CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 16 december 2004 (1)
Zaak C‑112/03
Société financière et industrielle du Peloux
tegen
Axa Belgium
Zurich Assurance SA
AIG Europe SA
Fortis Corporate Insurance SA
Gerling Konzern Belgique SA
Établissements Bernard Laiterie du Chatelard
Calland Réalisations SARL
Joseph Calland
Maurice Picard
Abeille Assurances Cie
Mutuelles du Mans SA
SMABTP
Axa Corporate Solutions Assurance SA
Zurich International France SA
[verzoek van de Cour d’appel de Grenoble (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Executieverdrag – Artikel 12 – Bevoegdheid ter zake van verzekeringsovereenkomsten – Forumkeuzebeding – Tegenwerpbaarheid aan derde-verzekerde”
I – Inleiding
1. De onderhavige zaak heeft betrekking op een prejudiciële vraag over de uitlegging van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(2) (hierna: „Executieverdrag” of „verdrag”), die aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is gesteld door de Cour d’appel de Grenoble (Frankrijk).
2. In wezen wenst de verwijzende rechter te vernemen of een conform artikel 12, punt 3, van het Executieverdrag overeengekomen forumkeuzebeding kan worden tegengeworpen aan de verzekerde of de begunstigde van een verzekeringsovereenkomst, indien dat een ander is dan de verzekeringnemer.
II – Rechtskader
De regels van het Executieverdrag
3. Zoals bekend, wordt het Executieverdrag toegepast op geschillen in burgerlijke en handelszaken, en beoogt het, met de bepalingen van titel II, de bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staten in de communautaire juridische ruimte vast te stellen.
4. De algemene regel in artikel 2 van het verdrag poneert het beginsel van de bevoegdheid van de gerechten van de plaats waar de verweerder zijn woonplaats heeft. Niettemin voorziet het verdrag in belangrijke uitzonderingen, zowel via bijzondere (afdeling 2 van titel II) of exclusieve bevoegdheden (afdeling 5) als via de mogelijkheid van forumkeuze (afdeling 6) in het kader van de algemene regelgeving, en via substelsels die de neiging hebben om een ander beginsel te volgen, namelijk dat van de bescherming van de zwakke partij (afdelingen 3 en 4). In dit verband moet met name worden gewezen op afdeling 3 van titel II van het verdrag. Uit artikel 7 blijkt namelijk dat de rechterlijke bevoegdheid in verzekeringszaken door de volgende artikelen (8-12bis) vrij autonoom is geregeld ten opzichte van de regeling van de afdelingen 1 en 2 van dezelfde titel.
5. Met name stelt artikel 8 een echt forum actoris is opgenomen ten gunste van de zwakke contractpartij. Het luidt:
„De verzekeraar met woonplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat kan worden opgeroepen:
1) voor de gerechten van de staat waar hij zijn woonplaats heeft, of
2) in een andere verdragsluitende staat, voor het gerecht van de woonplaats van de verzekeringnemer [...]”
6. Artikel 9 bepaalt:
„De verzekeraar kan [...] worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, indien het geschil een aansprakelijkheidsverzekering [...] betreft.”
7. Naast de op deze wijze vastgestelde gerechten bepaalt artikel 10, eerste alinea, van het verdrag, dat „[t]er zake van aansprakelijkheidsverzekering [...] de verzekeraar eveneens in vrijwaring [kan] worden opgeroepen voor het gerecht waar de rechtsvordering van de getroffene tegen de verzekerde aanhangig is, indien de voor dit gerecht geldende wetgeving het toelaat”.
8. Wat de gevallen betreft waarin het de verzekeraar is die beroep instelt, bepaalt artikel 11, dat de vordering van laatstgenoemde „slechts [kan] worden gebracht voor de gerechten van de verdragsluitende staat, op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft, ongeacht of deze laatste verzekeringnemer, verzekerde of begunstigde is”.
9. In het onderhavige geval is artikel 12 van het verdrag van groot belang. Dit artikel bepaalt, dat van de hierboven uiteengezette bevoegdheidsregels door partijen slechts kan worden afgeweken „door overeenkomsten:
1) gesloten na het ontstaan van het geschil, of
2) die aan de verzekeringnemer, de verzekerde of de begunstigde de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten dan de in deze afdeling genoemde aanhangig te maken, of
3) waarbij een verzekeringnemer en een verzekeraar, die op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten, hun woonplaats of hun gewone verblijfplaats in dezelfde verdragsluitende staat hebben, zelfs als het schadebrengende feit zich in het buitenland heeft voorgedaan, de gerechten van die staat bevoegd verklaren, tenzij diens wetgeving dergelijke overeenkomsten verbiedt [...]”.
10. Met betrekking tot de forumkeuze dient ten slotte gewezen te worden op artikel 17 van het verdrag, dat luidt als volgt:
„Wanneer de partijen, van wie ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, een gerecht of de gerechten van een verdragsluitende staat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die staat bij uitsluiting bevoegd. Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter dient te worden gesloten:
a) hetzij bij een schriftelijke overeenkomst, hetzij bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;
b) hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden;
c) hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.
[...]
Overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegde rechter en soortgelijke bedingen in akten tot oprichting van een trust hebben geen rechtsgevolg indien zij strijdig zijn met bepalingen van de artikelen 12 en 15 of indien de gerechten, op welker bevoegdheid inbreuk wordt gemaakt, krachtens artikel 16 bij uitsluiting bevoegd zijn.
Indien een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter slechts is gemaakt ten behoeve van een der partijen, behoudt deze het recht zich te wenden tot elk ander gerecht dat op grond van dit Verdrag bevoegd is.”
III – Feiten en hoofdgeding
11. Société Financière et Industrielle du Peloux (hierna: „SFIP”), voorheen SA Plast’Europ, is een Franse dochteronderneming van Recticel NV (hierna: „Recticel”), een vennootschap naar Belgisch recht.
12. In 1988 heeft Recticel voor zichzelf en haar Europese dochterondernemingen, waaronder SFIP, een verzekeringsovereenkomst gesloten met een Belgische verzekeringsgroep.
13. Artikel K van de verzekeringsovereenkomst bepaalt dat „in geval van uit deze overeenkomst voortvloeiende geschillen de maatschappij zich zal onderwerpen aan de rechtsmacht van de gerechten van de woonplaats van de verzekeringnemer”.
14. In de loop van 1990 heeft de vennootschap naar Frans recht Calland Réalisations SARL een aantal isolatiewerken uitgevoerd bij de vennootschap SA Établissements Bernard Laiterie du Chatelard (hierna: „Laiterie du Chatelard”) in Eydoche (Frankrijk). Deze bestonden in het plaatsen van door het toenmalige Plast’Europ vervaardigde sandwichpanelen met een kern van polyurethaan die tussen twee buitenbedekkingen is ingespoten.
15. In een deskundigenbericht werd geconcludeerd dat het ontwerp en de productie van voornoemde panelen gebreken vertoonden, waardoor de ruimten waarin Laiterie du Chatelard haar werkzaamheden verrichtte, niet overeenkomstig hun bestemming konden worden gebruikt.
16. Bij dagvaardingen van 1 en 12 maart 2001 heeft deze onderneming bij het Tribunal de grande instance de Bourgoin-Jallieu (Frankrijk) een vordering tot schadevergoeding ingesteld tegen a) Abeille Assurances Cie, verzekeraar van Calland Réalisations SARL, b) SFIP, c) SMABTP, verzekeraar van de beroepsaansprakelijkheid van SFIP, d) SA AXA Global Risks en e) SA Zurich International, omniumverzekeraars van SFIP.
17. Tijdens deze procedure heeft SFIP, op grond van artikel 10, eerste alinea, van het Executieverdrag, alle Belgische verzekeraars die in 1988 de verzekeringsovereenkomst met Recticel hadden gesloten, in vrijwaring opgeroepen.
18. De in vrijwaring opgeroepen Belgische verzekeraars wierpen de exceptie van territoriale onbevoegdheid van het Tribunal de grande instance de Bourgoin-Jallieu op, waarbij zij verwezen naar artikel K van de verzekeringsovereenkomst, op grond waarvan de rechter van de woonplaats van Recticel bevoegd zou zijn om kennis te nemen van de vordering tot oproeping in vrijwaring, dat wil zeggen de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.
19. Bij vonnis van 13 september 2002 heeft het Tribunal de grande instance de Bourgoin-Jallieu de door de Belgische verzekeraars opgeworpen exceptie aanvaard en heeft het de Belgische rechter bevoegd verklaard met betrekking tot de vordering tot oproeping in vrijwaring van SFIP tegen voornoemde verzekeraars.
20. Tegen deze beslissing heeft laatstgenoemde hoger beroep (contredit de compétence) ingesteld bij de Cour d’appel de Grenoble. Aangezien deze twijfelde over de uitlegging van het Executieverdrag, heeft zij het bij haar aanhangige geding geschorst en het Hof, overeenkomstig het Protocol van Luxemburg van 3 juni 1971(3), de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Is de verzekerde die de begunstigde is van een verzekeringsovereenkomst die is gesloten tussen een verzekeringnemer en een verzekeraar met woonplaats in dezelfde lidstaat, gebonden aan het forumkeuzebeding waarbij de gerechten van die staat worden aangewezen, wanneer hij dit beding niet zelf heeft goedgekeurd, de schade in een andere lidstaat is ontstaan, en hij in die staat ook aldaar gevestigde verzekeraars voor de rechter heeft gedaagd?”
21. In de procedure zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Franse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Commissie en de verzekeringsmaatschappijen Gerling Konzern, Mutuelles du Mans, Axa Belgium, Zurich International Belgique, Ace Insurance en Fortis Corporate Insurance (hierna: de „verzekeringsmaatschappijen”).
22. Ter terechtzitting van 27 oktober 2004 zijn Axa Belgium, Gerling Konzern, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Commissie verschenen.
IV – Juridische analyse
23. Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een conform artikel 12, punt 3, van het Executieverdrag overeengekomen forumkeuzebeding kan worden tegengeworpen aan de verzekerde of de begunstigde van een verzekeringsovereenkomst, indien die personen niet identiek zijn met de verzekeringnemer en hun gewone verblijfplaats (of woonplaats) in een andere lidstaat hebben dan laatstgenoemde (en de verzekeraar).
24. Bij het indienen van hun opmerkingen bij het Hof, hebben de interveniënten tegengestelde antwoorden op de vraag gegeven.
25. Volgens een van de meningen, die door de Commissie wordt voorgestaan om redenen waarop, voorzover nodig, hierna wordt ingegaan, zou een forumkeuzebeding dat in de door een verzekeraar en een verzekeringnemer voor een derde ondertekende overeenkomst is opgenomen, niet aan laatstgenoemde kunnen worden tegengeworpen. Voor het onderhavige geval betekent dit derhalve, dat het tussen Recticel en de verzekeringsmaatschappijen gesloten beding niet aan SFIP zou kunnen worden tegengeworpen.
26. Het Verenigd Koninkrijk en de verzekeringsmaatschappijen zijn daarentegen een andere mening toegedaan. Volgens hen zou een dergelijk beding altijd aan de derde-verzekerde, en in dit geval dus aan SFIP, kunnen worden tegengeworpen.
27. De Franse regering heeft zich daarna ter terechtzitting bij deze zienswijze aangesloten, hoewel zij in haar schriftelijke opmerkingen de twee tegengestelde opvattingen zorgvuldig had geanalyseerd en ze beide aannemelijk had geacht.
28. Dit vooropgesteld, dient, om stelling te nemen ten aanzien van de twee opvattingen, om te beginnen een snelle blik te worden geworpen op de bepalingen die het verdrag aan de rechterlijke bevoegdheid inzake verzekeringsovereenkomsten wijdt.
29. In dit verband wijs ik erop, dat de bevoegdheidsregels van titel II, afdeling 3, van het verdrag voldoen aan het vereiste om personen zoals de verzekeringnemer, de verzekerde en de derde begunstigde te beschermen, die „zich in de meeste gevallen geplaatst zie[n] voor een tevoren reeds vastgestelde overeenkomst waarover niet meer kan worden onderhandeld, en economisch gezien in de zwakste positie verke[ren]”(4) ten aanzien van de verzekeringsovereenkomst.
30. Die bescherming wordt hoofdzakelijk op twee manieren gegarandeerd. Indien de verzekeraar een rechtsvordering instelt, zijn op grond van artikel 11 van het verdrag bij uitsluiting de gerechten bevoegd van de woonplaats van de partij die in de zwakste positie verkeert. Indien het daarentegen de zwakke partij bij de overeenkomst is die een rechtsvordering instelt, dan heeft deze op grond van artikel 8, punten 1 en 2, van het verdrag naast de bevoegdheid om de verzekeraar voor het gerecht van de woonplaats van laatstgenoemde op te roepen, ook de bevoegdheid om de verzekeraar voor het gerecht van de woonplaats van de verzekeringnemer op te roepen.
31. Daarnaast zijn er nog twee andere bijzondere bevoegdheden in de artikelen 9 en 10 van het verdrag, ter zake van aansprakelijkheidsverzekering.
32. In het bijzonder bepaalt artikel 9, voorzover hier van belang, dat de verzekeraar ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Artikel 10, eerste alinea, bepaalt daarentegen dat de verzekeraar door de verzekerde in vrijwaring kan worden opgeroepen voor het gerecht waar de getroffene de rechtsvordering tot schadevergoeding tegen die verzekerde heeft ingesteld, mits de lex fori die oproeping in vrijwaring toelaat.
33. Ten slotte wordt de bescherming van de zwakke partij bij de verzekeringsovereenkomst gecompleteerd door de strenge voorwaarden die gesteld worden aan de eventuele bedingen om af te wijken van de bevoegdheden die zijn vastgesteld in de hierboven uiteengezette andere bepalingen van afdeling 3.
34. Artikel 12 van het verdrag bepaalt immers dat van de bevoegdheidsregels in verzekeringszaken kan worden afgeweken door een forumkeuzebeding te sluiten. Maar daarbij worden gelijktijdig voorwaarden gesteld die erop gericht zijn om te voorkomen dat die bedingen de zwakke partij bij de verzekeringsovereenkomst benadelen. Vereist is namelijk dat i) die partij expliciet met de rechtsgevolgen van de forumkeuze heeft ingestemd na het ontstaan van het geschil (artikel 12, punt 1); ii) het gekozen gerecht met de bescherming van de belangen van de zwakke partij verenigbaar is (artikel 12, punten 2 en 3); iii) er geen enkele partij is die bescherming verdient (artikel 12, punten 4 en 5).
35. Met inachtneming van het beginsel van de partijautonomie, waaraan het ook bijzonder belang hecht(5), voorkomt het verdrag niettemin dat de doelstellingen van de bescherming van de zwakke partij in gevaar kunnen worden gebracht door vooraf geregelde forumkeuzebedingen, die door de verzekeraars op grond van hun sterkere contractuele onderhandelingspositie worden opgelegd.
36. Nu kom ik toe aan een nader onderzoek van artikel 12, punt 3, van het verdrag, dat zonder twijfel de belangrijkste bepaling voor het onderhavige geval is.
37. Zoals reeds opgemerkt, staat deze bepaling toe dat de partijen bij de verzekeringsovereenkomst kunnen afwijken van de boven uiteengezette algemene bevoegdheidscriteria, door in de overeenkomst zelf een beding op te nemen „waarbij een verzekeringnemer en een verzekeraar, die op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten, hun woonplaats of hun gewone verblijfplaats in dezelfde verdragsluitende staat hebben, zelfs als het schadebrengende feit zich in het buitenland heeft voorgedaan, de gerechten van die staat bevoegd verklaren, tenzij diens wetgeving dergelijke overeenkomsten verbiedt”.
38. Om te beginnen moet erop worden gewezen, dat die afwijking voornamelijk beoogt om het de verzekeraar mogelijk te maken, de toepassing jegens hem van de bevoegdheden van de artikelen 9 en 10 van het verdrag uit te sluiten. Dankzij voornoemd beding namelijk, kan de verzekeraar zowel voorkomen dat hij wordt opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan (artikel 9), als dat hij door de verzekerde in vrijwaring wordt opgeroepen voor het gerecht waar de getroffene de verzekerde heeft gedagvaard (artikel 10).(6)
39. Welbeschouwd kan een dergelijke afwijkende overeenkomst de verzekeringnemer echter niet schaden, aangezien zij vereist dat verzekeringnemer en verzekeraar woonplaats of gewone verblijfplaats in dezelfde staat hebben, willen de gerechten van die staat bevoegd zijn.
40. Moeilijkheden rijzen daarentegen indien, zoals het geval is in de onderhavige zaak, de verzekerde en de verzekeringnemer niet dezelfde persoon zijn en eerstgenoemde gewone verblijfplaats heeft in een andere staat dan die van de verzekeringnemer en de verzekeraar.
41. Zoals gezegd, is de Commissie in dit verband van oordeel dat het vereiste om de derde-verzekerde te beschermen, met zich meebrengt dat het forumkeuzebeding geacht moet worden niet aan hem te kunnen worden tegengeworpen.
42. De regering van het Verenigd Koninkrijk en de verzekeringsmaatschappijen voeren daarentegen, naast andere redenen die ik aanstonds zal bespreken, vereisten van rechtszekerheid aan, om te staven dat het beding, hoewel tussen de verzekeringnemer en de verzekeraar overeengekomen, niettemin aan de verzekerde zou kunnen worden tegengeworpen. Volgens hen zou namelijk alleen op die manier het belang van de verzekeraar om, in het bijzonder in procedures ter zake van aansprakelijkheidsverzekering, voor een vooraf bepaald gerecht te worden opgeroepen, worden beschermd.
43. Ik stel voorop, dat de bewoordingen van artikel 12, punt 3, de vraag niet ondubbelzinnig lijken te beantwoorden. Deze bepaling beperkt zich er namelijk toe, de voorwaarden aan te geven waaraan het hierin geregelde forumkeuzebeding moet voldoen, maar zegt niets over de vraag waar het hier om gaat. Overigens wordt dit bevestigd door het feit dat de interveniënten, juist wat de letterlijke uitlegging van de bepaling betreft, tot tegenovergestelde conclusies zijn gekomen.
44. Volgens het Verenigd Koninkrijk tonen de bewoordingen van artikel 12, punt 3, van het verdrag namelijk aan, dat een forumkeuzebeding dat aan de in genoemde bepaling opgenomen voorwaarden voldoet, ook volledig kan worden tegengeworpen aan de derde-verzekerde en de begunstigde. Als de partijen bij de overeenkomst deze personen op andere wijze hadden willen behandelen dan de verzekeringnemer, om hen niet aan een geldig gesloten forumkeuzebeding te binden, dan hadden zij dit zonder moeite uitdrukkelijk kunnen bevestigen. Wanneer namelijk het verdrag een onderscheid tussen de verzekeringnemer en de andere subjecten wilde maken, dan heeft het daarin expliciet voorzien. Dit is bijvoorbeeld gebeurd in het geval van artikel 12, punt 2, waarin is bepaald dat forumkeuzebedingen zijn toegestaan wanneer „die aan de verzekeringnemer, de verzekerde of de begunstigde de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten dan de in deze afdeling genoemde aanhangig te maken”.(7) A contrario geredeneerd, zou het ontbreken van het onderscheid in artikel 12, punt 3, tussen de situatie van de verzekeringnemer en die van de andere personen een gelijkstelling tussen die situaties impliceren, zodat de op die bepaling gebaseerde bedingen aan derden kunnen worden tegengeworpen.
45. Daarnaast stelt het Verenigd Koninkrijk, dat de bewering dat artikel 12, punt 3, de derde-verzekerde en de begunstigde op andere wijze dan de verzekeringnemer beoogt te beschermen, zou betekenen dat aan de bepaling een ontoelaatbare „creatieve uitlegging” wordt gegeven, met een beperking van de tegenwerpbaarheid van het beding, waarin artikel 12 direct noch indirect voorziet.
46. Het Verenigd Koninkrijk staaft zijn stelling met het rechtsinstrument dat het verdrag heeft opgevolgd, dat wil zeggen verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „verordening nr. 44/2001”).(8) In de bepaling van de verordening die overeenstemt met artikel 12, punt 3, van het verdrag, dat wil zeggen artikel 13, lid 3, wordt namelijk niet gesproken over de derde-verzekerde of de begunstigde, hoewel deze personen wel worden genoemd in andere bepalingen die betrekking hebben op de bevoegdheid in verzekeringszaken, en met name in artikel 9, lid 1, sub b, dat overeenstemt met artikel 8, punt 2, van het verdrag.(9)
47. Volgens die regering zou dat bevestigen, dat wanneer men bijzondere bepalingen heeft willen opnemen voor de derde-verzekerde en de begunstigde, men dit uitdrukkelijk heeft gedaan.
48. De Commissie verdedigt de tegenovergestelde opvatting, volgens welke daarentegen uit het niet-noemen van de derde-verzekerde en de begunstigde in artikel 12, punt 3, van het verdrag moet worden afgeleid dat deze personen zich in een andere situatie bevinden dan de verzekeringnemer. Indien het verdrag overigens de regeling voor de drie personen had willen gelijkstellen – en daarbij keert de Commissie het argument van het Verenigd Koninkrijk om – dan zou dit wel expliciet zijn gebeurd, zoals in het hierboven aangehaalde artikel 12, punt 2.
49. Deze duidelijke tegenstelling tussen de argumenten bevestigt mijns inziens dat de bewoordingen van artikel 12, punt 3, zich niet lenen voor duidelijke en onbetwistbare aanwijzingen met betrekking tot de reikwijdte van de bepaling.
50. Aan de andere kant geloof ik ook niet dat de rechtspraak van het Hof in dit opzicht klaarheid met betrekking tot de uitlegging biedt, met name niet het arrest Gerling(10), waarnaar de interveniënten hebben verwezen en waaraan zij nog eens argumenten hebben ontleend ter staving van hun eigen opvatting.
51. Weliswaar heeft het Hof in die zaak erkend, dat bij een verzekeringsovereenkomst tussen een verzekeraar en een verzekeringnemer, die de overeenkomst voor zichzelf en ten gunste van derden heeft gesloten, laatstgenoemden zich tegenover de verzekeraar op het in de overeenkomst opgenomen forumkeuzebeding kunnen beroepen.(11) Tevens moet echter worden erkend, dat het beding dat in die zaak aan de orde was, gebaseerd was op punt 2 van artikel 12 van het verdrag, dat een andere logica volgt dan punt 3 van dezelfde bepaling. Zoals namelijk al is gezegd, staat punt 2 van de bepaling forumkeuzebedingen toe die „aan de verzekeringnemer, de verzekerde of de begunstigde de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten dan de in deze afdeling genoemde aanhangig te maken”.
52. Het is duidelijk dat een dergelijk beding de zwakke partijen bij de overeenkomst op geen enkele wijze mag benadelen, gezien het feit dat het niet beoogt de in het verdrag vastgestelde bevoegdheidsregels op het gebied van verzekeringsovereenkomsten uit te sluiten, maar een extra gerecht toevoegt aan die welke op grond van die regels bevoegd zijn. De bescherming van de zwakke partijen bij de overeenkomst wordt derhalve gegarandeerd en zelfs nog versterkt.
53. De bedingen ex artikel 12, punt 3, brengen daarentegen een bevoegdheid tot stand, die de andere door de relevante bepalingen van afdeling 3 van het verdrag geboden mogelijkheden uitsluit. Zij kunnen worden tegengeworpen aan derden indien, en alleen indien, zij niet in strijd zijn met het vereiste om de verzekerde te beschermen, dat zijn stempel drukt op de regeling van het verdrag in dit verband.
54. Gezien deze verschillende grondslag en gevolgen van de twee bepalingen, ben ik van mening dat er geen rechtvaardiging bestaat voor de opvatting van de regering van het Verenigd Koninkrijk en de verzekeringsmaatschappijen, volgens welke er geen enkele reden zou zijn om de tegenwerpbaarheid aan een verzekerde van een beding ex artikel 12, punt 3, uit te sluiten, indien door de rechtspraak is erkend dat de verzekerde een beroep kan doen op een forumkeuzebeding ex artikel 12, punt 2, van het verdrag.
55. Zoals de bewoordingen van de bepaling, biedt ook de relevante communautaire rechtspraak tenslotte geen duidelijke aanknopingspunten voor het antwoord op de prejudiciële vraag. Er rest dus niets anders dan een beroep te doen op een systematische uitlegging van de verdragsbepalingen inzake verzekeringsovereenkomsten.
56. In dit verband zij er aanstonds aan herinnerd, dat het doel van deze bepalingen – zoals reeds herhaaldelijk is opgemerkt – is gelegen in de bescherming van de zwakke partijen bij de verzekeringsovereenkomst, dat wil zeggen de verzekeringnemer, de verzekerde en de begunstigde.
57. Vanuit dit standpunt beschouwd, dient voor het antwoord op de vraag te worden nagegaan of – in het geval van een door de getroffene ingestelde schadevordering tegen de civielrechtelijk aansprakelijke partij, die verzekerd is tegen het risico dat voortvloeit uit de civielrechtelijke aansprakelijkheid, maar die geen verzekeringnemer is – de verzekerde civielrechtelijk aansprakelijke partij daadwerkelijk schade kan lijden door de toepassing van het in de overeenkomst opgenomen forumkeuzebeding.
58. In dit verband wijs ik erop, dat met betrekking tot civielrechtelijke aansprakelijkheid de aansprakelijke partij door de getroffene niet alleen kan worden opgeroepen voor het gerecht van zijn woonplaats (artikel 2 van het verdrag), maar ook voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan (artikel 5, punt 3, van het verdrag).
59. In zijn hoedanigheid van verzekerde tegen civielrechtelijke aansprakelijkheid, zou de verzekerde op grond van artikel 10, eerste alinea, van het verdrag in beide gevallen een passende bescherming genieten in zijn verhoudingen met de verzekeraar.
60. In het eerste geval zou hij de verzekeraar namelijk in vrijwaring voor het gerecht van zijn woonplaats kunnen oproepen. In het tweede geval zou de keuze om de vordering tegen de verzekeraar voor een ander gerecht in te stellen, in ieder geval volledig ter beoordeling van de verzekerde zijn. Deze blijft het namelijk vrijstaan om de verzekeraar in het geding te roepen voor het gerecht van het forum delicti, dat het nauwst verbonden is met de zaak, of om tegen de verzekeraar een zelfstandige vordering tot vrijwaring in te stellen voor het gerecht van zijn woonplaats.
61. Zou tegen deze achtergrond het forumkeuzebeding van artikel 12, punt 3, van het verdrag een rol gaan spelen, dan zou de verzekerde, die ook partij is bij de verzekeringsovereenkomst en die door de getroffene wordt opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, op grond van dat beding de verzekeraar niet voor dat gerecht kunnen brengen, maar zou hij wel zijn aanspraken geldend kunnen maken door een zelfstandige vordering in te stellen voor het gerecht van zijn woonplaats (die in dit geval per definitie gemeenschappelijk is). Daarom brengt het beding geen onherstelbare schade toe aan de bescherming van de zwakke partij, waarop de hele aan de verzekeringen gewijde afdeling van het verdrag is gebaseerd.
62. Indien het, zoals in het onderhavige geval, gaat om eenten opzichte van de verzekeringsovereenkomst derde-verzekerde die (zoals in dit geval) woonplaats heeft in een andere lidstaat dan die van de verzekeraar, dan zou het beding tot gevolg hebben dat aan die verzekerde de toegang tot zowel het gerecht van het schadebrengende feit als het gerecht van zijn woonplaats wordt ontzegd. Daardoor zou hij worden verplicht om zijn aanspraken jegens de verzekeraar voor het gerecht van de woonplaats van laatstgenoemde te brengen.
63. Derhalve kan niet worden gezegd, zoals het Verenigd Koninkrijk en de verzekeringsmaatschappijen beweren, dat de niet-tegenwerpbaarheid van het beding aan de derde-verzekerde of de begunstigde tot gevolg zou hebben dat dezelfde verzekeringsovereenkomst aan deze personen meer rechten zou toekennen dan aan de verzekeringnemer, jegens wie het beding daarentegen wel kan worden ingeroepen. Zoals zojuist namelijk is gebleken, heeft de toepassing van het beding voor de derde-verzekerde of de begunstigde tot gevolg – wanneer (zoals in het onderhavige geval) de staat waar zij woonplaats of gewone verblijfplaats hebben, niet overeenkomt met de gemeenschappelijke woonplaats of gewone verblijfplaats van de verzekeraar en de verzekeringnemer – dat hun, anders dan het geval zou zijn voor de verzekeringnemer, de mogelijkheid wordt ontzegd om zich tot het gerecht van de staat van hun woonplaats te wenden.
64. Het is echter duidelijk, dat in dat geval het vereiste om de zwakke partijen te beschermen, dat zijn stempel drukt op afdeling 3 van het verdrag, ernstig gefrustreerd zou worden.
65. Anderzijds zou men, indien de hier bekritiseerde opvatting zou worden gevolgd, ook tot deze conclusie moeten komen als de verzekeraar een rechtsvordering tegen de derde-verzekerde instelt.
66. Voor een dergelijk geval bepaalt artikel 11 van het verdrag namelijk in het algemeen (en om de hierboven aangehaalde redenen van bescherming van de zwakke partij), dat de verzekeraar alleen een vordering kan instellen „voor de gerechten van de verdragsluitende staat, op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft, ongeacht of deze laatste verzekeringnemer, verzekerde of begunstigde is”.
67. Indien er echter sprake zou zijn van een forumkeuzebeding ex artikel 12, punt 3, en dit aan de derde-verzekerde zou kunnen worden tegengeworpen, dan zou de bescherming van artikel 11 onvermijdelijk op het spel worden gezet, gezien het feit dat de zwakke partij dan zou worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van de verzekeraar.
68. Op grond van een analoge motivering kan ook het argument worden bestreden dat het Verenigd Koninkrijk probeert te ontlenen aan voornoemde verordening nr. 44/2001, die in de plaats is gekomen van het Executieverdrag, wanneer het een beroep doet op de wezenlijke gelijkheid van artikel 13 van de verordening en artikel 12 van het verdrag (zie hierboven punten 46 e.v.).
69. In dit verband moet ik om te beginnen opmerken dat, hoewel de bepalingen van die verordening hier niet van toepassing zijn(12), de wijzigingen die er op dit gebied door zijn aangebracht, desondanks in casu van belang zijn, juist vanwege de wezenlijke gelijkheid die ik zo-even heb aangegeven.
70. Dit vooropgesteld, wijs ik erop dat de dertiende overweging van de considerans van de verordening als volgt luidt: „In het geval van [verzekeringsovereenkomsten] moet de zwakke partij worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels”.
71. Om die reden heeft artikel 9, lid 1, sub b, van verordening nr. 44/2001 de bescherming van de zwakke partij bij de verzekeringsovereenkomst versterkt ten opzichte van hetgeen was bepaald in het verdrag, en is het de zwakke partij toegestaan om de verzekeraar op te roepen, niet alleen voor het gerecht waar deze zijn woonplaats heeft, maar ook „in een andere lidstaat, indien het een vordering van de verzekeringnemer, de verzekerde of een begunstigde betreft, voor het gerecht van de woonplaats van de eiser”.(13)
72. In plaats van alleen te voorzien in de bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verzekeringnemer, in de zin van artikel 8, punt 2, van het Executieverdrag, verleent verordening nr. 44/2001 dus ook aan de derde-verzekerde de mogelijkheid – die niet was opgenomen in het verdrag – om de verzekeraar voor het gerecht van zijn woonplaats op te roepen.
73. Nu de verordening, hoewel zij meer dan in 1968 oog heeft voor de bescherming van andere zwakke partijen dan de verzekeringnemer, de bepaling van artikel 12, punt 3, van het verdrag niet heeft gewijzigd en de bewoordingen daaruit in wezen identiek heeft overgenomen, betekent dit volgens mij dat de communautaire wetgever ervan moet zijn uitgegaan dat de op deze bepaling gebaseerde forumkeuzebedingen niet kunnen worden ingeroepen tegen die personen.
74. Indien men namelijk van oordeel zou zijn dat een forumkeuzebeding in de zin van artikel 12, punt 3, van het verdrag en het vergelijkbare artikel 13, lid 3, van de verordening ook aan de derde-verzekerde en de begunstigde die in een andere lidstaat woonplaats hebben, zou kunnen worden tegengeworpen, dan zouden laatstgenoemden noodzakelijkerwijs gedwongen zijn om de vordering voor het gerecht van de woonplaats van de verzekeraar in te stellen, waardoor zij de reeds in het verdrag opgenomen en door de verordening bevestigde(14) mogelijkheid om hun aanspraken voor het gerecht van het forum delicti te brengen, alsmede de door artikel 9, lid 1, sub b, van de verordening te hunnen gunste ingevoerde bevoegdheid om zich tot het gerecht van hun woonplaats te wenden, zouden verliezen.
75. Dit zou, ik zeg het nogmaals, onverenigbaar zijn met de doelstellingen van het gemeenschapsrecht om de zwakke partij bij de verzekeringsovereenkomst te beschermen.
76. Het komt mij derhalve voor, dat het geheel van deze systematische overwegingen eerder pleit voor de opvatting dat een forumkeuzebeding ex artikel 12, punt 3, van het verdrag niet kan worden tegengeworpen aan een verzekerde die derde is bij de verzekeringsovereenkomst.
77. Voor de volledigheid dienen niettemin nog de door de verzekeringsmaatschappijen en de regering van het Verenigd Koninkrijk tegen die opvatting geuite bezwaren te worden onderzocht.
78. Het eerste van die bezwaren is, zoals gezegd, gebaseerd op de vereisten van rechtszekerheid. De verzekeraar zou reeds bij het sluiten van de overeenkomst met zekerheid moeten weten welk gerecht bevoegd is voor alle mogelijke geschillen die uit de overeenkomst kunnen voortvloeien, maar dit zou niet mogelijk zijn als de opvatting van de niet-tegenwerpbaarheid van het keuzebeding wordt gevolgd.
79. Ik moet er echter op wijzen dat die opvatting de verzekeraar niet noodzakelijkerwijs belet om van tevoren te weten voor welke gerechten hij dreigt te worden opgeroepen. Bij de meeste verzekeringsovereenkomsten die voor of ten gunste van een derde worden gesloten, maakt de verzekeringnemer immers op het moment van het sluiten van de overeenkomst de persoonsgegevens van de derde aan de verzekeraar bekend, zodat de verzekeraar op adequate wijze wordt geïnformeerd over de gerechten die eventueel bevoegd zijn om kennis te nemen van de geschillen waarin de verzekeraar tegenover de derde-verzekerde of de begunstigde kan komen te staan.
80. In de tweede plaats stellen de verzekeringsmaatschappijen, dat de opvatting van de niet-tegenwerpbaarheid een gevaar voor de uniforme uitlegging van het verdrag zou betekenen, vanwege het mogelijk naast elkaar bestaan van tegengestelde beslissingen op hetzelfde gebied.
81. Op dit bezwaar kan volgens mij makkelijk geantwoord worden, dat de uniforme toepassing van het verdrag en de noodzaak om tegenstrijdige uitspraken te vermijden, ruimschoots worden gewaarborgd door de bevoegdheid van het Hof om de regels van het verdrag uit te leggen, en door het geheel van de bepalingen inzake aanhangigheid en samenhang.
82. Verder merken het Verenigd Koninkrijk en de verzekeringsmaatschappijen op, dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van de noodzaak tot bescherming van de zwakke partij, aangezien Recticel en haar dochterondernemingen nationaal en Europees gezien zonder meer belangrijke vennootschappen zijn en dus met de verzekeraars op wezenlijk gelijke voet kunnen onderhandelen. Bovendien zou dit blijken uit het feit dat het forumkeuzebeding niet aan Recticel is opgelegd, maar uitdrukkelijk door haar is gevraagd.
83. Dit bezwaar kan ik echter niet delen, afgezien nog van het feit dat de uitlegging die het Hof in het kader van de prejudiciële bevoegdheid geeft, uit haar aard bestemd is om het afzonderlijke geval te ontstijgen.
84. Ik wijs er namelijk op, dat het verzoek om de bescherming van de zwakke partij bij de verzekeringsovereenkomst te beperken wanneer deze een aanzienlijk economisch gewicht heeft, door het Verenigd Koninkrijk zelf is geformuleerd bij de onderhandelingen over zijn toetreding tot het verdrag. Hieraan lag juist ten grondslag dat de eis van sociale bescherming, waarop de hele regelgeving van de rechterlijke bevoegdheid bij verzekeringsovereenkomsten is gebaseerd, niet meer gerechtvaardigd zou zijn indien de verzekeringnemer een grote onderneming is.
85. Bij de opstelling van het verdrag was men echter om redenen van rechtszekerheid van oordeel, dat de vereisten om de zwakke partij bij de verzekeringsovereenkomst te beschermen, alleen zouden mogen worden beperkt met betrekking tot bepaalde, naar hun voorwerp getypeerde verzekeringsovereenkomsten. Zoals ook blijkt uit de voorbereidende documenten van het verdrag(15), bracht het verzoek van het Verenigd Koninkrijk namelijk de moeilijkheid mee, een objectief criterium te vinden om de omstandigheden te bepalen waaronder zou kunnen worden afgezien van het vereiste om de zwakke partij bij de verzekeringsovereenkomst te beschermen.
86. Daarom werd ten slotte besloten om artikel 12 bis aan het verdrag toe te voegen, op grond waarvan forumkeuzebedingen uitsluitend met betrekking tot verzekeringen voor „grote risico’s” mogen worden gesloten, dat wil zeggen, met betrekking tot verzekeringsovereenkomsten in verband met bepaalde soorten transport (met name lucht‑ en zeevaart). Hier blijkt a contrario uit, dat de omvang en de internationale betekenis van de onderneming die de verzekering sluit of de verzekerde onderneming, op zichzelf niet tot gevolg hebben dat de werking van de bijzondere regelgeving van het verdrag bij verzekeringsovereenkomsten wordt uitgesloten, aangezien een dergelijk gevolg beperkt is tot de gevallen van artikel 12 bis.
87. Tot staving van zijn opvatting beroept het Verenigd Koninkrijk zich ten slotte op de rechtspraak inzake de in een zeevervoerovereenkomst opgenomen bedingen, waarin het Hof die bedingen tegenwerpbaar aan de derde-houder van een cognossement achtte.
88. Die regering wijst er in het bijzonder op, dat het Hof in de zaken Tilly Russ uit 1984(16), Castelletti uit 1999(17) en Coreck Maritime uit 2000(18) heeft geoordeeld dat een overeenkomstig artikel 17 van het Executieverdrag opgesteld forumkeuzebeding in een cognossement tegenover de derde-houder van dat cognossement kan worden ingeroepen, wanneer op grond van het op de overeenkomst toepasselijke recht een buiten de oorspronkelijke overeenkomst staande derde „een van beide oorspronkelijke partijen in haar rechten en verplichtingen is opgevolgd”.(19)
89. Het Hof merkt op, dat in die situatie niet behoeft te worden onderzocht of de derde ermee heeft ingestemd om aan het forumkeuzebeding te zijn gebonden, aangezien „voor de derde-houder [...] in dat geval [...] niet meer rechten uit de verkrijging van het cognossement [kunnen] ontstaan dan de afzender had”.(20)
90. Wanneer de derde krachtens de lex causae echter niet een van de oorspronkelijke partijen in haar rechten en verplichtingen is opgevolgd, heeft het Hof geoordeeld dat „de geadieerde rechter in het licht van de vereisten van artikel 17, eerste alinea, Executieverdrag [moet] nagaan, of hij werkelijk met het tegen hem ingeroepen forumkeuzebeding heeft ingestemd”.(21)
91. Mij komt het echter voor, dat het Hof in die arresten niets anders heeft gedaan dan het toepassen van de algemene beginselen op het gebied van contractuele verplichtingen. Het Hof was namelijk van mening dat het forumkeuzebeding, net als elk ander contractueel beding, uitsluitend de partijen kan binden die het hebben gesloten en die door het te ondertekenen hun instemming kenbaar hebben gemaakt om af te wijken van de bevoegdheidsregels van het verdrag.
92. Dit algemene beginsel kent volgens het Hof echter twee uitzonderingen.
93. Om te beginnen zal de overeenstemming tussen de oorspronkelijke partijen bij de overeenkomst bindend zijn voor de derde, indien hij op grond van de op de overeenkomst toepasselijke nationale wet het geheel van de subjectieve rechten van één van de partijen bij de overeenkomst heeft overgenomen.
94. Aangezien deze omstandigheid is uitgesloten in het onderhavige geval, ga ik onverwijld verder met de tweede uitzondering, op grond waarvan de derde aan het forumkeuzebeding gebonden is, indien hij expliciet kenbaar maakt dat beding te willen aanvaarden.
95. Hoewel een dergelijke oplossing in het algemeen aan de in het verdrag neergelegde vereisten van partijautonomie voldoet, is dit anders wat betreft het specifieke gebied van de verzekeringen, waarbinnen, zoals de Commissie in herinnering brengt, voornoemde vereisten in overeenstemming moeten worden gebracht met de eveneens fundamentele vereisten om de zwakke partij bij de verzekeringsovereenkomst te beschermen.
96. Natuurlijk zou kunnen worden tegengeworpen, dat de derde door een expliciete wilsuiting de hoedanigheid van „buitenstaander” bij het forumkeuzebeding verliest, die een van de grondslagen vormt van de niet-tegenwerpbaarheid van het beding. Bij nader inzien echter is dat niet genoeg om jegens hem een beroep te kunnen doen op het beding, in ieder geval niet indien hij, zoals in het onderhavige geval, geen verblijfplaats (of woonplaats) in dezelfde lidstaat als de verzekeraar (en de verzekeringnemer) heeft.
97. Zoals wij reeds hebben gezien (zie hierboven punten 33 e.v.), staat het verdrag namelijk alleen toe dat de zwakke partij afziet van enkele van de gerechten waartoe hij zich op grond van de in afdeling 3 vastgestelde bevoegdheidsregels zou kunnen wenden, indien hij daardoor niet wordt benadeeld. In het geval van de forumkeuzebedingen ex artikel 12, punt 3, is er geen sprake van nadeel, gezien de keuze van de rechters van de staat waarin beide partijen (en dus ook de zwakke partij) woonplaats hebben (zie hierboven punt 39). Wanneer er echter sprake is van een derde die in een andere staat verblijft (of woont), dan zou het door middel van het beding aangewezen gerecht alleen dat van de verzekeraar zijn. Een oplossing derhalve die zonder twijfel onverenigbaar is met de doelstellingen van afdeling 3 van het verdrag.
98. Ook kan niet gesteld worden dat een expliciete wilsuiting van de derde de situatie wezenlijk zou veranderen. Zoals gezegd (zie hierboven punten 33 e.v.), kan van de bescherming waarin de artikelen 7‑11 van het verdrag ten gunste van de zwakke partij voorzien, namelijk door een forumkeuzebeding ex artikel 12 van het verdrag alleen worden afgezien in de gevallen waarin redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dat beding de zwakke partij niet benadeelt (zie met name de punten 2 en 3 van die bepaling). Dat kan in dit geval niet worden gezegd, aangezien het beding leidt tot exclusieve bevoegdheid van het gerecht van de woonplaats van de verzekeraar, die niet overeenkomt met de woonplaats van de derde.
99. Naar mijn mening kunnen de onderzochte bezwaren niet de opvatting weerleggen, die ik hierboven heb uiteengezet.
100. Ik geef het Hof derhalve in overweging de hem gestelde prejudiciële vraag aldus te beantwoorden, dat een forumkeuzebeding overeenkomstig artikel 12, punt 3, van het Executieverdrag niet kan worden tegengeworpen aan de derde verzekerde die in een andere lidstaat woont dan de verzekeraar en de verzekeringnemer.
V – Conclusie
101. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vraag van de Cour d’appel de Grenoble als volgt te beantwoorden:
„Een forumkeuzebeding overeenkomstig artikel 12, punt 3, van het Executieverdrag kan niet worden tegengeworpen aan de derde-verzekerde die in een andere lidstaat woont dan de verzekeraar en de verzekeringnemer.”
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – Verdrag van 27 september 1968 (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en – gewijzigde tekst – blz. 77), het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1), het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1) en het Verdrag van 29 november 1996 inzake de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB 1997, C 15, blz. 1). Een geconsolideerde versie van het verdrag is gepubliceerd in PB 1998, C 27, blz. 1.
3 – PB 1975, L 204, blz. 28.
4 – Arrest van 13 juli 2000, Group Josi Reinsurance Company SA (C‑412/98, Jurispr. blz. I‑5925, punt 64), alsmede arrest van 14 juli 1983, Gerling (201/82, Jurispr. blz. 2503, punt 17).
5 – Zie arrest van 9 november 1978, Meeth (23/78, Jurispr. blz. 2133, punt 5).
6 – Ik wijs erop, dat de getroffene het geding op grond van artikel 2 van het verdrag bij het gerecht van de woonplaats van de verzekerde aanhangig zou kunnen maken of op grond van artikel 5, punt 3, van het verdrag bij het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.
7 – Cursivering van mij.
8 – PB 2001, L 12, blz. 1.
9 – Overeenkomstig deze laatste bepaling kan de verzekeraar met woonplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat worden opgeroepen „in een andere verdragsluitende staat, voor het gerecht van de woonplaats van de verzekeringnemer”. Artikel 9, lid 1, sub b, van verordening nr. 44/2001 bepaalt daarentegen dat die persoon kan worden opgeroepen „in een andere lidstaat, indien het een vordering van de verzekeringnemer, de verzekerde of een begunstigde betreft, voor het gerecht van de woonplaats van de eiser”.
10 – Aangehaald arrest Gerling.
11 – Idem, punt 20.
12 – Artikel 66, lid 1, van verordening nr. 44/2001 luidt: „Deze verordening is slechts van toepassing op rechtsvorderingen die zijn ingesteld en authentieke akten die zijn verleden na de inwerkingtreding van deze verordening”, vastgesteld op 1 maart 2002. Zoals ik reeds heb opgemerkt, heeft Établissements Bernard Laiterie du Chatelard het hoofdgeding daarentegen op 1 maart 2001 aanhangig gemaakt.
13 – Cursivering van mij.
14 – Respectievelijk de artikelen 9 en 10.
15 – Zie punt 140 van het zogenoemde rapport Schlosser, rapport over het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie (PB 1979, C 59, blz. 71).
16 – Arrest van 19 juni 1984 (71/83, Jurispr. blz. 2417).
17 – Arrest van 16 maart 1999 (C‑159/97, Jurispr. blz. I‑1597).
18 – Arrest van 9 november 2000 (C‑387/98, Jurispr. blz. I‑9337).
19 – Arrest Coreck Maritime, punt 24.
20 – Ibidem, punt 25.
21 – Ibidem, punt 26.
Full & Egal Universal Law Academy