CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. M. POIARES MADURO
van 15 juli 2004(1)
Zaak C-124/03
1. Artrada (Freezone) NV
2. Videmecum BV
3. Jac. Meisner Internationaal Expeditiebedrijf BV
tegen
Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees
[Verzoek van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
„Uitlegging van artikelen 2, sub 2 en 4, en 22 van richtlijn 92/46/CEE – Gezondheidsvoorschriften voor productie en in de handel brengen van rauwe melk, warmtebehandelde melk en producten op basis van melk – Begrippen ‚melk bestemd voor de bereiding van producten op basis van melk’ en ‚producten op basis van melk’ – Uit Nederlandse Antillen ingevoerd mengsel van suiker, cacao en magere melkpoeder, dat voor bereiding van chocolademelk wordt gebruikt”
1. In een geding over een maatregel waarbij de invoer in de Europese Gemeenschap van een partij van een mengsel van suiker, cacao en magere melkpoeder voor de bereiding van chocolademelk niet is toegestaan, heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven vier prejudiciële vragen gesteld over richtlijn 92/46/EEG van de Raad van 16 juni 1992 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van rauwe melk, warmtebehandelde melk en producten op basis van melk. (2) Die vragen hebben betrekking op de uitlegging van de begrippen „melk bestemd voor de bereiding van producten op basis van melk” en „producten op basis van melk”, die de werkingssfeer van de richtlijn afbakenen.
I – Toepasselijke bepalingen
A – Bepalingen van gemeenschapsrecht
2. Volgens artikel 1, lid 1, van richtlijn 92/46 worden daarbij „gezondheidsvoorschriften vastgesteld voor de productie en het in de handel brengen van rauwe melk, van warmtebehandelde consumptiemelk, van melk voor de bereiding van producten op basis van melk en van producten op basis van melk, bestemd voor menselijke consumptie”.
3. Artikel 2, sub 2, van richtlijn 92/46 bepaalt dat in deze richtlijn wordt verstaan onder „‚melk bestemd voor de bereiding van producten op basis van melk’, hetzij rauwe melk bestemd voor verwerking, hetzij vloeibare of bevroren melk, verkregen uit rauwe melk, die al dan niet een toegestane fysische behandeling, zoals een warmtebehandeling of een thermisatie, heeft ondergaan en waarvan de samenstelling al dan niet is gewijzigd, mits deze wijziging beperkt blijft tot het toevoegen en/of het onttrekken van natuurlijke melkbestanddelen”. Artikel 2, sub 4, omschrijft „producten op basis van melk” als „zuivelproducten, dat wil zeggen producten die uitsluitend zijn verkregen uit melk, met dien verstande dat stoffen die voor de bereiding ervan noodzakelijk zijn, mogen worden toegevoegd, mits deze stoffen niet worden gebruikt voor de volledige of gedeeltelijke vervanging van één van de bestanddelen van de melk, en producten die zijn samengesteld uit melk, dat wil zeggen producten waarvan geen enkel element in de plaats komt van een melkbestanddeel of bedoeld is om daarvoor in de plaats te komen en waarvan de melk of een zuivelproduct een essentieel bestanddeel is, hetzij door de hoeveelheid, hetzij omdat het effect kenmerkend is voor deze producten”.
4. Artikel 22 van richtlijn 92/46, dat voorkomt in hoofdstuk III, betreffende invoer uit derde landen, bepaalt: „De voorwaarden die gelden voor de invoer uit derde landen van rauwe melk, warmtebehandelde melk en producten op basis van melk die onder deze richtlijn vallen, moeten ten minste gelijkwaardig zijn aan de bepalingen die in hoofdstuk II zijn vastgesteld voor de communautaire productie.” Met het oog op een uniforme toepassing van dat artikel mogen volgens de richtlijn in de Gemeenschap alleen worden ingevoerd melk of producten op basis van melk „die afkomstig zijn uit een derde land dat voorkomt op een lijst die overeenkomstig lid 3, sub a, zal worden opgesteld” en „die vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat overeenkomstig een model dat volgens de procedure van artikel 31 zal worden opgesteld, ondertekend door de bevoegde autoriteit van het exporterende land, waarin wordt verklaard dat deze melk en deze producten op basis van melk voldoen aan de eisen van hoofdstuk II of de eventuele aanvullende eisen of de gelijkwaardige garanties als bedoeld in lid 3 bieden en dat zij afkomstig zijn van inrichtingen die de in bijlage B bedoelde garanties bieden” (artikel 23, lid 2, sub a en b). (3)
5. Ten slotte stelt richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 de beginselen vast voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht. (4)
B – Nationale bepalingen
6. Richtlijn 92/46 is in Nederlands recht omgezet bij het Warenwetbesluit Zuivel (5) , waarvan artikel 4 bepaalde dat de bereiding, behandeling en verhandeling van melk bestemd voor de bereiding van producten op basis van melk, warmtebehandelde consumptiemelk en producten op basis van melk op hygiënische wijze moeten geschieden.
7. Artikel 16 van de Warenwetregeling Zuivelbereiding (6) bepaalt dat melk en producten op basis van melk slechts binnen Nederland worden gebracht, indien zij afkomstig zijn uit een van de derde landen die zijn opgenomen in de bij beschikking 95/340/EG vastgestelde lijst, en vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat overeenkomstig het bij beschikking 95/343/EG vastgestelde model.
8. Volgens artikel 4 van de Warenwetregeling Veterinaire controles (derde landen) is de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees de bevoegde autoriteit voor de verrichting van de controles als bedoeld in richtlijn 97/78. Ten slotte is Warenwetbesluit Invoer levensmiddelen uit derde landen (7) van toepassing op uit derde landen afkomstige eet- en drinkwaren waarvoor geen communautaire regeling bestaat. Die waren worden slechts in Nederland ingevoerd indien zij uit het oogpunt van gezondheid geschikt zijn voor menselijke consumptie.
C – Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
9. Partijen in het hoofdgeding zijn de vennootschappen Artrada (Freezone) NV (hierna: „Artrada”), Videmecum BV en Jac. Meisner Internationaal Expeditiebedrijf BV enerzijds, en de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees anderzijds.
10. Artrada exploiteert op Aruba een fabriek voor de productie van onder meer mengsels van suiker, melkpoeder en cacao. Videmecum BV is een 100 % deelneming van Artrada, die zorg draagt voor het vervoer van haar producten. Jac. Meisner Internationaal Expeditiebedrijf BV is douane-expediteur die in opdracht van Videmecum BV aangiften doet ten invoer van die producten in het vrije verkeer in de Europese Gemeenschap.
11. Op 26 januari 2001 heeft Jac. Meisner Internationaal Expeditiebedrijf BV twee aangiften gedaan ten invoer vanuit Aruba voor het vrije verkeer van een partij van 167.475 kg van een mengsel van 75,75 % suiker, 15,15 % magere melkpoeder en 9,1 % cacao, waarvan de bestanddelen niet kunnen worden gescheiden, en dat voor de productie van chocolademelk in fabrieken in Duitsland en België wordt gebruikt.
12. Bij beslissing van 23 februari 2001 heeft de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees de invoer voor het vrije verkeer van de partij geweigerd omdat deze een dierlijk bestanddeel bevatte en het veterinair certificaat ontbrak.
13. Tegen deze beslissing is bezwaar gemaakt bij de VWS-commissie bezwaarschriften Awb, die het bezwaar op 2 augustus 2001 niet-ontvankelijk heeft verklaard voorzover het de laatste twee in punt 10 vermelde vennootschappen betrof, en ongegrond heeft verklaard met betrekking tot Artrada. Wat richtlijn 92/46 betreft, verklaarde de VWS-commissie bezwaarschriften Awb dat de melkpoeder in het mengsel moest worden beschouwd als „melk bestemd voor de bereiding van producten op basis van melk” in de zin van artikel 2, sub 2, van die richtlijn en aan de daarin gestelde vereisten diende te voldoen. Daar de Nederlandse Antillen en Aruba niet voorkwamen op de in de richtlijn bedoelde lijst van derde landen, kon de invoer van het mengsel niet worden toegestaan.
14. Tegen dat besluit is beroep ingesteld bij de rechtbank te Rotterdam, die bij uitspraak van 4 maart 2002 het beroep ontvankelijk heeft verklaard, het bestreden besluit heeft vernietigd op grond dat het niet door de bevoegde autoriteit was genomen, en heeft bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Gelet op een werkdocument van het directoraat-generaal Landbouw van de Commissie (VI/8972/93-NL), heeft de rechtbank met betrekking tot richtlijn 92/46 overwogen dat het mengsel, een halffabrikaat, niet kan worden beschouwd als „een product op basis van melk” als bedoeld in artikel 2, sub 4, van de richtlijn, omdat deze bepaling alleen ziet op eindproducten. Daarentegen is naar het oordeel van de rechtbank de melkpoeder in het mengsel aan te merken als „melk bestemd voor de bereiding van producten op basis van melk” in de zin van artikel 2, sub 2, van de richtlijn. Dit standpunt doet volgens de rechtbank het meeste recht aan de bescherming van de gezondheid, het hoofddoel van de richtlijn. Aangezien het mengsel afkomstig is uit een derde land dat niet op de lijst van derde landen voorkomt, heeft de rechtbank beslist dat het niet mocht worden ingevoerd.
15. Artrada, Videmecum BV en Jac. Meisner Internationaal Expeditiebedrijf BV zijn van deze uitspraak in hoger beroep gegaan bij de verwijzende rechter die het hoger beroep met betrekking tot de laatste twee vennootschappen niet-ontvankelijk heeft verklaard − daar zij naar zijn oordeel geen rechtstreeks belang bij het geding hebben − en, na een uiteenzetting van het standpunt van partijen en van zijn beoordeling, het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing heeft verzocht over de volgende vragen:
„1a) Dient het begrip ‚melk bestemd voor de bereiding van producten op basis van melk’ in artikel 2, aanhef en sub 2, van richtlijn 92/46/EEG aldus te worden uitgelegd, dat het (ook) omvat zuivelbestanddelen van een product dat tevens andere, dat wil zeggen niet-zuivelbestanddelen bevat en waarbij het zuivelbestanddeel niet van de niet-zuivelbestanddelen kan worden gescheiden?
1b) Bij een bevestigend antwoord op vraag 1a: moet artikel 22 van richtlijn 92/46/EEG aldus worden geïnterpreteerd, dat deze richtlijn bij invoer uit derde landen slechts van toepassing is op het melkbestanddeel van een product en derhalve niet van toepassing is op het product waarvan het een bestanddeel is?
2a) Betreft het begrip ‚producten op basis van melk’ in artikel 2, aanhef en sub 4, van richtlijn 92/46/EEG uitsluitend eindproducten of ook halffabrikaten die nog een bewerking moeten ondergaan voordat zij aan de consument kunnen worden verhandeld?
2b) Voor het geval artikel 2, aanhef en sub 4, van richtlijn 92/46/EEG ook ziet op halffabrikaten: Met toepassing van welke criteria moet worden beoordeeld of melk of een zuivelproduct een essentieel bestanddeel is van een product, hetzij door de hoeveelheid, hetzij omdat het effect kenmerkend is voor deze producten als bedoeld in artikel 2, aanhef en sub 4, van richtlijn 92/46/EEG?”
16. Artrada, de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, de Griekse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend en zijn ter terechtzitting van 24 juni 2004 verschenen.
II – Beoordeling
A – Inleidende opmerkingen
17. Om te beginnen zij eraan herinnerd dat Aruba is voor de toepassing van richtlijn 92/46 een derde land, hoewel het gaat om een van de geassocieerde „landen en gebieden” waarop het vierde deel van het Verdrag betrekking heeft. (8)
18. Bovendien wordt niet gevraagd welke regeling op de uit derde landen afkomstige producten van toepassing is, maar gaat het om de prealabele vraag wat de werkingssfeer is van de richtlijn, die voor zowel de communautaire als de niet-communautaire producten geldt. De producten die niet onder de werkingssfeer daarvan vallen, behoeven niet aan de bepalingen daarvan te voldoen. (9) Het litigieuze mengsel behoeft alleen aan de vereisten van de richtlijn te voldoen indien deze van toepassing is.
B – De eerste prejudiciële vraag
19. Volgens de verwijzende rechter, Artrada, de Griekse regering en de Commissie is het litigieuze mengsel niet aan te merken als „melk bestemd voor de bereiding van producten op basis van melk” in de zin van artikel 2, sub 2, van richtlijn 92/46. De Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees stelt dat het mengsel aan de definitie van die bepaling voldoet daar het volgens hem bij de melkpoeder in het mengsel gaat om melk die bestemd is voor de bereiding van producten op basis van melk. Die uitlegging verdient de voorkeur vanuit het oogpunt van bescherming van de volksgezondheid en om fraude te voorkomen (afzonderlijk ingevoerde melkpoeder zou een zuivelproduct zijn, maar de toevoeging daarvan aan het mengsel zou volstaan om het aan de toepassing van de richtlijn te onttrekken).
20. De definitie van „melk bestemd voor de bereiding van producten op basis van melk” in artikel 2, sub 2, van richtlijn 92/46 dekt mijns inziens niet een mengsel als bedoeld in het hoofdgeding. Die bepaling veronderstelt dat de samenstelling van de melk niet wezenlijk is gewijzigd, en staat niet toe dat andere bestanddelen worden toegevoegd, hetgeen in casu wel is gebeurd. Bovendien zou een zo ruime uitlegging van artikel 2, sub 2, de definitie uithollen van „product op basis van melk” van artikel 2, sub 4, dat van de werkingssfeer van de richtlijn de producten uitsluit waarvan melk of een zuivelproduct geen essentieel bestanddeel is. Indien een mengsel als melk bestemd voor de bereiding van een product op basis van melk kan worden beschouwd omdat het melk bevat, zou elk product dat melk bevat onder de definitie vallen en zou de beperking van artikel 2, sub 4, zinledig zijn.
21. Het teleologische argument van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees kan volgens mij niet zwaarder wegen dan de zojuist uiteengezette grammaticale en systematische argumenten. Uit de artikelen 1 en 2 van richtlijn 92/46 kan worden opgemaakt dat de wetgever niet alle producten die wat melk of een zuivelproduct bevatten, binnen de werkingssfeer daarvan heeft willen brengen. De door de Rijksdienst voorgestelde uitlegging waarborgt misschien een hoger niveau van gezondheidsbescherming, maar kan gelet op van de tekst en de systematiek van de richtlijn niet worden toegepast.
22. Het begrip „melk bestemd voor de bereiding van producten op basis van melk” in artikel 2, sub 2, van richtlijn 92/46 omvat dan ook niet de zuivelbestanddelen van een product dat andere, niet-zuivelbestanddelen bevat en waarbij het zuivelbestanddeel niet van de niet-zuivelbestanddelen kan worden gescheiden.
23. Door dit antwoord behoeft de tweede vraag niet te worden onderzocht.
C – De derde prejudiciële vraag
24. Volgens de Griekse regering en de Commissie ziet artikel 2, sub 4, van richtlijn 92/46 op zowel eindproducten als halffabrikaten. Volgens de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees heeft die bepaling uitsluitend betrekking op eindproducten, hetgeen het uitvloeisel van de door hem verdedigde ruime uitlegging van artikel 2, sub 2, van de richtlijn is. Artrada stelt dat artikel 2, sub 4, van de richtlijn enkel eindproducten betreft, wat zou passen in de logica van artikel 2, sub 1 tot en met 4, die betrekking hebben op achtereenvolgens melk, melk voor de bereiding van producten op basis van melk, consumptiemelk en zuivelproducten.
25. Volgens mij ziet artikel 2, sub 4, van de richtlijn ook op halffabrikaten. Met name de strekking ervan verzet zich niet tegen die uitlegging, omdat de halffabrikaten producten op basis van melk zijn, hoewel de bewerking die zij hebben ondergaan, niet definitief is. Bovendien wijst niets in de richtlijn erop dat het de bedoeling was die producten van haar werkingssfeer uit te sluiten, en het feit dat zij daarin zijn opgenomen, strookt meer met haar doelstelling van gezondheidsbescherming. Volgens het Hof „regelt richtlijn 92/46 alle stappen in het proces, van de melkproductie tot het vervoer van de producten naar de verschillende verkooppunten”. (10) Dit duidt erop dat de halffabrikaten in beginsel binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen.
26. Derhalve omvat het begrip „producten op basis van melk” in artikel 2, sub 4, van richtlijn 92/46 mijns inziens ook de halffabrikaten die nog een bewerking moeten ondergaan voordat zij aan de consument kunnen worden verhandeld.
D – De vierde prejudiciële vraag
27. De Commissie is van mening dat melk een essentieel bestanddeel van het product in de zin van artikel 2, sub 4, van de richtlijn is door de hoeveelheid (meer dan 50 % van het product) of omdat het effect kenmerkend is voor het eindproduct. Daar het mengsel dient voor de bereiding van chocolademelk, heeft het volgens de Commissie een kenmerkend effect. De Griekse regering is van mening dat kwantitatief gezien het essentiële bestanddeel de grootste hoeveelheid is. Bij het kenmerkende effect gaat het volgens de Griekse regering om de smaak. Daar het mengsel veel cacao bevat, smaakt het naar cacao en niet naar melk, zodat het niet strookt met de definitie van artikel 2, sub 4. Artrada stelt dat de aanwezigheid van magere melkpoeder niet essentieel is voor de hoeveelheid en ook geen kenmerkend effect heeft, daar de zoete cacao het belangrijkste is: voor de verwerking tot chocolademelk behoeft er, zodra het binnen het grondgebied van de Gemeenschap is gebracht alleen maar melk aan te worden toegevoegd en niet water, zoals de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees had gesteld. Volgens die dienst is de melk kenmerkend voor het eindproduct, dat als een zuivelproduct dient te worden beschouwd, aangezien het mengsel voor de bereiding van chocolademelk zal dienen.
28. Om te beginnen zij erop gewezen dat een halffabrikaat als het onderhavige mengsel alleen onder richtlijn 92/46 valt, indien het beantwoordt aan de definitie van artikel 2, sub 4, dat wil zeggen indien de melk of een zuivelproduct een „essentieel bestanddeel” van het product is, hetzij door de hoeveelheid, hetzij omdat het effect kenmerkend is voor deze producten. Het is geen eenvoudige vraag omdat de door de wetgever gekozen criteria vaag zijn.
29. Wat de hoeveelheid betreft, ben ik het niet eens met de opvatting van de Commissie en de Griekse regering dat het bestanddeel essentieel is indien het meer dan 50 % van de samenstelling van het product of de grootste hoeveelheid vertegenwoordigt. Veel taalversies van de richtlijn spreken van „een essentieel bestanddeel” (de Franse, de Portugese, de Italiaanse, de Duitse en de Engelse versie; van de door mij geraadpleegde versies spreekt alleen de Spaanse versie van „het essentiële bestanddeel”), wat erop duidt dat een product verschillende essentiële bestanddelen kan hebben. Wat een essentieel bestanddeel door de hoeveelheid is, dient derhalve in een negatieve definitie en in relatie tot de overige bestanddelen en niet in een absoluut percentage te worden bepaald. Bijvoorbeeld, stel dat het mengsel uit 33 % melkpoeder, 33 % suiker, 33 % cacao en 1 % gemalen amandelen zou bestaan, dan zouden de gemalen amandelen kwantitatief gezien geen essentieel bestanddeel zijn maar de overige drie bestanddelen wel. Derhalve dient het melkbestanddeel als essentieel te worden beschouwd als het qua hoeveelheid niet duidelijk ondergeschikt is ten opzichte van de overige bestanddelen van het product, een uitlegging die het meeste recht doet aan het doel van de gezondheidsbescherming van de richtlijn. Hoewel de beslissing hierover aan de verwijzende rechter toekomt, ben ik van mening dat in een product met 75,75 % suiker, 15,15 % magere melkpoeder en 9,1 % cacao het melkbestanddeel niet duidelijk ondergeschikt is. Bovendien zal het belang van de melkpoeder ten opzichte van de overige bestanddelen stellig toenemen wanneer de voor de bereiding van de chocolademelk vereiste vloeistof wordt toegevoegd.
30. Het kenmerkend effect bij halffabrikaten dient volgens mij te worden beoordeeld naar hun eindbestemming, die de importeur aan de bevoegde autoriteiten moet meedelen. Het hoofddoel van richtlijn 92/46 is de bescherming van de volksgezondheid, maar de wetgever heeft van haar werkingssfeer willen uitsluiten de producten met een melkbestanddeel dat door zijn hoeveelheid of zijn kenmerkend effect geen essentieel bestanddeel daarvan is. De toepassing van dit laatste criterium kan tot weinig samenhangende resultaten leiden, daar een halffabrikaat naar zijn bestemming al dan niet als een zuivelproduct zal worden beschouwd, wat evenwel een gevolg is van het in de richtlijn vastgestelde criterium. (11) Het effect is kenmerkend indien het eindproduct een zuivelproduct is, hetgeen bewijst dat het melkelement in het halffabrikaat kenmerkend voor het eindproduct is. Dat product zal een zuivelproduct zijn door de hoeveelheid of door het kenmerkend effect van zijn melkbestanddeel, wat aan de hand van een reeks van criteria, zoals smaak, aanduiding, voorkomen of structuur moet worden beoordeeld. In casu lijkt het overduidelijk dat chocolademelk een zuivelproduct is. Op die manier zou het onderhavige mengsel dus onder artikel 2, sub 4, vallen, ongeacht of voor de bereiding daarvan alleen water dan wel ook melk moet worden toegevoegd.
31. Artikel 2, sub 4, van richtlijn 92/46 moet dan ook aldus worden uitgelegd, dat de melk of een zuivelproduct als een essentieel bestanddeel van een halffabrikaat moet worden aangemerkt door zijn hoeveelheid, indien het niet duidelijk ondergeschikt is ten opzichte van de overige bestanddelen van het product, en door zijn kenmerkend effect, indien het eindproduct voor de bereiding waarvan het halffabrikaat bestemd is, een zuivelproduct is door de hoeveelheid van het melkbestanddeel of door het kenmerkend effect ervan, wat aan de hand van een reeks van criteria, zoals smaak, aanduiding, voorkomen of structuur moet worden beoordeeld.
III – Conclusie
32. Gelet op een en ander, geef ik het Hof van Justitie in overweging de vragen van het College van Beroep voor het bedrijfsleven te beantwoorden als volgt:
„1) Het begrip ‚melk bestemd voor de bereiding van producten op basis van melk’ in artikel 2, sub 2, van richtlijn 92/46/EEG van de Raad van 16 juni 1992 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van rauwe melk, warmtebehandelde melk en producten op basis van melk, omvat niet de zuivelbestanddelen van een product dat andere, niet-zuivelbestanddelen bevat en waarbij het zuivelbestanddeel niet van de niet-zuivelbestanddelen kan worden gescheiden.
2) Het begrip ‚producten op basis van melk’ in artikel 2, sub 4, van richtlijn 92/46 omvat ook de halffabrikaten die nog een bewerking moeten ondergaan voordat zij aan de consument kunnen worden verhandeld.
3) Artikel 2, sub 4, van richtlijn 92/46 moet aldus worden uitgelegd, dat de melk of een zuivelproduct als een essentieel bestanddeel van een halffabrikaat moet worden aangemerkt door zijn hoeveelheid, indien het niet duidelijk ondergeschikt is ten opzichte van de overige bestanddelen van het product en; door zijn kenmerkend effect, indien het eindproduct voor de bereiding waarvan het halffabrikaat bestemd is, een zuivelproduct is door de hoeveelheid van het melkbestanddeel of door het kenmerkend effect ervan, wat aan de hand van een reeks van criteria, zoals smaak, aanduiding, voorkomen of structuur moet worden beoordeeld.”
1 – Oorspronkelijke taal: Portugees.
2 – PB L 268, blz. 1
3 – . – De lijst van derde landen en het model van het gezondheidscertificaat zijn vastgesteld bij beschikking 95/340/EG van de Commissie van 27 juli 1995 tot vaststelling van een voorlopige lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer van melk en producten op basis van melk toestaan en tot intrekking van beschikking 94/70/EG (PB L 200, blz. 38), en bij beschikking 95/343/EG van de Commissie van 27 juli 1995 tot vaststelling van de modellen van de gezondheidsvoorschriften voor de invoer uit derde landen, met het oog op menselijke consumptie, van warmtebehandelde melk, van producten op basis van melk en van rauwe melk voor levering aan een centraal melkdepot, een centrum voor standaardisering, een melkbehandelingsinrichting of een melkverwerkingsinrichting (PB L 200, blz. 52).
4 – PB 1998, L 24, blz. 9.
5 – Stb. 1994, 813.
6 – Stcrt. 1994, 243.
7 – Stb. 1993, 698.
8 – Zoals blijkt uit arrest van 21 september 1999, DADI en Douane-Agenten (C-106/97, Jurispr. blz. I‑5983, punten 30‑46).
9 – Volgens het reeds aangehaalde arrest DADI en Douane-Agenten „gelden de bepalingen van de richtlijn voor alle daarin bedoelde producten die in de Gemeenschap worden geproduceerd of in de handel gebracht” (punt 33).
10 – Arrest van 13 november 2003, Granarolo (C-294/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 42).
11 – De wetgever kan nauwkeuriger criteria vaststellen. Ook lijkt de richtlijn niet op de uitgesloten producten (bijvoorbeeld, een pizza met 2 % kaas) van toepassing te zijn op grond dat het gebruikte melkbestanddeel in elk geval aan de criteria van richtlijn 92/46 voldoet, hetgeen het gezondheidsrisico tot een minimum beperkt. Indien het echter gaat om producten afkomstig uit derde landen, is er geen enkele garantie dat de gebruikte melk aan de bepalingen van de richtlijn voldoet. In dergelijke gevallen moeten de nationale restbepalingen worden toegepast, wat verleggingen van het handelsverkeer en een zeker risico van opsplitsing van de markt tot gevolg zou kunnen hebben. De communautaire wetgever zou dus moeten kunnen optreden om te waarborgen dat de voorwaarden op gezondheidsgebied voor de niet-communautaire producten steeds gelijkwaardig zijn aan die van de communautaire producten. Ten slotte is het begrijpelijk dat de wetgever niet alle producten die een minimumhoeveelheid melk bevatten, binnen de werkingssfeer van de richtlijn brengt, daar zulks tot tal van obstakels en handelsconflicten zou kunnen leiden. Al met al kunnen de bij de richtlijn vastgestelde criteria ter bepaling of al dan niet sprake is van een zuivelproduct, in de praktijk tegenstrijdige gevolgen hebben, en zijn zij schijnbaar niet gebaseerd op wetenschappelijke studies van de werkelijke risico's voor de volksgezondheid.
Full & Egal Universal Law Academy