CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 16 juni 2005 (1)
Gevoegde zaken C‑138/03, C‑324/03 en C‑431/03
Italiaanse Republiek
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Structuurfondsen – Medefinanciering – Verordeningen (EG) nrs. 1260/1999 en 1685/2000 – Voorwaarden voor subsidiabiliteit van door nationale instanties in kader van staatssteunregelingen uitbetaalde voorschotten – Bewijs van besteding van bedragen door individuele begunstigden – Voor beroep tot nietigverklaring vatbare handelingen – Procesbelang – Beroep zonder voorwerp”
I – Inleiding
1. De onderhavige procedure betreft drie beroepen tot nietigverklaring die de Italiaanse Republiek heeft ingesteld tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen op het gebied van de structuurfondsen. In wezen strekken deze beroepen tot verduidelijking van de voorwaarden waaronder de lidstaten voor de betalingen die zij in het kader van steunmaatregelen van de staten in de zin van artikel 87 EG aan de individuele steunontvangers (zogenoemde individuele begunstigden) hebben gedaan, uit de structuurfondsen van de Gemeenschap kunnen worden gesubsidieerd.
2. Voor het Gerecht van eerste aanleg is een aantal andere beroepen van de Italiaanse Republiek tot nietigverklaring aanhangig over hetzelfde onderwerp.(2) In tot dusver drie van deze zaken heeft het Gerecht de procedure geschorst totdat het Hof in de onderhavige procedure uitspraak zal hebben gedaan.(3)
II – Juridische context
3. De juridische context van deze procedure wordt bepaald door verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen(4) (hierna: „verordening nr. 1260/1999” of „basisverordening”) en verordening (EG) nr. 1685/2000 van de Commissie van 28 juli 2000 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de subsidiabiliteit voor door de structuurfondsen medegefinancierde verrichtingen(5) (hierna: „verordening nr. 1685/2000” of „uitvoeringsverordening”).
A – De basisverordening
4. Artikel 32, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2 (gedeeltelijk), van verordening nr. 1260/1999, met het opschrift „Betalingen”, luidt als volgt:
„1. De bijdrage van de fondsen wordt door de Commissie overeenkomstig de aangegane betalingsverplichtingen aan de in artikel 9, onder o), omschreven betalingsautoriteit uitbetaald.
[...]
De uitbetaling kan geschieden in de vorm van voorschotten, van tussentijdse betalingen of van saldobetalingen. De tussentijdse of saldobetalingen hebben betrekking op daadwerkelijk verrichte uitgaven, welke moeten overeenkomen met door de eindbegunstigden gedane en met voldane facturen of boekingsbescheiden met gelijkwaardige bewijskracht gestaafde betalingen.
[...]”
(2) Nadat de eerste betalingsverplichting is aangegaan, maakt de Commissie een voorschot aan de betalingsautoriteit over. Dit voorschot bedraagt tot 7 % van de bijdrage van de fondsen in het betrokken bijstandspakket [...]”.
5. Artikel 30, lid 3, van de basisverordening bepaalt:
„De relevante nationale bepalingen zijn van toepassing op de subsidiabele uitgaven, tenzij de Commissie, indien zulks nodig is, zelf gemeenschappelijke subsidiabiliteitsregels vaststelt volgens de procedures van artikel 53, lid 2.”
6. Artikel 9 van de basisverordening bevat de volgende definities:
„j) maatregel: het middel waarmee een prioritair zwaartepunt in een meerjarenaanpak wordt vertaald en dat het mogelijk maakt verrichtingen te financieren. Elke steunmaatregel in de zin van artikel 87 van het Verdrag en elke steunverlening door een instantie die door de lidstaat is aangewezen, alsook elk steunmaatregelen‑ of steunverleningspakket of combinatie daarvan, met hetzelfde doel wordt aangemerkt als een maatregel;
k) verrichting: elk project of elke actie uitgevoerd door de eindbegunstigden van de bijstandspakketten;
l) eindbegunstigde: de instantie die, of het overheids‑ of privé-bedrijf dat verantwoordelijk is voor het geven van de opdracht tot de verrichting. In het geval van een steunmaatregel in de zin van artikel 87 van het Verdrag en in het geval van steunverlening door instanties die door de lidstaat zijn aangewezen, is de eindbegunstigde de instantie die de steun verleent;
[...]
o) betalingsautoriteit: één of meer plaatselijke, regionale of nationale instanties of autoriteiten die door de lidstaten aangewezen zijn voor het opstellen en toezenden van de betalingsaanvragen en voor het ontvangen van de betalingen van de Commissie. De lidstaat stelt alle voorwaarden vast voor zijn betrekkingen met de betalingsautoriteit en voor de betrekkingen van die autoriteit met de Commissie.”
7. In de drieënveertigste overweging van de considerans van verordening nr. 1260/1999 staat:
„de nodige garanties voor een deugdelijk financieel beheer moeten worden verkregen door zich ervan te vergewissen dat de uitgaven rechtmatig zijn en geldig worden verklaard [...]”.
B – De uitvoeringsverordening
8. Verordening nr. 1685/2000 is op artikel 30, lid 3, van verordening nr. 1260/1999 gebaseerd. Volgens de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 1685/2000 acht de Commissie het „[v]oor bepaalde soorten verrichtingen [...] nodig gemeenschappelijke subsidiabiliteitsregels vast te stellen, teneinde te waarborgen dat de bijstandsverlening van de structuurfondsen in de gehele Gemeenschap op eenvormige en billijke wijze ten uitvoer wordt gelegd.”
9. Deze subsidiabiliteitsregels staan in de bijlage bij verordening nr. 1685/2000. „Regel nr. 1: Daadwerkelijk verrichte uitgaven” (hierna: „regel nr. 1 voor de subsidiabiliteit”) bevatte in zijn oorspronkelijke versie onder meer de volgende bepalingen:
„1. Door de eindbegunstigden gedane betalingen
1.1. Door de eindbegunstigden gedane betalingen in de zin van artikel 32, lid 1, derde alinea, van verordening (EG) nr. 1260/1999, hierna ‘de algemene verordening’ genoemd, geschieden in de vorm van geld, onder voorbehoud van de in punt 1.4 aangegeven uitzonderingen.
1.2. In het geval van steunmaatregelen uit hoofde van artikel 87 van het Verdrag en in het geval van steunverlening door een door een lidstaat aangewezen instantie, wordt onder ‘door de eindbegunstigden gedane betalingen’ steun verstaan die door de steunverlenende instantie aan de individuele begunstigden wordt betaald. Ter motivering van de door de eindbegunstigden gedane betalingen moet worden verwezen naar de voorwaarden en de doelstellingen van de steun.
1.3. In andere gevallen dan de in punt 1.2 bedoelde, worden onder ‘door de eindbegunstigden gedane betalingen’ betalingen verstaan die worden gedaan door de instantie of de onderneming in de overheids‑ of particuliere sector van de overeenkomstig artikel 18, lid 3, onder b), van de algemene verordening in het programmacomplement omschreven categorieën, die rechtstreeks verantwoordelijk is voor het geven van de opdracht tot de specifieke verrichting.
[...]
2. Bewijsstukken inzake de uitgaven
In het algemeen moeten de door de eindbegunstigde gedane betalingen worden gestaafd met vereffende facturen. Wanneer dit niet mogelijk is, moeten deze betalingen worden gestaafd met boekingsstukken met vergelijkbare bewijskracht. [...]”
10. In de bij verordening (EG) nr. 448/2004 van de Commissie van 10 maart 2004 (hierna: „verordening nr. 448/2004”) met terugwerkende kracht tot en met 5 augustus 2000 gewijzigde versie van punt 2 van regel nr. 1 voor de subsidiabiliteit staat onder meer:
„2 BEWIJSSTUKKEN INZAKE DE UITGAVEN
2.1 In het algemeen moeten de door de eindbegunstigden gedane betalingen die worden gedeclareerd met het oog op een tussentijdse betaling of de betaling van het eindsaldo, worden gestaafd met vereffende facturen. Wanneer dit niet mogelijk is, moeten deze betalingen worden gestaafd met boekingsstukken met vergelijkbare bewijskracht. [...]”(6)
Voor het overige heeft verordening nr. 448/2004 de hier relevante bepalingen van de subsidiabiliteitsregels wat de inhoud betreft niet wezenlijk gewijzigd.(7)
III – Feiten en procedure voor het Hof
A – Achtergrond
11. De Commissie heeft op 7 september 2001 aan de lidstaten en dus ook aan de Italiaanse Republiek(8) een nota van haar diensten inzake artikel 32, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 1260/1999 doen toekomen, waarin zij uiteenzet, hoe de in deze verordening gebruikte begrippen „daadwerkelijk verrichte uitgaven” en „door de eindbegunstigden gedane betalingen” (hierna: „interpretatieve nota”) dienen te worden uitgelegd.
12. De kern van de interpretatieve nota is, voorzover hier relevant, dat naar de mening van de diensten van de Commissie eventuele voorschotten die in het kader van nationale steunmaatregelen door de nationale steunverlenende autoriteit (ook eindbegunstigde genoemd(9)) aan de steunontvanger (ook als individuele begunstigde aangeduid(10)) worden verstrekt, in beginsel niet subsidiabel zijn, dat wil zeggen dat volgens de diensten van de Commissie de structuurfondsen aan dergelijke uitgaven niet kunnen bijdragen. Deze uitgaven zijn volgens de nota slechts subsidiabel, indien bewezen kan worden dat de individuele begunstigde de voorschotten voor daadwerkelijk verrichte uitgaven heeft gebruikt. Daarvoor moeten vereffende facturen worden overgelegd of, wanneer dit niet mogelijk is, boekingsstukken met vergelijkbare bewijskracht.
13. De Commissie toonde zich echter na een langdurige en omvangrijke correspondentie bereid, via een wijziging van de uitvoeringsverordening de – volgens haar uitgesloten – subsidiabiliteit van dergelijke betalingen voor de toekomst in te voeren. Zij legde daartoe aan de vertegenwoordigers van de lidstaten, onder meer in het Comité voor de ontwikkeling en de omschakeling van de regio’s(11), einde 2002 een ontwerp voor(12), strekkend tot wijziging van de regels voor de subsidiabiliteit in de bijlage bij verordening nr. 1685/2000, waaronder de punten 1.2 en 2 van regel nr. 1 voor de subsidiabiliteit. Dit ontwerp vond echter niet de noodzakelijke instemming van het Comité voor de ontwikkeling en de omschakeling van de regio’s. Daarop deelde de Commissie op 19 februari 2003 tijdens de drieënzeventigste vergadering van dit Comité mee, dat zij haar wijzigingsontwerp opgaf en geen verdere stappen in die zin zou ondernemen.
14. Het voor regionaal beleid verantwoordelijk lid van de Commissie, de heer Barnier, bracht vervolgens de Italiaanse minister van Economische zaken en Financiën, de heer Tremonti, bij brief nr. 26777 van 14 mei 2003 daarvan op de hoogte.(13) De heer Barnier voegde hieraan toe, dat de Commissie aan haar oorspronkelijke rechtsopvatting inzake de ontbrekende subsidiabiliteit van de litigieuze voorschotten bleef vasthouden. Rekening houdend met een eventueel door haar gewekt gewettigd vertrouwen heeft de Commissie evenwel besloten alsnog de voorschotten als subsidiabel te erkennen die tot en met 19 februari 2003, derhalve tot het einde van de beraadslagingen in het Comité voor de ontwikkeling en de omschakeling van de regio’s, door een definitieve beschikking of in het kader van een uiterlijk op deze datum afgesloten aanbesteding waren goedgekeurd.
15. In een volgende brief nr. 26777 bis van 29 juli 2003 werd een vertaalfout in de oorspronkelijke brief nr. 26777 van 14 mei 2003 verbeterd. Het verschil tussen de twee brieven is gelegen in een enkel zinsdeel, dat details inzake de subsidiabiliteit van de tot en met 19 februari 2003 door de lidstaten verstrekte voorschotten bevat. Terwijl in de oorspronkelijke versie de woorden „procedura di gara conclusasi entro la stessa data”(14) stonden, was er in de nieuwe brief echter sprake van „procedura di gara, laddove il relativo bando sia stato chiuso entro la stessa data”.(15) In de begeleidende brief van de heer Barnier werd de nadruk erop gelegd dat deze nieuwe brief met terugwerkende kracht tot en met 14 mei 2003 in de plaats kwam van de oorspronkelijke.(16)
B – Zaken C‑324/03 en C‑431/03
16. De Italiaanse Republiek komt in de zaken C‑324/03 en C‑431/03 tegen deze twee laatstgenoemde brieven van commissaris Barnier in beroep.
17. De Italiaanse Republiek vecht in haar op 25 juli 2003 in zaak C‑324/03 ingestelde beroep brief nr. 26777 van commissaris Barnier(17) aan en verzoekt om nietigverklaring ervan, voorzover in deze brief de voorschotten die de lidstaten na 19 februari 2003 in het kader van overheidssteun hebben uitbetaald, als niet-subsidiabel worden beschouwd.
18. De Italiaanse Republiek bestrijdt in haar op 9 oktober 2003 in zaak C‑431/03 ingestelde beroep brief nr. 26777 bis van commissaris Barnier(18) en verzoekt om nietigverklaring ervan, voorzover deze brief de voorschotten die de lidstaten na 19 februari 2003 in het kader van overheidssteun hebben uitbetaald, als niet-subsidiabel beschouwt.
19. De Italiaanse Republiek verzoekt bovendien in beide zaken alle handelingen die aan deze brieven ten grondslag liggen of daarmee zijn verbonden, nietig te verklaren en de Commissie in de kosten te verwijzen.
20. De Commissie concludeert in beide zaken dat het beroep niet-ontvankelijk, subsidiair ongegrond wordt verklaard en dat verzoekster in de kosten wordt verwezen.
C – Zaak C‑138/03
21. Terwijl partijen in de zaken C‑324/03 en C‑431/03 van mening verschillen over de subsidiabiliteit van nationale voorschotten zonder dat er een concreet verzoek om betaling is, ligt aan het geschil in zaak C‑138/03 wél een dergelijk betalingsverzoek van de Italiaanse autoriteiten ten grondslag.
22. De Italiaanse autoriteiten hebben namelijk in het kader van het operationele programma, „Ricerca Scientifica, Sviluppo Tecnologico, Alta Formazione”(19) genaamd, bij brief nr. 38413 van hun ministerie van Economische zaken en Financiën van 23 december 2002 bij de Commissie een verzoek om tussentijdse betaling uit het structuurfonds ingediend. Dit verzoek betrof onder meer voorschotten voor betalingen die de Italiaanse autoriteiten aan individuele begunstigden in het kader van een nationale steunregeling hadden gedaan.
23. Bij brief nr. 100629 deelde de Commissie de Italiaanse autoriteiten op 20 januari 2003 mee(20), dat voor de kwestie van de subsidiabiliteit van voorschotten in het kader van steunmaatregelen nog geen definitieve oplossing was gevonden. Het directoraat-generaal Regionaal beleid had echter besloten, voortaan de desbetreffende bedragen in mindering te brengen in het kader van verzoeken om betaling. Dienovereenkomstig werd de Italiaanse autoriteiten verzocht, de door hen verstrekte voorschotten te berekenen, terwijl de verwerking van hun betalingsaanvraag tot nader order werd uitgesteld.
24. Vervolgens deelde de Commissie de Italiaanse autoriteiten bij brief nr. 102627 van 3 maart 2003 mee(21), dat hun voorschotten ten bedrage van 3 163 570,18 euro niet als subsidiabel werden erkend en daarom in mindering werden gebracht.
25. Het op 27 maart 2003 ingestelde beroep in zaak C‑138/03 is tegen voornoemde brieven nrs. 100629 en 102627 gericht. De Italiaanse Republiek verzoekt deze beide brieven, alsook alle handelingen die daaraan ten grondslag liggen of ermee zijn verbonden, nietig te verklaren en de Commissie in de kosten te verwijzen.
26. Nadat dit beroep was ingesteld, deelde de Commissie de Italiaanse autoriteiten op 23 mei 2003 evenwel mee(22), dat zij opdracht had gegeven het litigieuze bedrag te betalen en dat daarmee het in de brieven nrs. 100629 en 102627 vervatte besluit om de voorschotten niet als subsidiabel te erkennen, was „geannuleerd”. Ter motivering verwees de Commissie naar de inmiddels verzonden brief nr. 26777 van commissaris Barnier van 14 mei 2003(23), volgens welke ten aanzien van de tot en met 19 februari 2003 betaalde voorschotten bescherming van het gewettigd vertrouwen gold.
27. Op 5 juni 2003 heeft de Commissie vervolgens daadwerkelijk de desbetreffende nabetaling ten bedrage van 3 163 570,18 euro verricht.
28. In deze omstandigheden verzoekt de Commissie om doorhaling van zaak C‑138/03 in het register van het Hof.
D – Procedure voor het Hof
29. Bij beslissing van 26 januari 2004 heeft de President van het Hof de drie zaken C‑138/03, C‑324/03 en C‑431/03 gevoegd voor een eventuele mondelinge behandeling en ter gelijktijdige berechting bij het eindarrest.
30. De gemeenschappelijke mondelinge behandeling vond op 21 april 2005 plaats. Bij deze gelegenheid werd met partijen ook de vraag besproken, of het beroep in zaak C‑138/03 zonder voorwerp was geraakt (artikel 91, lid 3, juncto artikel 92, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering).
IV – Beoordeling
A – Zaak C‑138/03
31. In zaak C‑138/03 heeft de Commissie enkel om doorhaling in het register van het Hof „verzocht”.
32. Om doorhaling van een zaak kan als zodanig niet worden verzocht. Het bevel daartoe van de President van het Hof is slechts het procedurele gevolg van een buitengerechtelijke overeenstemming ten aanzien van de oplossing van het geschil (artikel 77 van het Reglement voor de procesvoering) of van afstand van instantie (artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering).
33. In de onderhavige zaak is echter geen mededeling van partijen ontvangen dat zij buitengerechtelijke overeenstemming hebben bereikt; evenmin is het beroep ingetrokken. Integendeel, de Italiaanse Republiek zet haar beroep door en handhaaft haar verzoeken. Daarmee zijn de voorwaarden voor doorhaling van de zaak niet vervuld.
34. Beziet men de strekking van het „verzoek” van de Commissie, dan kan het als een suggestie aan het Hof worden opgevat om krachtens artikel 92, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering te verklaren dat op het beroep niet meer behoeft te worden beslist. De Commissie is immers, zoals uit haar schriftelijke en mondelinge verklaringen blijkt, van mening dat het beroep inmiddels zonder voorwerp is geraakt.
35. Inderdaad heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten op 23 mei 2003 meegedeeld, dat zij opdracht had gegeven het litigieuze bedrag te betalen en dat de in haar beide brieven nrs. 100629 en 102627 vervatte besluiten om de voorschotten als niet-subsidiabel aan te merken, waren „geannuleerd”; vervolgens werd het litigieuze bedrag uitbetaald. Daarmee zijn alle voorwaarden vervuld om krachtens artikel 92, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering te verklaren dat op het beroep niet meer behoeft te worden beslist.
36. De Italiaanse Republiek onderstreept zowel in haar repliek op het verweerschrift van de Commissie als tijdens de mondelinge behandeling, dat een uitputtend en definitief antwoord moet worden gegeven op de gerezen rechtsvragen, teneinde te voorkomen dat de Commissie in de toekomst besluiten neemt die vergelijkbaar zijn met die welke in casu worden aangevochten, dat wil zeggen besluiten waarmee zij medefinanciering uit het structuurfonds weigert van in het kader van nationale steunmaatregelen verrichte betalingen.(24) De Italiaanse Republiek wijst erop, dat met betrekking tot de subsidiabiliteit van dergelijke betalingen rechtsonzekerheid blijft bestaan.(25)
37. De Italiaanse Republiek stelt dus, dat zij ondanks de nabetaling van het litigieuze bedrag nog steeds procesbelang heeft, in het bijzonder omdat in vergelijkbare gevallen het gevaar dreigt dat de Commissie in de toekomst wederom haar betalingsaanvragen zal afwijzen.
38. Om te beginnen moet in dit verband worden vastgesteld, dat het betoog van de Italiaanse Republiek inzake het voortbestaan van haar procesbelang niet tardief is. Uit artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procedure vloeit namelijk voort dat nieuwe middelen ook in de loop van het geding mogen worden voorgedragen, wanneer zij steunen op gegevens, hetzij rechtens hetzij feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. In casu zijn de vereiste voorwaarden vervuld. Het verzoekschrift van de Italiaanse Republiek was reeds op 27 maart 2003 bij het Hof ingekomen. Eerst daarna, op 23 mei 2003, wijzigde de Commissie bij brief nr. 106837 haar standpunt, en op 5 juli 2003 volgde ten slotte de nabetaling van het litigieuze bedrag. De daardoor veroorzaakte wijziging in de feitelijke situatie vond dus plaats na het instellen van het beroep, zodat de Italiaanse Republiek daarmee pas in haar repliek rekening kon houden.
39. In feite hebben het Hof en het Gerecht reeds meermaals erkend dat er nog steeds een belang kan bestaan om handelingen nietig te verklaren die weliswaar niet formeel zijn ingetrokken, maar waaraan het oorspronkelijke voorwerp is ontvallen. Zo kunnen soms partijen die bij concentraties tussen ondernemingen zijn betrokken ook dan nog een beroep tot nietigverklaring instellen of doorzetten tegen verbodsbeschikkingen van de Commissie, wanneer zij naar aanleiding van het verbod het aangemelde fusieplan reeds hebben opgegeven. Het procesbelang van de verzoekende partij in dergelijke en gelijksoortige gevallen kan bijvoorbeeld uit het risico van een herhaling van (vermeend) wederrechtelijk handelen van een instelling van de Gemeenschap voortvloeien.(26) Bovendien kan het instellen van een beroep tot nietigverklaring de grondslag voor een latere aansprakelijkheidsactie opleveren.(27) Verder wordt in de rechtspraak ook gewezen op het vereiste van rechterlijke toetsing van handelingen van instellingen van de Gemeenschap, die een rechtsgemeenschap is.(28)
40. De onderhavige zaak heeft echter een bijzonder aspect. Niet alleen heeft de Commissie het litigieuze bedrag nabetaald, maar ook heeft zij zelf in haar schrijven nr. 106837 van 23 mei 2003 de bestreden beschikkingen reeds uitdrukkelijk ingetrokken („geannuleerd”). Daarmee zijn, in tegenstelling tot de hiervoor genoemde voorbeelden op het gebied van het toezicht op fusies, de hier bestreden handelingen non-existent geworden. Er is dus in het geheel geen handeling meer die het voorwerp zou kunnen zijn van een beroep tot nietigverklaring.
41. Bovendien heeft de Italiaanse Republiek thans het door haar nagestreefde doel, namelijk intrekking van de bestreden handeling, bereikt. Het Hof kan haar in de procedure van artikel 230 EG niet méér rechtsbescherming bieden. Met name kan het de in een dergelijke procedure gestelde rechtsvragen niet los van een voor beroep vatbare handeling beantwoorden. Dit zou namelijk tot een rechtsgeleerd advies inzake een abstract juridisch probleem voeren, waarvoor het Hof in het rechtsbeschermingsstelsel van het EG-Verdrag met zijn uitputtend opgesomde vormen van beroep niet bevoegd is. Pas wanneer de Commissie in de toekomst opnieuw een terugbetalingsaanvraag van de Italiaanse autoriteiten (gedeeltelijk) afwijst, kan de Italiaanse Republiek via het instellen van een beroep tot nietigverklaring een antwoord krijgen op de daaraan ten grondslag liggende rechtsvragen.(29)
42. In deze omstandigheden kom ik tot de conclusie dat de Italiaanse Republiek in de onderhavige zaak geen procesbelang meer heeft bij de voortzetting van haar beroep tot nietigverklaring. Met de uitdrukkelijke intrekking („annulering”) van de litigieuze brieven van de Commissie is het beroep in zaak C‑138/03 zonder voorwerp geraakt, zodat krachtens artikel 92, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering niet meer op het beroep behoeft te worden beslist.(30)
B – Zaken C‑324/03 en C‑431/03
1. Ontvankelijkheid van de beroepen
43. De Commissie voert in de zaken C‑324/03 en C‑431/03 de niet-ontvankelijkheid van het beroep aan.
a) Zaak C‑324/03
44. De Commissie is in zaak C‑324/03 van mening dat de aan het beroep ten grondslag liggende brief nr. 26777 van commissaris Barnier van 14 mei 2003 om twee redenen geen voor beroep vatbare handeling is. Ten eerste gaat het hier slechts om een meningsuiting en ten tweede wordt in deze brief enkel bevestigd wat al uit de interpretatieve nota blijkt.(31)
45. Volgens ’s Hofs vaste rechtspraak zijn alle maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen welke de belangen van verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, vatbaar voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 230 EG.(32) Om uit te maken of een maatregel een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 230, eerste alinea, EG is, dient te worden afgegaan op de inhoud ervan – de vorm waarin de maatregel is genomen is in dit opzicht van geen belang.(33)
46. De inhoud van de litigieuze brief van commissaris Barnier bestaat uit twee delen. In het eerste deel zet de Commissie uiteen dat zij – na de mislukking van de beraadslagingen in het Comité voor de ontwikkeling en de omschakeling van de regio’s – aan haar oorspronkelijke rechtsopvatting vasthoudt, dat in beginsel voor voorschotten van nationale autoriteiten in het kader van steunmaatregelen geen subsidie uit de structuurfondsen kan worden verstrekt. Het tweede deel van de brief bevat de reeds genoemde uitzonderingsregeling dat voorschotten uit de periode tot en met 19 februari 2003 op grond van de vertrouwensbescherming nog als subsidiabel worden erkend.
47. Het beroep van de Italiaanse Republiek heeft geen betrekking op deze erkenning van betalingen over de periode tot en met 19 februari 2003 en bestrijdt evenmin de keuze van deze concrete peildatum. Het beroep beoogt daarentegen om bedoelde brief nietig te laten verklaren voorzover voorschotten van nationale instanties in de regel, dat wil zeggen zonder toepassing van de peildatumregel, nog steeds niet voor subsidie in aanmerking komen.(34) Met andere woorden, de bezwaren van verzoekster richten zich niet tegen de ingevoerde en voor haar gunstige uitzonderingsregeling, maar tegen de opnieuw bevestigde en voor verzoekster ongunstige algemene rechtsopvatting van de Commissie, dat voorschotten van nationale instanties in beginsel – en dus ook na 19 februari 2003 – niet subsidiabel zijn. In feite vecht de Italiaanse Republiek dus niet het tweede, maar het eerste deel van de brief van commissaris Barnier aan.
48. Een beroep met dit voorwerp is echter niet-ontvankelijk, omdat het niet tegen een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 230, lid 1, EG is gericht.
49. Het eerste, in werkelijkheid betwiste, deel van de brief van commissaris Barnier brengt immers slechts opnieuw de – duidelijk controversiële – rechtsopvatting van de Commissie inzake de uitlegging van bestaande bepalingen tot uitdrukking.(35) Uiteindelijk gaat het hier vooral, evenals reeds in de interpretatieve nota, om de uitlegging van de vage rechtsbegrippen „daadwerkelijk verrichte uitgaven” en „door de eindbegunstigden gedane betalingen”. Zo wordt in deze brief nogmaals bevestigd dat naar de mening van de Commissie voorschotten van nationale instanties in het kader van steunmaatregelen in beginsel niet uit de structuurfondsen kunnen worden medegefinancierd, tenzij het bewijs kan worden geleverd van de besteding van deze voorschotten door de individuele begunstigden.
50. Dergelijke uiteenzettingen ter uitlegging van bestaande bepalingen zijn louter meningsuitingen die niet rechtens bindend zijn.(36) Bindende rechtsgevolgen die de belangen van de Italiaanse Republiek kunnen aantasten doordat zij haar rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, worden hierdoor niet teweeggebracht, laat staan beoogd. De brief heeft niet tot doel, verzoekster een bestaand recht, zoals bijvoorbeeld een aanspraak op voorschotten uit de structuurfondsen, te ontnemen of alleen maar door bijkomende voorwaarden de uitoefening van dit recht te bemoeilijken.(37) De brief gaat er eerder van uit dat een dergelijke rechtspositie en een dergelijke aanspraak nooit hebben bestaan.
51. Ook de invoering van de peildatum van 19 februari 2003 heeft geenszins tot gevolg, dat een niet-bindende meningsuiting een besluit met bindende rechtsgevolgen wordt. Ontegenzeglijk wordt door de peildatum de rechtspositie van verzoekster voor de periode tot en met 19 februari 2003 verbeterd, aangezien de nieuwe uitzonderingsregeling gedurende die periode wordt toegepast.(38) Voor de hier relevante periode na 19 februari 2003 blijft de rechtspositie van verzoekster daarentegen onveranderd; de Commissie heeft de in deze periode toegekende voorschotten tot dusver in beginsel niet-subsidiabel geacht en acht deze nog steeds niet-subsidiabel. Ook de thans ingevoerde peildatum brengt daar geen verandering in.
52. In de litigieuze brief kondigt de Commissie slechts (opnieuw) aan, welke gedragslijn zij in de toekomst bij de uitoefening van haar bevoegdheden voornemens is te volgen(39), dat wil zeggen hoe zij in de toekomst denkt te besluiten wanneer haar betalingsaanvragen worden voorgelegd. Eerst wanneer haar aankondiging in een gegeven situatie vorm krijgt doordat zij besluiten neemt over betalingsaanvragen van de lidstaten, worden voor deze laatste rechtsgevolgen in het leven geroepen.(40)
53. Weliswaar kan een dergelijke aankondiging in voorkomend geval reeds dwingende werking voor het bestuur hebben („Selbstbindung”) en tot het ontstaan van een bestuurspraktijk leiden,(41) doch ook een bestuurspraktijk kan slechts aan rechterlijke toetsing worden onderworpen wanneer zij in een concreet geval wordt toegepast; zij kan niet abstract, los van een afzonderlijk besluit, tot voorwerp van een beroep tot nietigverklaring worden gemaakt.(42)
54. Zelfs indien men echter uitgaat van de vooronderstelling dat de brief van commissaris Barnier geen loutere meningsuiting en aankondiging van de Commissie inhoudt, maar een juridisch bindend besluit inhoudend dat de na 19 februari 2003 verstrekte voorschotten voortaan niet meer worden erkend, dan nog leidt zulks niet dwingend tot de conclusie dat dit deel van de brief kan worden aangevochten. Want volgens vaste rechtspraak is een beroep tot nietigverklaring van een handeling waardoor een niet binnen de termijnen aangevochten eerdere handeling wordt bevestigd, niet-ontvankelijk.(43) Van een dergelijke zuivere bevestiging van een vroeger besluit is sprake wanneer de aangevochten handeling vergeleken met het vroegere besluit geen nieuw element bevat en niet is voorafgegaan door een heronderzoek van de situatie van de adressaat van dat eerdere besluit.(44)
55. Dit is het geval in deze zaak. De uitspraak van de Commissie in het aangevochten eerste deel van de brief, dat voorschotten in het kader van nationale steunmaatregelen in beginsel niet subsidiabel zijn, is niet nieuw. Zij was reeds in de interpretatieve nota te vinden, die onder meer ook aan verzoekster is meegedeeld(45), evenals overigens in brief nr. 100629 van 20 januari 2003.(46) Wil men een dergelijke uitspraak – in strijd met de hier verdedigde opvatting – aanmerken als een besluit, dan was dus reeds de interpretatieve nota de aanvechtbare handeling en niet pas de litigieuze brief van commissaris Barnier, die deze uitspraak enkel herhaalt en bekrachtigt.
56. Weliswaar bevat het tweede deel van de brief van commissaris Barnier ontegenzeglijk een nieuw element in de vorm van de uitzonderingsregel met peildatum, doch het gaat daarbij om een nauw afgebakende uitzonderingsbepaling voor oude gevallen, namelijk voor de tot en met 19 februari 2003 door de lidstaten gedane betalingen. Een „nieuw element” voor de beoordeling van de – in casu uitsluitend ter discussie staande – vraag van de subsidiabiliteit van de betalingen over de periode na 19 februari 2003 is hierin niet gelegen. De rechtspositie van de lidstaten met betrekking tot de door hen na deze peildatum verrichte betalingen wordt hierdoor verbeterd noch verslechterd – zij blijft onveranderd.
57. Er zijn evenmin aanknopingspunten dat voorafgaand aan de verzending van de litigieuze brief de rechtssituatie opnieuw is onderzocht en dat de Commissie haar tot dusverre ingenomen standpunt heeft heroverwogen. De Commissie heeft sinds de verzending van haar interpretatieve nota juist altijd haar rechtsopvatting gehandhaafd, namelijk dat voorschotten van nationale instanties in het kader van steunmaatregelen volgens het geldende recht in beginsel niet subsidiabel zijn. Weliswaar heeft de Commissie in de tussenliggende tijd zonder succes getracht voor de toekomst een wijziging van deze rechtssituatie in te voeren(47), maar voorzover bekend heeft zij daarbij op geen enkel tijdstip haar eigen opvatting over de uitlegging van de bestaande rechtssituatie ter discussie gesteld.
58. Ook de litigieuze brief van commissaris Barnier zelf duidt er geenszins op, dat de Commissie haar eerdere opvatting in het algemeen ter discussie heeft gesteld. De brief voert enkel in het tweede deel ervan een nauw afgebakende uitzonderingsregeling voor oude gevallen in, namelijk voor de tot en met 19 februari 2003 gedane betalingen. Voor het overige wordt echter, zoals blijkt uit het eerste deel van de brief, de eerdere rechtsopvatting van de Commissie nogmaals uitdrukkelijk bevestigd.
59. Zelfs indien men dus aan het litigieuze eerste deel van de brief van commissaris Barnier – in strijd met de hier verdedigde opvatting – bindende rechtsgevolgen toekent, bevat deze brief hoogstens een bevestiging van hetgeen dan ook reeds uit de interpretatieve nota voortvloeide. De brief kan derhalve op dit punt niet worden aangevochten.
60. Ook de door de Italiaanse Republiek aangehaalde arresten brengen mij niet tot een ander oordeel.
61. Wat om te beginnen het arrest Herpels(48) betreft, deze zaak vertoont inderdaad een zekere overeenkomst met de onderhavige zaak, omdat het in beide zaken om de vaststelling van een uitzonderingsregeling op grond van de billijkheid ging. In de zaak Herpels heeft de Commissie de verzoekende ambtenaar „ad personam” een overbruggingstoelage boven zijn salaris toegekend; in casu heeft zij op grond van de vertrouwensbescherming een uitzonderingsregeling voor de toekenning van voorschotten uit de structuurfondsen ingevoerd. Maar van grotere betekenis zijn de verschillen tussen beide zaken. Ten eerste werd, volgens het Hof, in de zaak Herpels de feitelijke situatie opnieuw onderzocht, en wel in een aantal fasen, hetgeen door verscheidene, achtereenvolgens aan de verzoeker gezonden brieven met een verschillende inhoud wordt weerspiegeld. In de onderhavige zaak daarentegen zijn er, zoals gebleken, geen aanknopingspunten dat de Commissie op enig moment haar uitlegging van de bestaande rechtssituatie grondig heeft heroverwogen. Zij heeft haar mening langdurig en in tal van brieven onveranderd gehandhaafd en uiteindelijk ook in de in casu aangevochten brief van commissaris Barnier nogmaals verwoord. Ten tweede kwam in de zaak Herpels de nieuwe, „ad personam” toegekende overbruggingstoelage zonder voorbehoud in de plaats van de tot dan toe toegekende ontheemdingstoelage, zodat de stopzetting van de ontheemdingstoelage en de toekenning van de overbruggingstoelage, als twee kanten van dezelfde medaille, in nauw verband met elkaar stonden. De situatie in de onderhavige zaak is anders. Zoals gezegd, vervangt de litigieuze brief de tot dusverre door de Commissie gehuldigde opvatting geenszins in het algemeen door een nieuwe opvatting, maar voert deze enkel een nauw afgebakende uitzonderingsregeling voor oude gevallen in. Voor de toekomst blijft de Commissie bij haar eerdere opvatting, dat voorschotten in beginsel niet subsidiabel zijn.
62. De vier arresten Frankrijk/Commissie(49), waarop de Italiaanse Republiek een beroep doet, pleiten er evenmin voor dat de brief van commissaris Barnier voor beroep vatbaar is. Afgezien van het feit namelijk dat in deze arresten de onderzoeken naar de ontvankelijkheid en naar de gegrondheid op ongelukkige wijze worden vermengd, onderscheiden de daarin behandelde zaken zich ook inhoudelijk zeer wezenlijk van de onderhavige zaak. Om met advocaat-generaal Tesauro te spreken, betroffen die zaken elk handelingen „[waarover] geen enkele twijfel kon bestaan [dat zij] de bedoeling [hadden] een voor de adressaten bindende regeling vast te stellen”(50), bijvoorbeeld in de vorm van een gedragscode met concrete verplichtingen en termijnen voor nationale instanties. Daarentegen lag aan de aangevochten brief van commissaris Barnier in de onderhavige zaak C‑324/03 van meet af aan duidelijk de vooronderstelling van de Commissie ten grondslag, dat voor de litigieuze betalingen hoe dan ook nooit een aanspraak op voorschotten uit de structuurfondsen heeft bestaan. Dientengevolge had deze brief, zoals gezegd, geenszins de bedoeling om een dergelijke aanspraak te ontnemen of het geldend maken daarvan door bijkomende voorwaarden te bemoeilijken. De brief heeft tot geen enkele wijziging van de rechtspositie van de Italiaanse Republiek geleid.(51)
63. Mijn conclusie luidt derhalve, dat ik het met de Commissie eens ben dat het beroep in zaak C‑324/03 niet-ontvankelijk is.
b) Zaak C‑431/03
64. In zaak C‑431/03 betoogt de Commissie dat het beroep wegens litispendentie niet-ontvankelijk is, omdat de Italiaanse Republiek over hetzelfde geschil reeds in zaak C‑324/03 beroep heeft ingesteld. Bovendien herhaalt de Commissie haar excepties van niet-ontvankelijkheid die zij reeds in zaak C‑324/03 heeft aangevoerd.
65. Uit de begeleidende brief van commissaris Barnier blijkt, dat zijn brief nr. 26777 bis van 29 juli 2003 uitsluitend strekte tot verbetering van een vertaalfout in zijn eerdere brief nr. 26777 van 14 mei 2003.
66. Dit oogmerk op zich sluit nog niet uit dat ook de nieuwe brief een voor beroep vatbare handeling, dus een handeling die als een besluit kan worden aangemerkt, bevat die bindende rechtsgevolgen in het leven roept. Het is namelijk zeer wel denkbaar, dat onder de dekmantel van de verbetering van een vertaalfout een vroegere handeling met beslissingskarakter een volledig andere inhoud krijgt dan de oorspronkelijke. In een dergelijk geval moeten de betrokkenen rechtsbescherming tegen de nieuwe inhoud van het besluit kunnen verkrijgen. Dit klemt temeer wanneer, zoals in de onderhavige zaak, de verbeterde passage een van de belangrijkste gedeelten van de brief is, waarbij de wijze van toepassing van de uitzonderingsregeling voor betalingen vóór de periode tot en met 19 februari 2003 wordt gepreciseerd.
67. Uiteindelijk kan echter in casu de vraag open blijven of de verbetering van de litigieuze passage kan worden aangevochten. Ook in zaak C‑431/03 is dit deel van de brief, zoals reeds in zaak 324/03, namelijk geenszins het voorwerp van het beroep van de Italiaanse Republiek. De op dit punt identiek geformuleerde beroepen zijn juist niet gericht tegen de nieuw ingevoerde en voor de Italiaanse Republiek zonder meer gunstige uitzonderingsregeling en de concrete wijze van toepassing daarvan, maar tegen de herhaaldelijk bevestigde en voor Italië ongunstige algemene rechtsopvatting van de Commissie, dat voorschotten van nationale instanties in beginsel niet subsidiabel zijn. Daarmee is het beroep in zaak C‑431/03 uitsluitend tegen dat deel van brief nr. 26777 bis gericht dat identiek is aan de oorspronkelijke brief nr. 26777 en niet is gewijzigd.
68. Wat ik hierboven over zaak C‑324/03 heb gezegd(52), geldt derhalve eveneens in zaak C‑431/03. Het beroep van de Italiaanse Republiek is reeds daarom niet-ontvankelijk, omdat het in het geheel geen besluit met bindende rechtsgevolgen tot voorwerp heeft, maar louter een meningsuiting of een aankondiging van de Commissie, die krachtens artikel 230, eerste alinea, EG niet voor beroep vatbaar zijn. Zelfs wanneer men echter vooronderstelt dat de brief van commissaris Barnier bindende rechtsgevolgen heeft, dan nog betreft het hier slechts een (nadere) bevestiging van de interpretatieve nota, die als loutere herhaling van een handeling niet kan worden aangevochten.
69. Bovendien is het beroep, zoals de Commissie terecht opmerkt, wegens litispendentie niet-ontvankelijk. Het Hof heeft meermaals vastgesteld dat een later ingesteld beroep niet-ontvankelijk is, wanneer dezelfde partijen tegenover elkaar staan, dezelfde middelen worden aangevoerd en nietigverklaring van dezelfde handeling wordt gevorderd als in een reeds aanhangig eerder beroep.(53)
70. Dit is het geval in de onderhavige zaak. De beroepen van de Italiaanse Republiek in de zaken C‑324/03 en C‑431/03 hebben betrekking op dezelfde partijen, zijn op dezelfde middelen gebaseerd (die in wezen zelfs identiek geformuleerd zijn)(54) en beogen de nietigverklaring van hetzelfde ongewijzigde deel van een brief van commissaris Barnier. De litispendentie van zaak C‑324/03 verzet zich dus tegen de ontvankelijkheid van zaak C‑431/03.
71. Mijn conclusie luidt derhalve dat ik het met de Commissie eens ben dat ook het beroep in zaak C‑431/03 niet-ontvankelijk is.
2. Gegrondheid van de beroepen
72. Ten gronde wordt in beide zaken (C‑324/03 en C‑431/03) met name gesteld dat artikel 32 van verordening nr. 1260/1999 alsmede de punten 1 en 2 van regel nr. 1 voor de subsidiabiliteit zijn geschonden.(55) Het geschil tussen partijen betreft de vraag, of en onder welke voorwaarden ook voor door nationale instanties verstrekte voorschotten subsidies uit de structuurfondsen van de Gemeenschap kunnen worden toegekend. Nauwkeuriger gezegd gaat het erom, of de Commissie de door de lidstaten aangevraagde tussentijdse of saldobetalingen (artikel 32, lid 1, derde alinea, tweede volzin, van verordening nr. 1260/1999) mag laten afhangen van bewijzen van de besteding van nationale voorschotten. De Italiaanse Republiek is van mening, dat zulks in strijd is met de genoemde bepalingen van de basisverordening en de uitvoeringsverordening.
73. Aangezien ik de niet-ontvankelijkheid van beide beroepen heb vastgesteld, neem ik hierover hierna slechts subsidiair een standpunt in. Ik zeg er meteen bij, dat de stelling van de Commissie mij meer overtuigt dan die van de Italiaanse Republiek.
74. Volgens de tekst van artikel 32, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 1260/1999 is het in beginsel geenszins uitgesloten dat ook voorschotten uit het structuurfonds worden gesubsidieerd die door de eindbegunstigden(56) aan individuele begunstigden worden verstrekt. Overeenkomstig de tweede volzin van deze bepaling is het namelijk voldoende dat de lidstaten uitgaven bij de Commissie declareren, waarbij deze uitgaven moeten overeenkomen met door de eindbegunstigden gedane betalingen. De begrippen „betalingen” en „uitgaven” kunnen ruim worden opgevat. Zo vat de gemeenschapswetgever het woord „betalingen” als een algemene term op die met name ook voorschotten omvat.(57)
75. Zoals echter ook uit artikel 32, lid 1, derde alinea, tweede volzin, van verordening nr. 1260/1999 blijkt, zijn enkel daadwerkelijk verrichte uitgaven van nationale instanties in het kader van tussentijdse of saldobetalingen door de Commissie subsidiabel, en dan ook nog alleen indien deze uitgaven door vereffende facturen of boekingsbescheiden met gelijkwaardige bewijskracht worden gestaafd. In punt 2 van regel nr. 1 voor de subsidiabiliteit wordt dit voorschrift aldus gepreciseerd, dat in het algemeen vereffende facturen moeten worden overgelegd; wanneer dit niet mogelijk is, mogen boekingsstukken met gelijkwaardige bewijskracht worden overgelegd.
76. De beschreven regeling berust op het beginsel van de vergoeding van kosten.(58) In principe dienen enkel uitgaven van nationale instanties te worden gesubsidieerd waarvan reeds een bewijs van het bestaan ervan is overgelegd. Het is dus niet voldoende dat een nationale autoriteit (een eindbegunstigde) betalingen heeft verricht, er moet ook worden bewezen, waarvoor de toegekende subsidies concreet zijn gebruikt.
77. Het beginsel van de vergoeding van kosten strekt ertoe, de financiële risico’s voor het gemeenschapsbudget tot een minimum terug te brengen. Voorkomen moet worden dat de Gemeenschap eerst uit de structuurfondsen subsidies verleent en deze later, in geval van gebruik van subsidies dat niet met het doel ervan overeenkomt, niet of enkel moeizaam kan terugvorderen. Aldus dient uiteindelijk het beginsel van een goed financieel beheer (artikel 274 EG) in acht te worden genomen. Zeer duidelijk wordt deze nauwe samenhang tussen een goed financieel beheer en het vereiste om bewijsstukken van uitgaven over te leggen (en daarmee van het gebruik daarvan) verwoord in de drieënveertigste overweging van de considerans van verordening nr. 1260/1999.
78. Het spreekt voor zich dat de nationale instanties de vrijheid behouden om met eigen middelen aan individuele begunstigden voorschotten te verstrekken, dat wil zeggen betalingen te verrichten terwijl nog geen concreet bewijs van de besteding ervan is overgelegd. De Italiaanse Republiek heeft terecht betoogd dat de tekortschietende financiële middelen van de individuele begunstigden er regelmatig toe nopen, hen dergelijke voorschotten toe te kennen om een begin zonder haperen van gesubsidieerde projecten te verzekeren.(59) In een dergelijk geval ligt echter het risico dat vooraf betaalde subsidies eventueel niet overeenkomstig hun doel worden gebruikt en dus later moeten worden teruggeëist, bij de betrokken lidstaat en niet bij de Gemeenschap. Enkel de nationale instanties kunnen namelijk op het tijdstip van de betaling van een voorschot beoordelen, of de individuele begunstigde de waarborg biedt dat het voorschot voor het juiste doel wordt gebruikt. Dientengevolge moeten ook de nationale instanties en niet de Gemeenschap het risico van een mislukking dragen en belast worden met de moeilijkheden die met een eventuele terugvordering gepaard gaan. Subsidies uit de structuurfondsen van de Gemeenschap kunnen in ieder geval krachtens artikel 32, lid 1, derde alinea, tweede volzin, van verordening nr. 1260/1999 pas worden toegekend na overlegging van vereffende facturen of boekingsbescheiden met gelijkwaardige bewijskracht, dat wil zeggen wanneer de door de nationale instanties vooruitbetaalde subsidies voor een concreet gebruik zijn gebruikt en daarvan ook bewijzen bestaan.
79. Terwijl de lidstaten dus vrij zijn om individuele begunstigden in grotere mate voorschotten uit nationale middelen toe te kennen, wijkt de Gemeenschap zelf bij het beheer van haar structuurfondsen slechts in zeer beperkte mate af van het beginsel van de vergoeding (achteraf) van kosten. Zoals namelijk uit artikel 32, lid 2, van verordening nr. 1260/1999 blijkt, kan de Commissie aan de lidstaten uit de middelen van de structuurfondsen voorschotten van ten hoogste slechts 7 % van de bijdrage van de fondsen in het betrokken bijstandspakket verstrekken. Het gemeenschapsbudget aanvaardt dus slechts in deze mate het risico dat middelen uit de structuurfondsen niet overeenkomstig hun doel worden gebruikt en derhalve later eventueel moet worden teruggeëist. De basisverordening staat de Commissie toe om enkel voor dergelijke voorschotten middelen uit de structuurfondsen ter beschikking te stellen zonder dat zij tegelijkertijd bewijzen van het gebruik daarvan ontvangt. Voor alle andere betalingen, in het bijzonder de hier van belang zijnde toekenning van voorschotten door middel van tussentijdse betalingen en saldobetalingen uit de structuurfondsen, geldt daarentegen zonder uitzondering artikel 32, lid 2, derde alinea, tweede volzin, van verordening nr. 1260/1999 en daarmee het beginsel van de kostenvergoeding tegen overlegging van betalingsbewijzen.
80. Indien werd toegestaan dat de Gemeenschap ook in het kader van tussentijdse en saldobetalingen uit de structuurfondsen subsidies voor uitgaven van nationale instanties verstrekt, waarvoor (nog) geen betalingsbewijzen bestaan, zou dit tot omzeiling van artikel 32, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 1260/1999 en de daarin voorziene beperking van het risico voor het gemeenschapsbudget tot 7 % van de bijdrage van de fondsen in het betrokken bijstandspakket leiden.
81. De argumenten waarop de Italiaanse Republiek haar stelling baseert dat voor medefinanciering van voorschotten van de eindbegunstigde in het kader van nationale steunmaatregelen geen betalingsbewijzen nodig zijn, overtuigen mij niet.
82. Het is zeker juist dat de basisverordening, voorzover hier van belang, twee verschillende mogelijkheden voor het gebruik van subsidies noemt. Enerzijds zijn er de zogenaamde verrichtingen, waartoe de eindbegunstigden opdracht geven(60), anderzijds zijn er de zogenoemde maatregelen, waartoe met name ook steunmaatregelen behoren.(61)
83. Oppervlakkig beschouwd bestaat er in beide gevallen ook een verschil aangaande de eisen die aan het bewijs van de betalingen door de nationale instanties worden gesteld. Zo dienen bij verrichtingen de betalingen jegens de Commissie te worden bewezen die de eindbegunstigden hebben gedaan aan de ondernemers, die van hen een opdracht hebben gekregen (punt 1.3 van regel nr. 1 voor de subsidiabiliteit); bij nationale steunmaatregelen daarentegen moet de steun worden bewezen die door de eindbegunstigden aan de individuele begunstigden is betaald (punt 1.2 van regel nr. 1 voor de subsidiabiliteit).
84. Bij nadere beschouwing geldt echter voor beide soorten betalingen (zowel in het kader van verrichtingen als van steunmaatregelen) in gelijke mate het beginsel van de kostenvergoeding en daarmee uiteindelijk het vereiste dat voor gedane uitgaven bewijsstukken moeten worden overgelegd. Zoals namelijk uit punt 2 van regel nr. 1 voor de subsidiabiliteit blijkt – gelet op de systematiek is deze bepaling op beide soorten structuursubsidies van toepassing – zijn zowel in het ene als in het andere geval vereffende facturen of, indien zulks niet mogelijk is, boekingsbescheiden met gelijke bewijskracht vereist.(62)
85. Vereffende facturen en boekingsbewijzen met gelijke bewijskracht zijn bij subsidies in het kader van nationale steunmaatregelen in het algemeen niet reeds voorhanden in de relatie tussen eindbegunstigden en individuele begunstigden, maar pas in de relatie daarna, tussen individuele begunstigden en „derden”, ter vergoeding van de prestaties waarvan de individuele begunstigden de subsidies uiteindelijk uitgeven. In tegenstelling tot wat de Italiaanse Republiek meent, noopt echter de strekking van het systeem juist tot het gebruik van bewijzen die voortvloeien uit de relatie tussen individuele begunstigden en „derden”. Volgens punt 1.2, tweede volzin, van regel nr. 1 voor de subsidiabiliteit dient namelijk ter motivering van de door de individuele begunstigden gedane betalingen te worden verwezen naar de voorwaarden en de doelstellingen van de steun. Daartoe kan niet het bewijs volstaan dat een betaling aan een individuele begunstigde is gedaan; integendeel, daarnaast is ook een bewijs van de concrete besteding van de subsidie door de individuele begunstigde vereist. Dit bewijs moet, zoals reeds gezegd, in het algemeen door middel van vereffende facturen en, subsidiair, door boekingsbescheiden met gelijkwaardige bewijskracht worden geleverd (punt 2 van regel nr. 1 voor de subsidiabiliteit).
86. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Italiaanse Republiek op mijn vraag nog geantwoord, dat zij niet in het algemeen de noodzaak in twijfel trekt van de overlegging van bestedingsbewijzen in verband met betalingen in het kader van nationale steunmaatregelen. Voor haar is veeleer het tijdstip van belang waarop deze bestedingsbewijzen moeten worden overgelegd.
87. In dit verband herinner ik eraan dat het beginsel van de vergoeding van kosten juist tot doel heeft om het gemeenschapsbudget te vrijwaren voor het risico van financiering van uitgaven waarvan de besteding nog niet is bewezen. Pas op het tijdstip dat de bestedingsbewijzen van de betalingen die de lidstaten in het kader van nationale steunmaatregelen hebben verricht, zijn overgelegd, kunnen de lidstaten hiervoor voorschotten uit de structuurfondsen aanvragen, dat wil zeggen tussentijdse of saldobetalingen bij de Commissie aanvragen. Vóór dit tijdstip kunnen de lidstaten uitsluitend gebruikmaken van de – tot 7 % beperkte bijdrage van de fondsen – bedragen die de Commissie hun van haar kant als voorschotten ter beschikking stelt en die uiteraard zonder bestedingsbewijzen kunnen worden betaald (artikel 32, lid 1, derde alinea, eerste volzin, juncto lid 2, van verordening nr. 1260/1999).
88. Op grond van het bovenstaande ben ik in het geheel genomen van mening, dat de Commissie rechtmatig handelt door de subsidiëring van voorschotten van nationale instanties in het kader van steunmaatregelen te laten afhangen van de overlegging van bestedingsbewijzen. De beroepen van de Italiaanse Republiek zijn derhalve niet alleen niet-ontvankelijk, maar ook ongegrond.
V – Kosten
89. Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek in de zaken C‑324/03 en C‑431/03 in het ongelijk is gesteld, dient zij conform de vordering van de Commissie in beide zaken in de kosten te worden verwezen.
90. Wat daarentegen zaak C‑138/03 betreft, waarin het beroep zonder voorwerp is geraakt, beslist het Hof krachtens artikel 69, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering vrijelijk over de kosten. In de onderhavige zaak dient de Commissie in de kosten te worden verwezen, omdat zij door haar aanvankelijke handelwijze de Italiaanse Republiek tot het instellen van beroep heeft genoopt en zij pas nadat het beroep was ingesteld, de beide bestreden besluiten heeft ingetrokken en het litigieuze bedrag heeft nabetaald.
VI – Conclusie
91. Op grond van bovenstaande overwegingen stel ik het Hof voor:
– in zaak C‑138/03 vast te stellen dat het beroep zonder voorwerp is geraakt en de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de kosten te verwijzen;
– in de zaken C‑324/03 en C‑431/03 beide beroepen te verwerpen en de Italiaanse Republiek in de kosten te verwijzen.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Zie met name de zaken T‑207/04, T‑223/04 (voorheen C‑401/03), T‑345/04, T‑443/04, T‑26/05, T‑82/05, T‑83/05 en T‑140/05.
3 – Beschikkingen Gerecht van 16 maart 2005 in de zaken T‑207/04, T‑223/04 en T‑345/04.
4 – PB L 161, blz. 1. Laatstelijk gewijzigd door bijlage II, hoofdstuk 15, nr. 2, bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 2003, L 236, blz. 658).
5 – PB L 193, blz. 39.
6 – PB, L 72, blz. 66. Een gelijkluidende wijziging van punt 2 van regel nr. 1 voor de subsidiabiliteit was overigens al ingevoerd bij verordening (EG) nr. 1145/2003 van de Commissie van 27 juni 2003, eveneens met terugwerkende kracht tot en met 5 augustus 2000; aan die wijziging kleefde echter een procedurefout, zodat zij moest worden herzien (zie tiende overweging van de considerans van verordening nr. 448/2004).
7 – Volledigheidshalve wijs ik erop dat bij verordening nr. 448/2004 punt 1.3 is hernummerd als punt 1.4. Aangezien echter alle processtukken betrekking hebben op de oorspronkelijke versie van de subsidiabiliteitsregels in de versie van verordening nr 1685/2000, verwijs ik hierna uitsluitend naar de oorspronkelijke versie en nummering.
8 – De in het Italiaans geschreven brief van de directeur-generaal voor regionaal beleid, gericht aan de permanente vertegenwoordiger van Italië bij de Europese Unie, is ingeschreven onder nummer 108098 (intern referentienummer: Regio/A2/JW/cs D(2001) 220852).
9 – Zie de definitie in artikel 9, sub l, van verordening nr. 1260/1999.
10 – Zie punt 1.2 van regel nr. 1 voor de subsidiabiliteit.
11 – Het betreft hier het Comité bedoeld in de artikelen 47, lid 1, sub a, en 48 van verordening nr. 1260/1999, dat als beheerscomité onder meer bij de vaststelling van uitvoeringsbepalingen in de zin van de artikelen 30, lid 3, en 53, lid 2, van dezelfde verordening inspraak heeft (zie artikel 47, lid 3, van verordening nr. 1260/1999).
12 – Nota van de heer Gray, directoraat-generaal Regionaal beleid van de Commissie, aan de leden van het Comité voor de ontwikkeling en de omschakeling van de regio’s van 27 november 2002 (intern referentienummer: REGIO/G2/BS D(2002) 821054).
13 – Het interne referentienummer van de in het Italiaans geschreven brief luidt: D(2003) – BLB/hk 26777.
14 – In het Nederlands vertaald: „uiterlijk op deze datum afgesloten aanbestedingsprocedure”.
15 – In het Nederlands vertaald: „aanbestedingsprocedure, waarbij de aankondiging van de opdracht uiterlijk op deze datum was afgesloten”.
16 – De in het Engels geschreven begeleidende brief van commissaris Barnier van 29 juli 2003 aan minister Tremonti luidt als volgt: „It has come to my attention that there were errors in translation in the letter sent to you dated 14 May 2003 on the eligibility of advances. These errors have now been corrected and the correct version of the letter is enclosed. Please note that the enclosed letter replaces the letter sent on 14 May, although this version still takes effect from 14 May 2003.” De begeleidende brief en de bijlage hebben beide als intern referentienummer D(2003) – 26777 bis – BLB/hk.
17 – Zie punt 14 van deze conclusie.
18 – Zie punt 15 van deze conclusie.
19 – „Onderzoek, technologische ontwikkeling en hoge opleiding”. De Commissie heeft dit programma op 8 augustus 2000 goedgekeurd, dat voor de periode 2000 – 2006 geldt, als onderdeel van het communautaire bestek voor structurele bijstandsverlening van de Gemeenschap in de Italiaanse regio’s Campania, Calabria, Puglia, Basilicata, Sicilia en Sardegna, waarvoor doelstelling 1 geldt [goedkeuring bekendgemaakt onder nr. C(2000) 2343, code van het programma: CCI N.1999 IT 16 1 PO 003].
20 – De in het Italiaans geschreven brief van het voor Italië verantwoordelijke hoofd van de eenheid van het directoraat-generaal Regionaal beleid, de heer Engwegen, is ingeschreven onder nummer 100629 [intern referentienummer: Regio/E2 AP/gd D(2003) 620034].
21 – De in het Italiaans geschreven brief van de voor Frankrijk, Italië en Griekenland verantwoordelijke directeur van het directoraat-generaal Regionaal beleid, de heer Meadows, is ingeschreven onder nummer 102627 [intern referentienummer: Regio/E2 ap/gd D(2003) 620188].
22 – De in het Italiaans geschreven brief van de voor Frankrijk, Italië en Griekenland verantwoordelijke directeur van het directoraat-generaal Regionaal beleid, de heer Meadows, is ingeschreven onder nummer 106837 [intern referentienummer: Regio/E2 ap/gd D(2003) 620701].
23 – Zie hierboven, punt 14 van deze conclusie.
24 – Punten 16 e.v., en met name punt 20, van de repliek van de Italiaanse Republiek.
25 – Punten 17 en 19 van de repliek van de Italiaanse Republiek.
26 – Arresten van 6 maart 1979, Simmenthal/Commissie (92/78, Jurispr. blz. 777, punt 32); 14 oktober 1999, CAS Succhi di Frutta/Commissie (T‑191/96 en T‑106/97, Jurispr. blz. II‑3181, punt 63), en 28 september 2004, MCI/Commissie (T‑310/00, Jurispr. blz. II‑3253, punten 55 en 63).
27 – Arresten van 5 maart 1980, Könecke/Commissie (76/79, Jurispr. blz. 665, punt 9), en 31 maart 1998, Frankrijk e.a./Commissie (C‑68/94 en C‑30/95, Jurispr. blz. I‑1375, punt 74).
28 – Het Hof heeft zich uitdrukkelijk in die zin uitgesproken in het arrest MCI/Commissie, reeds aangehaald (voetnoot 26), punten 46 en 61. Een soortgelijke overweging ligt uiteindelijk ten grondslag aan het arrest CAS Succhi di Frutta/Commissie, reeds aangehaald (voetnoot 26), punt 63.
Zie ook het van fundamenteel belang zijnde arrest van 31 maart 1971, Commissie/Raad „AETR” (22/70, Jurispr. blz. 263, punt 40), volgens hetwelk het beroep bedoeld in 230 EG „ertoe strekt overeenkomstig de voorschriften van [artikel 220, lid 1, EG] de eerbiediging van het recht te verzekeren bij de uitlegging en de toepassing van het Verdrag” en het arrest van 23 april 1986, Les Verts/Parlement (294/83, blz. 1339, punt 23), volgens hetwelk „noch [de] lidstaten noch [de] instellingen [...] aan het toezicht ontkomen op de verenigbaarheid van hun handelingen met het constitutionele handvest waarop de Gemeenschap is gegrond, namelijk het Verdrag”. Wat het vereiste van de rechterlijke toetsing betreft, zie, meer recent, het arrest van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad (C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677, punt 38).
29 – Dit is in enkele van de in voetnoot 2 aangehaalde zaken geschied.
30 – Zie, voor een zaak waarin niet op het beroep hoefde te worden beslist, omdat de handeling reeds anderszins was ingetrokken, onder meer arrest van 29 april 2004, Italië/Commissie (C‑372/97, Jurispr. blz. I‑3679, punten 33‑38), alsmede beschikkingen van 4 maart 1997, Duitsland/Commissie (C‑46/96, Jurispr. blz. I‑1189, met name punt 6) en 8 maart 1993, Lezzi Pietro/Commissie (C‑123/92, Jurispr. blz. I‑809, met name punten 8‑11).
31 – Zie, met betrekking tot de interpretatieve nota, de punten 11 en 12 van deze conclusie.
32 – Reeds aangehaalde arresten Frankrijk e.a./Commissie, punt 62; AETR, punt 42, en Les Verts/Parlement, punt 24; zie verder arresten van 11 november 1981, IBM/Commissie (60/81, Jurispr. blz. 2639, punt 9); 5 oktober 1999, Nederland/Commissie (C‑308/95, Jurispr. blz. I‑6513, punt 26); 11 november 2004, Portugal/Commissie (C‑249/02, Jurisp. blz. I‑10717, punt 35), en 9 december 2004, Commissie/Greencore (C‑123/03 P, Jurispr. blz. I‑11647, punt 44).
33 – Arrest Frankrijk e.a./Commissie, reeds aangehaald (voetnoot 27), punt 63. Zie ook, in dezelfde zin, reeds aangehaalde arresten IBM/Commissie (punt 9); Portugal/Commissie (punt 35); Commissie/Greencore (punt 39); AETR, punt 42, alsmede beschikking van 28 januari 2004, Nederland/Commissie (C‑164/02, Jurispr. blz. I‑1177, punt 19).
34 – De Italiaanse Republiek verzoekt dus om nietigverklaring van de brief, voorzover daarin de voorschotten die de lidstaten in het kader van steunmaatregelen na 19 februari 2003 hebben verstrekt, als niet-subsidiabel worden aangemerkt.
35 – De subsidiabiliteitsregels in de basisverordening en de uitvoeringsverordening.
36 – Zie hierover arrest van 17 juli 1959 in de zaak Phoenix-Rheinrohr/Hoge Autoriteit (20/58, Jurispr. blz. 175), waarin het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard tegen een brief waarmee de Hoge Autoriteit „slechts de beginselen [wilde] bevestigen, waarvan zij terecht of ten onrechte van mening was, dat deze logisch uit [het geldende recht] voortvloeiden”.
37 – Dit laatste wordt evenwel door de Italiaanse Republiek in punt 5 van haar repliek betoogd.
38 – De uitzonderingsregeling is dus wel rechtens bindend; dit komt ook tot uiting in de formulering van het tweede deel van de litigieuze brief: „La Commissione ha deciso di considerare ammissibili [...]” en „La presente decisione si riferisce [...]”, hetgeen in het Nederlands betekent: „De Commissie heeft besloten, [...] als subsidiabel te erkennen [...]” en „Het onderhavige besluit betreft [...]” (cursivering van mij). Of de Commissie inderdaad volgens de geldende bepalingen de subsidiabiliteit van tot en met 19 februari 2003 gedane betalingen mocht of moest erkennen, is voor de beoordeling van de vraag of de brief een besluit behelst, irrelevant. Zelfs indien deze regeling namelijk onrechtmatig was, kan zij niettemin een besluit vormen.
39 – Zie hiertoe arresten van 27 september 1988, Verenigd Koninkrijk/Commissie (114/86, Jurispr. blz. 5289, punten 12 en 13); 5 mei 1998, Verenigd Koninkrijk/Commissie (180/96, Jurispr. blz. I‑2265, punt 28), en 6 april 2000, Spanje/Commissie (C‑443/97, Jurispr. blz. I‑2415, punt 34).
40 – Arrest Gerecht van 16 juli 1998, Regione Toscana/Commissie (T‑81/97, Jurispr. blz. II‑2889, punten 22 en 23). Zie in die zin ook het in voetnoot 39 aangehaalde arrest Spanje/Commissie (punten 33 en 34) en het arrest van 27 september 1988, Verenigd Koninkrijk/Commissie (punt 13).
41 – Zie, ten aanzien van de dwingende werking voor de Commissie van haar mededelingen, richtsnoeren e.a., onder meer arresten Hof van 13 juni 2002, Nederland/Commissie (C‑382/99, Jurispr. blz. I‑5163, punt 24), en 26 september 2002, Spanje/Commissie (C‑351/98, Jurispr. blz. I‑8031, punt 53), alsmede arresten Gerecht van 3 april 2003, BaByliss/Commissie (T‑114/02, Jurispr. blz. II‑ 1279, punt 143), en Royal Philips Electronics/Commissie (T‑119/02, Jurispr. blz. II‑1433, punt 242), alsook arrest van 17 december 1991, Hercules Chemicals/Commissie (T‑7/89, Jurispr. blz. II‑1711, punt 53).
42 – Arrest van 19 november 1998, Portugal/Commissie (C‑159/96, Jurispr. blz. I‑7379, punt 24, eerste volzin).
43 – Reeds aangehaalde arrest Commissie/Greencore, punt 39, en arrest van 5 mei 1998, Verenigd Koninkrijk/Commissie, reeds aangehaald, punt 28; zie ook arresten van 22 maart 1961, SNUPAT/Hoge Autoriteit (42/59 en 49/59, Jurispr. blz. 103), 15 december 1988, Irish Cement/Commissie (166/86 en 220/86, Jurispr. blz. 6473, punt 16), en 11 januari 1996, Zunis Holding e.a./Commissie (C‑480/93 P, Jurispr. blz. I‑1, punt 14), alsmede beschikking van 21 november 1990, Infortec/Commissie (C‑12/90, Jurispr. blz. I‑4265, punt 10).
44 – Beschikkingen van 4 mei 1998, BEUC/Commissie (T‑84/97, Jurispr. blz. II‑795, punt 52), en 7 december 2004, Internationaler Hilfsfonds/Commissie (C‑521/03 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 47).
45 – Zie de punten 11 en 12 van deze conclusie.
46 – In deze brief nr. 100629, die het voorwerp is van zaak C‑138/03 (zie punt 23 van deze conclusie), staat o.a. dat het bevoegde directoraat-generaal besloten heeft voortaan de desbetreffende bedragen in mindering te brengen in het kader van verzoeken om betaling.
47 – Zie punt 13 van deze conclusie.
48 – Arrest van 9 maart 1978, Herpels/Commissie (54/77, Jurispr. blz. 585, punten 11‑15).
49 – Arresten van 9 oktober 1990 (C‑366/88, Jurispr. blz. I‑3571, punten 7‑12 en 23); 13 november 1991 (C‑303/90, Jurispr. blz. I‑5315, punten 7‑11 en 25); 16 juni 1993 (C‑325/91, Jurispr. blz. I‑3283, punten 8‑11 en 23), en 20 maart 1997 (C‑57/95, Jurispr. blz. I‑1627, punten 6‑10 en 23).
50 – Conclusie van advocaat-generaal Tesauro van 19 september 1991 in zaak C‑303/90, reeds aangehaald (voetnoot 49), punt 11; gelijksoortige formuleringen zijn te vinden in de conclusies van de heer Tesauro in de andere, in voetnoot 49 aangehaalde zaken.
51 – Zie punt 50 van deze conclusie.
52 – Zie hiertoe punten 48‑63 van deze conclusie.
53 – Arresten van 19 september 1985, Hoogovens Groep/Commissie (172/83 en 226/83, Jurispr. blz. 2831, punt 9); 27 oktober 1987, Diezler e.a./WSA (146/85 en 431/85, Jurispr. blz. 4283, punten 13‑16), en 22 september 1988, Frankrijk/Parlement (358/85 en 51/86, Jurispr. blz. 4821, punt 12). Zie ook eerdere arresten van 26 mei 1971, Bode/Commissie (45/70 en 49/70, Jurispr. blz. 465, punt 11), en 17 mei 1973, Perinciolo/Raad (58/72 en 75/72, Jurispr. blz. 511, punt 5).
54 – In beide zaken wordt de nietigverklaring van de brief gevorderd, voorzover daarin de voorschotten die de lidstaten na 19 februari 2003 in het kader van overheidssteun hebben uitbetaald, als niet-subsidiabel worden beschouwd. Het beroep wordt op twee nietigheidsgronden gebaseerd: motiveringsgebrek (artikel 253 EG) en schending van artikel 32 van verordening nr. 1260/1999 alsmede van de punten 1 en 2 van regel nr. 1 voor de subsidiabiliteit.
55 – Ook zaak C‑138/03, waarover geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan, had in wezen deze rechtsvraag tot voorwerp.
56 – Voor een definitie van het begrip eindbegunstigde, zie artikel 9, sub l, van verordening nr. 1260/1999.
57 – Dit komt met name duidelijk naar voren in artikel 32, lid 1, derde alinea, eerste volzin, van verordening nr. 1260/1999. Hoewel deze bepaling niet de betalingen door nationale instanties betreft, maar die van de Commissie, is de gebruikte terminologie dezelfde.
58 – Bedoeld wordt: kostenvergoeding achteraf.
59 – Overigens kent ook de Commissie regelmatig dergelijke voorschotten toe, voorzover zij – bijvoorbeeld in het kader van het onderzoeksbeleid of het landbouwbeleid – zelf rechtstreeks subsidies aan ondernemingen uitbetaalt; zie met name de vele op het onderzoeksbeleid betrekking hebbende arresten, zoals de arresten van 17 maart 2005, Commissie/AMI Semiconductor Belgium e.a. (C‑294/02, Jurispr. blz. I‑2175, punt 33), en 24 februari 2005, Commissie/Implants (C‑279/03, Jurispr. blz. I‑16, punt 13); zie, ten aanzien van het landbouwbeleid, mijn conclusie van 3 maart 2005 in de zaak Comunità montana della Valnerina/Commissie (C‑240/03 P, Jurispr. blz. I‑731, punten 12 en 14).
60 – Artikel 9, sub l, eerste volzin, juncto sub k, van verordening nr. 1260/1999.
61 – Artikel 9, sub j, van verordening nr. 1260/1999. In plaats van zelf verrichtingen uit te voeren, kunnen de eindbegunstigden (nationale instanties) zich ertoe beperken bepaalde projecten in het kader van nationale steunmaatregelen mede te financieren, waarbij deze projecten zelf voor verantwoordelijkheid van derden, de zogenoemde individuele begunstigden, blijven. Zo kunnen bijvoorbeeld universiteiten of particuliere onderzoeksinstellingen subsidies ontvangen voor de onderzoeksprojecten die zij op eigen verantwoordelijkheid uitvoeren.
62 – De nieuwe versie van punt 2 van regel nr. 1 voor de subsidiabiliteit in verordening nr. 448/2004 heeft op dit punt niet tot inhoudelijke wijzigingen geleid. De Duitse tekst van deze nieuwe versie („die von den Endbegünstigten als Zwischenzahlungen und Restzahlungen getätigten Zahlungen”) is misleidend, want de indruk wordt gewekt dat enkel nog tussentijdse en saldobetalingen van de eindbegunstigden door vereffende facturen of boekingsbescheiden met gelijkwaardige bewijskracht moeten worden gestaafd en niet meer de voorschotten van de eindbegunstigden aan de individuele begunstigden. Uit de meeste versies in de andere talen wordt echter duidelijk, dat vereffende facturen en boekingsbescheiden met gelijkwaardige bewijskracht nog steeds voor alle betalingen van de eindbegunstigden moeten worden overgelegd, dus ook voor de door hen verstrekte voorschotten, indien dergelijke betalingen bij de Commissie met het oog op haar tussentijdse of saldobetalingen uit de structuurfondsen moeten worden gedeclareerd. Dit wordt zeer duidelijk uitgedrukt in de Franstalige versie: „les paiements effectués par les bénéficiaires finals et déclarés au titre des paiements intermédiaires et de solde”.
Full & Egal Universal Law Academy