CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. POIARES MADURO
van 8 juni 2004(1)
Zaak C-171/03
1. Maatschap Toeters
2. M. C. Verberk
tegen
Productschap Vee en Vlees
[Verzoek van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
„Berekening van termijnen – Uitlegging van artikel 3 van verordening nr. 1182/71 – Uitlegging en geldigheid van artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92 – Evenredigheidsbeginsel”
1. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven heeft drie prejudiciële uitleggingsvragen gesteld met betrekking tot de berekening van een termijn in de regeling betreffende de gemeenschappelijke marktordening in de sector rundvlees, en een prejudiciële geldigheidsvraag in verband met de evenredigheid van de gevolgen van niet-inachtneming van deze termijn.
I – De feiten, het rechtskader en de prejudiciële vragen
2. Partijen in het hoofdgeding zijn twee veefokkerijen (Maatschap Toeters en M. C. Verberk) en het Productschap Vee en Vlees. Genoemde bedrijven verzochten in het kader van de gemeenschappelijke marktordening in de sector rundvlees om een premie voor het vervroegd op de markt brengen van kalveren. Hun aanvragen werden door het Productschap Vee en Vlees afgewezen omdat zij niet binnen de in de geldende regeling gestelde termijn van drie weken waren ingediend.
3. In concreto werden de kalveren van Maatschap Toeters geslacht op 12, 13 en 16 maart 1998. Het Productschap Vee en Vlees was van mening dat de termijn voor indiening van de aanvragen op respectievelijk 3, 6 en 7 april 1998 was verstreken en dat de op 8 april 1998 ontvangen aanvraag niet tijdig was ingediend. De kalveren van M. C. Verberk werden geslacht op 27 en 28 januari 1998; hier was het Productschap Vee en Vlees van mening dat de termijn van drie weken respectievelijk op 18 en 19 februari 1998 was verstreken en dat de op 20 februari 1998 ontvangen aanvraag eveneens niet tijdig was ingediend.
4. De bedrijven stelden vervolgens beroep in bij de nationale rechter die van mening was dat zijn uitspraak afhing van de uitlegging van artikel 3 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs‑ en vervaltermijnen. (2) Deze bepaling luidt:
„1. [...]
Wanneer een in de dagen, weken, maanden of jaren omschreven termijn ingaat op het ogenblik waarop een gebeurtenis of handeling plaatsvindt, wordt de dag waarop deze gebeurtenis of handeling plaatsvindt, niet bij de termijn inbegrepen.
2. Behoudens het bepaalde in de leden 1 en 4:
[...]
c) gaat een in weken, maanden of jaren omschreven termijn in bij de aanvang van het eerste uur van de eerste dag van de termijn en loopt deze termijn af bij het einde van het laatste uur van de dag die – in de laatste week, de laatste maand of het laatste jaar – dezelfde naam of cijferaanduiding heeft als de dag waarop de termijn ingaat. [...]”
5. De nationale rechter was van mening dat zijn uitspraak ook afhing van de uitlegging en geldigheid van artikel 50 bis van verordening (EEG) nr. 3886/92 (3) , dat luidt:
„De premieaanvraag [voor het vervroegd op de markt brengen van kalveren] moet uiterlijk drie weken na het slachten bij de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat worden ingediend.”
6. In dit verband heeft deze rechter de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1.a. Dient artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 aldus te worden uitgelegd dat een in weken omschreven termijn als bepaald bij artikel 50 bis van verordening (EEG) nr. 3886/92 afloopt aan het einde van de dag die in de laatste week dezelfde naam heeft als de dag volgend op de dag waarop de slacht heeft plaatsgevonden?
1.b. Staat het een lidstaat bij de toepassing van artikel 50 bis van verordening (EEG) nr. 3886/92 vrij het tijdstip waarop een premieaanvraag is ingediend, vast te stellen met toepassing van nationale procedureregels die in de interne rechtsorde van die lidstaat gelden voor vergelijkbare, nationale aanvraagtermijnen?
1.c. Zo nee, moet artikel 50 bis van verordening (EEG) nr. 3886/92 in die zin worden uitgelegd, dat een premieaanvraag ook tijdig is ‚ingediend’ indien deze vóór afloop van de termijn van drie weken aantoonbaar ter post is bezorgd en op een zodanig tijdstip na deze termijn door de bevoegde instantie is ontvangen, dat deze de desbetreffende gegevens aan de Commissie heeft kunnen mededelen op dezelfde dag als het geval zou zijn geweest indien de premieaanvraag binnen deze termijn door de bevoegde instantie zou zijn ontvangen?
2. Is artikel 50 bis, eerste lid, van verordening (EEG) nr. 3886/92 geldig, voorzover dit aanvragers volledig van premie uitsluit bij iedere overschrijding van de aanvraagtermijn, ongeacht aard en omvang van de termijnoverschrijding?”
7. De Nederlandse regering, het Productschap Vee en Vlees en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
II – Beoordeling
A – De eerste prejudiciële vraag
8. Met deze vraag wenst de nationale rechter te vernemen hoe een in weken omschreven termijn, als bedoeld in verordening nr. 1182/71, die ingaat op het ogenblik waarop een gebeurtenis of handeling plaatsvindt, moet worden berekend. Uit artikel 3 van de verordening leidt hij af dat de dag waarop de gebeurtenis of de handeling plaatsvindt, in dit geval de dag waarop de kalveren werden geslacht, niet bij de termijn is inbegrepen, maar hij twijfelt over de dag waarop de termijn eindigt. Volgens artikel 3, lid 2, sub c, van deze verordening loopt de termijn af aan het einde van de dag die dezelfde naam of dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag waarop de termijn ingaat. Wordt hiermee de dag bedoeld waarop de gebeurtenis of de handeling plaatsvindt die de termijn doet ingaan, hoewel deze niet wordt meegerekend? Of gaat het om de erop volgende dag, die dan de eerste dag van de termijn is? De verwijzende rechter merkt op dat volgens de eerste uitlegging de in weken omschreven termijnen zeven dagen duren, terwijl die termijnen volgens de tweede uitlegging een dag meer tellen. Dan duurt een termijn van een week acht dagen, een termijn van twee weken vijftien dagen, enzovoort.
9. Volgens de Nederlandse regering kan uit de tekst zelf van artikel 3 van verordening nr. 1182/71 worden afgeleid, dat de laatste dag van een in weken omschreven termijn de dag is die in de laatste week van de termijn dezelfde naam heeft als de dag volgend op die waarop de gebeurtenis of de handeling heeft plaatsgevonden die de termijn deed ingaan. Aangezien de dag van de slacht niet bij de termijn is inbegrepen, kan de dag waarop de termijn ingaat, in dit geval geen andere zijn dan de volgende dag. Als de kalveren dus op maandag 16 maart 1998 zijn geslacht, is de termijn van drie weken op dinsdag 17 maart 1998 om 0.00 uur ingegaan en op de dinsdag van de daaraanvolgende derde week om 24.00 uur verstreken, dat wil zeggen dinsdag 7 april 1998 om 24.00 uur.
10. De Commissie verdedigt de tegenovergestelde uitlegging. Artikel 3 van verordening nr. 1182/71 is gebaseerd op de begrippen dies a quo en dies ad quem. Uit lid 1 van deze bepaling leidt zij af dat de dies a quo de dag is waarop de gebeurtenis plaatsvindt of de handeling wordt verricht die de termijn doet ingaan. Krachtens lid 1 van deze bepaling maakt de dies a quo geen deel uit van de termijn, omdat aldus iedereen kan beschikken over eenzelfde termijn die niet afhangt van het ogenblik waarop de gebeurtenis of handeling plaatsvindt. De dag waarop die gebeurtenis of handeling plaatsvindt, blijft echter voor de berekening van de laatste dag van de termijn de dies a quo. Een termijn van een week duurt dus zeven dagen. Anders zou een termijn van een week acht dagen tellen, een van twee weken vijftien, enzovoort, wat volgens de Commissie onlogisch is.
11. Deze vraag stelt een ingewikkeld en, gelet op de ruime werkingssfeer van verordening nr. 1182/71, tamelijk belangrijk uitleggingsvraagstuk aan de orde. Artikel 1 luidt: „Behoudens andersluidende bepalingen, is deze verordening van toepassing op door de Raad en de Commissie krachtens het Verdrag [...] vastgestelde of vast te stellen rechtshandelingen.” De verordening is dus van toepassing op de berekening van in de gemeenschapswetgeving vastgestelde termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden, met uitzondering van de termijnen voorzien in een specifieke regeling, in het primaire recht of in handelingen die niet van de Raad of van de Commissie afkomstig zijn, bijvoorbeeld het Reglement voor de procesvoering van het Hof, een handeling van het Hof zelf dat specifieke bepalingen op het gebied van termijnen bevat.
12. Ik begin mijn onderzoek met een korte verwijzing naar de teksten en zal aansluitend een systematisch argument uiteenzetten, dat mijns inziens het juiste antwoord op de gestelde vraag biedt.
13. De verschillende door mij geraadpleegde taalversies geven geen sluitend antwoord. Dat komt door een dubbelzinnigheid in alle versies van artikel 3 van verordening nr. 1182/71. Omtrent de laatste dag van een in weken, maanden of jaren omschreven termijn bepaalt lid 2 van dit artikel slechts, dat dit de dag van de laatste week, de laatste maand of het laatste jaar van de termijn is, die dezelfde naam of cijferaanduiding heeft als de dag waarop de termijn ingaat, zonder duidelijk te maken of het gaat om de dag waarop de gebeurtenis of de handeling plaatsvond die de termijn deed ingaan, of om de daaropvolgende dag, dus de eerste dag van de termijn.
14. Ik zal eerst de op het tijdstip van vaststelling officiële versies van verordening nr. 1182/71 (de Duitse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse versie) bespreken. Hoewel de teksten van het primaire en afgeleide gemeenschapsrecht in alle officiële talen gelijkelijk authentiek zijn, kan speciale aandacht voor de taalversies waarin ze zijn vastgesteld, nuttig zijn om de bedoeling ervan te achterhalen.
15. Volgens de Duitse versie loopt de termijn af op het einde van de dag van de laatste week, de laatste maand of het laatste jaar „der dieselbe Bezeichnung oder dieselbe Zahl wie der Tag des Fristbeginns trägt” (die/dat dezelfde naam of dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag die de termijn doet ingaan). Het is niet duidelijk welke dag deze „Tag des Fristbeginns” is. Even daarvoor wordt in artikel 3, lid 2, sub c, vastgesteld dat de termijn begint („beginnt”) bij de aanvang van het eerste uur „des ersten Tages der Frist” (van de eerste dag van de termijn), wat erop lijkt te wijzen dat het gaat om de dag die volgt op die waarop de gebeurtenis of de handeling plaatsvindt die de termijn doet ingaan, omdat deze niet bij de termijn is inbegrepen. Het feit dat in de Duitse tekst in lid 2 het werkwoord „beginnen” en de term „Fristbeginns” zijn gebruikt, terwijl in lid 1 het woord „Anfang” voorkomt, doet veronderstellen dat de laatste dag van de termijn moet worden berekend aan de hand van de eerste dag van de termijn, en niet van de dag waarop de gebeurtenis of de handeling plaatsvindt die de termijn doet ingaan. Toch blijft er in deze taalversies sprake van een dubbelzinnigheid.
16. De Franse versie laat de laatste dag van de termijn afhangen van de „jour de départ”, wat zowel de eerste dag van de termijn („premier jour du délai”) kan zijn als de dag waarop de handeling of de gebeurtenis plaatsvindt vanaf welke de termijn moet worden berekend („à partir du moment où survient un événement ou s’effectue un acte”). Uit het gebruik van „jour de départ” en van „à partir” zou kunnen worden afgeleid dat de wetgever de dag bedoelt waarop de gebeurtenis of de handeling plaatsvindt, en niet de volgende dag, hoewel deze laatste mogelijkheid niet kan worden uitgesloten.
17. De Italiaanse versie, hoewel niet volledig duidelijk, lijkt in de richting van het standpunt van de Nederlandse regering te gaan, want daarin worden de woorden „giorno iniziale” (begindag) in artikel 3, lid 2, sub c, gebruikt en even daarvoor wordt vastgesteld dat de termijn „comincia a decorrere all’inizio della prima ora del primo giorno del periodo” (ingaat bij de aanvang van het eerste uur van de eerste dag van de termijn), terwijl in lid 1 de woorden „a partire del momento in cui si verifica un evento o si compie un atto” (vanaf het moment dat een gebeurtenis plaatsvindt of een handeling wordt verricht) worden gebruikt.
18. De Nederlandse tekst bevat dezelfde dubbelzinnigheid door in artikel 3, lid 2, sub c, van de verordening te verwijzen naar „de dag waarop de termijn ingaat”, terwijl even daarvoor in hetzelfde lid wordt gezegd: „gaat een in weken, maanden of jaren omschreven termijn in [...]”. Het gebruik van hetzelfde werkwoord („ingaan”) lijkt erop te wijzen dat de laatste dag van de termijn de dag is die dezelfde naam heeft als die waarop de termijn begint, dat wil zeggen de dag die volgt op de dag waarop de gebeurtenis of de handeling plaatsvindt die de termijn doet ingaan. In lid 1 wordt het werkwoord „ingaan” echter ook gebruikt om te verwijzen naar de dag die de termijn doet ingaan, zodat niet duidelijk is welke dag is bedoeld.
19. Hetzelfde probleem doet zich voor in de Spaanse versie („el día a partir del cual empieza a computarse un plazo”), de Portugese versie („o dia do início do prazo”, wat eerder lijkt te verwijzen naar de eerste dag van de termijn) en de Engelse versie („the day from which the period runs”, wat lijkt te verwijzen naar de dag van de gebeurtenis of de handeling).
20. Dit gebrek aan duidelijkheid onderscheidt de onderhavige vraag van de uitlegging van de procestermijnen voor het Hof en het Gerecht, die een eigen regeling kennen in de artikelen 80 tot en met 82 en 101 tot en met 103 van de respectieve reglementen voor de procesvoering. Die bepalingen zijn duidelijk omdat daarin wordt vastgesteld dat een termijn afloopt bij het einde van „de dag die – in de laatste week, de laatste maand of het laatste jaar – dezelfde naam of dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag waarop de gebeurtenis of handeling plaatsvindt die de termijn doet ingaan”. (4) Het lijdt geen twijfel dat de dag aan de hand waarvan de datum moet worden berekend waarop de termijn afloopt, de dag is waarop de gebeurtenis of de handeling plaatsvindt die de termijn doet ingaan, en dus zal de termijn van een week zeven dagen tellen, de termijn van twee weken veertien dagen, enzovoort. Omdat het echter om zeer verschillende teksten gaat, helpt de oplossing op het gebied van procestermijnen ons niet bij de uitlegging van verordening nr. 1182/71. Er is verder geen enkele reden om verordening nr. 1182/71 uit te leggen in het licht van het Reglement voor de procesvoering van het Hof of van het Gerecht, en ook niet andersom.
21. Omdat de tekst niet doorslaggevend is, moet een beroep worden gedaan op andere uitleggingsmethodes. Volgens de rechtspraak moet, in geval van onduidelijkheid van de tekst of verschillen tussen de afzonderlijke taalversies van een gemeenschapsbepaling, deze bepaling worden uitgelegd met inachtneming van de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt. (5) In het onderhavige geval kan de systematische analyse uitkomst bieden, omdat het voornaamste doel van verordening nr. 1182/71, wat dit probleem betreft, neutraal is. Deze verordening beoogt immers „uniforme algemene regels” (6) vast te stellen, en beide uitleggingen dienen dat doel, voorzover voor een van beiden wordt gekozen.
22. Het beslissende punt is het verband tussen lid 1 en lid 2 van artikel 3 van verordening nr. 1182/71. Lid 1 moet worden gelezen als een bepaling met een speciale regel voor een enkel soort termijnen, te weten die welke ingaan „op het ogenblik waarop een gebeurtenis of een handeling plaatsvindt”. Alleen voor deze termijnen wordt vastgesteld dat de dag waarop de gebeurtenis of de handeling plaatsvindt, niet bij de termijn is inbegrepen. In het kader van de procestermijnen heeft het Hof verklaard dat „een dergelijke regeling, die de dag waarop de handeling plaatsvindt die de procestermijnen doet ingaan van de berekening daarvan uitsluit, beoogt te verzekeren dat elke partij de termijn ten volle kan benutten”. (7) Ook in het geval van verordening nr. 1182/71 geldt voor alle particulieren eenzelfde termijn, ongeacht het ogenblik waarop de gebeurtenis of de handeling plaatsvindt die de termijn doet ingaan.
23. Daarentegen is de regel van lid 2 van toepassing op elk soort termijnen, niet enkel op die welke van een gebeurtenis of een handeling afhangen. Om die reden begint deze bepaling met „Behoudens het bepaalde in de leden 1 en 4” (deze laatste bepaling verwijst naar het speciale geval waarin de laatste dag van de termijn een feestdag, een zondag of een zaterdag is). Lid 2 van artikel 3 en niet lid 1 is dus de bepaling die het begin en het einde van de termijnen in algemene zin regelt, en wel, zoals wij nog zullen zien, zodanig dat de in weken omschreven termijnen één dag meer tellen dan wanneer wordt uitgegaan van weken van zeven dagen. En hetzelfde gebeurt met in maanden of jaren omschreven termijnen.
24. Laten wij eens aannemen dat de wetgever een termijn van een week bepaalt, die niet begint op het ogenblik waarop een gebeurtenis of handeling plaatsvindt, maar op een bepaalde dag (8) , bijvoorbeeld 19 maart 2004. De speciale regel van artikel 3, lid 1, is niet van toepassing, omdat het niet gaat om een van de daarin bedoelde termijnen. Dat is logisch, omdat in het geval van een vaste termijn vanaf een bepaalde datum iedereen volledig over de eerste dag van de termijn beschikt. In dat geval zal de termijn krachtens artikel 3, lid 2, ingaan op vrijdag 19 maart 2004 om 0.00 uur en eindigen om 24.00 uur van de dag die in de laatste week van de termijn – de volgende week – dezelfde naam heeft, dat wil zeggen op vrijdag 26 maart om 24.00 uur. Bij berekening van de verstreken dagen blijkt dat het gaat om acht volle dagen. Voor verordening nr. 1182/71 zal een in weken omschreven termijn dus één dag meer tellen ten opzichte van het aantal dagen overeenkomend met het vastgestelde aantal weken. Een termijn van een week zal dus acht dagen tellen, een termijn van twee weken vijftien, enzovoort. Hetzelfde gebeurt met in maanden of jaren omschreven termijnen. Het argument van de Commissie, die de bij verordening nr. 1182/71 vastgestelde termijnen in overeenstemming tracht te brengen met de logica van de conventionele kalender, lijkt mij dus onjuist.
25. Deze conclusie ligt ook voor de hand, want de bij verordening nr. 1182/71 bedoelde, in weken, maanden of jaren omschreven termijnen mogen niet verschillen naargelang zij op een vaste datum beginnen of afhangen van een gebeurtenis of een handeling. Wanneer de wetgever met de vaststelling van de speciale regel van lid 1 de bedoeling had een gelijke beschikbaarheid van de termijnen te waarborgen, zou het niet coherent zijn om particulieren voor wie een termijn geldt waarvan het begin afhangt van een gebeurtenis of een handeling, anders te behandelen dan particulieren voor wie een termijn geldt die op een bepaalde datum ingaat. De door de Commissie verdedigde uitlegging zou ertoe leiden dat laatstgenoemden één dag meer hebben wanneer het gaat om termijnen in weken, maanden of jaren, zonder dat er enige rechtvaardiging is voor dit verschil in behandeling. Bovendien, aangezien de in dagen omschreven termijnen steeds even lang gaan duren, ongeacht of zij beginnen op een bepaalde dag of op het ogenblik van een gebeurtenis of een handeling, zou het ook niet logisch zijn dat de duur van een in weken, maanden of jaren omschreven termijn varieert naargelang het soort termijnen waarom het gaat.
26. Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1182/71 verplaatst dus het begin van de dies a quo naar het begin van de volgende dag, voor de termijnen waarvan de aanvang afhangt van een gebeurtenis of een handeling. In werkelijkheid zijn de resterende uren van de dag waarop de gebeurtenis of de handeling plaatsvindt, geen nuttige uren om de handeling waarvan de termijn afhangt te verrichten, want zij horen daar niet bij. Wanneer de dies a quo aldus de dag is die volgt op de gebeurtenis of de handeling waarvan de termijn afhangt, zal de einddatum moeten samenvallen met de naam of de cijferaanduiding van deze dies a quo, en niet met de vorige dag, die de termijn wel doet ingaan maar daar niet bijhoort.
27. Dit argument lijkt mij noodzakelijk en voldoende om de eerste vraag te beantwoorden in de door de Nederlandse regering voorgestelde zin, maar ik kan daaraan nog andere redenen toevoegen. Om te beginnen waren lid 1 en lid 2 van artikel 3 in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie zelfstandige artikelen (artikelen 3 en 5) van de verordening (9) , zodat niet zonder meer kan worden aangenomen dat een in het tweede gebruikt begrip verwijst naar een concept in het eerste. Bij de uitlegging van de uiteindelijk door de wetgever vastgestelde tekst kan ook rekening worden gehouden met de nabijheid en met de onwaarschijnlijkheid dat lid 2 naar lid 1 verwijst, wanneer lid 2 zelf een normale term voor de aanduiding van de laatste dag van de termijn bevat. Ten slotte ben ik, gelet op de dubbelzinnigheid van de tekst, van mening dat de juiste uitlegging ook die is welke de meeste rechtszekerheid biedt, zowel voor particulieren als voor nationale overheden die de bij verordening nr. 1182/71 vastgestelde termijnen moeten toepassen.
28. Kortom, artikel 3, lid 2, sub c, van verordening nr. 1182/71 moet aldus worden uitgelegd dat de in weken, maanden of jaren omschreven termijnen die ingaan op het ogenblik waarop een gebeurtenis of een handeling plaatsvindt, aflopen aan het einde van de dag die, in de laatste week, de laatste maand of het laatste jaar van de termijn dezelfde naam of dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag die volgt op de dag waarop de gebeurtenis of de handeling plaatsvond die de termijn deed ingaan.
B – De tweede vraag
29. Deze vraag is veel eenvoudiger dan de eerste vraag. Dat blijkt al uit het feit dat de Commissie en de Nederlandse regering ieder op basis van soortgelijke argumenten hebben voorgesteld om de vraag ontkennend te beantwoorden.
30. Het gemeenschapsrecht kent immers in de verordeningen nrs. 3886/92 en 1182/71 een nauwkeurige regeling van de indiening van de hier in geding zijnde aanvragen. In deze verordeningen worden respectievelijk een gemeenschappelijke marktordening in de sector rundvlees en algemene en eenvormige regels op het gebied van termijnen vastgesteld en zij doen dat, wat de onderhavige kwestie betreft (de duur van de termijn voor de premieaanvraag en de berekening ervan), op uitputtende wijze. Wanneer het mogelijk zou zijn om nationale administratieve bepalingen toe te passen, zouden de eenvormigheid van het gemeenschapsrecht en de gelijkheid tussen marktdeelnemers in het gedrang komen.
31. Daarom ben ik van mening dat het een lidstaat bij de toepassing van artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92 niet vrijstaat om het tijdstip waarop een premieaanvraag is ingediend, vast te stellen met toepassing van de in zijn interne rechtsorde geldende procedureregels voor vergelijkbare nationale aanvraagtermijnen.
C – De derde vraag
32. Het antwoord op de derde vraag lijkt mij ook eenvoudig. Met de Nederlandse regering en de Commissie ben ik van mening dat artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92 aldus moet worden uitgelegd dat de ontvangst van de aanvraag door de bevoegde instantie beslissend is, en niet de ter post bezorging ervan.
33. Dit is de juiste uitlegging voor de meeste taalversies. Aldus de Franse versie („est à introduire auprès de l’autorité compétente”), de Engelse versie („shall be lodged with the competent authority”), de Italiaanse versie („dev’essere presentata all’autoritá competente”), de Portugese versie („devem ser apresentados à autoridade competente”), de Duitse versie („sind [...] bei der zuständige Behörde [...] einzureichen”), de Deense versie („indgives til medlemsstatens myndigheder”), en de Zweedse versie („skall lämnas in till den [...] behöriga myndighet”). De Engelse en de Franse versie zijn bijzonder duidelijk door het gebruikte werkwoord, dat verwijst naar het moment waarop de aanvraag fysiek bij de bevoegde instantie is gedeponeerd. De overige versies zijn dat ook, vooral wanneer rekening wordt gehouden met het feit dat de indiening bij de bevoegde instantie van belang is. Hoewel het in andere versies gebruikte werkwoord (in het Fins „toimittaa”, dat kennelijk zowel verzenden als indienen kan betekenen; in het Grieks „υποβάλλεται”) wellicht iets dubbelzinniger is, is door de specifieke vermelding van de bevoegde instantie de meest natuurlijke uitlegging om ervan uit te gaan dat de datum van ontvangst door het bestuur en niet de datum van verzending relevant is .
34. Door de duidelijkheid van de tekst verschilt deze zaak van zaak C-1/02, Borgmann (10) , waarin de relevante datum in enkele taalversies van de geldende regeling de datum van verzending was en in andere de datum van ontvangst. Het Hof heeft gekozen voor de datum van verzending, aangezien de doelstelling noch de opzet van de regeling in de weg stond aan een dergelijke uitlegging, die bovendien aldus de rechtszekerheid van de marktdeelnemers garandeerde. In deze zaak zijn er echter geen linguïstische verschillen die een dergelijke uitlegging kunnen rechtvaardigen.
35. Het argument dat de nationale instantie de desbetreffende gegevens op hetzelfde moment aan de Commissie had kunnen zenden, zowel indien van de datum van verzending als indien van de datum van ontvangst wordt uitgegaan, kan volgens mij niets aan de uitlegging van artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92 veranderen. Een termijn wordt voor alle marktdeelnemers algemeen vastgesteld en heeft in beginsel het effect dat de handeling waarbij de termijn aanknoopt, na afloop van die termijn niet meer kan worden verricht. Bovendien zou een verlenging van de termijnen aan de hand van de data waarop de kalveren werden geslacht en de gegevens aan de Commissie moesten worden gezonden, moeilijk verenigbaar zijn met de beginselen van gelijkheid en rechtszekerheid, nog afgezien van de praktische problemen die dat voor de bevoegde nationale instanties zou meebrengen.
36. Ik ben dus van mening dat artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92 aldus moet worden uitgelegd, dat een premieaanvraag niet kan worden geacht tijdig te zijn ingediend, hoewel deze vóór afloop van de termijn van drie weken aantoonbaar ter post is bezorgd en op een zodanig tijdstip na deze termijn door de bevoegde instantie is ontvangen, dat deze de desbetreffende gegevens aan de Commissie heeft kunnen meedelen op dezelfde dag als het geval zou zijn geweest indien de premieaanvraag binnen deze termijn door de bevoegde instantie zou zijn ontvangen.
D – De vierde vraag
37. Wat de vraag naar de geldigheid van artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92 betreft, merk ik om te beginnen op dat zij niet doelt op de geldigheid van de termijn van drie weken, maar op de geldigheid van het gevolg van de niet-inachtneming ervan, namelijk in alle gevallen afwijzing van de aanvraag, ongeacht de duur van de overschrijding. Volgens de verwijzende rechter zou het evenredigheidsbeginsel dwingen tot een verlaging van het bedrag van de premie naar evenredigheid van het aantal dagen van de vertraging. Dat zou coherent zijn met artikel 8 van verordening (EEG) nr. 3887/92 (11) , een bepaling die niet van toepassing is op de hier in geding zijnde premie en die luidt: „Behoudens overmacht leidt het te laat indienen van een aanvraag tot een verlaging van de steunbedragen waarop de aanvraag betrekking heeft, waarop het bedrijfshoofd recht zou hebben indien hij de aanvraag tijdig had ingediend, met 1 % per werkdag. In geval van een vertraging van meer dan 20 dagen wordt de aanvraag niet ontvankelijk en kan deze niet langer tot toekenning van een bedrag leiden.”
38. De Nederlandse regering en de Commissie zijn van mening dat artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92 verenigbaar met het evenredigheidsbeginsel is. De Nederlandse regering maakt onderscheid tussen de onderhavige zaak en de zaak Pressler (12) , waarin het Hof een bepaling betreffende een structurele maatregel waarbij geen rekening was gehouden met de duur van de vertraging bij de indiening van de aanvraag, ongeldig had verklaard. Het Hof was van oordeel dat de nationale instanties nog over voldoende tijd beschikten om de verzamelstaten van de opgaven aan de Commissie door te zenden. In casu gaat het echter om een conjuncturele maatregel die zich onderscheidt van structuurpremies waarvoor de wetgeving voorziet in een geleidelijke verlaging in geval van vertraging bij de indiening van de aanvraag. Bovendien, aangezien het om een conjuncturele maatregel gaat, moet de Commissie de werking ervan onafgebroken en doeltreffend kunnen evalueren. Volgens de Nederlandse regering en de Commissie vereist dat een strikte inachtneming van de termijn en zijn de gevolgen van niet-inachtneming ervan verenigbaar met het evenredigheidsbeginsel, aangezien zij niet verder gaan dan noodzakelijk is ter bereiking van de doelstellingen van de betrokken maatregel.
39. Deze vraag biedt mij de gelegenheid dieper in te gaan op een aspect van de rechtspraak betreffende de toepassing van het evenredigheidsbeginsel op het gebied van termijnen. In die rechtspraak wordt niet altijd onderscheid gemaakt tussen de termijnen op overschrijding waarvan een sanctie is gesteld (bijvoorbeeld verlies van een borgsom of oplegging van een boete) en de termijnen waarvan overschrijding een ongunstig besluit tot gevolg heeft (bijvoorbeeld de niet‑toekenning van een premie). Dit onderscheid lijkt mij belangrijk, want wanneer het om sancties gaat, is een dubbele toets gerechtvaardigd: er moet worden nagegaan of de termijn evenredig is en tevens of de opgelegde sanctie evenredig is met de ernst van de inbreuk. Vanuit dit gezichtspunt valt te begrijpen dat het Hof bepalingen ongeldig heeft verklaard die een identieke sanctie opleggen ongeacht de ernst van de inbreuk, de duur van de overschrijding en het effect ervan op de verwezenlijking van de met de regeling nagestreefde doelstelling. (13)
40. Wanneer het daarentegen gaat om een termijn waarvan overschrijding geen sanctie, maar een ongunstig besluit meebrengt, moet de evenredigheidstoetsing beperkt blijven tot de vastgestelde termijn, en zich niet uitstrekken tot de gevolgen van de overschrijding ervan. Het reeds aangehaalde arrest Pressler lijkt zich tegen deze uitlegging te verzetten, omdat het Hof daarin een bepaling ongeldig heeft verklaard die de marktdeelnemers uitsloot van steun wanneer zij hun aanvraag niet binnen de gestelde termijn indienden, „ongeacht de duur van de overschrijding”. (14) Uit de redenering op grond waarvan het Hof tot ongeldigverklaring van die bepaling is gekomen, blijkt dat het de gestelde termijn was, die onevenredig was ten opzichte van de doelstellingen van de regeling, en niet de gevolgen van de overschrijding ervan. (15)
41. Mijn uitlegging is verder ook in overeenstemming met het arrest Denkavit France: „verval van recht door te late indiening van het dossier is veelal het normale gevolg van het overschrijden van een dwingende termijn, en niet een sanctie”. (16) Het lijkt mij dan ook onlogisch om te verklaren dat een termijn op overschrijding waarvan geen sanctie is gesteld, evenredig is in het licht van de doelstellingen van een regeling, en vervolgens de evenredigheid van de gevolgen van overschrijding ervan te onderzoeken. Met andere woorden, de negatieve gevolgen die de genoemde termijn voor particulieren heeft, vormen geen sanctie, maar vloeien voort uit de dwingende aard ervan, dat wil zeggen uit het normale gevolg van het verval van recht om de handeling of het recht waaraan de termijn is gekoppeld, te verrichten of uit te oefenen. In dit geval vormt de evenredigheid van een dergelijk dwingend karakter een onderdeel van de beoordeling van de evenredigheid van de termijn zelf, waaraan alle particulieren gelijkelijk onderworpen blijven en die gewoonlijk zal beantwoorden aan een algemeen belang van goed bestuur. Kortom, ik ben van mening dat enkel wanneer overschrijding van een termijn het opleggen van een sanctie meebrengt, de evenredigheid van een dergelijke sanctie afzonderlijk moet worden onderzocht. In de overige gevallen moet het onderzoek beperkt blijven tot de evenredigheid van de gestelde termijn.
42. Aangezien het in de onderhavige zaak gaat om een termijn op overschrijding waarvan geen sanctie is gesteld, is het voldoende om de evenredigheid van de termijn te toetsen, wat dan uiteraard afwijkt van de bewoordingen van de vraag van de verwijzende rechter. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, beschikt de gemeenschapswetgever op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid over een discretionaire bevoegdheid, zodat het Hof slechts kan toetsen of de maatregel kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het nagestreefde doel. (17) Het evenredigheidsbeginsel mag dus niet strikt worden toegepast. Er behoeft slechts te worden nagegaan of de termijn kennelijk onevenredig is. In de onderhavige zaak lijkt de dwingende termijn van drie weken van artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92 mij niet kennelijk onevenredig, maar juist noodzakelijk in het kader van de toekenning van premies die van tijdelijke aard zijn en die door de Commissie, ten behoeve van eventuele aanpassing ervan, onafgebroken in het oog moeten worden gehouden. Ik ben dan ook van mening dat de duur ervan redelijk en voldoende is om de begunstigden in staat te stellen om hun aanvragen binnen de termijn in te dienen.
43. Dit type globale analyse van de evenredigheid van een termijn – zonder beoordeling van de evenredigheid van de gevolgen ervan – biedt bovendien de mogelijkheid te ontkomen aan het tamelijk willekeurig onderscheid tussen conjuncturele maatregelen waarvoor de termijnen strikt in acht genomen moeten worden, en structurele maatregelen waarvoor de termijnen integendeel slechts dwingend zijn wanneer de wetgeving voorziet in geleidelijk intredende, aan de duur van vertraging evenredige, ongunstige gevolgen van de niet-inachtneming ervan. Ten slotte is duidelijk dat de wetgever in dit soort gradaties kan voorzien, wat echter niet betekent dat een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht van constitutionele rang – het evenredigheidsbeginsel – hem verplicht om dat te doen en de nietigheid meebrengt van de bepalingen die niet in dergelijke mechanismen voorzien.
44. Bijgevolg ben ik van mening, dat bij het onderzoek van de vierde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92 kunnen aantasten.
III – Conclusie
45. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vragen van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven te beantwoorden als volgt:
„1) Artikel 3, lid 2, sub c, van verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs‑ en vervaltermijnen, moet aldus worden uitgelegd, dat de in weken, maanden of jaren omschreven termijnen die ingaan op het ogenblik waarop een gebeurtenis of een handeling plaatsvindt, aflopen aan het einde van de dag die, in de laatste week, de laatste maand of het laatste jaar van de termijn dezelfde naam of dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag die volgt op de dag waarop de gebeurtenis of de handeling plaatsvond die de termijn deed ingaan.
2) Bij de toepassing van artikel 50 bis van verordening (EEG) nr. 3886/92 van de Commissie van 23 december 1992 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de premieregelingen waarin is voorzien bij verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 1244/82 en (EEG) nr. 714/89, staat het een lidstaat niet vrij om het tijdstip waarop een premieaanvraag is ingediend, vast te stellen met toepassing van de in zijn interne rechtsorde geldende procedureregels voor vergelijkbare nationale aanvraagtermijnen.
3) Artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92 moet aldus worden uitgelegd, dat een premieaanvraag niet kan worden geacht tijdig te zijn ingediend, hoewel deze vóór afloop van de termijn van drie weken aantoonbaar ter post is bezorgd en op een zodanig tijdstip na deze termijn door de bevoegde instantie is ontvangen, dat deze de desbetreffende gegevens aan de Commissie heeft kunnen meedelen op dezelfde dag als het geval zou zijn geweest indien de premieaanvraag binnen deze termijn door de bevoegde instantie zou zijn ontvangen.
4) Bij het onderzoek van de vierde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92 kunnen aantasten.”
1 – Oorspronkelijke taal: Portugees.
2 – PB L 124, blz. 1.
3 – Verordening van de Commissie van 23 december 1992 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de premieregelingen waarin is voorzien bij verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 1244/82 en (EEG) nr. 714/89 (PB L 391, blz. 20), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2311/96 van de Commissie van 2 december 1996 (PB L 313, blz. 9).
4 – Het gaat om de redactie na de wijzigingen van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van 15 mei 1991 (PB L 176, blz. 1). Deze tekst vormt een „codificatie” van het arrest van 15 januari 1987, Misset/Raad (152/85, Jurispr. blz. 223), punt 8.
5 – Zie bijvoorbeeld arrest van 27 maart 1990, Cricket St. Thomas (C-372/88, Jurispr. blz. I‑1345), punt 19.
6 – Tweede overweging van de considerans van verordening nr. 1182/71.
7 – Beschikking van 17 mei 2002, Duitsland/Parlement en Raad (C-406/01, Jurispr. blz. I-4561), punt 14, waarin naar punt 8 van het arrest Misset/Raad wordt verwezen.
8 – Dit soort termijnen wordt dikwijls vastgesteld. Zie bijvoorbeeld verordening (EG) nr. 1392/2001 van de Commissie van 9 juli 2001 houdende vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 187, blz. 19).
9 – Voorstel van de Commissie voor een verordening (EEG, Euratom) betreffende de wijze van berekening van termijnen, door de Commissie ingediend op 27 juli 1969 (PB C 108, blz. 10).
10 – Arrest van 1 april 2004, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.
11 – Verordening van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1648/95 van de Commissie van 6 juli 1995 (PB L 156, blz. 27).
12 – Arrest van 21 januari 1992 (C-319/90, Jurispr. blz. I-203).
13 – Zie bijvoorbeeld arresten van 20 februari 1979, Buitoni (122/78, Jurispr. blz. 677), en 6 juli 2000, Molkereigenossenschaft Wiedergeltingen (C-356/97, Jurispr. blz. I-5461).
14 – Punt 17.
15 – In het bijzonder punt 16: „[...] lijkt een strikte handhaving van de termijn van 7 september voor het indienen van de oogstopgaven niet onontbeerlijk om te waarborgen dat de Commissie vóór 10 december over voldoende inlichtingen over productie en voorraden in de wijnbouwsector beschikt”.
16 – Arrest van 22 januari 1986 (266/84, Jurispr. blz. 149), punt 21.
17 – Zie bijvoorbeeld arresten van 13 november 1990, Fedesa e.a. (C-331/88, Jurispr. blz. I-4023), punt 14, en 11 juli 1989, Schräder (265/87), punten 21 en 22.
Full & Egal Universal Law Academy