CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 30 september 2004(1)
Zaak C‑195/03
Merabi Papismedov e.a.
(verzoek van het Hof van Beroep te Antwerpen om een prejudiciële beslissing)
„Communautair douanewetboek – Voorwaarden voor douanetoezicht – Ontstaan van douaneschuld bij invoer – Aanbrengen bij douane van aan douanerechten onderworpen goederen – Gevolgen van douaneaangifte onder onjuiste benaming (‚kookgerei’ in plaats van ‚sigaretten’) – Daaraanvolgende onttrekking aan douanetoezicht”
I – Inleiding
1. De feiten die tot deze prejudiciële procedure aanleiding hebben gegeven, worden in de omgangstaal met het begrip „sigarettensmokkel” omschreven. In wezen gaat het daarbij om een geval waarin sigaretten na het binnenbrengen ervan in het douanegebied van de Gemeenschap als kookgerei („cookware”) werden aangegeven en later aan het douanetoezicht werden onttrokken.
2. In deze zaak dient voor het Hof van Beroep te Antwerpen (2) (hierna ook: „de verwijzende rechter”) een strafprocedure in hoger beroep tegen M. Papismedov en andere verdachten van verscheidene inbreuken op de douanewetgeving. Naar aanleiding van deze strafprocedure stelt de verwijzende rechter het Hof verscheidene vragen over het begrip douanetoezicht en over het ontstaan van de douaneschuld volgens het communautair douanewetboek. (3)
II – Rechtskader
A – Gemeenschapsrecht
3. Het toezicht van de douaneautoriteiten wordt in artikel 4, punt 13, van het douanewetboek gedefinieerd als volgt:
„de activiteiten die door deze autoriteiten in het algemeen worden ontplooid teneinde te zorgen voor de naleving van de douanewetgeving en, in voorkomend geval, van de andere bepalingen die op goederen onder douanetoezicht van toepassing zijn”.
4. Artikel 4, punt 17, van het douanewetboek bevat voor douaneaangifte de volgende begripsbepaling:
„handeling waarbij een persoon, in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze, het voornemen kenbaar maakt goederen onder een bepaalde douaneregeling te plaatsen”.
5. Artikel 4, punt 19, van het douanewetboek bevat voor het begrip aanbrengen bij de douane de volgende definitie:
„mededeling aan de douaneautoriteiten, in de vereiste vorm, van de aankomst van de goederen bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats”.
6. Begin en einde van het douanetoezicht worden in artikel 37 van het douanewetboek bepaald:
„1. De in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen zijn vanaf het ogenblik waarop zij worden binnengebracht aan douanetoezicht onderworpen. Zij kunnen overeenkomstig de geldende bepalingen door de douaneautoriteiten worden gecontroleerd.
2. Deze goederen blijven onder douanetoezicht zolang dit nodig is om de douanestatus ervan te bepalen en wanneer het niet-communautaire goederen betreft en onverminderd artikel 82, lid 1, tot het ogenblik waarop zij hetzij een andere douanestatus krijgen, hetzij in een vrije zone of een vrij entrepot worden binnengebracht, hetzij worden wederuitgevoerd of vernietigd overeenkomstig artikel 182.”
7. De artikelen 38 tot en met 42 van het douanewetboek regelen de verplichtingen van de persoon die een goed in het douanegebied van de Gemeenschap binnenbrengt, vanaf het overschrijden van de grens tot en met het aanbrengen bij de douane. Daarin wordt in het bijzonder bepaald:
„ Artikel 38
1. Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, moeten onverwijld door de persoon die deze binnenbrengt, in voorkomend geval langs de door de douaneautoriteiten aangegeven weg en op de door deze autoriteiten vastgestelde wijze, worden gebracht:
a) hetzij naar het door de douaneautoriteiten aangewezen douanekantoor of naar enige andere, door deze autoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats;
[…]
Artikel 40
Goederen die overeenkomstig artikel 38, lid 1, onder a, bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats aankomen, dienen bij de douane te worden aangebracht door de persoon die de goederen het douanegebied van de Gemeenschap heeft binnengebracht of, in voorkomend geval, door de persoon die zich met het vervoer van de goederen belast nadat deze zijn binnengebracht.”
8. De artikelen 202 en volgende van het douanewetboek bevatten regelingen over het ontstaan van de douaneschuld, wanneer bij de invoer van goederen in het douanegebied van de Gemeenschap douanerechtelijke inbreuken worden gepleegd. In dit verband zijn in het bijzonder de volgende artikelen van belang:
„ Artikel 202
1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
a) indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, […]
[...]
Onder ‚op onregelmatige wijze binnenbrengen’ van goederen in de zin van dit artikel wordt verstaan: elk binnenbrengen van goederen in strijd met de bepalingen van de artikelen 38 tot en met 41 en met die van artikel 177, tweede streepje.
2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen op onregelmatige wijze worden binnengebracht.
3. Schuldenaren zijn:
– de persoon die de goederen op onregelmatige wijze heeft binnengebracht;
[...]
Artikel 203
1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat
– indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.
2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.
3. Schuldenaren zijn:
– de persoon die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken;
– de personen die aan deze onttrekking hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat de goederen aan het douanetoezicht werden onttrokken;
– de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die op het ogenblik waarop zij de goederen verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze aan het douanetoezicht waren ontrokken;
– alsmede, in voorkomend geval, de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze waren geplaatst, dient na te komen.
Artikel 204
1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
a) indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst, […]
[…]
in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 203, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling.
2. De douaneschuld ontstaat, hetzij op het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de verplichting waarvan de niet-nakoming de douaneschuld doet ontstaan, hetzij op het tijdstip waarop de goederen onder de betrokken douaneregeling werden geplaatst, wanneer achteraf blijkt dat aan een van de voorwaarden voor de plaatsing van de genoemde goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen, niet is voldaan.
3. Schuldenaar is de persoon die, naar gelang van het geval, hetzij de verplichtingen moet nakomen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst, hetzij de aan de plaatsing van de goederen onder de regeling verbonden voorwaarden in acht moet nemen.”
B – Het nationale recht
9. Het Belgische douanestrafrecht bepaalt in artikel 257, § 3, van de algemene wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977 (4) (hierna: „A.W.D.A.”) in wezen dat wie zonder voorafgaande toestemming van de administratie der douane en accijnzen aan de goederen een andere bestemming geeft dan die waarin de douanedocumenten voorzien, strafbaar is.
III – Feiten, verzoek om prejudiciële beslissing en procedure
10. Op 10 juni 2001 legde in de haven van Antwerpen een containerschip aan. De lading werd door de douanediensten aldaar ingeklaard. Volgens de daartoe overgelegde vrachtlijst bevatte een van de geloste containers 406 kartons met kookgerei („cookware”). Deze lading werd vóór de aankomst van het schip in het bestand goederencomptabiliteit aangemeld. Derhalve ging het om uit de Volksrepubliek China afkomstige goederen, die voor een ontvanger in België waren bestemd.
11. Eén dag later, op 11 juni 2001, werd de container door de douanediensten gecontroleerd. Daarbij werd vastgesteld dat deze slechts 29 kartons kookgerei bevatte en wel in de eerste twee rijen van de laadruimte. Daarachter bevonden zich identieke kartons waarin echter zwarte plastic zakken met telkens twee kleinere kartons sigaretten waren verpakt. De container werd vervolgens weer gesloten, verzegeld en onder observatie gesteld.
12. Eveneens op 11 juni 2001 werden de goederen onder de zogeheten regeling extern communautair douanevervoer geplaatst. In het daartoe opgestelde zogeheten „T1‑document” werd overeenkomstig het verzoek als lading van de container opnieuw kookgerei opgegeven. De B.V.B.A. Transocean System Transport was aangever voor het communautair douanevervoer. Volgens dit document diende de container door de B.V.B.A. United Logistic Partners naar een entrepot te Merksem (België) als kantoor van bestemming te worden gebracht.
13. ’s Anderendaags bracht een van de verdachten de container echter naar een magazijn te Schoten (België), dat niet als douane-entrepot voor goederen onder douanetoezicht was erkend. Medewerkers van de Belgische douane, die de vrachtwagencombinatie hadden gevolgd zonder te worden herkend, vielen daar binnen. Bij de visitatie van het magazijn werd naast andere voorwerpen de volledige lading van de container, daaronder 7 090 000 sigaretten, in beslag genomen.
14. Papismedov, die bij het lossen van de container te Schoten aanwezig was, en de andere betrokkenen zijn voor deze feiten voor de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen vervolgd. Hun werd onder andere ten laste gelegd, een strafbare inbreuk op artikel 257, § 3, A.W.D.A. te hebben gepleegd met betrekking tot de in beslag genomen sigaretten. De betrokkenen wordt verweten dat zij de sigaretten in het douanegebied van de Gemeenschap hebben binnengesmokkeld, waarbij de goederen in het kader van het extern communautair vervoer aan de douanecontrole werden onttrokken.
15. Dienaangaande heeft de rechter in eerste aanleg, de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, bij vonnis van 30 juli 2001 acht verdachten tot gevangenisstraffen van zes tot tien maanden veroordeeld. Voorts zijn deze verdachten solidair veroordeeld tot een geldboete die het tienvoud van de douaneschuld voor de invoer van de sigaretten bedroeg. Een van die veroordeelden was Papismedov.
16. Deze zaak is in hoger beroep aanhangig bij de verwijzende rechter. Die is van mening dat zijn uitspraak over het hoger beroep afhangt van de vraag of de douaneschuld voor de ingevoerde sigaretten op grond van de artikelen 202, 203 of 204 van het douanewetboek is ontstaan. Wegens twijfel omtrent de uitlegging van het gemeenschapsrecht heeft het Hof van Beroep te Antwerpen het Hof bij arrest van 7 mei 2003 verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
1) „Moeten goederen, waarvoor een summiere aangifte werd ingereikt met vermelding van een onjuiste benaming/handelsbenaming (in casu kookgerei in plaats van sigaretten) of goederen die onder een onjuiste benaming/handelsbenaming werden aangegeven voor een douaneregeling (zoals de regeling extern communautair douanevervoer), niettegenstaande de, al dan niet opzettelijk, opgegeven onjuiste benaming/handelsbenaming, beschouwd worden als zijnde op regelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap te zijn binnengebracht en zich bijgevolg onder douanetoezicht (tijdelijke opslag of een douaneregeling) te bevinden?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet, bij onttrekking aan het douanetoezicht van goederen die, al dan niet opzettelijk, onder een onjuiste benaming/handelsbenaming werden aangegeven, geacht worden dat de douaneschuld ontstaat op grond van artikel 203 van het communautair douanewetboek en moet de persoon die de verplichtingen moet nakomen die voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder de goederen (weliswaar onder een onjuiste benaming) werden geplaatst, geacht worden eveneens schuldenaar van de douaneschuld te zijn?
3) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet bij vaststelling door de douaneautoriteiten dat de zich onder douanetoezicht bevindende goederen, al dan niet opzettelijk, onder een onjuiste benaming/handelsbenaming werden aangegeven terwijl de goederen (nog) niet aan het douanetoezicht werden onttrokken en de douaneautoriteiten nog steeds toegang tot de goederen hadden, geacht worden dat voor de goederen die onder een onjuiste benaming/handelsbenaming werden aangegeven, de douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 204 van het communautair douanewetboek of moet geacht worden dat voor deze goederen nog geen douaneschuld is ontstaan?
4) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet, voor goederen die, al dan niet opzettelijk, onder een onjuiste benaming/handelsbenaming werden aangegeven, geacht worden dat deze goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap werden binnengebracht (met andere woorden te zijn binnengebracht in strijd met de bepalingen van de artikelen 38 tot en met 41 en met die van artikel 177, tweede streepje, van het communautair douanewetboek) waardoor de douaneschuld op deze goederen ontstaat op grond van artikel 202 van het communautair douanewetboek en waardoor de persoon die de summiere aangifte of de aangifte voor een douaneregeling heeft ingereikt, weliswaar met vermelding van een onjuiste benaming/handelsbenaming, slechts geacht kan worden douaneschuldenaar te zijn voorzover hij kan aangemerkt worden als een schuldenaar in de zin van artikel 202, lid 3, van het communautair douanewetboek?”
17. Papismedov, de Belgische en de Finse regering en de Commissie hebben opmerkingen bij het Hof ingediend.
IV – Samenvatting van de bij het Hof ingediende opmerkingen
18. Papismedov meent dat de eerste vraag moet worden geherformuleerd en aldus moet worden beantwoord dat er sprake is van het op onregelmatige wijze binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de Gemeenschap in de zin van artikel 202 van het douanewetboek, wanneer deze goederen bij de douane worden aangebracht met opgave van een verkeerde benaming/handelsbenaming. Subsidiair stelt Papismedov het Hof voor, de eerste vraag ontkennend te beantwoorden, de vierde vraag bevestigend te beantwoorden en de tweede en de derde vraag, bij gebreke van enige relevantie, zonder antwoord te laten.
19. De Finse regering en de Commissie zijn het in wezen erover eens dat in een situatie als in het hoofdgeding de douaneschuld ontstaat op grond van artikel 202 van het communautair douanewetboek.
20. De Belgische regering is daarentegen van mening dat de verplichting om de goederen bij de douane aan te brengen niet de verplichting inhoudt om voor deze goederen een juiste benaming op te geven en dat goederen die onder een onjuiste benaming zijn aangebracht, toch regelmatig het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht, zodat geen douaneschuld op grond van artikel 202 van het douanewetboek ontstaat. Wanneer bij nazicht blijkt dat goederen onder een onjuiste benaming op de summiere aangifte zijn aangegeven en vervolgens aan het douanetoezicht zijn onttrokken, ontstaat de douaneschuld volgens de Belgische regering op grond van artikel 203 van het douanewetboek. In deze omstandigheden behoeft de vierde vraag geen antwoord.
V – Juridische beoordeling
21. Dit verzoek om een prejudiciële beslissing sluit aan bij een reeks procedures voor het Hof, die in het bijzonder betrekking hadden op de uitlegging van de artikelen 202 en volgende van het douanewetboek. (5) De door het Hof van Beroep te Antwerpen voorgelegde feiten stellen evenwel verscheidene vragen aan de orde, waarover het Hof zich tot dusver nog niet afzonderlijk heeft uitgesproken. Voor de verwijzende rechter komt het er in het bijzonder op aan de afzonderlijke in het douanewetboek genoemde feitelijke voorwaarden voor het ontstaan van een douaneschuld bij invoer juist af te bakenen.
22. Normaliter ontstaat een douaneschuld bij invoer wanneer een goed – zoals in de omgangstaal wordt gezegd – „wordt ingeklaard”, dit wil zeggen – met de woorden van artikel 201, lid 1, sub a, van het douanewetboek – wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht. (6)
23. Voor het ontstaan van een douaneschuld bij invoer op grond van de artikelen 202 tot en met 205 van het douanewetboek zijn evenwel bepaalde douanerechtelijke inbreuken vereist. Naar gelang van de situatie voorzien de leden 2 en 3 van deze artikelen in verschillende tijdstippen waarop de douaneschuld ontstaat en in verschillende douaneschuldenaren.
24. Aangezien geen enkele verdachte bij alle tussen 10 en 12 juni 2001 gestelde handelingen betrokken was, maar telkens slechts bij verschillende handelingen uit dat tijdvak, kunnen in voorkomend geval slechts enkelen van hen schuldenaren van de douaneschuld bij invoer voor de sigaretten zijn. Dit hangt af van het antwoord op de vraag welke bepaling van het douanewetboek van toepassing is.
A – De eerste vraag: het douanetoezicht
25. Met zijn eerste vraag, die vooraf moet worden beantwoord, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of ingevoerde goederen zich onder douanetoezicht bevinden wanneer daarvoor een summiere aangifte werd ingediend met vermelding van een onjuiste benaming of wanneer zij onder een onjuiste benaming werden aangegeven voor een douaneregeling.
26. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, dienen allereerst de voorwaarden voor douanetoezicht te worden geschetst. Vervolgens moet worden nagegaan of een onjuiste douaneaangifte gevolgen kan hebben voor het bestaan van het douanetoezicht.
1. Voorwaarden voor douanetoezicht
27. Volgens artikel 37, lid 1, eerste zin, van het douanewetboek zijn de goederen aan douanetoezicht onderworpen vanaf het ogenblik waarop zij in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht .
28. Anders dan de douaneaangifte (artikel 4, punt 17, van het douanewetboek) en het aanbrengen bij de douane (artikel 4, punt 19, van het douanewetboek), die telkens een verklaring in de voorgeschreven vorm aan de douaneautoriteiten vereisen, is het binnenbrengen van een goed in het douanegebied van de Gemeenschap alleen maar een activiteit, een feitelijke handeling .
29. Om die reden veronderstelt het douanetoezicht niet dat een bepaald goed (in casu: sigaretten) bewust is ingevoerd, noch dat het regelmatig is ingevoerd.
30. Enerzijds is het niet van belang of de bij de invoer betrokken personen precies wisten welke soort goederen zij in het douanegebied van de Gemeenschap hebben ingevoerd. De douaneautoriteiten beschikken niet alleen in het geval van een bewuste invoer van een bepaald goed over toezichtbevoegdheden, maar ook en vooral wanneer goederen onbewust , bijvoorbeeld door te goeder trouw handelende transporteurs, in het communautaire handelsverkeer zijn binnengesmokkeld zonder betaling van invoerrechten. (7) Het is overigens evenmin van belang of de douaneautoriteiten op het ogenblik dat het goed in het douanegebied van de Gemeenschap wordt binnengebracht, op enigerlei wijze op de hoogte zijn van het bestaan van de goederen. Integendeel, normaliter worden de douaneautoriteiten eigenlijk pas door het aanbrengen van de goederen (artikel 4, punt 19, en artikel 40 van het douanewetboek) op het bestaan van goederen gewezen.
31. Ook volgens de strekking en het doel van het douanetoezicht moet artikel 37, lid 1, van het douanewetboek op deze zuiver objectieve wijze worden uitgelegd. Overeenkomstig artikel 4, punt 13, van het douanewetboek zijn de douaneautoriteiten bij het douanetoezicht immers gerechtigd om met betrekking tot in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen in het algemeen maatregelen te nemen om te zorgen voor de naleving van de douanewetgeving en, in voorkomend geval, van andere bepalingen (zie ook artikel 37, lid 1, tweede zin, van het douanewetboek). Dit toezicht zou een groot deel van zijn praktisch effect verliezen, wanneer alleen bewust ingevoerde goederen eraan zouden zijn onderworpen; een nuttige controle van de invoer zou dan niet mogelijk zijn.
32. Anderzijds is ook het regelmatig binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de Gemeenschap geen voorwaarde voor de aanvang van het douanetoezicht overeenkomstig artikel 37, lid 1, van het douanewetboek. Anders dan de verwijzende rechter in zijn eerste vraag misschien veronderstelt, bestaat er geen causaal verband tussen het regelmatig binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de Gemeenschap en de aanvang van het douanetoezicht. Uit artikel 202, lid 1, tweede alinea, van het douanewetboek kan immers a contrario worden afgeleid dat een goed pas regelmatig in het douanegebied is binnengebracht , wanneer het niet alleen over de grens is gebracht, maar ook de uit de artikelen 38 tot en met 41 van het douanewetboek volgende verplichtingen zijn nagekomen. In het bijzonder moet het aanbrengen bij de douane in de zin van artikel 40 van het douanewetboek hebben plaatsgevonden.
33. Ingevoerde goederen bevinden zich echter reeds vóór het aanbrengen ervan onder douanetoezicht. Dit is vooral van belang wanneer de bevoegde douanedienst niet vlakbij de buitengrens van de Gemeenschap ligt. In een dergelijk geval moet de douaneautoriteit immers in het kader van het douanetoezicht het recht hebben om na te gaan of de voor het vervoer vanaf de grensovergang tot aan het douanekantoor toegestane verkeerswegen (b.v. douanetrajecten) worden gevolgd. (8) Anders zou het douanetoezicht ook hier zijn praktisch effect verliezen en zou een nuttige controle van de invoer onmogelijk zijn.
34. Net zo min als het aanbrengen bij de douane zijn de summiere aangifte en de aangifte voor een douaneregeling voorwaarden voor de aanvang van het douanetoezicht. Dit volgt niet alleen uit de bewoordingen van de daarop betrekking hebbende bepalingen, maar ook uit de systematiek van het douanewetboek. Zowel de summiere aangifte als het geven van een douanebestemming, bijvoorbeeld door de aangifte voor een extern communautair vervoer, vooronderstellen immers overeenkomstig artikel 43, eerste alinea, en artikel 48 van het douanewetboek het aanbrengen van de goederen, terwijl het douanetoezicht, zoals werd aangetoond, aanknoopt bij het enkele binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de Gemeenschap, en derhalve reeds begint vóór het aanbrengen van de goederen bij de douane.
2. Gevolgen van een onjuiste aangifte voor het bestaan van het douanetoezicht
35. Dan blijft nog de vraag of een onjuiste aanmelding van de goederen, zoals die in casu heeft plaatsgevonden („kookgerei” in plaats van „sigaretten”), het voortbestaan van het douanetoezicht kan beïnvloeden, dan wel of het douanetoezicht door een onjuiste aanmelding wordt beëindigd .
36. Artikel 37, lid 2, van het douanewetboek pleit al tegen een dergelijk gevolg van de onjuiste aanmelding en voor een ongewijzigd voortbestaan van het douanetoezicht. Volgens deze bepaling blijft een goed immers zolang onder douanetoezicht als nodig is om de douanestatus ervan te bepalen. Wanneer het gaat om niet-communautaire goederen, duurt het douanetoezicht zelfs tot het ogenblik waarop het goed een andere douanestatus krijgt, in de regel dus tot zij in het vrije verkeer worden gebracht (artikel 4, punt 7, tweede streepje, en de artikelen 79 e.v. van het douanewetboek). (9) De aangifte voor het vrije verkeer alleen brengt nog geen andere douanestatus met zich mee (10) ; deze ontstaat pas bij de vrijgave van de goederen door de douaneautoriteiten in de zin van artikel 4, punt 20, alsook van de artikelen 73 en 74 juncto artikel 79, tweede alinea, van het douanewetboek, dit wil zeggen bij het „vrijgeven” van de goederen na betaling van de douaneschuld of het stellen van een zekerheid. (11)
37. In het onderhavige geval was nog niet eens de fase van de aangifte voor het vrije verkeer bereikt. De goederen werden daarentegen slechts onder de regeling extern communautair vervoer geplaatst; dit is een afzonderlijke, van het in het vrije verkeer brengen te onderscheiden regeling (artikel 4, punt 16, sub a en b, van het douanewetboek), die nog geen verandering van de douanestatus van de goederen tot gevolg heeft. Het gaat om een schorsingsregeling, die het vervoer van goederen naar de plaats van bestemming en de „inklaring” ervan op de plaats van bestemming mogelijk maakt (12) ; doel van de regeling extern communautair vervoer is het aanbrengen van de goederen bij de douane en de vaststelling van hun douanestatus op het kantoor van bestemming (artikelen 92, 40 en 42 van het douanewetboek).
38. Slechts terloops zij opgemerkt dat een aangifte van de goederen onder een onjuiste benaming nog geen onttrekking van de goederen in de zin van artikel 203, lid 1, van het douanewetboek vormt, waardoor het douanetoezicht zou worden beëindigd. Volgens inmiddels vaste rechtspraak is er immers sprake van onttrekking wanneer een handeling of nalaten tot gevolg heeft dat de bevoegde douaneautoriteit, zij het tijdelijk, de toegang wordt belemmerd tot onder douanetoezicht staande goederen, en wordt belet de controles uit te voeren als bedoeld in artikel 37, lid 1, van het douanewetboek. (13) De aangifte van een goed onder een onjuiste benaming vormt bijgevolg op zichzelf niet een dergelijke onttrekking, omdat zij de feitelijke mogelijkheid voor de douaneautoriteiten om toegang te krijgen tot de ingevoerde goederen niet aantast.
3. Slotsom
39. Gelet op bovenstaande overwegingen bevindt een in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebracht goed zich ook onder douanetoezicht wanneer het – al dan niet opzettelijk – onder een onjuiste benaming bij de douaneautoriteiten werd aangegeven.
B – De vierde vraag: artikel 202 van het douanewetboek
40. Het is beter de vierde vraag voor de tweede en de derde vraag te behandelen. Dit sluit aan bij het verloop van de invoer en bij de volgorde van de overeenkomstige bepalingen van het douanewetboek.
41. De vierde vraag betreft de tot de feiten van het hoofdgeding behorende omstandigheid dat de goederen (kookgerei en sigaretten) in de haven van Antwerpen zijn binnengebracht en dat een van de verdachten jegens de douaneautoriteiten aldaar bepaalde verklaringen over die goederen heeft afgelegd. Met deze vraag, waarin twee problemen aan de orde worden gesteld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of enerzijds de douaneschuld op grond van artikel 202, lid 1, sub a, van het douanewetboek ontstaat wanneer goederen na de overschrijding van de grens onder een onjuiste benaming bij de douaneautoriteiten werden aangegeven, en of anderzijds de persoon die de onjuiste aangifte heeft gedaan, als douaneschuldenaar kan worden aangemerkt.
42. Anders dan in het verzoek om een prejudiciële beslissing wordt gesteld, is deze vraag ook relevant wanneer de eerste vraag, zoals in casu, bevestigend wordt beantwoord. Een goed bevindt zich reeds onder douanetoezicht vanaf het ogenblik waarop het wordt binnengebracht in het douanegebied van de Gemeenschap. (14) Het douanetoezicht is daarentegen geen feitelijke voorwaarde voor de toepassing of voor de uitsluiting van de toepassing van artikel 202 van het douanewetboek. Het bestaan van douanetoezicht is in het kader van deze bepaling niet van belang.
1. Het ontstaan van een douaneschuld bij invoer op grond van artikel 202 van het douanewetboek
43. Op grond van artikel 202, lid 1, sub a, van het douanewetboek ontstaat een douaneschuld bij invoer indien een aan rechten bij invoer onderworpen goed op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap wordt binnengebracht. (15) In artikel 202, lid 1, tweede alinea, van het douanewetboek wordt het begrip op onregelmatige wijze binnenbrengen omschreven als elk binnenbrengen van goederen in strijd met de bepalingen van de artikelen 38 tot en met 41 en van artikel 177, tweede streepje, van het douanewetboek.
44. Voor het beantwoorden van het eerste onderdeel van de vierde vraag moet derhalve worden uitgemaakt of het bij de douaneautoriteiten onder een onjuiste benaming aangeven van goederen („kookgerei” in plaats van „sigaretten”) als een niet-nakoming van de verplichtingen van de artikelen 38 tot en met 41 van het douanewetboek moet worden aangemerkt. (16)
45. Het bij de douaneautoriteiten onder een onjuiste benaming aangeven van goederen is niet in strijd met artikel 38 van het douanewetboek. Volgens deze bepaling moet het goed na de grensoverschrijding onverwijld, en in voorkomend geval langs de aangegeven weg, naar een bepaalde plaats worden gebracht . Het gaat hierbij doorgaans om een douanekantoor, waar de goederen kunnen worden geregistreerd. Artikel 38 van het douanewetboek eist derhalve geen verklaring, maar het verrichten van een feitelijke handeling, te weten goederenvervoer volgens bepaalde richtlijnen wat tijd en ruimte betreft. Een aangifte onder een onjuiste benaming valt daarom al feitelijk niet onder artikel 38 van het douanewetboek.
46. De onderhavige zaak bevat evenmin enige aanwijzing dat artikel 39 van het douanewetboek is geschonden. Anders dan artikel 38 van het douanewetboek vormt deze bepaling de grondslag voor een informatieverplichting jegens de douaneautoriteiten wanneer en voorzover bovengenoemde vervoersverplichting ten gevolge van toeval of overmacht niet kan worden nagekomen. Het gaat hier om een uitzonderingsregeling waarbij de vervoersverplichting wordt vervangen door een informatieverplichting. Wanneer het goed overeenkomstig artikel 38, lid 1, sub a, van het douanewetboek regelmatig is vervoerd, vervalt de informatieverplichting van artikel 39 van het douanewetboek.
47. De onderhavige zaak bevat evenmin een aanwijzing dat artikel 41 van het douanewetboek is geschonden.
48. Een niet-nakoming van de verplichting om goederen overeenkomstig artikel 40 van het douanewetboek bij de douane aan te brengen, is echter wel mogelijk. Wanneer goederen worden ingevoerd en helemaal niet worden aangebracht , wordt artikel 40 van het douanewetboek ongetwijfeld geschonden. Daarentegen kan worden betwijfeld of ook een inhoudelijke onjuistheid in de benaming van goederen die bij de douane werden aangebracht , als niet-nakoming van de verplichting tot aanbrenging in de zin van artikel 40 van het douanewetboek kan worden aangemerkt. Beide aspecten worden hierna nader onderzocht.
a) Goederen die onder een inhoudelijk onjuiste benaming bij de douane zijn aangebracht
49. Wat goederen betreft die onder een inhoudelijk onjuiste benaming zijn aangebracht („kookgerei” in plaats van „sigaretten” of „kookgerei” in plaats van „kookgerei en sigaretten”), is er alleen sprake van een schending van artikel 40 van het douanewetboek wanneer de verplichting tot aanbrenging ook de verplichting tot het geven van de juiste benaming van de goederen omvat.
50. Artikel 4, punt 19, van het douanewetboek omschrijft het aanbrengen bij de douane als de mededeling aan de douaneautoriteiten, in de vereiste vorm, van de aankomst van de goederen bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats. Door het aanbrengen worden de douaneautoriteiten er voor het eerst op gewezen dat er zich ingevoerde goederen in het douanegebied van de Gemeenschap bevinden. In deze fase is de betrokkene nog niet verplicht de douaneautoriteiten ook over de aard en het aantal van de ingevoerde goederen in te lichten. Volgens de bovenstaande definitie is het aanbrengen immers geen mededeling aan de douaneautoriteiten, welke goederen zich bij het douanekantoor bevinden. Er moet alleen worden meegedeeld dat daar goederen zijn aangekomen. Dit blijkt bijvoorbeeld bijzonder duidelijk uit de Engelse en de Portugese taalversie van artikel 4, punt 19, van het douanewetboek, volgens welke het bij het aanbrengen gaat om respectievelijk een „notification … of the arrival of goods” en een „comunicação … da chegada de mercadorias”.
51. De systematiek van het douanewetboek biedt steun voor deze uitlegging. Zo heeft de gemeenschapswetgever het opportuun geacht, het aanbrengen bij de douane enerzijds en de summiere aangifte anderzijds los van elkaar en in verschillende hoofdstukken te regelen (17) alsook te voorzien in een verschillende regeling voor het ontstaan van de douaneschuld in gevallen van niet-nakoming van de verplichtingen. (18)
52. Uit artikel 43 van het douanewetboek blijkt wel dat beide verklaringen, zowel inhoudelijk als wat het tijdstip betreft, in verband staan met elkaar; in de praktijk worden zij ook doorgaans samen, meer bepaald in de vorm van een enkele verklaring afgelegd. Ook in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het hoofdgeding, lijkt dit het geval te zijn geweest.
53. Juridisch gezien moeten beide verklaringen echter van elkaar worden onderscheiden, en het is dus logisch dat aan beide verklaringen ook verschillende inhoudelijke vereisten worden gesteld. Zowel bij de summiere aangifte (19) als bij de latere aangifte voor een douaneregeling moet de precieze benaming van de ingevoerde goederen worden vermeld. In de fase van het aanbrengen volstaat daarentegen een algemene mededeling aan de douaneautoriteiten dat zich op een bepaalde plaats ingevoerde goederen bevinden.
54. Een dergelijk onderscheid inzake de inhoudelijke vereisten van het aanbrengen bij de douane en van de summiere aangifte komt bovendien ook tot uitdrukking in de respectieve strekking en doel van de verklaringen. De summiere aangifte wordt gebruikt voor de registratie van de goederen en als hulp bij de inklaring, ingeval de goederen, na het aanbrengen, aan het douanetoezicht zijn onttrokken. Het aanbrengen bij de douane daarentegen moet alleen in het voorafgaande tijdvak waarborgen dat de douaneautoriteiten reeds vroegtijdig toezicht hebben op het invoerproces of dat zij hun toezicht na aankomst van de goederen op het douanekantoor door concrete controles kunnen voortzetten.
55. Voor het toezicht en de controle op de invoer is het noodzakelijk, maar tevens voldoende, dat de autoriteiten vernemen dat goederen – ongeacht welke soort en hoeveelheid – zijn aangekomen en op welke plaats de aangekomen goederen zich bevinden. Het vermelden van een onjuiste benaming van de goederen bij het aanbrengen verandert immers niets aan het feit dat zich op de opgegeven plaats ingevoerde goederen bevinden en dat de douaneautoriteiten daar toegang toe hebben. (20)
56. Ook uit de verwijzing naar de „vereiste vorm” in artikel 4, punt 19, van het douanewetboek kan niet worden afgeleid dat bij het aanbrengen bij de douane nadere (en inhoudelijk juiste) verklaringen over de ingevoerde goederen moeten worden gegeven. Het gemeenschapsrecht, in het bijzonder de uitvoeringsverordening van het douanewetboek (21) , bevat geen nadere bepalingen over de vorm en de inhoud van het aanbrengen bij de douane. Voorzover eventuele nationale uitvoeringsbepalingen geen aanvullende vereisten stellen, kan het aanbrengen dus in om het even welke vorm gebeuren, zelfs in de vorm van een concludente handelwijze.
57. Bijgevolg moet worden aangenomen dat de verplichting om overeenkomstig artikel 40 van het douanewetboek goederen bij de douane aan te brengen geen verplichting inhoudt om deze goederen een inhoudelijk juiste benaming te geven. Wanneer het dus gaat om goederen die, zij het onder een inhoudelijk onjuiste benaming zijn aangebracht , is er geen sprake van een schending van artikel 40 van het douanewetboek.
b) Goederen die helemaal niet bij de douane zijn aangebracht
58. Van de zopas behandelde situatie moeten de gevallen worden onderscheiden waarin goederen (b.v. sigaretten) helemaal niet bij de douane zijn aangebracht, ongeacht of deze goederen door te goeder trouw handelende transporteurs zonder hun medeweten werden ingevoerd, dan wel of het bestaan van deze goederen bewust werd verzwegen met het oog op het vermijden van de invoerheffingen.
59. In het arrest Viluckas en Jonusas heeft het Hof geoordeeld dat het aanbrengen bij de douane van goederen die in het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht in de zin van artikel 4, punt 19, van het douanewetboek, betrekking heeft op alle goederen , met inbegrip van die welke in een daarvoor ingerichte geheime bergplaats waren verborgen, en dat de verplichting om de goederen aan te brengen, rust op de bestuurder en de bijrijder van de vrachtwagen die deze goederen hebben binnengebracht, ook al werden deze goederen buiten hun medeweten in het voertuig verborgen. (22) Wanneer dergelijke goederen niet bij de douane zijn aangebracht, zijn zij onregelmatig in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebracht in de zin van artikel 202, lid 1, sub a, van het douanewetboek. (23)
60. Derhalve moet in elk afzonderlijk geval worden nagegaan of goederen die niet uitdrukkelijk in de mededeling bij de aanbrenging werden vermeld, nog door deze aanbrenging werden gedekt, en derhalve of deze überhaupt in de mededeling waren vermeld. (24) Het staat weliswaar niet aan het Hof om in het kader van een procedure in de zin van artikel 234 EG zelf het gemeenschapsrecht op het hoofdgeding toe te passen. Het is echter wel bevoegd om de verwijzende rechter alle gegevens voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht te verschaffen die hem in staat stellen te beoordelen of goederen, zoals in het hoofdgeding de in beslag genomen sigaretten, die niet uitdrukkelijk aan de douaneautoriteiten werden aangegeven, onder de mededeling bij aanbrenging vielen.
61. Uit het arrest Viluckas en Jonusas kan als richtsnoer hiervoor worden afgeleid dat een (niet verder geconcretiseerde) mededeling over het aanbrengen altijd alleen betrekking heeft op goederen die zich op de in transportmiddelen gebruikelijke plaatsen voor goederenopslag bevinden. (25) Dit stemt overeen met de strekking en het doel van het aanbrengen bij de douane. Alleen met betrekking tot dergelijke goederen kunnen de douaneautoriteiten de hun door het gemeenschapsrecht verleende controlebevoegdheid nuttig uitoefenen (26) en een effectief toezicht op de invoer waarborgen. (27)
62. In een situatie als die welke aan de zaak Viluckas en Jonusas ten grondslag lag, konden de douaneautoriteiten hun controlebevoegdheid niet zomaar nuttig uitoefenen. De gesmokkelde sigaretten bevonden zich in dat geval immers in een van de eigenlijke laadruimte afgescheiden, speciaal daarvoor ingerichte geheime bergplaats in het dak van een oplegger. (28) Derhalve kon niet worden verwacht dat de douaneautoriteiten deze goederen in het kader van een gewone routinecontrole zouden ontdekken. Hetzelfde geldt wanneer goederen bijvoorbeeld in het motorcompartiment, in de zetels of achter de wielen van een voertuig worden verborgen.
63. De douaneautoriteiten kunnen daarentegen veel gemakkelijker niet‑ of onjuist aangegeven goederen ontdekken in een situatie als die welke in het onderhavige geval aan het Hof is geschetst. In casu werden de sigaretten op dezelfde plaats bewaard als het kookgerei en ook in dezelfde (hoewel voor dit product ongewone) kartons verpakt. De sigaretten waren bijvoorbeeld niet door een bijzondere inrichting verhuld of ondergebracht in een geheime bergplaats, waar normaliter geen goederen worden bewaard.
64. Samenvattend kan worden gesteld dat de verplichting om goederen bij de douane aan te brengen ook betrekking heeft op verborgen of in een speciaal aangebrachte inrichting verstopte goederen. Dergelijke goederen kunnen slechts het voorwerp van een mededeling bij het aanbrengen bij de douane zijn wanneer zij ofwel uitdrukkelijk daarin worden vermeld ofwel zich op de in transportmiddelen gebruikelijke plaatsen voor goederenopslag bevinden. Anders wordt artikel 40 van het douanewetboek geschonden.
c) Slotsom
65. Het eerste onderdeel van de vierde vraag dient derhalve als volgt te worden beantwoord:
Een douaneschuld bij invoer ontstaat niet op grond van artikel 202, lid 1, sub a, van het douanewetboek wanneer de goederen, zij het onder een inhoudelijk onjuiste benaming, bij de douaneautoriteiten werden aangebracht.
Verborgen of verstopte goederen die niet uitdrukkelijk aan de douaneautoriteiten werden gemeld en zich ook niet op de in transportmiddelen gebruikelijke plaatsen voor goederenopslag bevinden, vallen niet onder de mededeling bij het aanbrengen bij de douane in de zin van artikel 40 juncto artikel 4, punt 19, van het douanewetboek; voor dergelijke goederen ontstaat een douaneschuld bij invoer op grond van artikel 202, lid 1, sub a, van het douanewetboek.
2. De douaneschuldenaar in de zin van artikel 202, lid 3, van het douanewetboek
66. Met het tweede onderdeel van zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter enerzijds te vernemen of de persoon die een inhoudelijk onjuiste summiere aangifte of een onjuiste aangifte voor een douaneregeling heeft ingediend, douaneschuldenaar is, en anderzijds of een persoon „slechts geacht kan worden douaneschuldenaar te zijn voorzover hij kan aangemerkt worden als een schuldenaar in de zin van artikel 202, lid 3, van het […] douanewetboek”.
67. Artikel 202, lid 3, van het douanewetboek bevat een gedifferentieerde regeling inzake de groep schuldenaars van de invoerrechten die op grond van artikel 202, lid 1, van het douanewetboek moeten worden geheven. Houdt men naast artikel 202, lid 3, ook rekening met de overeenkomstige regelingen van het derde lid van de artikelen 203, 204 en 205 van het douanewetboek, dan ligt het voor de hand dat het telkens om een exhaustieve lijst van mogelijke douaneschuldenaren gaat, die betrekking heeft op de materiële werkingssfeer van de betrokken norm. Om die reden kan de douaneadministratie voor een inbreuk in de zin van artikel 202, lid 1, sub a, van het douanewetboek alleen personen die de voorwaarden van artikel 202, lid 3, van het douanewetboek vervullen, als schuldenaar aanmerken. (29)
68. Dat een persoon een summiere aangifte of een aangifte voor een douaneregeling met vermelding van een onjuiste benaming heeft ingediend, is op zich niet relevant in het kader van artikel 202 van het douanewetboek. Dergelijke verklaringen vallen immers niet onder de bepalingen waarnaar in artikel 202, lid 1, tweede alinea, van het douanewetboek wordt verwezen. Douaneschuldenaar in de zin van artikel 202, lid 3, eerste streepje, van het douanewetboek is veeleer de persoon die de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap heeft binnengebracht zonder de vervoersverplichting van artikel 38, lid 1, sub a, of de aanbrengingsverplichting van artikel 40 van het douanewetboek te zijn nagekomen.
69. De summiere aangifte wordt immers, zoals reeds vermeld (30) , bij het aanbrengen van de goederen bij de douane (zie ook artikel 43, lid 2, eerste zin, van het douanewetboek) ingediend of valt er zelfs mee samen. Voorzover de indiening van een inhoudelijk onjuiste summiere aangifte tegelijkertijd een niet-nakoming van de aanbrengingsverplichting van artikel 40 van het douanewetboek vormt – dit is bijvoorbeeld altijd het geval, wanneer een verborgen of een verstopt goed helemaal niet in de mededeling aan de douaneautoriteiten is opgenomen en daardoor ook niet is aangebracht (31) –, is degene die de summiere aangifte heeft ingediend, douaneschuldenaar in de zin van artikel 202, lid 3, eerste streepje, van het douanewetboek. Het staat aan de verwijzende rechter, na te gaan of dit het geval is in de bij hem aanhangige zaak.
C – De tweede en de derde vraag: de artikelen 203 en 204 van het douanewetboek
70. Met zijn tweede en zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter niet alleen te vernemen hoe de artikelen 203 en 204 van het douanewetboek moeten worden uitgelegd; beide vragen hebben daarenboven ook betrekking op de verhouding tussen beide bepalingen. De afbakening van deze twee bepalingen is onder andere van praktisch belang omdat alleen op het einde van het eerste lid van artikel 204 van het douanewetboek wordt voorzien in een mogelijkheid tot regularisatie wanneer het douanerechtelijke verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of van de betrokken douaneregeling.
1. De derde vraag: de materiële werkingssfeer van artikel 204 van het douanewetboek
71. De derde vraag heeft opnieuw betrekking op de tot de feiten van het hoofdgeding behorende omstandigheid dat een van de verdachten jegens de douaneautoriteiten bepaalde verklaringen over de ingevoerde goederen heeft afgelegd („kookgerei”). Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een douaneschuld op grond van artikel 204 van het douanewetboek ontstaat, wanneer aangebrachte goederen weliswaar onder een inhoudelijk onjuiste benaming werden aangegeven, maar zich nog steeds onder douanetoezicht bevinden.
72. Volgens artikel 204, lid 1, sub a, van het douanewetboek ontstaat een douaneschuld bij invoer wanneer niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke met betrekking tot aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst.
73. De tijdelijke opslag van de goederen begint bij het aanbrengen ervan (zie artikel 50 van het douanewetboek). De indiening van een summiere aangifte is volgens artikel 43 van het douanewetboek een van de verplichtingen bij de tijdelijke opslag van een goed. Zoals reeds werd uiteengezet (32) , moet bij een summiere aangifte, anders dan bij het aanbrengen, aan het goed een concrete benaming worden geven. Wanneer in de summiere aangifte iets anders is aangegeven dan de goederen die daadwerkelijk zijn ingevoerd (een aliud , bijvoorbeeld „kookgerei” in plaats van „sigaretten” of „kookgerei” in plaats van „kookgerei en sigaretten”), is de verplichting van artikel 43 van het douanewetboek derhalve niet nagekomen.
74. De betrokken goederen bevinden zich op het ogenblik van een verzuim in de zin van artikel 204, lid 1, sub a, van het douanewetboek natuurlijk wel altijd onder douanetoezicht; deze bepaling sanctioneert immers juist de niet-nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de tijdelijke opslag of uit het gebruik van de douaneregeling, en dus van verplichtingen die onder de werkingssfeer ratione temporis van het douanetoezicht vallen (artikel 37 van het douanewetboek).
75. Het is echter niet noodzakelijk dat de niet-nakoming van een verplichting in de zin van artikel 204, lid 1, sub a, van het douanewetboek (bijvoorbeeld door een inhoudelijk onjuiste summiere aangifte) leidt tot belemmering van het douanetoezicht. Dit blijkt uit een vergelijking met artikel 203 van het douanewetboek. Zoals het Hof immers reeds in zijn arrest in de zaak Hamann International (33) heeft uiteengezet, hebben de artikelen 203 en 204 van het douanewetboek een verschillende werkingssfeer. Terwijl eerstgenoemde bepaling betrekking heeft op handelingen die onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht tot gevolg hebben, doelt de tweede op omstandigheden waarin niet wordt voldaan aan verplichtingen, die zonder gevolgen zijn gebleven voor het douanetoezicht .
76. Artikel 204 van het douanewetboek zou bovendien geen nuttig effect meer hebben wanneer het alleen op niet-nakoming van verplichtingen met gevolgen voor het douanetoezicht van toepassing zou zijn. De bepaling zou dan nagenoeg uitgehold zijn. Indien een verzuim in de zin van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek tot gevolg zou hebben dat de goederen meteen aan het douanetoezicht werden onttrokken, dan doet zich immers steeds ook de situatie van artikel 203, lid 1, van het douanewetboek voor en zou artikel 203 reeds volgens de bewoordingen van het douanewetboek (34) als lex specialis moeten worden toegepast vóór artikel 204.
77. Mogelijke gevolgen van een niet-nakoming van verplichtingen voor het douanetoezicht kunnen hooguit indirect in het kader van de regularisatiebepaling aan het einde van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek relevant worden: zo volgt uit artikel 859 van de uitvoeringsverordening van het douanewetboek, die een exhaustieve opsomming van de mogelijkheden tot regularisatie bevat (35) , dat regularisatie is uitgesloten wanneer werd gepoogd de goederen aan het douanetoezicht te onttrekken. (36) Dit betekent echter a contrario dat zelfs de niet-nakoming van verplichtingen, die geen invloed op het douanetoezicht heeft, en zelfs geen poging daartoe inhoudt, geen feitelijke voorwaarde voor toepassing van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek is (maar mogelijkerwijze kan worden geregulariseerd).
78. Samenvattend kan worden gesteld dat een douaneschuld bij invoer ontstaat op grond van artikel 204 van het douanewetboek wanneer goederen onder een inhoudelijk onjuiste benaming worden aangegeven, ongeacht of het douanetoezicht daardoor wordt belemmerd.
2. Het tweede onderdeel van de tweede vraag: de personele werkingssfeer van artikel 203 van het douanewetboek
79. De tweede vraag betreft de tot de feiten van het hoofdgeding behorende omstandigheid dat de goederen uit de haven van Antwerpen werden weggebracht naar een andere bestemming dan de in het vrachtdocument als douanekantoor van bestemming opgegeven entrepot.
80. Met het tweede onderdeel van zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of ook een persoon die de uit de tijdelijke opslag of uit het gebruik van de douaneregeling voortvloeiende verplichtingen moet nakomen, als schuldenaar van een op grond van artikel 203, lid 1, van het douanewetboek ontstane douaneschuld bij invoer kan worden aangemerkt. Deze vraag wordt bijvoorbeeld van belang wanneer – zoals in de situatie in het hoofdgeding – de aangever van het communautair douanevervoer, die de goederen onder deze regeling heeft geplaatst, niet dezelfde persoon is als degene die de goederen daarna bij het wegvoeren of bij het lossen aan het douanetoezicht heeft onttrokken.
81. Om te beginnen moet worden vastgesteld dat overeenkomstig de eerste drie streepjes van artikel 203, lid 3, van het douanewetboek de volgende personen douaneschuldenaren zijn: ten eerste de persoon die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken, ten tweede bepaalde personen die aan deze onttrekking hebben deelgenomen en ten slotte bepaalde personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad.
82. Daarnaast is echter ook douaneschuldenaar „in voorkomend geval, de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze waren geplaatst, dient na te komen” (artikel 203, lid 3, vierde streepje, van het douanewetboek). Daarmee bevat het douanewetboek op het eerste gezicht een duidelijke regeling volgens welke ook de laatstgenoemde persoon, naast de eerst genoemde personen, de douanerechten bij invoer is verschuldigd. Anders dan onder de eerste streepjes van artikel 203, lid 3, van het douanewetboek wordt aan deze regeling echter een element toegevoegd: de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag of uit het gebruik van de douaneregeling, dient na te komen, is slechts in voorkomend geval douaneschuldenaar. Uit het douanewetboek kan echter niet zonder meer worden afgeleid wat hieronder moet worden verstaan.
83. Mijns inziens bevat de term „in voorkomend geval” (37) geen extra beperkende voorwaarde voor het douaneschuldenaar zijn van de betrokken personen. Het gaat veeleer om een verduidelijking dat het vierde streepje logisch slechts kan worden toegepast ingeval er sprake is van een „persoon” in de zin van deze bepaling. Dit doet zich voor wanneer – zoals in de situatie in het hoofdgeding – de aan het douanetoezicht onttrokken goederen voorheen door een andere persoon bij de douane zijn aangebracht of voor een douaneregeling zijn aangegeven, en derhalve wanneer het aanbrengen of de aangifte van goederen en de onttrekking ervan niet door dezelfde persoon werd verricht. (38) Wanneer daarentegen dezelfde persoon de goederen bij de douane aanbrengt of aangeeft en deze aan het douanetoezicht onttrekt, is een beroep op het vierde streepje van artikel 203, lid 3, van het douanewetboek helemaal niet nodig, aangezien het eerste streepje toch al op deze persoon van toepassing is. Een beroep op het vierde streepje van artikel 203, lid 3, van het douanewetboek heeft evenmin zin wanneer de goederen zelfs niet bij de douane waren aangebracht of aangegeven toen zij aan het douanetoezicht werden onttrokken, zoals in het geval dat de goederen reeds aan het toezicht werden onttrokken nog voor zij het douanekantoor bereikten, bijvoorbeeld door de voorgeschreven verkeersweg te verlaten (b.v. douanetraject); in het laatste geval is er zelfs helemaal geen persoon die verplichtingen moet nakomen in de zin van het vierde streepje.
84. Deze uitlegging van de term „in voorkomend geval” als gewone verduidelijking, en niet als beperking, houdt rekening met de strekking en het doel van de artikelen 202 en volgende van het douanewetboek. De fiscale belangen van de Gemeenschap eisen immers dat de groep douaneschuldenaren zo ruim mogelijk wordt gemaakt om de geldendmaking van douanevorderingen zo goed mogelijk te waarborgen.
85. In een situatie zoals die in het hoofdgeding, waarin de aangever van goederen voor extern communautair douanevervoer niet dezelfde persoon is als die welke de goederen later heeft vervoerd of gelost, heeft het vierde streepje van artikel 203, lid 3, van het douanewetboek een eigen werkingssfeer, daar het leidt tot een andere, niet onder de eerste streepjes vallende douaneschuldenaar.
86. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat in een situatie als die in het hoofdgeding, overeenkomstig artikel 203, lid 3, vierde streepje, van het douanewetboek ook de persoon die de verplichtingen dient na te komen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze waren geplaatst, schuldenaar is van de douanerechten bij invoer op grond van artikel 203, lid 1, van het douanewetboek.
3. De verhouding tussen de artikelen 203 en 204 van het douanewetboek
87. Met het eerste onderdeel van zijn tweede vraag verzoekt de verwijzende rechter slechts terloops om een inlichting, die reeds gemakkelijk uit de tekst van het douanewetboek kan worden afgeleid: een douaneschuld bij invoer in de zin van artikel 203, lid 1, van het douanewetboek ontstaat indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken. Daarbij gaat de verwijzende rechter terecht ervan uit dat een goed dat onder de regeling extern communautair vervoer is geplaatst, aan het douanetoezicht wordt onttrokken wanneer het – zoals is gebeurd in de situatie die aanleiding heeft gegeven tot het hoofdgeding – naar een andere plaats wordt gebracht dan het in het vrachtdocument als douanekantoor van bestemming opgegeven entrepot. (39)
88. Beschouwt men dit eerste deel van de tweede vraag echter in samenhang met de andere vragen, in het bijzonder met de derde vraag, dan blijkt dat de verwijzende rechter ook de verhouding tussen de artikelen 203 en 204 van het douanewetboek ter sprake brengt en concreet wenst te vernemen op grond van welke van beide bepalingen de douaneschuld bij invoer ontstaat wanneer – zoals in het onderhavige geval – om te beginnen een douanerechtelijk verzuim in de zin van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek werd begaan en nadien de goederen aan het douanetoezicht werden onttrokken. Derhalve dient in wezen te worden nagegaan of artikel 203 of artikel 204 van het douanewetboek dan wel beide bepalingen van toepassing zijn wanneer er, voordat de goederen aan het douanetoezicht werden onttrokken (in casu: vervoer naar een andere plaats dan het geplande douane-entrepot) reeds een verzuim in de zin van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek plaatsvond, waardoor het douanetoezicht echter nog onverlet bleef (in casu: aangifte van goederen aan de douaneautoriteiten onder een onjuiste benaming – „kookgerei” in plaats van „sigaretten” of „kookgerei” in plaats van „kookgerei en sigaretten”). (40)
89. Om te beginnen moet worden vastgesteld dat artikel 204, lid 1, van het douanewetboek zich uitdrukkelijk uitspreekt over de samenloop van beide bepalingen. Volgens dat artikel ontstaat de douaneschuld op grond van artikel 204 van het douanewetboek in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 203 . Het Hof heeft derhalve in het arrest Hamann International vastgesteld dat beide bepalingen een verschillende werkingssfeer hebben en dat, om uit te maken op welke basis een douaneschuld bij invoer ontstaat, moet worden onderzocht of de betrokken handelingen een onttrekking aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203, lid 1, van het douanewetboek vormen. Alleen wanneer het antwoord op deze vraag ontkennend is, kunnen de bepalingen van artikel 204 van het douanewetboek worden toegepast. (41)
90. De in het voordeel van artikel 203 van het douanewetboek uitvallende regeling van de samenloop is derhalve van toepassing telkens wanneer dezelfde handeling moet worden beoordeeld. Het valt daarentegen te betwijfelen of artikel 203 van het douanewetboek als bijzondere regeling ook voorrang heeft boven artikel 204 van het douanewetboek wanneer verschillende handelingen moeten worden beoordeeld, waarvan één handeling onder artikel 204 van het douanewetboek en een latere handeling onder artikel 203 van het douanewetboek valt.
91. De draagwijdte van de voorrang van artikel 203 van het douanewetboek hangt af van het antwoord op de vraag wat men onder een geval in de zin van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek verstaat. Mijns inziens moet dit begrip als een verwijzing naar de betrokken handeling worden verstaan en niet als een algemene verwijzing naar het gehele invoergebeuren. (42)
92. Blijkens de bewoordingen van artikel 204 van het douanewetboek, moet het echter om te beginnen om een in artikel 203 bedoeld geval gaan. Artikel 203, lid 1, beschrijft echter maar één enkele handeling, te weten de onttrekking van goederen aan het douanetoezicht.
93. Ten tweede zouden de werkingssfeer en derhalve het nuttig effect van artikel 204 van het douanewetboek aanzienlijk worden beperkt indien deze bepaling steeds moet wijken indien de goederen naderhand aan het douanetoezicht werden onttrokken. Het fiscale belang van de Gemeenschap om alle douaneschuldenaren in de zin van de artikelen 203, lid 3, en 204, lid 3, van het douanewetboek hoofdelijk (43) te kunnen aanspreken, staat daaraan in de weg.
94. Ten derde zij opgemerkt dat de navolgende onttrekking van een goed aan het douanetoezicht de gevolgen van een voorafgaand verzuim in de zin van artikel 204 van het douanewetboek niet ongedaan maakt, maar vergroot : na een dergelijke onttrekking zijn de douaneautoriteiten immers niet meer in staat om een eerdere niet-nakoming van een verplichting in de zin van artikel 204, zoals bijvoorbeeld een onjuiste aangifte, door een controle te ontdekken.
95. Het voorafgaande pleit ervoor dat de regeling van de samenloop in artikel 204, lid 1, van het douanewetboek niet geldt voor gevallen waarin de situaties van de artikelen 203 en 204 door verschillende, elkaar in de tijd opvolgende handelingen tot stand komen. In dergelijke gevallen moet artikel 204 van het douanewetboek derhalve niet wijken voor artikel 203. (44)
96. De vraag naar de werkelijke betaling van het invoerrecht moet daarvan worden onderscheiden. Een invoerrecht kan uiteraard, ondanks het voorhanden zijn van verschillende wettelijke grondslagen voor het ontstaan van de douaneschuld, steeds slechts eenmaal worden geïnd en moet slechts eenmaal worden betaald. Wanneer verschillende personen het invoerrecht verschuldigd zijn, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk (artikel 213 van het douanewetboek).
97. Samenvattend kan worden gesteld dat een douaneschuld bij invoer zowel op grond van artikel 203, lid 1, als op grond van artikel 204, lid 1, sub a, van het douanewetboek ontstaat wanneer door verschillende, elkaar in de tijd opvolgende handelingen, om te beginnen een uit de tijdelijke opslag of uit het gebruik van de douaneregeling voortvloeiende verplichting niet werd nagekomen en de aan rechten bij invoer onderworpen goederen nadien aan het douanetoezicht werden onttrokken.
VI – Conclusie
98. Op grond van een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Hof van Beroep te Antwerpen te beantwoorden als volgt:
„1) De eerste vraag :
Een in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebracht goed bevindt zich ook onder douanetoezicht wanneer het – al dan niet opzettelijk – onder een onjuiste benaming bij de douaneautoriteiten werd aangegeven.
2) De tweede en de derde vraag :
Een douaneschuld bij invoer ontstaat zowel op grond van artikel 203, lid 1, als op grond van artikel 204, lid 1, sub a, van het douanewetboek wanneer door verschillende, elkaar in de tijd opvolgende handelingen, om te beginnen een uit de tijdelijke opslag of uit het gebruik van de douaneregeling voortvloeiende verplichting niet werd nagekomen en de aan rechten bij invoer onderworpen goederen nadien aan het douanetoezicht werden onttrokken.
In een situatie als die in het hoofdgeding is overeenkomstig artikel 203, lid 3, vierde streepje, van het douanewetboek ook de persoon die de verplichtingen dient na te komen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze waren geplaatst, schuldenaar van de douanerechten bij invoer op grond van artikel 203, lid 1, van het douanewetboek.
De douaneschuld bij invoer ontstaat op grond van artikel 204 van het douanewetboek wanneer goederen onder een inhoudelijk onjuiste benaming worden aangegeven, ongeacht of het douanetoezicht daardoor werd belemmerd.
3) De vierde vraag :
Een douaneschuld bij invoer ontstaat niet op grond van artikel 202, lid 1, sub a, van het douanewetboek wanneer goederen, zij het onder een inhoudelijk onjuiste benaming, bij de douaneautoriteiten werden aangebracht.
Verborgen of verstopte goederen die niet uitdrukkelijk aan de douaneautoriteiten werden gemeld en zich ook niet op de in transportmiddelen gebruikelijke plaatsen voor goederenopslag bevinden, vallen niet onder de mededeling bij het aanbrengen bij de douane in de zin van artikel 40 juncto artikel 4, punt 19, van het douanewetboek; voor dergelijke goederen ontstaat een douaneschuld bij invoer op grond van artikel 202, lid 1, sub a, van het douanewetboek.
Voorzover de indiening van een inhoudelijk onjuiste summiere aangifte tegelijkertijd een niet-nakoming van de aanbrengingsverplichting van artikel 40 van het douanewetboek vormt, is degene die de summiere aangifte heeft ingediend, douaneschuldenaar in de zin van artikel 202, lid 3, eerste streepje, van het douanewetboek.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – [Niet van belang voor de Nederlandse vertaling.]
3 – Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), zoals laatstelijk gewijzigd bij bijlage II, hoofdstuk A.I, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 2003, L 236, blz. 762). De oorspronkelijke versie van het douanewetboek bevatte echter reeds de voor de onderhavige prejudiciële vraag relevante bepalingen.
4 – Belgisch Staatsblad van 21 september 1977, in de versie van de wet van 6 juli 1978 (B.S. van 12 augustus 1978).
5 – Arresten van 1 februari 2001, D. Wandel, C‑66/99, Jurispr. blz. I‑873, en 11 juli 2002, Liberexim, C‑371/99, Jurispr. blz. I-6227. Voorts de nog niet in de Jurisprudentie gepubliceerde arresten van 12 februari 2004, Hamann International, C‑337/01, en 29 april 2004, British American Tobacco, C‑220/01. In het bijzonder wat sigarettensmokkel betreft, zie arrest van 4 maart 2004, Viluckas en Jonusas, C-238/02 en C-246/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.
6 – Zie ook arrest D. Wandel (aangehaald in voetnoot 5, punt 41).
7 – Zie in deze zin bijvoorbeeld arrest Viluckas en Jonusas (aangehaald in voetnoot 5, punt 24).
8 – In dit opzicht verschilt het douanetoezicht overigens van de tijdelijke opslag overeenkomstig artikel 50 van het douanewetboek, die pas begint van zodra de goederen effectief zijn aangebracht in de zin van artikel 40 juncto artikel 4, punt 19, van het douanewetboek.
9 – Alleen goederen in het vrije verkeer met een bijzondere bestemming blijven onder douanetoezicht ondanks het krijgen van een andere douanestatus (artikel 82, lid 1, eerste zin, van het douanewetboek). Dit geval en verder de in artikel 37, lid 2, van het douanewetboek genoemde gevallen waarin het douanetoezicht eindigt, doen zich hier duidelijk niet voor.
10 – Zie hiervoor arrest D. Wandel (aangehaald in voetnoot 5, punt 45), waarin is geoordeeld dat de verandering van douanestatus niet reeds voortvloeit uit de aanvaarding van de douaneaangifte en dat het douanetoezicht daarom na de aanvaarding van de douaneaangifte voortduurt.
11 – Zie ook arrest D. Wandel (aangehaald in voetnoot 5, punt 38).
12 – Zie hiervoor ook arrest Liberexim (aangehaald in voetnoot 5, punt 51), waarin is geoordeeld dat goederen die onder de regeling voor extern communautair douanevervoer zijn geplaatst, tot de invordering van de invoerrechten, aan douanetoezicht moeten zijn onderworpen.
13 – In voetnoot 5 aangehaalde arresten D. Wandel (punt 47), Liberexim (punt 55), Hamann International (punt 31) en British American Tobacco (punt 47).
14 – Zoals in de punten 31 tot en met 34 werd uiteengezet, is het, wat dat betreft, ook niet van belang of de goederen nadien regelmatig worden aangegeven.
15 – Er zijn in de onderhavige zaak geen aanwijzingen dat artikel 202, lid 1, sub b, van het douanewetboek moet worden toegepast; daarvoor zou vereist zijn dat het goed zich in een vrije zone of een vrij entrepot bevindt.
16 – Artikel 177 van het douanewetboek, naar hetwelk in artikel 202, lid 1, tweede alinea, van het douanewetboek ook wordt verwezen, is hier niet relevant: het heeft uitsluitend betrekking op gevallen als bedoeld in artikel 202, lid 1, sub b, van het douanewetboek en is daarom in het onderhavige geval niet van toepassing (zie voetnoot 15).
17 – Zie enerzijds hoofdstuk 2 van titel III van het douanewetboek (artikelen 40 e.v.) en anderzijds hoofdstuk 3 van titel III van het douanewetboek (artikelen 43 e.v.).
18 – Een inbreuk op de bepalingen inzake het aanbrengen (artikel 40 van het douanewetboek) leidt tot het ontstaan van de douaneschuld op grond van artikel 202, lid 1, sub a, van het douanewetboek, terwijl een inbreuk op de bepalingen over de summiere aangifte (artikelen 43 e.v. van het douanewetboek) het ontstaan van een douaneschuld op grond van artikel 204, lid 1, sub a, van het douanewetboek meebrengt (zie met betrekking tot het laatstgenoemde de uiteenzetting bij de derde vraag in de punten 71 e.v. van deze conclusie).
19 – Dat bij de summiere aangifte de precieze benaming van de goederen moet worden aangegeven, bleek vroeger uitdrukkelijk uit artikel 3, lid 2, van richtlijn 68/312/EEG van de Raad van 30 juli 1968 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot: 1. het aanbrengen bij de douane van goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, 2. de voorlopige opslag van deze goederen (PB L 194, blz. 13; opgeheven op 3 januari 1989). In de toepasselijke regelgeving volgt hetzelfde uit artikel 44, lid 1, van het douanewetboek gelezen in samenhang met de gebruikte voorgedrukte formulieren, dat uitdrukkelijk vereist dat de soort van de goederen wordt genoemd.
20 – Ten slotte verduidelijken ook de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten zeer aanschouwelijk dat een aanbrengen bij de douane aan zijn doel kan beantwoorden ondanks een onjuiste verklaring over de soort van de aangekomen goederen. Zo kon het douanekantoor van de Antwerpse haven zijn controlebevoegdheden kennelijk effectief uitoefenen, hoewel de aangifte (gedeeltelijk) onjuiste verklaringen over de soort ingevoerde goederen bevatte.
21 – Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1; hierna: „uitvoeringsverordening van het douanewetboek”).
22 – Arrest Viluckas en Jonusas (aangehaald in voetnoot 5, punten 22‑24).
23 – Arrest Viluckas en Jonusas (aangehaald in voetnoot 5, punt 28).
24 – Arrest Viluckas en Jonusas (aangehaald in voetnoot 5, punt 28).
25 – Het arrest Viluckas en Jonusas (aangehaald in voetnoot 5, punten 11 en 28) berust immers op de stelling dat verborgen goederen niet het voorwerp van een mededeling bij een aanbrenging kunnen zijn.
26 – Dat bij het vaststellen van elke douaneverplichting moet zijn voldaan aan de voorwaarde dat de douaneautoriteiten een doeltreffend toezicht over de goederen kunnen uitoefenen, blijkt ook uit de derde en de vijfde overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 4151/88 van de Raad van 21 december 1988 tot vaststelling van de bepalingen die van toepassing zijn op goederen die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht (PB L 367, blz. 1; opgeheven op 1 januari 1994). Als voorbode van het geldende douanewetboek is deze verordening nog steeds van belang voor de uitlegging ervan. Volgens de eerste en de tweede overweging van de considerans van het douanewetboek wordt daarin immers o.a. het tot dan toe van toepassing zijnde douanerecht samengevat.
27 – Ook bepaalde nationale regelingen berusten overigens op vergelijkbare overwegingen, zoals b.v. § 37 van de Oostenrijkse wet tot uitvoering van het douanerecht (BGBl I nr. 126/1998, blz. 1542). Volgens deze bepaling kunnen alleen goederen die op gebruikelijke wijze worden vervoerd en tot dewelke de douanedienst derhalve zonder moeilijkheden toegang kan vragen, worden aangebracht.
28 – Arrest Viluckas en Jonusas (aangehaald in voetnoot 5, punt 11).
29 – Dit is ook de mening van advocaat-generaal Tizzano in zijn conclusie van 6 mei 2004 in de zaak Spedition Ulustrans, C-414/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 20 e.v.
30 – Punten 52 en 53 van deze conclusie.
31 – Zie daartoe punten 58‑64 van deze conclusie.
32 – Punten 49‑57 van deze conclusie.
33 – Arrest aangehaald in voetnoot 5, punt 28.
34 – Artikel 204, lid 1, van het douanewetboek bepaalt dat het slechts „in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 203” van toepassing is.
35 – Arrest van 11 november 1999, Söhl & Söhlke, C‑48/98, Jurispr. blz. I‑7877, punt 43.
36 – Zie artikel 859 van de uitvoeringsverordening van het douanewetboek.
37 – In de Engelse taalversie van het douanewetboek luidt deze uitdrukking: „where appropriate”, in de Franse: „le cas échéant”, in de Italiaanse: „se del caso”, in de Spaanse: „en su caso”, in de Portugese: „se for caso disso” en in de Duitse: „gegebenenfalls”.
38 – Net als artikel 203, lid 3, vierde streepje, van het douanewetboek vergroot ook artikel 96, lid 2, van het douanewetboek in het kader van de regeling extern communautair douanevervoer de groep mogelijke douaneschuldenaren bij de onttrekking van goederen aan het douanetoezicht. Ingevolge deze bepaling is onder bepaalde voorwaarden ook de vervoerder of de ontvanger van de goederen verplicht deze regelmatig bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming.
39 – Zie hierover punten 12 en 13 van deze conclusie.
40 – Anders dan de artikelen 203 en 204 sluiten bijvoorbeeld de artikelen 202 en 204 van het douanewetboek elkaar reeds feitelijk uit aangezien de eerste bepaling vooronderstelt dat de goederen onregelmatig in het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht (b.v. met niet-nakoming van de verplichting om de goederen bij de douane aan te brengen overeenkomstig artikel 40 van het douanewetboek), terwijl de laatste bepaling juist vooronderstelt dat de goederen regelmatig zijn binnengebracht (en aangebracht).
41 – Arrest aangehaald in voetnoot 5, punten 28 en 30. Zie ook punt 57 van de conclusie van advocaat-generaal Tizzano van 12 juni 2003 in deze zaak, waarin artikel 204 van het douanewetboek als een residuaire bepaling ten opzichte van artikel 203 wordt aangemerkt.
42 – In deze zin spreekt ook het Hof in het arrest Hamann International van de „betrokken feiten” (arrest aangehaald in voetnoot 5, punt 30).
43 – Zie artikel 213 van het douanewetboek.
44 – Het zou omgekeerd even zinloos zijn om bij elkaar in de tijd opvolgende handelingen artikel 203 van het douanewetboek buiten toepassing te laten, omdat alleen al door een eerder verzuim een douaneschuld in de zin van artikel 204 van het douanewetboek is ontstaan. Dit geldt des te meer wanneer de onttrekking van goederen aan het douanetoezicht de belangrijkere handeling vormt, zoals o.a. het ontbreken van regularisatiemogelijkheid en de grotere groep van douaneschuldenaars (artikel 203, lid 3, van het douanewetboek) aantonen. In een dergelijk geval bestaat er geen grond om de persoon die de goederen aan het douanetoezicht onttrekt, te bevoordelen, alleen omdat een ander tevoren een verzuim in de zin van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek heeft begaan.
Full & Egal Universal Law Academy