential facilities”.
17 – De aan het Hof overgelegde informatie is ontoereikend om een diepergaand onderzoek op basis van artikel 82 EG te verrichten, waarbij normalerwijze ook de gevolgen voor de handel tussen de staten en van het bestaan van een machtspositie op een wezenlijk gedeelte van de gemeenschappelijke markt in aanmerking genomen zou moeten worden.
18 – Arrest RTE en ITP/Commissie, aangehaald in voetnoot 15.
19 – Punten 46‑57 van dat arrest.
20 – Arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, Jurispr. blz. I-7791, punten 41‑47).
21 – Arrest van 29 april 2004, IMS Health (C‑418/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
22 – IMS Health, reeds aangehaald, punt 38.
23 – Zelfs indien deze markten enkel potentieel bestaan. Vgl. punten 57 en 59 van de conclusie van advocaat-generaal Tizzano in IMS Health, aangehaald in voetnoot 16.
24 – Arrest Gerecht van 10 juli 1991, RTE/Commissie (T‑69/89, Jurispr. blz. II-485, punt 61).
25 – Punt 47 van het arrest in de zaak Magill, aangehaald in voetnoot 15. Zie tevens punten 33‑35 van het arrest in de zaak Bronner, aangehaald in voetnoot 20.
26 – Om af te bakenen wat economisch rendabel is kan men er niet eenvoudigweg van uitgaan dat de potentiële concurrenten op de secundaire markt de economische macht bezitten of zullen kunnen verkrijgen om de kosten van de lange-termijn investeringen te dragen in verband met het verkrijgen van een positie die vergelijkbaar is met die van de marktdeelnemer met een machtspositie op de primaire markt.
27 – Arrest van 6 maart 1974, Istituto Chemioterapico en Commercial Solvents/Commissie (6/73 en 7/73, Jurispr. blz. 223, punt 25).
28 – Arresten van 3 oktober 1985, CBEM (311/84, Jurispr. blz. 3261, punt 26), en 13 december 1991, GB-Inno-BM (C‑18/88, Jurispr. blz. I‑5941, punten 18‑19).
29 – Arrest van 18 juni 1991, ERT (C‑260/89, Jurispr. blz. I-2925, punt 37).
30 – Magill, aangehaald in voetnoot 18, punt 54 en IMS Health, aangehaald in voetnoot 21, punt 38.
31 – Temple Lang, J. ‚Defining legitimate competition: companies’ duties to supply competitors and access to essential facilities’, Fordham International Law Journal, Vol. 18 (1994), blz. 437‑524, 483.
32 – C‑146/00, Jurispr. blz. I‑9767.
33 – Punt 68.
34 – Evenzo dragen eindgebruikers van spraaktelefonie de kosten van het verzamelen en het bijhouden van informatie voor de rode lijst. Artikel 11, lid 1, van richtlijn 97/66/EG bepaalt dat abonnees het recht hebben om kosteloos op hun verzoek uit een gids te worden weggelaten. Dit betekent dat het niet is toegestaan de kosten van het verzamelen en bijhouden van gegevens van de rode lijst aan de specifieke abonnee op wie de weglating betrekking heeft, in rekening te brengen. Niettemin kan ervan uit worden gegaan dat de kosten van het verzamelen en het bijhouden van de gidsgegevens (en van de gegevens van rode lijst) worden afgewenteld op de eindgebruikers van spraaktelefonie en niet op de eindgebruikers van de telefoongids.
35 – Weliswaar kan de definitieve toerekening van de kosten in werkelijkheid veel ingewikkelder zijn, bijvoorbeeld omdat andere inkomstenbronnen worden gebruikt om deze kosten te dekken (bijv. inkomsten uit advertenties), of omdat een onderneming zowel de aanbieder van spraaktelefonie als de uitgever van een universele telefoongids is. In deze laatstgenoemde omstandigheden zou de aanbieder – op voorwaarde dat de mededingingsvoorschriften dit toestaan – kunnen beslissen de kosten op verschillende wijze in rekening te brengen aan de twee categorieën eindgebruikers. Doch de mogelijkheid dat een onderneming kruisfinanciering toepast op haar eigen activiteiten is niet van invloed op de beoordeling van wat billijke en kostengeoriënteerde voorwaarden zijn voor het verstrekken van relevante gidsinformatie aan een andere onderneming.
Full & Egal Universal Law Academy