CONCLUSIE VAN ADVOCAAT‑GENERAAL
F. G. JACOBS
van 6 mei 2004 (1)
Zaak C‑123/03 P
Commissie van de Europese Gemeenschappen
Tegen
Greencore Group plc
„Hogere voorziening – Uitvoering van arrest van Gerecht – Verlaging van boete opgelegd bij beschikking met betrekking tot misbruik van economische machtspositie – Weigering van Commissie tot betaling van rente over terugbetaald bedrag”
1. In deze zaak heeft de Commissie hogere voorziening ingesteld tegen een beschikking van het Gerecht van eerste aanleg(2) waarbij de exceptie van niet-ontvankelijkheid die zij in het kader van een door Greencore Group plc (hierna: „Greencore”) ingesteld beroep tot nietigverklaring van een vermeende beschikking van de Commissie had opgeworpen, ongegrond is verklaard.
Achtergrond
2. In 1997 heeft de Commissie Irish Sugar plc, een dochteronderneming van Greencore, op grond van artikel 86 EG-Verdrag (thans artikel 82 EG) een geldboete opgelegd.(3) Op het beroep van Irish Sugar heeft het Gerecht van eerste aanleg in 1999 de geldboete verminderd met 916 674 EUR.(4)
3. In oktober 1999, kort nadat het Gerecht arrest had gewezen, heeft Greencore de Commissie de nadere gegevens gefaxt over de bankrekening van Irish Sugar waarop dat bedrag moest worden terugbetaald. De fax besloot als volgt:
„Wij verzoeken u tevens te bevestigen dat u over het terug te betalen bedrag rente betaalt voor de periode vanaf de betaling door Irish Sugar aan de Commissie tot aan de datum van terugbetaling. Wij vragen u ons het bedrag van de rente mee te delen.”
4. Op 4 januari 2000 heeft de Commissie de verschuldigde hoofdsom op de rekening van Irish Sugar gestort, zonder rente te betalen.
5. In oktober 2001 heeft het Gerecht arrest gewezen in de zaak Corus UK/Commissie(5) en geoordeeld dat in het geval van een arrest tot nietigverklaring of tot verlaging van de aan een onderneming wegens inbreuk op de mededingingsregels van het Verdrag opgelegde geldboete, de Commissie krachtens artikel 34 van het EGKS-Verdrag(6) verplicht is niet alleen de hoofdsom van de onverschuldigd betaalde geldboete, maar ook vertragingsrente over dat bedrag te betalen.(7)
6. In november 2001 heeft Greencore onder verwijzing naar het arrest Corus UK/Commissie de Commissie verzocht om Irish Sugar 154 892 EUR te betalen als rente over het bedrag van de onverschuldigd betaalde geldboete.
7. Bij brief van 11 februari 2002 heeft de Commissie als volgt geantwoord:
„De betaling van de hoofdsom zonder rente op 4 januari 2000 betekende dat de Commissie weigerde rente te betalen. U heeft deze beschikking tot weigering om rente te betalen niet binnen de in artikel 230 EG (voorheen artikel 173 EG‑Verdrag) gestelde termijn van twee maanden aangevochten. In plaats daarvan heeft u verkozen te wachten op de afloop van de zaak ,Corus’ alvorens hierop terug te komen.
[…]
U bent derhalve niet langer gerechtigd u op het arrest Corus te beroepen na eerst de betaling van de hoofdsom zonder rente te hebben aanvaard.”
8. In april 2002 heeft Greencore krachtens artikel 230 EG beroep tot nietigverklaring van die vermeende beschikking ingesteld. De Commissie heeft een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen op grond dat voormelde brief de rechtspositie van Greencore geenszins wijzigde en Greencore alleen op de hoogte bracht van het feit dat de Commissie van mening was dat zij niet was opgekomen tegen de beschikking van de Commissie van 4 januari 2000 en dat haar recht om dat te doen was vervallen; aangezien de brief enkel ter informatie bedoeld was, was hij niet vatbaar voor een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG. Greencore antwoordde daarop dat er geen voorafgaande beschikking over de rente was geweest, zodat de brief niet louter ter informatie kon zijn.
9. In zijn beschikking Greencore Group/Commissie, reeds aangehaald, heeft het Gerecht de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid ongegrond verklaard en het volgende oordeel uitgesproken:
„De brief van de Commissie van 11 februari 2002 is geenszins alleen maar ter informatie bedoeld, zoals blijkt uit de tekst zelf ervan […], maar er wordt duidelijk in verwoord dat die instelling weigert, de door verzoekster voor haar dochteronderneming gevorderde vertragingsrente te betalen, op grond dat haars inziens het recht van verzoekster op betaling van rente was vervallen, omdat deze bij de terugbetaling van de hoofdsom van de geldboete op 4 januari 2000 niet was opgekomen tegen het feit dat geen rente werd betaald.
Het Hof heeft in het arrest van 26 mei 1982, Duitsland/Commissie (44/81, Jurispr. blz. 1855, punt 6), geoordeeld dat wanneer een instelling door een betalingsweigering terugkomt van een eerder aangegane verplichting of het bestaan van een dergelijke verplichting ontkent, zij een handeling verricht waartegen wegens de rechtsgevolgen ervan een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG kan worden ingesteld. Resulteert dit beroep in nietigverklaring van de betalingsweigering, dan wordt daarmee het recht van de verzoeker bevestigd en is de betrokken instelling ingevolge artikel 233 EG verplicht, de onrechtmatig geweigerde betaling alsnog te verrichten. Indien de instelling een verzoek om betaling onbeantwoord laat, kan overigens hetzelfde resultaat via de procedure van artikel 232 EG worden bereikt.
Deze rechtspraak kan worden toegepast op een geval als het onderhavige, waarin de instelling door haar betalingsweigering het bestaan van een krachtens een verdragsbepaling op haar rustende verplichting ontkent.”(8)
10. De Commissie heeft tegen deze beschikking van het Gerecht hogere voorziening ingesteld. Zij stelt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door haar exceptie van niet-ontvankelijkheid ongegrond te verklaren, en meer in het bijzonder dat het Gerecht artikel 230 EG heeft geschonden door een beroep tot nietigverklaring van een handeling waartegen geen beroep openstaat omdat zij de rechtspositie van verzoekster niet aanmerkelijk wijzigt, ontvankelijk te verklaren.
11. Greencore stelt in de eerste plaats dat het Gerecht als feit heeft vastgesteld dat in de brief „duidelijk [wordt] verwoord dat [de Commissie] weigert […] vertragingsrente te betalen” en dat er geen voorafgaande weigering was geweest, en in de tweede plaats dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat die brief een voor beroep vatbare handeling is omdat Greencore daarmee de toepassing van artikel 233 EG, zoals uitgelegd in het arrest Corus UK/Commissie, is ontzegd.
Beoordeling
12. De vraag in de onderhavige hogere voorziening is in wezen of het Gerecht de brief van de Commissie terecht heeft gekwalificeerd als een voor beroep vatbare handeling.
13. Ik ben het niet eens met de stelling van Greencore dat de kwalificatie door het Gerecht van de brief als zodanig een feitelijke vaststelling is en derhalve niet kan worden getoetst in hogere voorziening. Hoewel het Hof in het algemeen niet de door het Gerecht vastgestelde feiten opnieuw kan beoordelen, is het volgens vaste rechtspraak bevoegd om toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en daaraan rechtsgevolgen heeft verbonden.(9) In het onderhavige geval vormen de juridische kwalificatie van de brief door het Gerecht en de rechtsgevolgen die het Gerecht aan die kwalificatie heeft verbonden, de kern van zijn beschikking.
14. Het Gerecht heeft zijn kwalificatie van de brief gebaseerd op zijn opvatting dat in de brief „duidelijk [wordt] verwoord dat die instelling weigert, de […] gevorderde vertragingsrente te betalen”. Het enige gedeelte van de brief dat kan worden gebruikt ter ondersteuning van die conclusie, is de zin die als volgt luidt:
„De betaling van de hoofdsom zonder rente op 4 januari 2000 betekende dat de Commissie weigerde rente te betalen.”
15. Aangenomen dat die verklaring inderdaad een weigering tot betaling van de rente inhoudt, zijn de juridische kwalificatie en de gevolgen ervan afhankelijk van de juiste kwalificatie van de betaling door de Commissie van de hoofdsom zonder rente op 4 januari 2000. Indien de brief slechts een bevestiging is van de weigering tot betaling van rente, die weliswaar een voor beroep vatbare handeling is maar door het verstrijken van de termijn onherroepelijk is geworden, zal hij ongetwijfeld niet zelf voor beroep vatbaar zijn. Het Gerecht heeft die vraag echter in het geheel niet onderzocht.
16. Mijns inziens had het Gerecht dat wel moeten doen. Het heeft als feit vastgesteld dat ofschoon de Commissie de hoofdsom op de rekening van Greencore had gestort, „zij het verzoek met betrekking tot de rente niet heeft ingewilligd”.(10) Aangezien de Commissie het verzoek niet heeft ingewilligd, moet zij mijns inziens geacht worden het te hebben afgewezen. Het Gerecht had dus tot de conclusie moeten komen dat de betaling door de Commissie van de hoofdsom zonder rente moest worden gekwalificeerd als een impliciete weigering tot betaling van de gevorderde rente. Hoewel het loutere stilzwijgen van een instelling over het algemeen niet als een impliciete weigering kan gelden(11), is de situatie duidelijk anders wanneer op een verzoek een handeling volgt waarmee het verzoek niet wordt ingewilligd.(12) Tegen een impliciete beschikking kan in beginsel krachtens artikel 230 EG worden opgekomen.(13)
17. Artikel 230 EG kent het recht toe om de handelingen van een instelling rechterlijk te laten toetsen. Indien de handeling geen voor beroep vatbare beschikking in de zin van dat artikel vormt, bepaalt artikel 232 EG dat de instelling kan worden uitgenodigd tot handelen. Elk van deze bepalingen stelt een strikte termijn aan de uitoefening van de rechten die zij toekennen. Het is duidelijk dat dit stelsel van rechtsmiddelen zou worden ondergraven indien een partij die zich door een handeling van een instelling benadeeld acht en toch geen van beide rechten binnen de gestelde termijn heeft uitgeoefend, daarna toch nog tegen die handeling zou kunnen opkomen.
18. Indien de weigering van de Commissie tot betaling van rente moet worden gekwalificeerd als een afwijzende beschikking, zoals ik voorstel, kan de brief mijns inziens geen voor beroep vatbare beschikking in de zin van artikel 230 EG zijn, aangezien daarmee die eerdere beschikking enkel wordt bevestigd. Het is vaste rechtspraak dat een beroep tot nietigverklaring van een beschikking die slechts een bevestiging vormt van een eerdere beschikking waartegen niet tijdig is opgekomen, niet-ontvankelijk is en dat een beschikking zuiver bevestigend is wanneer zij geen enkel nieuw element bevat ten opzichte van een eerdere handeling en niet is voorafgegaan door een heronderzoek van de situatie van de adressaat van die eerdere handeling.(14) In het bijzonder is een fax waarin de Commissie weigert om een eerdere beschikking te wijzigen, geen nieuwe beschikking.(15) Daarentegen dient een onderhoud tussen de adressaat van de eerdere handeling en de instelling die betaling van een vermeende schuld heeft geweigerd, waarbij die betalingsweigering wordt besproken, te worden beschouwd als een heronderzoek in de zin van die rechtspraak.(16)
19. In het arrest Duitsland/Commissie, reeds aangehaald, de enige zaak waarop het Gerecht zich met betrekking tot het onderhavige punt baseert, verzocht Duitsland om betaling van steun die eerder door de Commissie was toegewezen. In juli 1980 berichtte de Commissie aan Duitsland dat zij niet aan de aanvraag kon voldoen, omdat deze niet op tijd was ingediend. In antwoord daarop bestreed Duitsland in augustus 1980 de opvatting van de Commissie en verzocht het zijn standpunt te mogen uiteenzetten. Dat verzoek werd formeel ingewilligd door de Commissie en een onderhoud vond plaats waarbij de Commissie toezegde het standpunt van Duitsland nader te onderzoeken. In oktober en december 1980 stuurde Duitsland nogmaals brieven aan de Commissie om te worden betaald; in december 1980 heeft de Commissie haar weigering bevestigd. Het feit dat de Commissie toezegde de zaak op deze manier nader te onderzoeken en dit ook deed, na haar oorspronkelijke weigering om de vermeende schuld te betalen, is mijns inziens voldoende om aan te tonen dat de zaak Duitsland/Commissie duidelijk kan worden onderscheiden van het onderhavige geval.(17)
20. In het arrest Corus UK/Commissie, reeds aangehaald, heeft het Gerecht het beginsel vastgelegd van het recht op rente over geldboetes die zijn betaald en die vervolgens zijn nietig verklaard of verminderd. Greencore stelt terecht dat de uitlegging door de gemeenschapsrechter van een bepaling van gemeenschapsrecht „de betekenis en strekking van dat voorschrift verklaart en preciseert, zoals het sedert zijn inwerkingtreding had moeten worden verstaan en toegepast”.(18) Ik zie echter niet in, in hoeverre dat relevant is voor de ontvankelijkheid van het beroep van Greencore of hoe Greencore daardoor vrijgesteld kan worden van de verplichting op grond van artikel 230 EG om binnen twee maanden na de impliciete beschikking van de Commissie tot weigering van betaling van rente, gegeven na de eerste aanvraag, beroep in te stellen. Het is duidelijk dat een later arrest van het Gerecht de termijn voor het instellen van beroep niet heropent wanneer die termijn reeds is verstreken.
21. Ik wijs erop dat indien het Hof de hogere voorziening in de onderhavige zaak afwijst, dat tot gevolg zou hebben dat de Commissie de in artikel 230 EG gestelde termijn niet zou kunnen tegenwerpen aan ondernemingen waaraan op enig moment in het verleden door haar een geldboete is opgelegd die vervolgens door de gemeenschapsrechter is verminderd of nietig verklaard. Het is vaste rechtspraak dat die termijn met name is gebaseerd op de overweging dat beroepstermijnen de rechtszekerheid beogen te waarborgen door te voorkomen dat gemeenschapshandelingen die rechtsgevolgen teweegbrengen, onbeperkt in geding kunnen worden gebracht.(19) Het hierboven beschreven resultaat zou duidelijk strijden met die overweging.
22. Tot slot zou ik hieraan willen toevoegen dat indien Greencore, toen zij de hoofdsom ontving van de Commissie, van mening was dat de niet-betaling van rente geen voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 230 EG was, zij de Commissie overeenkomstig artikel 232, tweede alinea, EG had moeten verzoeken te handelen. Het feit dat Greencore volgens haar verzoekschrift voor het Gerecht heeft „besloten dat rechtsmiddel niet in te zetten”, kan geen weerslag hebben op de ontvankelijkheid van het beroep dat zij vervolgens heeft besloten in te stellen op grond van artikel 230 EG.
23. Gelet op het voorgaande dient de bestreden beschikking van het Gerecht te worden vernietigd en het beroep tot nietigverklaring van de vermeende beschikking overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Conclusie
24. Ik geef het Hof derhalve in overweging:
1) de beschikking van het Gerecht van 7 januari 2003, Greencore Group/Commissie, T‑135/02, te vernietigen;
2) het door Greencore ingestelde beroep tot nietigverklaring van de vermeende beschikking van de Commissie van 11 februari 2002 niet-ontvankelijk te verklaren;
3) Greencore te verwijzen in de kosten van de procedures voor het Hof en het Gerecht.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Beschikking van 7 januari 2003, Greencore Group/Commissie (T‑135/02, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
3 – Beschikking 97/624/EG van de Commissie van 14 mei 1997 inzake een procedure op grond van artikel 86 van het EG-Verdrag (PB L 258, blz. 1).
4 – Arrest van 7 oktober 1999, Irish Sugar/Commissie (T‑228/97, Jurispr. blz. II‑2969).
5 – Arrest van 10 oktober 2001 (T‑171/99, Jurispr. blz. II‑2967).
6 – Deze bepaling dient op dezelfde wijze te worden toegepast als artikel 176 EG-Verdrag (thans artikel 233 EG) (zie punt 51 van het arrest Corus UK/Commissie, reeds aangehaald), op grond waarvan de instelling waarvan de handeling door de gemeenschapsrechter is nietig verklaard, gehouden is de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest.
7 – Punten 52 en 53 van het arrest Corus UK/Commissie, reeds aangehaald.
8 – Punten 14‑16.
9 – Arrest van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., (C‑136/92 P, Jurispr. blz. I‑1981, punten 48 en 49).
10 – Punt 5 van de beschikking Greencore Group/Commissie, reeds aangehaald.
11 – Arrest van het Gerecht van 13 december 1999, Sodima/Commissie (T‑190/95 en T‑45/96, Jurispr. blz. II‑3617, punt 32).
12 – Zie ook arrest van het Gerecht van 11 juli 1996, Branco/Commissie (T‑271/94, Jurispr. blz. II‑749, punt 48).
13 – Zie bijvoorbeeld arrest van 25 mei 2000, Ca’ Pasta/Commissie (C‑359/98 P, Jurispr. blz. I‑3977, punt 32).
14 – Arrest van het Gerecht van 26 oktober 2000, Ripa di Meana e.a./Parlement (T‑83/99‑T‑85/99, Jurispr. blz. II‑3493, punt 33, en de daar aangehaalde rechtspraak).
15 – Arrest van het Gerecht van 18 september 1997, Mutual Aid Administration Services/Commissie (T‑121/96 en T‑151/96, Jurispr. blz. II‑1355, punt 48).
16 – Arrest van het Gerecht van 15 oktober 1997, IPK/Commissie (T‑331/94, Jurispr. blz. II‑1665, punten 25 en 26).
17 – Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Darmon in de zaak Oliveira/Commissie (arrest van 7 mei 1991, C‑304/89, Jurispr. blz. I‑2283), waarin hij stelde dat volgens het arrest Duitsland/Commissie standpunten van een gemeenschapsinstelling die nog moeten worden heroverwogen niet als beschikkingen zijn aan te merken (punt 12 van de conclusie).
18 – Punt 26 van de memorie van antwoord van Greencore.
19 – Zie voor een recent voorbeeld arrest van 22 oktober 2002, National Farmers’ Union (C‑241/01, Jurispr. blz. I‑9079, punt 34, en de daar aangehaalde rechtspraak).
Full & Egal Universal Law Academy