CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. POIARES MADURO
van 29 juni 2004 (1)
Zaak C‑181/03 P
Albert Nardone
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Invaliditeitspensioen – Beroepsziekte – Blootstelling aan asbest – Ontslagaanvraag vóór erkenning van beroepsziekte”
1. Het Hof dient in deze zaak te beslissen op de hogere voorziening van Albert Nardone tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 26 februari 2003, Nardone/Commissie (hierna: „bestreden arrest”)(2), houdende verwerping van het beroep van verzoeker tot nietigverklaring van een besluit van de Commissie van 20 maart 2000. Bij dit besluit heeft de Commissie een aanvraag om toekenning van een invaliditeitspensioen afgewezen op grond dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Statuut”).
2. Deze zaak is slechts op het eerste oog eenvoudig. In werkelijkheid werpt zij behoorlijk ingewikkelde juridische vragen op. Bovendien gaat het om beroepsziekten die verband houden met asbest, waarvan de bijzondere en gevoelige aard in alle lidstaten en door de Gemeenschap zelf is erkend.(3) Het spreekt voor zich dat het Hof bij zijn oordeel in deze hogere voorziening rekening dient te houden met de bijzondere aard van de situatie.
I – Juridisch en feitelijk kader van de hogere voorziening
3. Artikel 78, eerste alinea, van het Statuut bepaalt dat „[o]vereenkomstig de artikelen 13 tot en met 16 van bijlage VIII [...] de ambtenaar recht [heeft] op een invaliditeitsuitkering wanneer hij blijvend invalide wordt, en deze invaliditeit als volledig wordt beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten die met een ambt van zijn functiegroep overeenkomen”. De volgende alinea luidt: „Indien de invaliditeit het gevolg is van een ongeval tijdens of in verband met de dienst, van een beroepsziekte of van een daad van zelfopoffering in het algemeen belang of ten gevolge van het feit dat hij zijn leven heeft gewaagd om een mensenleven te redden, bedraagt de invaliditeitsuitkering 70 % van het basissalaris van de ambtenaar.” Artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut bepaalt dat „[o]nverminderd het in artikel 1, lid 1, bepaalde [...] de ambtenaar die de 65‑jarige leeftijd nog niet heeft bereikt, indien hij tijdens de periode gedurende welke hij recht op pensioen verkreeg, door de invaliditeitscommissie als blijvend invalide wordt aangemerkt, en deze invaliditeit als volledig wordt beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten die met een ambt in zijn loopbaan overeenkomen, zodat hij de dienst bij de Gemeenschappen moet onderbreken, gedurende de tijd van zijn arbeidsongeschiktheid recht [heeft] op het in artikel 78 van het statuut bedoelde invaliditeitspensioen”.
4. Nardone trad in 1963 in dienst van de Hoge Autoriteit van de EGKS. In 1971 kwam hij in dienst bij de Commissie, waar hij hoofd was van de slotenmakerij die eerst in de kelder en daarna op een tussenverdieping van het gebouw Berlaymont in Brussel (België) was gevestigd. Hij heeft in 1981 ontslag genomen en beweert dat zijn gezondheidstoestand sindsdien geen enkele beroepsactiviteit meer heeft toegelaten. Op 18 november 1999 heeft hij overeenkomstig artikel 90, lid 1, van het Statuut een aanvraag om een invaliditeitspensioen op grond van een beroepsziekte ingediend. In zijn aanvraag maakte verzoeker gewag van ziektesymptomen die verband zouden houden met langdurige blootstelling aan asbest tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden bij de Commissie. Bij besluit van 20 maart 2000 (hierna: „bestreden besluit”) heeft de Commissie deze aanvraag afgewezen.
5. Nardone heeft krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het bestreden besluit. Nadat deze klacht stilzwijgend was afgewezen, heeft hij beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit ingesteld.
6. Dit beroep is bij het bestreden arrest verworpen. Na in punt 14 van dit arrest te hebben vastgesteld dat het beroep zich richt tegen het bestreden besluit en niet tegen het besluit van 26 oktober 1981, waarbij de Commissie de ontslagaanvraag van verzoeker had ingewilligd, verklaarde het Gerecht het beroep ontvankelijk. Ten principale wees het Gerecht evenwel alle tot nietigverklaring strekkende middelen af.
7. Om te beginnen merkte het Gerecht op, dat het zich niet hoefde uit te spreken over de toepasselijkheid van de door verzoeker gestelde algemene rechtsbeginselen, aangezien verzoeker zich niet op de onwettigheid van de relevante bepalingen van het Statuut beriep. Dienaangaande stelde het Gerecht verder vast dat de Commissie de aanvraag om een invaliditeitspensioen had afgewezen om redenen die zij beknopt maar duidelijk heeft uiteengezet en die verband houden met de omstandigheid dat de juridische voorwaarden met betrekking tot de administratieve, en niet de medische situatie van verzoeker, zoals neergelegd in het Statuut en bijlage VIII, kennelijk niet waren vervuld. Derhalve wees het Gerecht het middel inzake misbruik van bevoegdheid af.
8. Het Gerecht achtte het evenwel noodzakelijk om de juiste toepassing van de relevante bepalingen van het Statuut door de Commissie in het bestreden besluit te controleren. Dienaangaande kwam het Gerecht tot de conclusie dat de voorwaarden voor de inleiding van een invaliditeitsprocedure niet waren vervuld. In de eerste plaats had verzoeker in 1981 ontslag genomen en zijn aanvraag om een invaliditeitspensioen in 1999 ingediend, zodat hij niet aan de voorwaarde kon voldoen dat de invaliditeitsprocedure enkel toepassing kan vinden in het geval van een ambtenaar die zijn werkzaamheden moet onderbreken doordat zijn invaliditeit het hem onmogelijk maakt deze voort te zetten. In de tweede plaats stond vast dat verzoeker, aangezien hij in 1981 ontslag had genomen, niet kon voldoen aan de tweede door het Statuut gestelde voorwaarde, namelijk dat de betrokken ambtenaar pensioenrechten moet verwerven op het moment dat hij om inleiding van een invaliditeitsprocedure verzoekt.
9. Tot staving van zijn hogere voorziening voert rekwirant twee middelen aan, ontleend aan onjuiste beoordeling van elk van de twee voorwaarden die volgens het Gerecht recht geven op inleiding van een invaliditeitsprocedure.
10. Alvorens de hogere voorziening te beoordelen, acht ik het van belang erop te wijzen dat het in dit geschil gaat om het besluit een invaliditeitsprocedure in te leiden en niet om het definitieve besluit inzake de toekenning van het invaliditeitspensioen. Hoewel het Statuut formeel geen onderscheid maakt tussen deze beide, nauw met elkaar verbonden besluiten, zijn zij wel aan verschillende voorwaarden onderworpen. De opzet van het Statuut is van dien aard dat het besluit tot inleiding van de procedure los staat van het besluit om de ambtenaar een invaliditeitspensioen toe te kennen. De Commissie roept allereerst een invaliditeitscommissie bijeen, die een advies uitbrengt op basis waarvan de Commissie een besluit neemt over de toekenning van het invaliditeitspensioen. In dit kader vormt het bijeenroepen van een bijzondere, uit medische deskundigen bestaande commissie een maatregel ten behoeve van het onderzoek van het geval, welke in een ingewikkelde materie die een wetenschappelijke beoordeling vereist gewoonlijk geboden is en die de administratieve autoriteit in staat dient te stellen om met volledige kennis van de zaak een besluit te nemen.(4)
II – Beoordeling van de middelen in hogere voorziening
11. De wezenlijke vraag in deze hogere voorziening is of een ambtenaar die een zodanige beroepsziekte heeft dat hij na beëindiging van de dienst geen enkele nieuwe activiteit kan uitoefenen, zich op het moment waarop de oorzaak van deze ziekte aan het licht komt, kan beroepen op zijn recht krachtens het Statuut op toekenning van een invaliditeitspensioen. In casu lijken juridische overwegingen zich hiertegen te verzetten. Het bestreden arrest lijkt, althans op het eerste gezicht, de bepalingen van het Statuut nauwgezet toe te passen. Bovendien lijkt het te zijn gebaseerd op een ondubbelzinnige rechtspraak van het Hof en het Gerecht op dit gebied. Tot staving van zijn redenering beroept het Gerecht zich met name op het arrest van het Hof van 17 mei 1984, Bähr/Commissie(5), en zijn eigen arrest van 3 juni 1999, Coussios/Commissie(6), waarin de door het Hof geformuleerde beginselen worden gevolgd.
12. Deze zaak heeft derhalve twee aspecten. Het gaat erom een oordeel te vellen over de uitlegging van de rechtspraak van het Hof en tegelijkertijd over de toepassing van de bepalingen van het Statuut in de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval. De moeilijkheid van deze zaak is gelegen in het feit dat de rechtspraak en het Statuut niet op dergelijke omstandigheden berekend zijn.(7)
A – Het eerste middel in hogere voorziening
13. Zijn eerste middel ontleent rekwirant aan een vermeende tegenspraak tussen het bestreden arrest en de rechtspraak van het Hof. Het Gerecht zou ten onrechte niet de mogelijkheid in aanmerking hebben genomen om hem het recht te geven een invaliditeitsprocedure in te leiden op het tijdstip van indiening van de desbetreffende aanvraag. Het Gerecht zou de door het Hof van Justitie op dit gebied geformuleerde voorwaarden verkeerd hebben uitgelegd.
14. Het Statuut legt de voorwaarden voor de toekenning van een invaliditeitspensioen vast. Het bevat evenwel niet uitdrukkelijk de voorwaarden voor de inleiding van een invaliditeitsprocedure krachtens artikel 74 ervan. Met betrekking tot dit punt heeft het Hof in het arrest Bähr/Commissie(8) verklaard:
„Uit de duidelijke bewoordingen van artikel 13 van bijlage VIII, dat volgens artikel 78 van het Statuut de voorwaarden vaststelt waaronder een ambtenaar recht heeft op een invaliditeitspensioen, vloeit immers voort, dat de invaliditeitsprocedure enkel toepassing kan vinden in het geval van een ambtenaar die zijn werkzaamheden moet onderbreken, doordat zijn invaliditeit het hem onmogelijk maakt deze voort te zetten.
Hieruit volgt dat een ambtenaar die sedert verscheidene jaren de dienst heeft beëindigd en die een ziekte heeft die hem ongeschikt zou maken voor zijn werkzaamheden indien hij deze nog verrichtte, niet op deze grond alleen om inleiding van de invaliditeitsprocedure kan verzoeken.”
15. In de punten 31 en 32 van het bestreden arrest heeft het Gerecht zich uitdrukkelijk gebaseerd op deze rechtspraak. Bijgevolg was het voor het Gerecht niet moeilijk om vast te stellen dat verzoeker die in 1981 ontslag had genomen en in 1999 een aanvraag om toekenning van een invaliditeitspensioen had ingediend, zich in de door het Hof beschreven feitelijke situatie bevond. Hieruit trok het Gerecht vanzelfsprekend de conclusie dat de eerste toekenningsvoorwaarde niet was vervuld.
16. Vaststaat dat Nardone zijn aanvraag na de beëindiging van zijn dienst heeft ingediend. Betekent dit evenwel dat de Commissie zich op het standpunt mag stellen dat hij zich in de situatie bevindt van een gewezen ambtenaar die een ziekte heeft gekregen die hem arbeidsongeschikt zou maken indien hij nog in dienst was? Het Gerecht lijkt er blijkens zijn overwegingen van uit te gaan, dat het enkele feit dat de aanvraag na de beëindiging van de dienst is ingediend, in de weg staat aan de inleiding van een invaliditeitsprocedure.
17. Dat is evenwel niet de echte betekenis van de rechtspraak van het Hof. In het arrest Bähr/Commissie heeft het Hof mijns inziens enkel de voorwaarde voor de inleiding van de procedure afgeleid uit de in het Statuut gestelde voorwaarde voor de toekenning van een invaliditeitspensioen. Een invaliditeitsprocedure kan slechts worden ingeleid, wanneer de invaliditeit samenvalt met de uitoefening van werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen en er dientengevolge sprake is van blijvende ongeschiktheid om deze werkzaamheden nog langer uit te oefenen. In het bijzondere kader van een aanvraag om een invaliditeitspensioen op grond van een beroepsziekte is dit samenvallen niet voldoende; er moet daarenboven een causaal verband worden vastgesteld. Er moet worden aangetoond dat „het vervullen van de dienst de voornaamste of hoofdoorzaak van het ontstaan van de ziekte of van de verergering van een bestaande ziekte is geweest”.(9) Het ligt dan ook voor de hand dat het aanvoeren van een „later feit”, dat zich niet tijdens en op de plaats van de beroepsactiviteit heeft voorgedaan en daarmee dus geen enkel verband houdt, geen aanleiding kan geven tot het inleiden van een invaliditeitsprocedure. Wanneer geen samenhang tussen de uitoefening van de werkzaamheden en de invaliditeit kan worden aangetoond, dient inleiding van de procedure achterwege te blijven.
18. Bijgevolg moeten tardieve aanvragen om inleiding van deze procedure in het algemeen niet zozeer worden afgewezen omdat zij te laat zijn ingediend, maar veeleer omdat het hierdoor onwaarschijnlijk is dat nog een causaal verband tussen de invaliderende ziekte en de beroepsactiviteit kan worden vastgesteld. Vermoed wordt namelijk dat een tardieve aanvraag betrekking heeft op een feit dat zich na de uitoefening van de werkzaamheden heeft voorgedaan en dat daarmee geen verband houdt. Aangezien een dergelijke aanvraag duidelijk niet aan de voorwaarde voor toekenning van een invaliditeitspensioen kan voldoen, wordt zij terecht als ongegrond aangemerkt.
19. In de onderhavige zaak doet rekwirant evenwel geen beroep op een „later feit”. Hij baseert zich op „nieuwe feiten” met betrekking tot de aard van zijn aandoeningen, die na de beëindiging van zijn werkzaamheden aan het licht zijn gekomen. Dat bepaalde ziekten waaraan rekwirant lijdt, het gevolg zijn van zijn beroepsactiviteit, is door de Commissie reeds erkend in het kader van de procedure van artikel 73 van het Statuut met betrekking tot de toekenning van een uitkering bij invaliditeit die verband houdt met een beroepsziekte.(10) Het staat weliswaar vast dat deze twee procedures los van elkaar staan, aangezien de erkenning van invaliditeit krachtens artikel 73 op geen enkele wijze prejudicieert op het recht op inleiding van een invaliditeitsprocedure krachtens artikel 78 van het Statuut(11), doch deze erkenning volstaat als bewijs dat de gestelde aandoeningen niet kunnen worden beschouwd als feiten die zich na het dienstverband hebben voorgedaan en die daarmee geen verband houden.(12) Rekwirant heeft zijn aanvraag niet in 1999 ingediend omdat hij op dat tijdstip een nieuwe ziekte had gekregen, zoals het Gerecht in punt 32 van het bestreden arrest suggereert, maar omdat de aandoeningen waaraan hij reeds lange tijd lijdt, pas sinds enkele jaren als een beroepsziekte kunnen worden gediagnosticeerd en erkend.
20. Het Gerecht erkent weliswaar dat het van belang kan zijn een onderscheid te maken tussen het tijdstip waarop om inleiding van de procedure wordt verzocht en het tijdstip van het optreden van de ziekte, maar in de punten 35 tot en met 42 van het bestreden arrest doet het zulks in het kader van het door het Hof in het arrest Bähr/Commissie onderzochte geval. In dat arrest was evenwel sprake van volstrekt andere omstandigheden dan in casu. Bovendien hielden de overwegingen van het Hof in die zaak nauw verband met de feiten van het geval. Bijgevolg rijst de vraag of het Gerecht wegens deze andere omstandigheden niet van deze overwegingen had moeten afwijken.
21. In de zaak Bähr/Commissie werden twee afzonderlijke feiten aangevoerd die de ambtenaar arbeidsongeschikt zouden hebben gemaakt; het ene viel samen met de uitoefening van de werkzaamheden, het andere deed zich erna voor. Het was dus de vraag of er tussen deze twee feiten een verband bestond. Indien had kunnen worden aangetoond dat het tweede hartinfarct, dat hem arbeidsongeschikt had gemaakt, een gevolg was van het eerste, dat onlosmakelijk verbonden was met de uitgeoefende werkzaamheden, had het causale verband tussen de arbeidsongeschiktheid en de ambtsuitoefening kunnen worden vastgesteld. Het zou dan logisch zijn geweest om de mogelijkheid van de inleiding van de invaliditeitsprocedure te erkennen. In een dergelijk geval kon wegens de continue relatie tussen de twee ziekten het causale verband tussen de invaliditeit en de ambtsuitoefening worden vastgesteld.
22. Het aanvoeren van een dergelijk „voortdurend feit” kon volgens advocaat-generaal Verloren van Themaat zonder meer een uitzondering rechtvaardigen op de regel van het Statuut, dat een invaliditeitspensioen enkel kan worden toegekend wanneer de ambtenaar de dienst bij de Gemeenschap moet onderbreken. Bijgevolg concludeerde hij als volgt: „Indien tussen het tweede en het eerste hartinfarct van verzoeker een causaal verband zou zijn aangetoond en indien tussen de twee hartinfarcten niet een zo lang tijdsverloop had gelegen, zou het wellicht niet redelijk zijn geweest aan een bijzin van een bepaling in een bijlage [‚zodat hij de dienst bij de Gemeenschap moet onderbreken’] zo verstrekkende gevolgen te verbinden”.(13) Naar aanleiding van deze conclusie besloot het Hof om recht te doen aan de bijzondere aard van de situatie. In zijn arrest liet het Hof een uitzondering toe op de regel dat het administratieve orgaan niet verplicht is om ambtshalve de oorzaak van de invaliditeit vast te stellen.(14) „[W]anneer vaststaat dat de invaliditeit waardoor de ambtenaar tenslotte is getroffen, rechtstreeks en onmiddellijk verband houdt met zijn gezondheidstoestand op het moment waarop hij de dienst beëindigde” moet naar het oordeel van het Hof „de Commissie [...] nagaan of de gezondheidstoestand van verzoeker op het moment waarop deze te kennen gaf zijn werkzaamheden te willen beëindigen, zodanig was, dat hij ze zou hebben kunnen voortzetten indien hij ervoor had gekozen zijn dienst bij de Gemeenschappen niet te beëindigen”.(15) Wanneer de Commissie niet aan deze verplichting voldoet, zou de onrechtmatigheid van haar besluit om de invaliditeitscommissie niet bijeen te roepen, kunnen worden vastgesteld.
23. Hoewel het Gerecht in punt 36 van het bestreden arrest erkent dat „de omstandigheden in de zaak die tot het arrest Bähr/Commissie heeft geleid, sterk verschilden van die in het onderhavige geval”, onderzoekt het de aan hem voorgelegde zaak op dezelfde wijze, namelijk door na te gaan of wellicht sprake was van een verplichting van de Commissie om de invaliditeitscommissie bijeen te roepen op het moment van het ontslag van rekwirant. Het Gerecht concludeert vervolgens dat de onwetendheid van de Commissie en rekwirant met betrekking tot de werkelijke gezondheidstoestand van rekwirant in 1981, het moment waarop hij ontslag nam, de Commissie ontsloeg van elke verplichting om de invaliditeitscommissie bijeen te roepen.
24. Deze conclusie wekt verbazing. Het is overduidelijk dat Nardone zich niet in een vergelijkbare situatie als Bähr bevindt. Laatstgenoemde voerde, zoals het Gerecht in punt 41 van het bestreden arrest uiteenzet, het bestaan aan van een „zeer ernstig en vaststaand feit”, een duidelijk vastgestelde aandoening, waarvan de gevolgen in bepaalde gevallen voorzienbaar zijn. Nardone betoogt dat er sprake is van beroepsziekten waarvan de werkelijke aard pas later duidelijk is geworden. Terwijl Bähr zich baseerde op een feit met voortgezette gevolgen die van meet van af aan kenbaar waren, beroept Nardone zich op een nieuw feit dat achteraf het bestaan van pathogene omstandigheden in samenhang met zijn ambtsuitoefening aantoont. In het onderhavige geval kon in 1981 niet met zekerheid worden vermoed dat rekwirant invalide zou worden en dat dit rechtstreeks verband zou houden met zijn gezondheidstoestand op het moment van beëindiging van zijn werkzaamheden. Hieruit volgt evenwel niet dat er geen verband was. Maar in het geval van een ziekte waarvan de aard en de gevolgen pas na een lange incubatietijd aan het licht komen, kon dit verband pas achteraf worden aangetoond. In een dergelijk geval kan de werkelijke aard van de ziekte waaraan de ambtenaar lijdt, pas bekend worden na de eerste verschijnselen van de invaliderende aandoeningen.
25. Er moet een zorgvuldig onderscheid worden gemaakt tussen het ziek worden, dat wil zeggen het moment waarop iemand de ziekte oploopt, en het ziek zijn, dat wil zeggen het tijdstip waarop alle gevolgen merkbaar worden en de betrokkene kennis krijgt van de oorzaak van de ziekte. In het onderhavige geval was rekwirant ten tijde van de uitoefening van zijn werkzaamheden niet op de hoogte van de aanwezigheid van asbest en de gevolgen van de blootstelling aan dit materiaal. Bijgevolg was hij op het moment van de beëindiging van zijn dienst niet in staat een verband te leggen tussen deze blootstelling en de aandoeningen waaraan hij blijkbaar al leed.
26. In casu doet zich dus een ander probleem voor dan in de zaak Bähr/Commissie. De vraag is hier niet of de Commissie een van haar verplichtingen niet is nagekomen door de invaliditeitscommissie niet ambtshalve bijeen te roepen op het tijdstip waarop rekwirant zijn voornemen kenbaar maakte zijn werkzaamheden te willen beëindigen. In de eerste plaats heeft het Gerecht in punt 14 van het bestreden arrest opgemerkt dat het besluit van 26 oktober 1981, waarbij de Commissie de ontslagaanvraag van rekwirant inwilligde, niet in het geding was. In de tweede plaats staat vast dat indien en voorzover de Commissie op dit punt enige nalatigheid kan worden verweten, dit onder de buitencontractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap valt en niet onder de toekenning van een invaliditeitspensioen. Bijgevolg is het enige probleem in de onderhavige zaak of de procedure op aanvraag van rekwirant nog kan worden ingeleid op het tijdstip waarop de ziekte wordt geconstateerd.
27. De regel dat de procedure slechts kan worden ingeleid wanneer de aanvraag vóór de beëindiging van de dienst is gedaan, is redelijk voorzover het gaat om „ongelukken” die verband houden met de dienst. Dit was de situatie waarover het Gerecht zich in de zaak Coussios/Commissie diende uit te spreken. In die zaak heeft het Hof het beroep tegen de weigering van de Commissie om een invaliditeitspensioen toe te kennen, verworpen, omdat verzoeker zijn aanvraag had kunnen indienen toen hij nog in dienst was.(16) Deze regel is ook nog aanvaardbaar in het geval van een „voortdurend feit” dat voorzienbare gevolgen heeft en rechtstreeks verband houdt met de gezondheidstoestand van de ambtenaar op het moment van de beëindiging van de dienst, mits hieruit voor de Commissie de verplichting voortvloeit om tijdig de invaliditeitscommissie bijeen te roepen. Dit is de strekking van het arrest Bähr/Commissie. Deze regel is evenwel in de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval niet meer adequaat.
28. In dit geval namelijk is de eis dat de Commissie of de ambtenaar de aanvraag moet indienen vóórdat laatstgenoemde de dienst beëindigt, een onmogelijk te vervullen voorwaarde. Dit zou erop neerkomen dat ambtenaren die lijden aan degeneratieve aandoeningen van het type dat in het onderhavige geval is aangevoerd, van deze procedure worden uitgesloten. Vóór de beëindiging van de dienst staat de mogelijke onwetendheid van deze ambtenaren met betrekking tot hun toestand eraan in de weg dat zij zich met kennis van zaken op hun recht op een pensioen beroepen. Ná de beëindiging van de dienst kunnen zij hun werkelijke toestand niet bewijzen, omdat de Commissie alsdan stelselmatig zal weigeren de invaliditeitscommissie bijeen te roepen.
29. Een dergelijk resultaat is onaanvaardbaar. Men kan zich niet erop beroepen, zoals het Gerecht in punt 41 van het bestreden arrest doet, dat rekwirant zich in 1981 zelf niet bewust was van de grote invloed dat het door hem ingeademde stof op zijn gezondheid zou hebben, en dat deze onwetendheid heeft voortgeduurd tot 1992. Deze redenering leidt er namelijk toe, dat rekwirant enkel recht op inleiding van een invaliditeitsprocedure zou hebben gehad, indien hij in dienst van de Commissie was gebleven zolang zijn ziekte niet was erkend, hoewel hij reeds niet meer in staat zou zijn geweest om zijn werkzaamheden uit te oefenen. Dit houdt feitelijk een dubbele bestraffing van rekwirant in: de voortijdige beëindiging van de dienst om gezondheidsredenen wordt bestraft én de uitoefening van zijn recht op pensioen wordt onmogelijk gemaakt. Men kan rekwirant bezwaarlijk een verwijt maken van het ontbreken van kennis die hij niet kon hebben. De onwetendheid van beide partijen tijdens de diensttijd behoort niet in een sanctie voor één van hen uit te monden. Ook zonder vooruit te lopen op de vraag naar de invaliditeit valt niet in te zien, waarom in dergelijke omstandigheden aan rekwirant een procedure tot onderzoek van zijn zaak moet worden onthouden.
30. Bijgevolg ben ik van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij de uitlegging van de rechtspraak van het Hof ten onrechte geen rekening te houden met het feit dat deze rechtspraak in andere omstandigheden is gewezen en moet worden toegepast. Hieruit volgt dat het eerste middel in hogere voorziening moet worden aanvaard.
B – Het tweede middel in hogere voorziening
31. Met zijn tweede middel trekt rekwirant de wijze in twijfel waarop het Gerecht artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut heeft toegepast. Hij is in het bijzonder van mening dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat hij op het moment van de aanvraag geen pensioenrechten meer opbouwde.
32. In punt 33 van het bestreden arrest herinnert het Gerecht eraan, dat artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut bepaalt dat de ambtenaar die om toekenning van een invaliditeitspensioen verzoekt, onder andere pensioenrechten moet verwerven op het moment waarop hij door de invaliditeitscommissie als blijvend invalide wordt aangemerkt, en deze invaliditeit als volledig wordt beschouwd. Rekwirant is evenwel van mening dat rekening moet worden gehouden met de hem krachtens artikel 73 van het Statuut toegekende uitkering wegens gedeeltelijke invaliditeit. Dit zou volstaan als bewijs dat zijn administratieve situatie in die zin moet worden herzien dat de opbouw van pensioenrechten herleeft.
33. Dit betoog snijdt geen hout. Het staat buiten kijf dat in artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut met het „recht op pensioen” wordt gedoeld op het ouderdomspensioen. De in artikel 73 van het Statuut bedoelde uitkering wordt, zoals de Commissie betoogt, evenwel niet in aanmerking genomen bij de berekening van het ouderdomspensioen volgens de artikelen 2 en 3 van deze bijlage. Bijgevolg wettigt het genot van deze uitkering niet de conclusie dat rekwirant op het moment waarop hij zijn aanvraag om een invaliditeitspensioen indiende, nog pensioenrechten verwierf.(17)
34. In het kader van de beoordeling van dit middel rest echter de vraag of het Gerecht de op basis van artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut geformuleerde „voorwaarde” terecht heeft beschouwd als een voorwaarde die in het onderhavige geval in de weg staat aan de inleiding van een invaliditeitsprocedure.
35. Artikel 78 van het Statuut stelt de toekenning van het pensioen onmiskenbaar afhankelijk van de in de artikelen 13 tot en met 16 van bijlage VIII bij het Statuut opgenomen voorwaarden. Derhalve moet worden nagegaan, wat de precieze betekenis is van de bewoordingen van de zinsnede in artikel 13 dat de invaliditeit van een ambtenaar enkel kan worden erkend tijdens de periode gedurende welke hij pensioenrechten opbouwt. De ratio van deze regeling is duidelijk: zij beoogt elke cumulatie bij de toekenning van pensioenen te voorkomen. De wetgever achtte het rechtvaardig dat een gewezen ambtenaar die zijn pensioenaanspraken reeds te gelde maakt in de vorm van een ouderdomspensioen, daarnaast niet in aanmerking komt voor een tweede pensioen dat juist uitsluitend tot doel heeft om, indien nodig, een vervangend inkomen te bieden. Bijgevolg moet de litigieuze zinsnede in artikel 13 louter worden opgevat als een begrenzing van de kring van personen die recht op invaliditeitspensioen hebben. Overigens heeft de Commissie in andere omstandigheden erkend dat niet moet worden vastgehouden aan de formulering van artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut wanneer de wezenlijke, in het Statuut opgenomen voorwaarde voor een pensioen is vervuld en er geen gevaar van cumulatie van pensioenen bestaat.(18) In dezelfde zin heeft de Corte costituzionale (Italië) geoordeeld dat de wet werknemers geen invaliditeitspensioen kan onthouden, ook niet wanneer de betrokken aanvraag na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd wordt ingediend, aangezien er gevallen zijn waarin de werknemers nog geen ouderdomspensioen ontvangen.(19)
36. Het zou onjuist zijn om in de litigieuze zinsnede in artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut méér dan een anticumulatiebepaling te zien. Deze bepaling is opgenomen in bijlage VIII bij het Statuut met als opschrift „Nadere uitwerking van de pensioenregeling”. De verwijzing in artikel 78 van het Statuut naar deze bepaling moet dan ook niet in die zin worden uitgelegd als een nieuwe voorwaarde, naast de door het Statuut gestelde basisvoorwaarden voor de toekenning van een invaliditeitspensioen, maar als een zuivere uitvoeringsbepaling met betrekking tot een door het Statuut gewaarborgd recht. Artikel 13 is in dit verband niet meer dan een uitzondering. Zelfs indien aan de voorwaarden voor een invaliditeitspensioen is voldaan, kan dit pensioen niet worden uitgekeerd wanneer de betrokken ambtenaar reeds een ouderdomspensioen ontvangt.
37. Hoe dan ook kan artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut geen beperking vormen van artikel 78 van het Statuut. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat een bepaling in een bijlage de praktische werking van de hoofdregeling waarbij zij behoort, niet teniet mag doen.(20) In een ander verband heeft het Hof verklaard dat de in een bijlage gestelde termijnen geen peremptoire termijnen, maar regels van behoorlijk bestuur zijn.(21) Deze lijn in de rechtspraak moet in de onderhavige zaak worden voortgezet. Derhalve ben ik van mening dat wanneer aan de in het Statuut gestelde toekenningsvoorwaarde kan worden voldaan, bijlage VIII bij het Statuut geen absolute belemmering voor de inleiding van een invaliditeitsprocedure mag vormen. De enige materiële voorwaarde voor de toekenning van een pensioen krachtens artikel 78 van het Statuut is, dat een causaal verband tussen de blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid en de uitoefening van de werkzaamheden wordt aangetoond.
38. In het geval van rekwirant is geen sprake van een cumulatie van pensioenregelingen. Ongetwijfeld had hij bij de beëindiging van zijn dienst recht op een uitkering bij vertrek overeenkomstig artikel 12 van bijlage VIII bij het Statuut. Deze uitkering kan evenwel niet op één lijn worden gesteld met een invaliditeitspensioen dat hij hoe dan ook in 1981 niet kon aanvragen om de reeds genoemde redenen.
39. Artikel 13 van bijlage VIII heeft slechts een beperkte materiële betekenis en wel in de vorm van een uitzondering. Het hoofddoel van deze bepaling is de vaststelling van procedurele voorwaarden voor het recht op een invaliditeitspensioen. Hiertoe schrijft zij voor dat het invaliditeitspensioen pas kan worden toegekend nadat door middel van een bijzondere procedure is vastgesteld dat de toestand van de ambtenaar voortzetting van zijn werkzaamheden onmogelijk maakt. In het kader van deze procedure volgt uit artikel 13 slechts, dat enkel de invaliditeitscommissie bevoegd is tot medische constateringen.(22)
40. Hieruit kan dus worden afgeleid dat de procedure geschikt moet zijn om de doeltreffendheid en de bescherming van het in het Statuut gewaarborgde recht te verzekeren. Een recht kan slechts worden uitgeoefend wanneer er een middel voorhanden is om het te beschermen (ubi ius, ibi remedium). Dit is de andere bestaansreden van procedurevoorschriften: zij dienen er niet alleen toe om de feiten vast te stellen die een beslissing mogelijk dienen te maken; zij bieden ook beschermingswaarborgen, dat wil zeggen, zij stellen de rechthebbende in staat over het recht te beschikken en het geldend te maken.
41. In deze omstandigheden ligt het voor de hand om in het algemeen ervan uit te gaan dat de erkenning van de invaliditeit chronologisch moet samenvallen met de periode van actieve dienst. Deze procedurele regeling is in overeenstemming met een beginsel van behoorlijk bestuur. In de eerste plaats kan het causale verband duidelijk eenvoudiger worden aangetoond wanneer de procedure tijdens de actieve dienst wordt ingeleid. In de tweede plaats kan dit recht niet onbeperkt in de tijd worden uitgeoefend. Dit gebieden de eisen van rechtszekerheid en van bescherming van het openbaar belang.
42. Wat evenwel moet zijn gewaarborgd, is dat het recht op invaliditeitspensioen kan worden uitgeoefend. Dit recht kan niet reeds uitgeput zijn, vóórdat er ook maar een beroep op kon worden gedaan. Dit is evenwel een onvermijdelijk gevolg van de overwegingen van het Gerecht. Door in een dergelijk geval het bijeenroepen van de invaliditeitscommissie na de beëindiging van de actieve dienst te verbieden, maakt het Gerecht het onmogelijk om van het door het Statuut verleend recht gebruik te maken.(23) Bijgevolg ben ik van mening dat deze procedurele regeling niet houdbaar is in een geval als het onderhavige, waarin de ziekte die tijdens de actieve dienst is ontstaan en tot volledige arbeidsongeschiktheid heeft geleid, enkel na de beëindiging van de dienst kon worden geconstateerd.
43. De voorwaarde met betrekking tot „de periode gedurende welke hij [de ambtenaar] recht op pensioen verkreeg” wordt niet doorslaggevend geacht wanneer bijvoorbeeld ten gevolge van toevallige, niet aan de ambtenaar toerekenbare vertragingen de invaliditeitscommissie pas meer dan zes jaar na de indiening, tijdens de actieve dienst, van de invaliditeitsaanvraag bijeenkomt.(24) Het zou tegenstrijdig en onrechtvaardig zijn om niet een bepaald tijdsverloop toe te staan tussen de behandeling van de aanvraag en het aan het licht treden van de ziekte in gevallen waarin het causale verband pas na een incubatietijd, na het beëindigen van de dienst, met zekerheid kan worden aangetoond. Dit betekent niet dat de termijn voor het bijeenroepen van de invaliditeitscommissie onbeperkt is. Er moet evenwel een redelijke termijn zijn vanaf de erkenning van de ziekte en de samenhang hiermee met de beroepsactiviteit, waarbinnen een invaliditeitspensioen kan worden aangevraagd. Zo niet, dan zou de uitoefening van een individueel recht enkel van de goede wil van de administratie afhangen en voor ambtenaren die dezelfde rechten hebben tot ongelijke situaties naar gelang van hun ziekte kunnen leiden.
44. Bijgevolg ben ik van mening dat de in bijlage VIII bij het Statuut opgenomen voorwaarden in omstandigheden als de onderhavige niet in die zin moeten worden uitgelegd dat zij rekwirant het recht ontnemen om te verzoeken om een invaliditeitsprocedure op grond van een beroepsziekte.
45. Door de bepalingen van het Statuut in de omstandigheden van het onderhavige geval niet correct uit te leggen, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Derhalve moet ook het tweede middel in hogere voorziening worden aanvaard.
III – Beoordeling van het beroep
46. Ingevolge artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie kan het Hof, in het geval van nietigverklaring van de beslissing van het Gerecht, zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is. In het onderhavige geval kan mijns inziens de onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht gemakkelijk worden geremedieerd. Bijgevolg dient het Hof zelf te beslissen op de middelen die het Gerecht in de te vernietigen onderdelen van zijn arrest heeft afgewezen.
47. Met zijn verschillende middelen voert rekwirant aan, dat in de omstandigheden van het onderhavige geval aan een gewezen ambtenaar een invaliditeitspensioen moet kunnen worden toegekend, ondanks het feit dat hij de dienst beëindigd heeft.
48. Het Statuut stelt de toekenning van een invaliditeitspensioen op grond van een beroepsziekte afhankelijk van twee verschillende voorwaarden: de noodzaak om de werkzaamheden te onderbreken, zonder dat wordt gepreciseerd welke vorm deze onderbreking dient te hebben, en een officiële erkenning, door een speciale commissie, van een blijvende invaliditeit die als volledig wordt beschouwd. Bij de toepassing en de uitlegging van deze voorwaarden moet een evenwicht worden gevonden tussen enerzijds de bescherming van de rechten die de ambtenaar krachtens het Statuut heeft en anderzijds de eisen van rechtszekerheid en van bescherming van de (met name financiële) belangen van de Gemeenschap. Een dergelijk evenwicht noopt tot beperking van de mogelijkheid om een invaliditeitsprocedure in te leiden.
49. Hierbij staat het hoe dan ook aan de Commissie om, in de omstandigheden van elk afzonderlijk geval, de voorwaarden van een dergelijk evenwicht te beoordelen. Het Hof van Justitie is daarentegen bevoegd om na te gaan of de Commissie met haar besluit binnen „redelijke grenzen” is gebleven en geen „kennelijk onjuist” gebruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt.(25) Het Hof dient met name te toetsen of de Commissie met haar besluiten de waarborgen van het Statuut, de door de communautaire rechtsorde beschermde rechten en de beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden.
50. In het algemeen is het ongetwijfeld in overeenstemming met het Statuut en de daarin opgenomen beginselen om het recht op inleiding van een procedure te beperken tot aanvragen die door de ambtenaar zijn gedaan vóór de beëindiging van zijn dienst. Bij aandoeningen die verband houden met asbest lijkt het mij echter noodzakelijk dat ook ná het einde van de dienst aanvragen kunnen worden ingewilligd. Mijns inziens pleiten twee overwegingen voor deze oplossing.
51. In de eerste plaats betreft de situatie van deze ambtenaren een grondrecht op toegang tot socialezekerheidsvoorzieningen die in het geval van ziekte, arbeidsongevallen, hulpbehoevendheid of ouderdom, alsmede werkloosheid bescherming waarborgen. Dit recht vloeit voort uit artikel 12 van het Europees Sociaal Handvest van 1961 en uit punt 10 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989, waarnaar artikel 136 EG uitdrukkelijk verwijst. Dit recht is thans in artikel 34 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerd.(26) Hoewel dit Handvest nog geen bindende rechtsgevolgen heeft, geeft het uitsluitsel over en fungeert het als toetssteen voor de door de communautaire rechtsorde gewaarborgde rechten.(27) Artikel 78 van het Statuut beoogt nu juist een dergelijke bescherming in het kader van de Europese ambtelijke dienst te bieden.
52. Het nationale recht van de lidstaten kent een opmerkelijke uitspraak van de Corte costituzionale, volgens welke een wet die bepaalt dat geen invaliditeitspensioen kan worden verkregen wanneer de aanvraag na de wettelijke pensioenleeftijd is ingediend, in strijd is met artikel 38 van de Italiaanse grondwet dat het recht van de werknemer op bestaansmiddelen in het geval van ziekte beschermt.(28) In dezelfde zin voorzien nationale wettelijke regelingen in het algemeen in een termijn waarbinnen na beëindiging van de werkzaamheden een invaliditeitspensioen kan worden aangevraagd. In sommige gevallen bestaan zelfs bijzondere bepalingen die in het geval van asbest-gerelateerde invaliditeit hernieuwd aanspraken doen ontstaan op uitkeringen en pensioenen.(29)
53. Uiteraard staat in het onderhavige geval niet de geldigheid van het Statuut ter discussie. Het bestaan van een recht op bescherming in geval van invaliditeit kan echter niet zonder gevolgen voor de uitlegging van de bepalingen ervan blijven. Niemand zal betwisten dat hierbij het beginsel van de conforme uitlegging moet worden toegepast.(30) Volgens dit beginsel moeten de voorschriften inzake de wijze van toepassing van de regeling van het invaliditeitspensioen zodanig worden uitgelegd, dat zij zo veel mogelijk in overeenstemming zijn met de bepaling van het Statuut ter uitvoering waarvan zij bedoeld zijn, en met de door de communautaire rechtsorde beschermde grondrechten.(31) Hieruit volgt dat de Commissie zich moet inspannen om bij de behandeling van verzoeken om de invaliditeitscommissie bijeen te roepen rekening moet houden met het door artikel 78 van het Statuut beoogde doel om, waar nodig, het recht op een vervangend inkomen in de vorm van een invaliditeitspensioen te waarborgen.(32) In het bestreden besluit heeft de Commissie de procedurevoorschriften evenwel in die zin uitgelegd dat de uitoefening van het door het Statuut verleende recht onmogelijk wordt. Door te weigeren de invaliditeitscommissie op het tijdstip van indiening van de aanvraag bijeen te roepen, heeft de Commissie de bepalingen van het Statuut onjuist uitgelegd.
54. In de tweede plaats vereist de zorgplicht van de communautaire instellingen dat zij de individuele gevallen ten aanzien waarvan zij een besluit moeten nemen, zorgvuldig beoordelen. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat „[h]et [...] begrip zorgplicht van de administratie [...] een weergave [vormt] van het door het Statuut geschapen evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen in de betrekkingen tussen het administratief gezag en de ambtenaren. Dat evenwicht houdt onder meer in, dat het betrokken gezag bij zijn beslissing over de situatie van een ambtenaar alle elementen in aanmerking neemt die zijn besluit kunnen beïnvloeden, en dat het daarbij niet enkel rekening houdt met het belang van de dienst maar ook met dat van de betrokken ambtenaar”.(33) Hieruit volgt dat de Commissie in het bijzonder de verplichting heeft om medewerking te verlenen bij de vaststelling van de werkelijke situatie van haar personeel.(34) In het onderhavige geval heeft de administratie bij de beoordeling van het dossier geen rekening gehouden met de concrete omstandigheden. Het bestreden besluit vermeldt noch de aanzienlijke blootstelling aan asbeststof die door rekwirant in zijn aanvraag naar voren is gebracht, noch het mogelijke verband tussen de vastgestelde invaliditeit en zijn gezondheidstoestand op het moment van de beëindiging van de dienst, zoals deze uit het bij de aanvraag gevoegde medische dossier blijkt. Uit dit dossier heeft de Commissie enkel de vermelding van een „momenteel” bestaande invaliditeit overgenomen en daaruit afgeleid dat aan de door het Statuut gestelde voorwaarden niet werd voldaan.
55. In dergelijke omstandigheden stond evenwel niets eraan in de weg – integendeel, alles wees op de noodzaak – om vanaf het moment van de definitieve erkenning van de aard en de gevolgen van de ziekte de inleiding van een invaliditeitsprocedure toe te staan. In dat geval zijn de gewettigde vereisten van rechtszekerheid en het algemeen belang gewaarborgd, indien de aanvraag wordt ingediend binnen een „redelijke termijn” na de datum van de eerste medische erkenning van de ziekte.(35)
56. Subsidiair moet nog een laatste vraag worden behandeld. Heeft de Commissie rekwirant het recht ontzegd een invaliditeitspensioen aan te vragen, omdat hij, zoals de Commissie ter terechtzitting betoogde, onder andere dankzij de in artikel 73 van het Statuut gewaarborgde ziekteverzekering over andere bestaansmiddelen beschikte(36) en nog een andere beroepsmogelijkheid had, namelijk een vordering tot schadevergoeding uit hoofde van artikel 236 van het Verdrag?(37) Dit argument moet, wat beide onderdelen ervan betreft, worden verworpen. In de eerste plaats is het vaste rechtspraak dat een krachtens artikel 73 van het Statuut verkregen bedrag als een vergoeding geldt die noch met een krachtens artikel 78 toegekend pensioen overeenkomt noch ermee onverenigbaar is.(38) In de tweede plaats moge het duidelijk zijn dat een invaliditeitspensioen noch wat zijn doel, noch wat zijn gevolgen betreft, kan worden vergeleken met een schadevergoeding. Om te beginnen vooronderstelt een schadevergoeding de vaststelling van een gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht door de Commissie. Voorts heeft het Hof verklaard dat de vergoeding die is verkregen op de grondslag van de in het Statuut voorziene verzekeringsregeling in beginsel niet de toekenning kan uitsluiten van een schadevergoeding uit hoofde van het commune aansprakelijkheidsrecht. In het arrest van 8 oktober 1986, Leusink e.a./Commissie, overwoog het Hof dat er in beginsel geen argument is om „de ambtenaar en zijn rechtverkrijgenden het recht te ontzeggen een aanvullende vergoeding te vorderen wanneer de instelling naar gemeen recht aansprakelijk is voor het ongeval en de statutaire uitkeringen niet voldoende zijn om de geleden schade volledig te vergoeden”.(39) In de praktijk sluit het Hof enkel uit, dat dit beginsel kan leiden tot dubbele vergoeding van dezelfde schade.(40)
57. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit kennelijk berust op een onjuiste uitlegging bij de toepassing van de relevante bepalingen van het Statuut. Bijgevolg moet het besluit waarbij de Commissie weigert om op aanvraag van rekwirant een invaliditeitsprocedure krachtens artikel 78 van het Statuut in te leiden, nietig worden verklaard.
IV – Conclusie
58. Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat de middelen in hogere voorziening moeten worden aanvaard en dat dus het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 26 februari 2003, Nardone/Commissie (T‑59/01), moet worden vernietigd.
59. Voorts geef ik het Hof in overweging om ten gronde:
– het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1998 inzake toekenning van een invaliditeitspensioen aan rekwirant nietig te verklaren;
– de Commissie in de kosten van beide instanties te verwijzen.
1 – Oorspronkelijke taal: Portugees.
2 – T‑59/01, JurAmbt. blz. I‑A‑55 en II‑323.
3 – Zie met name richtlijn 83/477/EEG van de Raad van 19 september 1983 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (Tweede bijzondere richtlijn in de zin van artikel 8 van richtlijn 80/1107/EEG) (PB L 263, blz. 25), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/382/EEG van de Raad van 25 juni 1991 (PB L 206, blz. 16), richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico’s van chemische agentia op het werk (Veertiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 131, blz. 11), en richtlijn 2003/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 maart 2003 (PB 97, blz. 48). Zie in het algemeen over dit punt, Bothwell, E., „The Asbestos Problem and the European Economic Community”, Columbia Journal of Transnational Law, 1993, blz. 205.
4 – Zie met betrekking tot de invaliditeitscommissie de artikelen 7 tot en met 9 van bijlage II bij het Statuut. Ten aanzien van de beoordelingsvrijheid van deze commissie bij het onderzoek van het dossier van de verzoekende partij, zie met name arrest van 21 mei 1981, Morbelli/Commissie (156/80, Jurispr. blz. 1357). Wat de verdeling van de bevoegdheden tussen deze commissie en de administratie betreft, zie met name arrest van 21 januari 1987, Rienzi/Commissie (76/84, Jurispr. blz. 315, punten 8‑12).
5 – 12/83, Jurispr. blz. 2155.
6 – T‑295/97, JurAmbt. blz. I‑A‑103 en II‑577.
7 – „Neque leges senatus consulta ita scribi possunt, ut omnes casus qui quandoque inciderint comprehendantur.” Noch wetten, noch senaatsbesluiten kunnen zo worden geredigeerd, dat alle gevallen die zich ooit kunnen voordoen erdoor omvat worden (Justinianus, Digesten, I.3, 3‑10).
8 – Aangehaald in voetnoot 5, punten 12 en 13.
9 – Conclusie van advocaat-generaal Roemer in de zaak Velozzi/Commissie (arrest van 13 juli 1972, 29/71, Jurispr. blz. 513, blz. 524). Zie in die zin ook arrest van 4 oktober 1991, Commissie/Gill (C‑185/90 P, Jurispr. blz. I-4779, punt 17), waarin het Hof a contrario heeft verklaard dat voor het bewijs van het bestaan van een beroepsziekte in de zin van artikel 78, tweede alinea, van het Statuut de ambtenaar het causaal verband tussen de ziekte of de verergering daarvan, en de uitoefening van werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen dient aan te tonen.
10 – Dit volgt ondubbelzinnig uit het arrest van het Gerecht van 15 december 1999, Nardone/Commissie (T‑27/98, JurAmbt. blz. I-A-267 en II-1293, punt 11), waarin een uitspraak werd gedaan over een op artikel 73 van het Statuut gebaseerd besluit van de Commissie in dezelfde feitelijke omstandigheden als die van het onderhavige geval. Ik herinner eraan dat de ziekten die verband houden met de blootstelling aan asbest, zoals asbestose en mesothelioom vermeld worden op de lijst van de aanbeveling van de Commissie van 19 september 2003 betreffende de Europese lijst van beroepsziekten (PB L 238, blz. 28).
11 – Artikel 25 van de regeling voor de verzekering van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten luidt: „De vaststelling van een blijvende algehele of gedeeltelijke invaliditeit met toepassing van artikel 73 van het statuut en van deze regeling prejudicieert niet de toepassing van het bepaalde in artikel 78 van het statuut, en omgekeerd.” Zie in die zin arrest van 24 oktober 1996, Commissie/Royale belge (C‑76/95, Jurispr. blz. I‑5501, punt 86).
12 – In die zin heeft het Hof geoordeeld dat „er geen enkele geldige reden [bestaat] om aan te nemen, dat het begrip „beroepsziekte” een andere inhoud zou moeten hebben naar gelang het gaat om een recht op invaliditeitspensioen wegens beroepsziekte uit hoofde van artikel 78 van het Statuut of om de verzekering tegen de risico’s van beroepsziekte in de zin van artikel 73 van het Statuut” (arrest Commissie/Gill, aangehaald in voetnoot 9, punt 14).
13 – Conclusie in de zaak Bähr/Commissie, aangehaald in voetnoot 5.
14 – Deze regel volgt ondubbelzinnig uit het arrest van 12 januari 1983, K./Raad (257/81, Jurispr. blz. 1, punt 12).
15 – Arrest Bähr/Commissie, aangehaald in voetnoot 5, punten 15 en 16. Cursivering van mij.
16 – In die zaak had verzoeker bij de Commissie een verklaring ingediend met betrekking tot een ongeluk dat op 26 oktober 1993 was gebeurd, terwijl hij nog in dienst was; op grond van deze verklaring kreeg hij een schadevergoeding krachtens artikel 73 van het Statuut. Pas na dit besluit tot toekenning diende hij bijna vier jaar later, nadat hij zijn dienst had beëindigd, een op dezelfde feiten gebaseerde aanvraag in om een invaliditeitspensioen krachtens artikel 78 van het Statuut.
17 – In het nieuwe Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, zoals ingevoerd bij verordening (EG, Euratom) 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB L 124, blz. 1) wordt de uitkering krachtens artikel 78 gekwalificeerd als „invaliditeitsuitkering” en niet meer als „invaliditeitspensioen”. Daarentegen blijft de titel van bijlage VIII, te weten „Nadere uitwerking van de pensioenregeling”, ongewijzigd.
18 – In haar antwoord in de zaak Becker/Rekenkamer (arrest van het Gerecht van 12 juni 2002, T‑9/01, JurAmbt. blz. I‑A-79 en II-379), merkt de Commissie op dat zij in het geval van een ambtenaar die met verlof om redenen van persoonlijke aard is overeenkomstig artikel 40, lid 3, van het Statuut, bereid is een invaliditeitsprocedure in te leiden, hoewel deze ambtenaar geen rechten op een ouderdomspensioen opbouwt. De reden hiervoor is dat, in dit geval, de betrokken ambtenaar zich niet in de situatie van een „gewezen ambtenaar” bevindt die een ouderdomspensioen ontvangt. Volgens de Commissie hebben in dit bijzondere geval de bepalingen van het Statuut voorrang op de formulering van artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut.
19 – Uitspraak van 25 maart 1988, nr. 436, Giurisprudenza Costituzionale, 1988, blz. 1978.
20 – Zie in die zin arrest van 8 maart 2001, Jauch (C‑215/99, Jurispr. blz. I‑1901, punten 20‑22), en de conclusie van advocaat-generaal Alber in deze zaak, punten 62 en 63.
21 – Arrest van 27 november 2001, Z/Parlement (C‑270/99 P, Jurispr. blz. I‑9197, punt 21).
22 – Arrest K./Raad, aangehaald in voetnoot 14, punt 11.
23 – Zie in die zin punt 26 van deze conclusie.
24 – Dit was onder andere het geval in het arrest van het Gerecht van 6 april 1990, Gill/Commissie (T‑43/89, Jurispr. blz. II‑173, punt 7).
25 – Arrest van 3 april 2003, Parlement/Samper (C‑277/01 P, Jurispr. blz. I‑3019, punt 35).
26 – PB 2000, C 364, blz. 1.
27 – Zie in die zin punt 28 van de conclusie van advocaat-generaal Tizzano in de zaak BECTU (arrest van 26 juni 2001, C‑173/99, Jurispr. blz. I‑4881), alsmede de punten 82 en 83 van de conclusie van advocaat-generaal Léger in de zaak Raad/Hautala (arrest van 6 december 2001, C‑353/99 P, Jurispr. blz. I‑9565).
28 – Uitspraak aangehaald in voetnoot 19.
29 – Zo voorziet in Frankrijk wet nr. 98-1194 betreffende de bekostiging van de sociale zekerheid voor 1999 van 23 december 1998, zoals gewijzigd bij wet nr. 2001-1246 (JORF van 26 december 2001, blz. 20552), in artikel 40 in de herleving van rechten op uitkeringen en vergoedingen uit hoofde van de sociale zekerheid ten gunste van slachtoffers van een ziekte die verband houdt met asbest, zonder dat hun een vervaltermijn kan worden tegengeworpen.
30 – Dit is een van de meest kenmerkende uitleggingsbeginselen van de communautaire rechtspraak (zij bijvoorbeeld arrest van 10 september 1996, Commissie/Duitsland, C‑61/94, Jurispr. blz. I‑3989, punt 52).
31 – Zie, naar analogie, arrest van 29 juni 1995, Spanje/Commissie (C‑135/93, Jurispr. blz. I‑1651, punt 37).
32 – Zie, met betrekking tot het doel van artikel 78 van het Statuut, het arrest van het Gerecht van 27 juni 2000, Plug/Commissie (T‑47/97, JurAmbt. blz. I‑A-119 en II-527, punt 73).
33 – Arrest van 29 juni 1994, Klinke/Commissie (C‑298/93 P, Jurispr. blz. I‑3009, punt 38).
34 – Zie ook artikel 24 van het Statuut, waarin de verplichting van de Gemeenschappen is verankerd om hun ambtenaren bijstand te verlenen.
35 – Het begrip „redelijke termijn” duikt reeds op in het kader van de krachtens artikel 73 van het Statuut vastgestelde regeling voor de verzekering van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten. Artikel 17, lid 1, van die regeling luidt: „Bij een verzoek om toepassing van deze regeling wegens een beroepsziekte moet de ambtenaar binnen een redelijke termijn na het begin van de ziekte of de datum waarop zij voor het eerst medisch is geconstateerd, aangifte doen bij de administratie van de instelling waartoe hij behoort. Deze aangifte kan geschieden door de ambtenaar of de voormalige ambtenaar indien de vermeende beroepsziekte zich openbaart na de datum waarop hij de dienst definitief heeft verlaten […].” Een soortgelijk begrip is bekend uit de rechtspraak van het Hof naar aanleiding van termijnproblemen waarin het Verdrag niet voorziet (zie bijvoorbeeld arrest van 11 december 1973, Lorenz, 120/73, Jurispr. blz. 1471, punt 4).
36 – Zie dienaangaande arrest Nardone/Commissie, aangehaald in voetnoot 10.
37 – Verzoeker heeft op deze grondslag een vordering ingesteld voor het Gerecht (Nardone/Commissie, T‑57/99). Deze zaak is evenwel geschorst in afwachting van de besluiten die de Commissie naar aanleiding van het arrest Nardone/Commissie, aangehaald in voetnoot 10, dient te nemen.
38 – Zie in het bijzonder arrest K./Raad, aangehaald in voetnoot 14, punt 10.
39 – Gevoegde zaken 169/83 en 136/84, Jurispr. blz. 2801, punt 13.
40 – Arrest van 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie (C‑257/98 P, Jurispr. blz. I‑5251, punt 21).
Full & Egal Universal Law Academy