CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 24 februari 2005 (1)
Zaak C‑199/03
Ierland
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Europees Sociaal Fonds – Beroep tot nietigverklaring – Verlaging van financiële bijstand – Onjuiste beoordeling van de feiten – Evenredigheid – Rechtszekerheid – Gewettigd vertrouwen”
I – Inleiding
1. Bij verzoekschrift van 13 mei 2003 heeft Ierland krachtens artikel 230 EG verzocht om nietigverklaring van beschikking C (2003) 99 van de Commissie van 27 februari 2003 tot verlaging van de bijstand van het Europees Sociaal Fonds (hierna: „ESF”) voor drie operationele programma’s inzake respectievelijk de ontwikkeling van arbeidskrachten, het toerisme en de industriële ontwikkeling (hierna: „bestreden beschikking”).
II – Rechtskader
2. Artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten(2), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2081/93 van de Raad van 20 juli 1993(3) (hierna: „verordening nr. 2052/88”), luidt:
„De actie van de Gemeenschap is bedoeld als aanvulling op of bijdrage tot de overeenkomstige acties van de lidstaten. Zij komt tot stand door nauw overleg tussen de Commissie, de betrokken lidstaat en de door de lidstaat aangewezen nationale, regionale, lokale of andere bevoegde autoriteiten en instanties – overeenkomstig de respectieve institutionele regelingen en gebruiken van de lidstaten, met inbegrip van de economische en sociale partners – waarbij elke partij handelt als een partner die een gemeenschappelijk doel nastreeft. Dit overleg wordt hierna ‚partnerschap’ genoemd. Het partnerschap omvat de voorbereiding, de financiering en de beoordeling vooraf van, het toezicht op en de evaluatie achteraf van de acties.
Het partnerschap eerbiedigt ten volle de respectieve institutionele, juridische en financiële bevoegdheden van elke partner.”
3. Artikel 13, lid 3, van deze verordening bepaalt dat de bijdrage van de Gemeenschap uit hoofde van de structuurfondsen voor maatregelen in regio’s die in aanmerking komen voor bijstandsverlening op grond van „doelstelling 1”(4) maximaal 75 % van de overheidsuitgaven kan bedragen. In de programmeringsperiode van 1994 tot 1999 had Ierland recht op deze bijstandsverlening.
4. Van belang is voorts verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988(5), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2082/93 van de Raad van 20 juli 1993(6) (hierna: „verordening nr. 4253/88”) tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds.
5. Artikel 17, lid 2, van deze verordening bepaalt:
„De financiële participatie van de fondsen wordt berekend in verhouding tot de totale in aanmerking komende kosten of van de totale in aanmerking komende uitgaven van de overheid of daaraan gelijkgestelde (nationale, regionale, plaatselijke, communautaire) uitgaven voor iedere actie (operationeel programma, steunregeling, globale subsidie, project, technische bijstand of studie).”
6. Titel VI van de verordening („Financiële bepalingen”) bevat regels voor de financiële controle (artikel 23) en de vermindering, opschorting en intrekking van de bijstand (artikel 24).
7. Artikel 23 bepaalt:
„1. Teneinde de acties van de particuliere of publiekrechtelijke projectontwikkelaars te doen slagen, nemen de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de acties de nodige maatregelen om:
– regelmatig te verifiëren dat de door de Gemeenschap gefinancierde maatregelen stipt zijn uitgevoerd,
– onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen,
– door misbruik of nalatigheid verloren middelen te recupereren. Behalve indien de lidstaat en/of de bemiddelende instantie en/of de projectontwikkelaar het bewijs levert/leveren dat het misbruik of de nalatigheid hem/hun niet kan worden aangerekend, is de lidstaat subsidiair aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen. [...]
De lidstaten houden de Commissie op de hoogte van de daartoe genomen maatregelen en verstrekken haar met name een beschrijving van de controle‑ en beheerssystemen die zijn opgezet om te zorgen voor een doeltreffende uitvoering van de acties. Zij houden de Commissie regelmatig op de hoogte van het verloop van de administratieve en gerechtelijke procedures. De lidstaten houden alle dienstige nationale verslagen over de controle op de in de betrokken programma’s of acties opgenomen maatregelen ter beschikking van de Commissie.
[...]
2. Onverminderd de controles van de lidstaten overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en onverminderd het bepaalde in artikel 206 van het Verdrag en alle inspecties op grond van artikel 209, sub c, van het Verdrag, mogen ambtenaren of andere personeelsleden van de Commissie de door de structuurfondsen gefinancierde acties, alsook de beheers‑ en controlesystemen, ter plaatse controleren, onder meer door middel van steekproeven.
De Commissie stelt de betrokken lidstaat vooraf in kennis van een controle ter plaatse teneinde de nodige medewerking te verkrijgen. De uitvoering door de Commissie van eventuele controles ter plaatse zonder aanzegging wordt beheerst door overeenkomsten die in overeenstemming met de bepalingen van het Financieel Reglement zijn gesloten in het kader van het partnerschap. Ambtenaren of andere personeelsleden van de lidstaat mogen aan de controles deelnemen.
De Commissie kan de betrokken lidstaat verzoeken een controle ter plaatse uit te voeren om de regelmatigheid van het betalingsverzoek na te gaan. Ambtenaren of andere personeelsleden van de Commissie mogen aan deze controle deelnemen en zijn verplicht dit te doen indien de betrokken lidstaat hierom verzoekt.
De Commissie ziet erop toe dat de controles die zij verricht, zodanig gecoördineerd worden dat herhaling van controles in eenzelfde zaak en in eenzelfde periode wordt vermeden. De betrokken lidstaat en de Commissie stellen elkaar onverwijld op de hoogte van alle passende informatie betreffende de resultaten van de uitgevoerde controles.
3. Gedurende drie jaren na de laatste betaling voor een actie houden de verantwoordelijke instantie en de verantwoordelijke autoriteiten alle bewijsstukken van de met de actie gemoeide uitgaven en controles ter beschikking van de Commissie.”
8. Artikel 24 van de verordening bepaalt voorts:
„1. Indien het bedrag van de toegekende financiële bijstand door de stand van de uitvoering van een actie of maatregel noch gedeeltelijk, noch geheel lijkt te worden gerechtvaardigd, gaat de Commissie in het kader van het partnerschap over tot een passend onderzoek van het geval, waarbij zij met name aan de lidstaat of aan de autoriteiten die door de lidstaat voor de tenuitvoerlegging van de actie zijn aangewezen, vraagt om haar binnen een bepaalde termijn hun opmerkingen mee te delen.
2. Na dit onderzoek kan de Commissie de bijstand voor de betrokken actie of maatregel verminderen of schorsen indien het onderzoek een onregelmatigheid bevestigt of een belangrijke wijziging die strijdig is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van de actie of maatregel en waarvoor niet om haar goedkeuring is verzocht.
3. Ieder bedrag dat tot een terugvordering wegens onverschuldigde betaling aanleiding geeft, moet aan de Commissie worden terugbetaald.
[...].”
9. Verder wijs ik op verordening (EG) nr. 2064/97 van de Commissie van 15 oktober 1997 tot vaststelling van de voorwaarden ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad wat de financiële controle door de lidstaten op door de structuurfondsen medegefinancierde verrichtingen betreft(7) (hierna: „verordening nr. 2064/97”).
10. Artikel 2, lid 1, sub c, van deze verordening bepaalt dat de beheers‑ en controlesystemen van de lidstaten „een toereikend controletraject” moeten bieden, dat wil zeggen een duidelijk en nauwkeurig traject dat het mogelijk maakt „de gang van de stukken te volgen vanaf het moment dat ze in een management‑ en intern controlesysteem worden gebracht tot het moment dat ze dat systeem weer verlaten”.(8)
11. Krachtens artikel 2, lid 2, van de verordening is een controletraject toereikend wanneer het op grond daarvan mogelijk is:
„a) de aan de Commissie opgegeven gecertificeerde totaalbedragen met de individuele uitgavenstaten en met bewijsstukken op de diverse administratieve niveaus en bij de diverse eindbegunstigden te vergelijken;
b) de toewijzing en de overdrachten van beschikbare communautaire en nationale middelen te verifiëren.”
12. Tot slot noem ik verordening (EEG) nr. 1866/90 van de Commissie van 2 juli 1990 tot regeling van het gebruik van de ecu bij de besteding van de middelen van de structuurfondsen(9) (hierna: „verordening nr. 1866/90”). Artikel 5, lid 2, van deze verordening bepaalt, voorzover hier van belang:
„De lidstaten die hun uitgavenstaten in ecu indienen, rekenen de bedragen van in nationale valuta gedane uitgaven om in ecu tegen de koers van de maand waarin die uitgaven in de boekhouding van de met het financiële beheer van de vormen van bijstandsverlening belaste instanties zijn opgenomen. De Commissie deelt de lidstaten iedere maand de toe te passen koers mee.”
III – Feiten en procesverloop
13. Bij beschikking 94/626/EG van 13 juli 1994 heeft de Commissie het communautaire bestek voor de structurele bijstandsverlening van de Gemeenschap in de onder doelstelling 1 vallende regio’s in Ierland, namelijk het volledige grondgebied(10), vastgesteld voor de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1999.
14. Ter uitvoering van deze maatregel heeft de Commissie in 1994 drie verschillende beschikkingen vastgesteld, waarbij zij, voorzover hier van belang, voor een bedrag van in totaal 1 897 206 226 EUR financiële bijstand van het ESF heeft toegekend aan operationele programma’s inzake respectievelijk de ontwikkeling van arbeidskrachten(11), het toerisme(12) en de industriële ontwikkeling.(13)
15. De door Ierland aangewezen beheersinstantie voor de uitvoering van de door het ESF medegefinancierde projecten was het Department of Enterprise, Trade and Employment (hierna: „DETE”).
16. Van 6 tot en met 10 november en van 4 tot en met 6 december 2000 hebben de diensten van de Commissie overeenkomstig artikel 23, lid 2, van verordening nr. 4253/88 in Dublin controles ter plaatse verricht en onderzoek gedaan naar de tussen 1994 en 1998 door het ESF medegefinancierde operaties. Deze controles hadden met name betrekking op de acties die door het National Training and Development Institute (hierna: „NTDI”) en door de Central Remedial Clinic onder verantwoordelijkheid van de National Rehabilitation Board waren uitgevoerd. Tijdens deze controles heeft de Commissie eveneens het door het DETE overgelegde „controletraject” geverifieerd, teneinde na te gaan of de door de Commissie betaalde bedragen overeenstemden met de bedragen die werden gevorderd door de verschillende eindbegunstigden die aan de drie betrokken operationele programma’s deelnamen.
17. Bij deze controles is de Commissie op enkele onregelmatigheden in de aanvragen voor financiële bijstand van het ESF voor de drie operationele programma’s gestuit.
18. Zij bracht met name het volgende naar voren:
a) het NTDI had niet het totaalbedrag van de nationale middelen opgegeven dat voor de financiering van het operationele programma voor de ontwikkeling van arbeidskrachten beschikbaar was, maar slechts een deel ervan ten belope van 25 % van de totale kosten, dat wil zeggen het minimumpercentage nationale financiering dat is vereist om medefinanciering door het ESF uit hoofde van „doelstelling 1” te kunnen krijgen. Deze onregelmatigheid had geleid tot een bovenmatige aanvraag voor communautaire medefinanciering van het project;
b) na een correcte omrekening in ecu te hebben verricht overeenkomstig artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1866/90, had het DETE de aldus verkregen bedragen gewijzigd door een deel van de niet-medegefinancierde overheidsuitgaven over te hevelen naar de medegefinancierde uitgaven. Op die manier had het de bijdrage van het ESF die oorspronkelijk was voorzien voor de drie operationele programma’s gemaximaliseerd en dus een bovenmatige medefinanciering aangevraagd;
c) de bovengenoemde onregelmatigheden hadden beide op het niveau van de verrichtingen van het NTDI en het DETE wijzigingen in het „controletraject” veroorzaakt, aangezien niet meer kon worden vastgesteld of de verrichte uitgaven overeenkwamen met de aangevraagde financiering.
19. Op basis van deze controles stelde de Commissie een auditrapport op, waarvan zij op 13 februari 2001 een exemplaar naar de Ierse autoriteiten zond, en verzocht zij het DETE een standpunt in te nemen.
20. Het DETE stelde een onderzoek in naar de vermeende onregelmatigheden die in het rapport werden gesignaleerd en reageerde bij brief van 20 december 2001 op de bezwaren van de Commissie.
21. Aangezien zij van mening was dat dit onderzoek geen enkel nieuw feit aan het licht had gebracht, heeft de Commissie de procedure van artikel 24 van verordening nr. 4253/88 ingeleid en de Ierse autoriteiten bij brief van 28 februari 2002 van haar beslissing in kennis gesteld, met het verzoek hun opmerkingen in te dienen.
22. In zijn antwoord van 18 juni 2002, aangevuld bij brief van 25 juni 2002, merkte het DETE het volgende op:
a) de oorspronkelijke aanvragen voor medefinanciering door het ESF die het NTDI had ingediend, waren niet opgesteld op de door het ESF voorgeschreven wijze. Daarom zijn zij na nauwgezette verificaties (in elk geval voor de jaren 1998 en 1997) opnieuw geformuleerd. Voor de jaren voorafgaand aan 1997 konden de verificaties echter niet met dezelfde nauwkeurigheid worden verricht, met name omdat ten gevolge van de wijziging van het geïnformatiseerde begrotingssysteem van het NTDI talloze gegevens verloren waren gegaan. Om het financiële kader voor de jaren van 1994 tot 1996 te reconstrueren, heeft Ierland daarom gebruikgemaakt van extrapolatietechnieken, met behulp waarvan niettemin kon worden nagegaan of de toegekende financiering regelmatig was;
b) hoewel het mechanisme dat het DETE toepaste om de aanvragen voor medefinanciering door het ESF aan te passen, niet correct was, heeft het in elk geval niet geleid tot onverschuldigde of bovenmatige financiering door de Gemeenschap;
c) bij de controles door de Ierse autoriteiten was gebleken dat het totaalbedrag van de aangevraagde financiering overeenkwam met de in aanmerking komende uitgaven, zodat de onopzettelijke onderbrekingen van het „controletraject”, die de Commissie had geconstateerd, verholpen waren.
23. Na onderzoek van het antwoord van de Ierse autoriteiten heeft de Commissie ten slotte op 27 februari 2003 de bestreden beschikking vastgesteld, waarbij zij het totaalbedrag van de door het ESF aan de drie operationele programma’s toegekende bijstand met 15 614 261 EUR heeft verminderd wegens de vastgestelde onregelmatigheden in de uitvoering van de betrokken programma’s en de bijbehorende financieringsaanvragen.
24. Bij verzoekschrift, ingediend op 13 mei 2003, heeft Ierland verzocht om nietigverklaring van de bestreden beschikking en verwijzing van de Commissie in de kosten. De Commissie heeft daartegen vanzelfsprekend verweer gevoerd en verzocht het beroep in zijn geheel als ongegrond te verwerpen en Ierland in de kosten te verwijzen.
25. Na de schriftelijke behandeling, waarbij ook een memorie van repliek en van dupliek zijn neergelegd, zijn partijen ter terechtzitting van 13 januari 2005 gehoord.
IV – Juridische beoordeling
A – Kennelijk onjuiste beoordeling
26. Met zijn eerste middel betoogt Ierland dat de Commissie, door de betwiste financiële correctie toe te passen, kennelijke feitelijke en juridische beoordelingsfouten heeft gemaakt.
27. Het voert met name aan dat de door de Commissie geconstateerde onregelmatigheden in werkelijkheid fouten van zuiver „technische” of „procedurele” aard zijn die geen wezenlijke weerslag hebben gehad op de gemeenschapsbegroting. Deze „nalatigheden” zouden, met andere woorden, niet gelijkgesteld mogen worden aan werkelijke „onregelmatigheden” die een vermindering van de gemeenschapsbijdrage rechtvaardigen.
28. De Ierse autoriteiten betogen tot slot dat de Commissie ten onrechte geweigerd heeft rekening te houden met de toelichtingen en de verbeterde berekeningen die zij hebben voorgelegd, en die bedoeld waren om aan te tonen dat de betwiste onregelmatigheden niet hebben geleid tot bovenmatige of onverschuldigde bijdragen van het ESF.
29. De argumenten van de Ierse regering overtuigen mij niet.
30. De Commissie heeft namelijk besloten de financiële bijstand van het ESF te verminderen op basis van een auditrapport(14) waarin, zoals ik hiervoor heb uiteengezet, drie soorten onregelmatigheden bij de uitvoering van de operationele programma’s aan het licht zijn gebracht (punt 17 hierboven). Noch tijdens de administratieve procedure, noch voor het Hof hebben de Ierse autoriteiten ontkend dat deze onregelmatigheden zich hebben voorgedaan en systematisch van aard waren; zij hebben enkel geprobeerd aan te tonen dat de financiële weerslag ervan beperkt was.
31. We kunnen er dus van uitgaan dat Ierland de resultaten van de door de Commissie uitgevoerde controles heeft aanvaard. Het staat in elk geval vast dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt toen zij systematische gebreken vaststelde in de uitvoeringsfase van bovengenoemde programma’s; nogmaals, deze gebreken zijn door de Ierse autoriteiten zelf uitdrukkelijk erkend.
32. Zoals het Hof meermaals heeft vastgesteld, is de Commissie, zodra zij bij het beheer van gemeenschapsmiddelen door een lidstaat onregelmatigheden ontdekt, „verplicht de ingediende rekeningen te corrigeren”.(15) Dat wordt overigens uitdrukkelijk voorgeschreven door het in artikel 274 EG neergelegde beginsel van „goed financieel beheer” en meer in het bijzonder door artikel 24 van verordening nr. 4253/88, dat de „[v]ermindering, opschorting en intrekking” van bijstand in geval van onregelmatigheden regelt.
33. Ierland baseert zijn verdediging echter op de „technische” aard van de gebreken in kwestie. Het stelt namelijk dat in casu geen sprake is van „onregelmatigheden” in de zin van artikel 24 van verordening nr. 4253/88, omdat de gebreken geen financieel nadeel toebrengen aan het ESF.
34. Het komt mij voor dat de voorgestelde interpretatie geen steun vindt in de tekst van artikel 24 of in het doel ervan. Het lijkt mij daarom niet nodig in te gaan op de argumenten van Ierland inzake de beperkte draagwijdte van de „nalatigheden”, die overigens in wezen berusten op een zuiver feitelijke beoordeling.
35. Artikel 24 bepaalt namelijk dat de Commissie de toegekende communautaire financiering kan verminderen, opschorten of intrekken in geval van een „onregelmatigheid [...] of een belangrijke wijziging die strijdig is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van de actie of maatregel en waarvoor niet om haar goedkeuring is verzocht”. Deze bepaling maakt daarentegen geen onderscheid op grond van het „financiële gewicht” van de betrokken onregelmatigheid of wijziging.
36. Het is overigens bekend – en bevestigd in de uitgebreide communautaire rechtspraak op dit terrein(16) – dat ook gebreken of onvolkomenheden (bijvoorbeeld in de procedures inzake het beheer en de controle van de fondsen) die geen welomschreven financiële weerslag hebben, ernstig kunnen afdoen aan de financiële belangen van de Unie en aan de handhaving van het gemeenschapsrecht, en daarom de toepassing van financiële correcties door de Commissie rechtvaardigen. Dat geldt met name wanneer het, zoals in casu, gaat om systematische schendingen van de betrokken regeling, zoals onder meer onjuiste verklaringen en aanpassingen achteraf van uitgaven die wel respectievelijk niet voor medefinanciering in aanmerking komen. Deze kunnen de geldstromen vertroebelen en afbreuk doen aan de regelmatigheid van de transacties, en daarmee uiteindelijk de correcte financiering van het gehele systeem verstoren.
37. Ierland betoogt ten slotte dat de Commissie ten onrechte heeft geweigerd de correcties in aanmerking te nemen die de Ierse autoriteiten in 2001, naar aanleiding van de kritiek in het auditrapport, hebben aangebracht in de aanvragen voor financiering die zij voor de drie operationele programma’s hebben ingediend. Deze correcties waren in wezen bedoeld om aan te tonen dat de door de Commissie geconstateerde onregelmatigheden tot geen enkele onverschuldigde of bovenmatige financiering hadden geleid, aangezien het bedrag ervan niet hoger was dan de maximumbijdrage van het ESF (in casu 75 %).
38. Nog afgezien van de vraag of de berekeningen van de Ierse autoriteiten betrouwbaar zijn(17), komt het mij voor dat de Commissie hierop gemakkelijk kan antwoorden dat zij te laat zijn ingeleverd en dus niet kunnen worden aanvaard. Aangezien in die correcties uitgaven en/of nationale medefinancieringsbronnen waren opgenomen die voorheen niet waren genoemd, impliceerden zij noodzakelijkerwijs een herprogrammering van de verbintenissen van het ESF, die op grond van de jaaropgaven van de Ierse autoriteiten tijdens de programmeringsperiode 1994-1999 waren vastgesteld. Zoals duidelijk blijkt uit de relevante regelgeving(18), kon de financiële planning na 31 december 1999, de afsluitdatum voor het gebruik van communautaire financiering in het kader van de betrokken drie operationele programma’s, niet meer worden gewijzigd. Met andere woorden, na die datum stond de financiële planning definitief vast en kon geen rekening meer worden gehouden met de eventuele correcties die Ierland had ingediend.
39. Gelet op het voorgaande kan ik dus concluderen dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt bij de vermindering van de financiële bijstand van het ESF. Hieruit volgt dat het eerste middel moet worden afgewezen.
B – Schending van de uitvoeringsregelingen van het Verdrag
40. Met zijn tweede middel voert Ierland aan dat drie bepalingen van afgeleid recht inzake de structuurfondsen zijn geschonden.
41. a) In de eerste plaats stelt het dat de Commissie artikel 23, lid 1, van verordening nr. 4253/88 heeft geschonden door:
– in strijd met deze bepaling niet vóór de datum van inwerkingtreding van de verordening (3 augustus 1993), maar pas in april 1997, bij verordening nr. 2064/97, de noodzakelijke uitvoeringsmaatregelen inzake financiële controle te hebben genomen;
– in de bestreden beschikking verordening nr. 2064/97, met name het begrip „controletraject” van artikel 2, met terugwerkende kracht op de medefinancieringsprojecten van het ESF voor de jaren 1994-1997 toe te passen, hoewel dat begrip ten tijde van de feiten van het geschil nog niet duidelijk omschreven was (punt 10 hierboven).
42. Aangaande het eerste punt moet ik de stelling van de Commissie onderschrijven dat de te late vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 4253/88 enkel met een beroep wegens nalaten krachtens artikel 232 EG kon worden aangevochten, of, desnoods, met een beroep tot nietigverklaring van verordening nr. 2064/97 krachtens artikel 230 EG, binnen twee maanden na de vaststelling ervan. Deze verlate vaststelling kan echter niet worden aangevochten in een beroep dat, zoals in dit geval, strekt tot nietigverklaring van een beschikking waarbij de communautaire financiering wordt verminderd.
43. Wat de vermeende toepassing met terugwerkende kracht van verordening nr. 2064/97 betreft, merk ik in de eerste plaats op dat in de bestreden beschikking geen enkele bepaling uit deze verordening wordt genoemd.
44. Meer in het bijzonder wijs ik erop dat het begrip „toereikend controletraject” weliswaar pas in 1997 officieel is gebruikt, maar dat dit niet wil zeggen dat een lidstaat voordien operationele programma’s kon uitvoeren die door structuurfondsen waren medegefinancierd zonder een duidelijk en nauwkeurig traject uit te stippelen dat het mogelijk maakte „de gang van de stukken te volgen vanaf het moment dat ze in een management‑ en intern controlesysteem worden gebracht tot het moment dat ze dat systeem weer verlaten”(19), en dus na te gaan of de betrokken projecten correct financieel werden beheerd. Zoals blijkt uit punt 16 van de bestreden beschikking, werd namelijk al voor april 1997 elk mechanisme waarbij het niet mogelijk was na te gaan of de aan de Commissie opgegeven totaalbedragen overeenstemden met de bewijsstukken voor de uitgaven, en alle met de verstrekking van communautaire bijstand verbonden geldstromen te controleren, strijdig geacht met de artikelen 4, lid 1, en 13, lid 3, van verordening nr. 2052/88, alsook met artikel 17, lid 2, van verordening nr. 4253/88.
45. Met andere woorden, krachtens al deze bepalingen tezamen, die vóór 1997 van kracht waren, was een lidstaat verplicht om te waarborgen dat de daadwerkelijke uitgaven in het kader van de projecten die door structuurfondsen werden medegefinancierd, exact overeenstemden met de desbetreffende aanvragen voor communautaire bijstand. Deze bepalingen waren op zichzelf reeds voldoende om sancties op te leggen voor de door de Ierse autoriteiten begane onregelmatigheden.
46. b) In de tweede plaats heeft de Commissie volgens Ierland artikel 24, leden 1 en 2, van verordening nr. 4253/88 geschonden:
– zij zou niet alle elementen uit het dossier naar behoren hebben onderzocht en met name zou zij de verbeteringen in de aanvragen voor communautaire medefinanciering niet in aanmerking hebben genomen;
– de geconstateerde onregelmatigheden zouden niet ernstig genoeg zijn geweest om een vermindering van de financiële bijstand te rechtvaardigen.
47. Het komt mij voor dat dit argument niet meer is dan een herhaling van hetgeen Ierland in het eerste middel over de weerslag van de haar verweten onregelmatigheden heeft aangevoerd. Ik verwijs dan ook naar mijn opmerkingen over dat middel (punten 29‑32 hierboven).
48. c) Ten slotte heeft de Commissie volgens Ierland het partnerschapsbeginsel van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2052/88 geschonden.
49. Ierland onderbouwt deze grief echter in het geheel niet. Evenals de Commissie meen ik daarom dat deze grief niet-ontvankelijk is wegens schending van artikel 21 van het Statuut van het Hof en van artikel 40 van het Reglement voor de procesvoering, waarin wordt bepaald dat elk verzoekschrift een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten(20), zodat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen.(21)
50. Gelet op het voorafgaande meen ik dan ook dat het tweede middel deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk is.
C – Schending van het evenredigheidsbeginsel
51. Met zijn derde middel betoogt Ierland dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden, omdat zij de ESF-bijstand heeft verminderd terwijl haar ook minder beperkende middelen ten dienste stonden. Zij had rekening kunnen houden met de toelichtingen en verbeteringen die de Ierse autoriteiten hebben voorgelegd om aan te tonen dat de litigieuze tekortkomingen van zuiver „technische” aard waren en de weerslag ervan beperkt was. Daarnaast had de Commissie rekening moeten houden met de aard van de begunstigden van de financiële bijstand – het NTDI is immers een organisme zonder winstoogmerk – en met het feit dat de drie operationele programma’s steeds doeltreffend en met inachtneming van alle wezenlijke communautaire vereisten zijn uitgevoerd.
52. Om te beginnen beperkt Ierland zich er ook in dit geval grotendeels toe argumenten te herhalen die het al in het eerste middel, inzake de aard en de draagwijdte van zijn „fouten” bij het beheer en de uitvoering van de programma’s, naar voren heeft gebracht. Daarover heb ik me al uitgesproken (punten 28‑32 hierboven).
53. Wat meer in het bijzonder de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel betreft, is het zinvol eraan te herinneren dat verminderingen van communautaire bijstand die „rechtstreeks verband [houden] met de vastgestelde onregelmatigheden en [ertoe] strekken [...] alleen de vergoeding van onrechtmatige of onnodige uitgaven uit te sluiten”(22) volgens vaste rechtspraak in overeenstemming zijn met dat beginsel.
54. Uit de bestreden beschikking blijkt duidelijk dat de vermindering in dit geval precies overeenkomt met het bedrag van de communautaire bijstand dat, volgens de berekeningen van de Commissie, met de vastgestelde en, zoals gezegd, door Ierland niet betwiste onregelmatigheden was gemoeid.
55. Derhalve meen ik dat ook het derde middel moet worden afgewezen.
D – Schending van het vertrouwens‑ en het rechtszekerheidsbeginsel
56. Met zijn vierde en laatste middel stelt Ierland dat de diensten van de Commissie de Ierse autoriteiten tijdens de contacten die in 2001 en 2002 volgden op de controles door deze diensten, hebben verzocht de daarbij onderzochte financieringsaanvragen na te kijken. Daarmee hebben zij volgens Ierland het gewettigd vertrouwen gewekt dat de Commissie de gevraagde toelichtingen en verbeterde berekeningen zou aanvaarden en de ESF-bijstand niet zou verminderen. Dit gewettigd vertrouwen werd bovendien versterkt doordat de Commissie bij eerdere controles van de uitvoering van door het ESF gefinancierde programma’s in Ierland de boekhoudkundige praktijk anders en minder restrictief had beoordeeld.
57. Doordat de Commissie deze verwachtingen niet heeft waargemaakt, heeft zij ook het rechtszekerheidsbeginsel geschonden, aldus Ierland. Dat beginsel zou volgens Ierland bovendien geschonden zijn doordat in de bestreden beschikking regels zijn toegepast die niet voorkwamen in de regeling die op het tijdstip van de feiten van kracht was, met name doordat daarin werd verklaard dat de rekeningen van het ESF op 31 december 1999 definitief waren afgesloten en dat na die datum geen wijzigingen of verbeteringen meer konden worden aangebracht.
58. Ik wijs er in de eerste plaats op dat het vertrouwensbeginsel volgens de gemeenschapsrechtspraak kan worden ingeroepen door „iedere particulier die in een situatie verkeert waaruit blijkt dat de gemeenschapsadministratie, door hem nauwkeurige toezeggingen te doen, bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt”.(23)
59. Uit de documenten die door Ierland zelf worden geproduceerd, kan niet worden afgeleid dat de Commissie op enigerlei wijze heeft verzekerd dat er geen sprake was van onregelmatigheden in de financiële en boekhoudkundige praktijk en/of heeft toegezegd dat de communautaire bijstand niet zou worden verminderd. Integendeel, in het genoemde auditrapport hadden de diensten van de Commissie al ondubbelzinnig geconcludeerd dat de geconstateerde onregelmatigheden hadden geleid tot een bovenmatige aanvraag voor medefinanciering door het ESF, die gecorrigeerd zou dienen te worden.
60. Ik sluit overigens uit dat een gewettigd vertrouwen kan worden ontleend aan het feit dat de diensten van de Commissie bij eerdere controles in Ierland geen onregelmatigheden in het beheer van de ESF-bijstand hadden vastgesteld, zoals Ierland lijkt te suggereren. Het Hof heeft immers meermaals geoordeeld „dat wanneer de Commissie onregelmatigheden om billijkheidsredenen heeft geduld, dit de betrokken lidstaat niet het recht geeft om op grond van het rechtszekerheids‑ of het vertrouwensbeginsel te verlangen, dat de Commissie hetzelfde doet ten aanzien van eventuele onregelmatigheden in het volgende begrotingsjaar”.(24) Dat moet des te meer het geval zijn wanneer de Commissie het soort onregelmatigheden dat aan de orde is, voordien niet heeft ontdekt.(25)
61. Mijns inziens heeft de Commissie derhalve met de vaststelling van de bestreden beschikking het vertrouwensbeginsel niet geschonden.
62. Wat het rechtszekerheidsbeginsel betreft, dit veronderstelt „dat [de relevante] rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn” en „strekt [ertoe] te waarborgen, dat door het gemeenschapsrecht beheerste rechtssituaties en ‑betrekkingen voorzienbaar zijn”.(26) Ik zie niet in hoe dit beginsel in casu geschonden kan zijn, nu de geldende regelgeving, zoals ik hiervoor heb uiteengezet, duidelijk voorzag in de mogelijkheid de financiële bijstand te verminderen in geval van onregelmatigheden van het soort dat de Commissie in casu bij het beheer van de structuurfondsen aan het licht heeft gebracht (punten 30‑36 en 44‑45 hierboven), en voorts inhield dat de financiële planning na 31 december 1999 niet meer gewijzigd kon worden, omdat ze op dat moment, zoals ik in punt 38 heb gezegd, definitief vaststond.
63. Daarom meen ik dat ook het vierde middel ongegrond is en verworpen moet worden, en daarmee het beroep in zijn geheel.
V – Kosten
64. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie een dergelijke vordering heeft ingesteld en gelet op hetgeen ik zojuist heb gezegd ter zake van de uitkomst van het beroep, meen ik dat die vordering moet worden toegewezen.
VI – Conclusie
65. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging het beroep te verwerpen en Ierland in de kosten te verwijzen.
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – PB L 185, blz. 9. Deze verordening is niet meer van kracht en is vervangen door verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de structuurfondsen (PB L 161, blz. 1).
3 – PB L 193, blz. 5.
4 – Artikel 1 van verordening nr. 2052/88 omschrijft die doelstelling als volgt: „bevordering van de ontwikkeling en de structurele aanpassing van regio’s met een ontwikkelingsachterstand”.
5 – PB L 374, blz. 1. Deze verordening is niet meer van kracht en is vervangen door verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de structuurfondsen (PB L 161, blz. 1).
6 – PB L 193, blz. 20.
7 – PB L 290, blz. 1. Deze verordening is niet meer van kracht en is vervangen door verordening (EG) nr. 438/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de beheers‑ en controlesystemen voor uit de structuurfondsen toegekende bijstand (PB L 63, blz. 21).
8 – Dit is de definitie van het begrip „controletraject” die de Europese Rekenkamer hanteert (Glossarium. Keuze van termen en uitdrukkingen gebruikt bij de externe controle op de openbare financiën. Europese Rekenkamer, 1989).
9 – PB L 170, blz. 36. Deze verordening is niet meer van kracht en is vervangen door verordening (EG) nr. 643/2000 van de Commissie van 28 maart 2000 tot regeling van het gebruik van de euro bij de besteding van de middelen van de structuurfondsen (PB L 78, blz. 4).
10 – PB L 250, blz. 12.
11 – C (94) 3226 van 29 november 1994.
12 – C (94) 1972 van 29 juli 1994.
13 – C (94) 2613 van 15 november 1994.
14 – De tekst van dit rapport is aan de bestreden beschikking gehecht en opgenomen in bijlage 4 van het verzoekschrift.
15 – Arrest van 6 oktober 1993, Italië/Commissie (C‑55/91, Jurispr. blz. I‑4813, punt 67). Cursivering van mij.
16 – In de gemeenschapsrechtspraak is erkend dat de Commissie bevoegd is communautaire bijstand te verminderen of in te trekken, onder meer ingeval de bijstand niet overeenkomstig het algemene beginsel van „behoorlijk financieel beheer” is gebruikt (zie bijvoorbeeld arrest van 15 september 1998, Branco/Commissie, T‑142/97, Jurispr. blz. II‑3567, punt 66), de „informatie‑ en loyaliteitsverplichting ten opzichte van de Commissie” is geschonden (arrest van 11 maart 2003, Conserve Italia/Commissie, T‑186/00, Jurispr. blz. II‑719, punt 50) en de nationale controlesystemen te kort schieten of niet toereikend zijn (zie bijvoorbeeld arrest van 18 september 2003, Verenigd Koninkrijk/Commissie, C‑346/00, Jurispr. blz. I‑9293, punten 35‑37).
17 – Voor de jaren 1994-1996 is bij deze berekeningen bijvoorbeeld gebruikgemaakt van extrapolatietechnieken en niet van vaststaande gegevens.
18 – Zie het communautair bestek 1994-1999: Ierland-doelstelling 1, punt 19, eerste streepje, gehecht aan beschikking 94/626 van de Commissie; richtsnoeren voor de financiële afsluiting van de operationele activiteiten (1994-1999) van de structuurfondsen, SEC(1999) 1316 def., punt 6.1, en beschikkingen van de Commissie C (94) 3226, artikel 5, C (94) 1975, artikel 5, en C (94) 2613, artikel 6.
19 – Europese Rekenkamer (Glossarium. Keuze van termen en uitdrukkingen gebruikt bij de externe controle op de openbare financiën, aangehaald in voetnoot 8).
20 – Zie ook arresten Gerecht van 12 januari 1995, Branco/Commissie (T‑85/94, Jurispr. blz. II‑45, punt 30); 25 mei 2004, Distilleria Palma/Commissie (T‑154/01, Jurispr. blz. II‑1493, punt 58); 5 maart 2003, Ineichen/Commissie (T‑293/01, JurAmbt. blz. I‑A-83, II-441, punt 84); 30 september 2003, Atlantic Container Line e.a./Commissie (T‑191/98, Jurispr. blz. II‑3275, punt 281).
21 – Zie arrest Branco/Commissie, reeds aangehaald punt 31.
22 – Arrest Gerecht van 15 september 1998, Branco/Commissie (T‑142/97, Jurispr. blz. II‑3567, punt 110). In geval van ernstige onregelmatigheden heeft het Hof zelfs de mogelijkheid erkend dat de begunstigde van de financiering „niet wordt bestraft met vermindering van de bijstand met het bedrag dat met deze onregelmatigheid is gemoeid, maar met volledige intrekking van de bijstand”, omdat alleen een dergelijke maatregel „de afschrikkende werking kan hebben die voor een goed beheer van de middelen van [de Gemeenschap] noodzakelijk is” (arrest van 24 januari 2002, Conserve Italia, C‑500/99 P, Jurispr. blz. I‑867, punt 101).
23 – Arrest Gerecht van 25 maart 1999, Hamptaux/Commissie (T‑76/98, JurAmbt. blz. I‑A-59, II‑303, punt 47). Cursivering van mij.
24 – Zie met name arresten van 16 oktober 2003, Ierland/Commissie (C‑339/00, Jurispr. blz. I‑11757, punt 81), en 21 januari 1999, Duitsland/Commissie (C‑54/95, Jurispr. blz. I‑35, punt 12).
25 – Zie arrest Ierland/Commissie, aangehaald in voetnoot 24, punt 81.
26 – Arrest van 15 februari 1996, Duff e.a. (C‑63/93, Jurispr. blz. I‑569, punt 20).
Full & Egal Universal Law Academy