CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 6 september 2005 (1)
Zaak C‑230/03
Mehmet Sedef
tegen
Freie und Hansestadt Hamburg
[verzoek van het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Artikel 6 van besluit nr. 1/80 van Associatieraad – Stelsel van geleidelijke toekenning van rechten – Noodzaak van zonder onderbreking verrichten van arbeid – Turkse werknemer die als zeeman heeft gewerkt op onder vlag van lidstaat varende schepen – Irrelevantie van bijzondere kenmerken van beroep”
1. Het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) heeft het Hof krachtens artikel 234 EG twee prejudiciële vragen voorgelegd inzake de uitlegging van artikel 6 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie die tussen de Europese Gemeenschap en Turkije tot stand is gebracht (hierna: „besluit nr. 1/80”).(2)
2. Deze bepaling verleent Turkse werknemers bepaalde rechten, waarvan de omvang afhankelijk is van hoe lang zij in één van de lidstaten arbeid hebben verricht.
3. De twijfels van de verwijzende rechter hebben betrekking op de gevolgen van bepaalde onderbrekingen van de loopbaan van een zeeman voor de berekening van de tijdvakken van arbeid die noodzakelijk zijn om vrije toegang te hebben tot iedere arbeid in loondienst.
I – Toepasselijk recht
4. De betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie veranderen naar gelang van de politieke en economische omstandigheden van het moment(3), maar het rechtskader ervan blijft hetzelfde.(4)
A – De Associatieovereenkomst
5. Op 12 september 1963 is te Ankara de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, ondertekend en namens de Gemeenschap goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963(5) (hierna: „Associatieovereenkomst”).
6. Zoals ik reeds heb opgemerkt in mijn conclusie in de zaak Öztürk(6), beoogt de Associatieovereenkomst de gestadige en evenwichtige groei van de commerciële en economische banden tussen beide partijen te bevorderen, een versnelde ontwikkeling van de Turkse economie te verzekeren, de werkgelegenheid te verruimen en de levensomstandigheden in dit land te verbeteren. In de preambule wordt erkend dat de bijdrage van de kant van de Gemeenschap aan de inspanningen van het Turkse volk voor de verbetering van zijn levensomstandigheden, in een later stadium de toetreding van deze staat tot de Gemeenschap zal vergemakkelijken.(7)
7. Om deze doeleinden te verwezenlijken wordt in de Associatieovereenkomst onderscheid gemaakt tussen een voorbereidende fase, waarin de Republiek Turkije met steun van de Gemeenschap haar economie versterkt (artikel 3), een overgangsfase die gericht is op de geleidelijke totstandbrenging van een douane-unie(8) door middel van het nader tot elkaar brengen van hun respectieve financiële beleid (artikel 4), en een definitieve fase die de coördinatie van dit beleid moet versterken (artikel 5).
8. Om de geleidelijke ontwikkeling van het stelsel te verzekeren, verenigen de overeenkomstsluitende partijen zich in een raad die handelt binnen de grenzen van de hem door de Associatieovereenkomst verleende bevoegdheden (artikel 6) en die in de voorziene gevallen voor de verwezenlijking van de vermelde doelstellingen bevoegd is tot het nemen van besluiten (artikel 22).
9. De tweede fase hield in dat onderzoek zou worden gedaan naar de geleidelijke vrijmaking van het verkeer van werknemers(9), waarbij de overeenkomstsluitende partijen zich lieten leiden door de artikelen 48, 49 (thans, na wijziging, de artikelen 39 en 40 EG) en 50 van het EEG-Verdrag (thans artikel 41 EG) (artikel 12).(10)
B – Het Aanvullend Protocol
10. De voorbereidende fase werd in 1970 afgesloten met de invoeging in de Associatieovereenkomst (artikel 62) van een in 1973 in werking getreden aanvullend protocol(11), dat diende te verduidelijken onder welke voorwaarden, op welke wijze en volgens welk ritme de volgende fase zou moeten worden verwezenlijkt (artikel 1).
11. Titel II regelt het vrije verkeer van personen en diensten en het eerste hoofdstuk daarvan is gewijd aan de werknemers. Het daarin opgenomen artikel 36 bepaalt dat deze vrijheid overeenkomstig de in artikel 12 van de Associatieovereenkomst neergelegde beginselen geleidelijk tot stand zal worden gebracht tussen het einde van het twaalfde en het tweeëntwintigste jaar na de inwerkingtreding van genoemde overeenkomst(12); de Associatieraad bepaalt de hiertoe nodige regels.
12. Volgens artikel 37 genieten in de Gemeenschap werkzame Turkse onderdanen dezelfde behandeling op het gebied van arbeidsvoorwaarden en lonen als onderdanen van de lidstaten.
C – Besluit nr. 1/80
13. Als vervolg op besluit nr. 2/76 van 20 december 1976 betreffende de uitvoering van artikel 12 van de Associatieovereenkomst heeft de Associatieraad op 19 september 1980 besluit nr. 1/80 vastgesteld.(13)
14. Artikel 6 staat in hoofdstuk II („Sociale bepalingen”), afdeling 1 („Arbeidsmarktvraagstukken en vraagstukken in verband met het vrije verkeer van werknemers”). Het luidt als volgt:
„1. Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort:
– na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;
– na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die lidstaat;
– na vier jaar legale arbeid, in die lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.
2. Jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekte worden gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten, alsmede perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch doen geen afbreuk aan de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaande tijdvak van arbeid.
[...]”
II – De feiten, het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
15. Sedef, een in 1952 geboren Turks onderdaan, is vanaf 1977 bij verschillende Duitse werkgevers werkzaam geweest als zeeman, waarvoor hij geen werkvergunning maar wel een verblijfsvergunning nodig had, die hij steeds heeft verkregen en die alleen geldig was voor de desbetreffende arbeidsverhouding. Sinds 18 januari 1993 is hij om gezondheidsredenen ongeschikt voor dit beroep verklaard.
16. De tussen het begin van zijn werkzaamheden en de vaststelling van zijn ongeschiktheid verstreken tijd kan, zoals de verwijzende rechter heeft gedaan, worden ingedeeld in vier groepen:
1. arbeidstijd, met inbegrip van jaarlijkse vakanties, waarbij wordt opgemerkt dat hij verscheidene malen meer dan een jaar bij dezelfde werkgever heeft gewerkt, maar nooit drie jaar(14);
2. werkloosheid, waarbij uitsluitend de door de autoriteiten geconstateerde tijdvakken worden meegerekend, die variëren van één maand en enkele dagen tot bijna acht maanden(15);
3. onderbrekingen wegens ziekte, waarvan sommige van korte duur en andere van lange duur (in één geval langer dan een jaar)(16), en
4. overige tijdvakken, met inbegrip van die welke betrokkene zelf „onbetaald verlof” noemt, zeventien in totaal, die variëren van één tot zeventig dagen en in ongeveer vijftien jaren in totaal ongeveer dertien maanden bedragen (7,2 %).(17)
17. In 1992 heeft hij een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning die niet was beperkt tot een beroepswerkzaamheid in de zeescheepvaart, om een dienstbetrekking aan wal te vervullen; deze aanvraag is door de Freie und Hansestadt Hamburg afgewezen.
18. Het Verwaltungsgericht van Hamburg, waarbij Sedef beroep heeft ingesteld, heeft onder verwijzing naar artikel 6 van besluit nr. 1/80 verlening van de verblijfsvergunning gelast.
19. Het verwerende bestuursorgaan heeft beroep ingesteld bij het Oberverwaltungsgericht Hamburg, dat hem in het gelijk stelde, aangezien de voorwaarden van de genoemde bepaling niet waren vervuld.
20. Nadat Sedef beroep in „Revision” had ingesteld, heeft het Bundesverwaltungsgericht geoordeeld dat verzoeker in het hoofdgeding op grond van de nationale bepalingen(18) geen recht op vergunning had en enkel op grond van het gemeenschapsrecht aanspraak daarop zou kunnen maken. Het heeft de behandeling van de zaak geschorst om de volgende prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen:
„1) Moet artikel 6, lid 1, derde streepje, en lid 2, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 van de bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije in het leven geroepen Associatieraad aldus worden uitgelegd dat een Turkse werknemer die sinds 1977 meer dan vijftien jaar legaal bij verschillende werkgevers in de tot de legale arbeidsmarkt behorende zeescheepvaart van een lidstaat tewerkgesteld is geweest, zonder dat hij daarvoor een arbeidsvergunning hoefde te hebben, en in deze tijd de voorwaarden van artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 heeft vervuld, recht heeft op een verblijfsvergunning, wanneer zijn werkzaamheden in de zeescheepvaart – naast herhaaldelijke onderbrekingen vanwege ziekte of door de bevoegde autoriteiten vastgestelde onvrijwillige werkloosheid – in de tijdvakken tussen twee dienstverbanden zeventien maal één tot zeventig dagen (in totaal ongeveer dertien maanden) onderbroken is geweest en de Turkse werknemer de langere perioden van onderbreking naar eigen zeggen bij zijn familie in Turkije heeft doorgebracht, terwijl dienaangaande niet is vastgesteld dat er sprake was van onvrijwillige werkloosheid? Is het in dit verband van belang of dergelijke onderbrekingen kenmerkend zijn voor het beroep (in casu kenmerkend voor de zeescheepvaart)?
2) Is voor het recht op een verblijfsvergunning op grond van artikel 6, lid 1, derde streepje, van besluit nr. 1/80 vereist dat de Turkse werknemer vooraf aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 heeft voldaan? Is het in dit verband van belang of het voor het beroep kenmerkend (in casu: kenmerkend voor de zeescheepvaart) is, dat binnen drie jaar van werkgever wordt gewisseld?”
III – De procedure voor het Hof
21. De Freie und Hansestadt Hamburg, de Duitse regering en de Commissie hebben binnen de bij artikel 20 van het Statuut van het Hof gestelde termijn schriftelijke opmerkingen ingediend.
22. Ter terechtzitting van 30 juni 2005 hebben de vertegenwoordigers van Sedef en de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt.
IV – Beoordeling van de prejudiciële vragen
23. Aangezien de vragen van de verwijzende rechter betrekking hebben op artikel 6 van besluit nr. 1/80, wil ik in het licht van de feiten van de zaak allereerst enkele algemene opmerkingen maken over de inhoud van deze bepaling; ook zal ik de invloed bespreken van het feit dat Sedef zeeman was.
A – De rechtsregeling van artikel 6 van besluit nr. 1/80
24. Besluit nr. 1/80 stelt Turkse werknemers niet gelijk aan werknemers uit de Gemeenschap, aangezien zij niet de rechten genieten die voortvloeien uit het vrije verkeer, geen vrijheid van vestiging hebben en geen recht op verblijf. Zij genieten slechts bepaalde rechten in het land van ontvangst op het grondgebied waarvan zij wettig zijn binnengekomen en gedurende een bepaalde tijd legale arbeid hebben verricht(19); zij bevinden zich ook niet in dezelfde positie als onderdanen van derde landen.(20)
25. Artikel 6 van besluit nr. 1/80 vereist dat de werknemer „tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort”, als noodzakelijke voorwaarde voor het verkrijgen van rechten die verschillen naarmate hij er langer toe behoort.
1. Het behoren tot de legale arbeidsmarkt
26. Deze basisvoorwaarde houdt in dat er een arbeidsverhouding is die kan worden gelokaliseerd in of op zijn minst een nauwe band vertoont met het grondgebied van de Gemeenschap, die bovendien „legale” arbeid moet zijn.
27. Om na te gaan of aan deze eerste voorwaarde is voldaan, worden in de rechtspraak dezelfde criteria gehanteerd als op het gebied van het vrije verkeer van werknemers(21): er is sprake van een dienstbetrekking wanneer voor een ander onder diens gezag een reële en daadwerkelijke economische activiteit wordt verricht, waarvoor als tegenprestatie een bezoldiging wordt ontvangen.(22) Op dezelfde wijze wordt de territoriale aanknoping vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met de plaats van aanwerving, de plaats waar de arbeid in loondienst wordt verricht, maar ook met de nationale wetgeving op het gebied van het arbeidsrecht en de sociale zekerheid.(23)
28. Het legale karakter van de toetreding tot de arbeidsmarkt veronderstelt dat de situatie van de betrokkene stabiel en niet slechts van voorlopige aard is(24), en dat de werknemer de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften van de lidstaat van ontvangst in acht heeft genomen en dus het recht heeft om in dat land een beroepsactiviteit uit te oefenen.(25)
2. De toegekende rechten
29. Het stelsel van geleidelijke integratie kent voordelen toe die variëren naar gelang van de periode tijdens welke de betrokkene de post heeft bekleed.(26)
30. Artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80, dat volgens vaste rechtspraak rechtstreekse werking heeft(27), noemt achter drie gedachtestreepjes elk van de soorten rechten die achtereenvolgens worden verworven naarmate de arbeid in de lidstaat langer duurt, en die een daarmee samenhangend recht van verblijf meebrengen.(28)
31. Indien de legale arbeid langer dan een jaar duurt, kan de arbeidsvergunning bij de oorspronkelijke werkgever worden verlengd; indien zij nog twee jaar langer duurt, kan men van werkgever veranderen, maar niet van beroep of van land; tot slot verkrijgt men na nog een jaar vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst in hetzelfde land.
32. Wanneer het laatste niveau eenmaal is bereikt, gaan de verkregen rechten slechts verloren wanneer de arbeidsmarkt definitief wordt verlaten, om welke reden dan ook(29), of wanneer na een periode waarin tijdelijk niet werd gewerkt, niet binnen een redelijke termijn een nieuwe arbeidsverhouding is aangegaan.(30)
3. De berekening van de tijd
33. De rechten opgesomd achter de gedachtestreepjes van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 ontstaan enkel, indien de arbeid gedurende één, drie of vier jaar „zonder onderbreking” is verricht. Wanneer de arbeid wordt gestaakt, wordt de voorwaarde inzake de duur niet vervuld, zodat wanneer de arbeid wordt hervat, de telling niet wordt voortgezet maar opnieuw begint.
34. Aangezien het genoemde beginsel aanleiding zou geven tot onrechtvaardige gevolgen, staat lid 2 enkele uitzonderingen toe, waarbij naar gelang van de soort en de duur van de onderbrekingen van de arbeid onderscheid wordt gemaakt tussen onderbrekingen die tot een positief resultaat leiden, doordat de verstreken tijd wordt gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid (jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekte), en onderbrekingen die een negatief resultaat verhinderen, doordat zij voorkomen dat eerder verworven rechten worden aangetast (naar behoren geconstateerde onvrijwillige werkloosheid en langdurige ziekte).
35. In deze laatste gevallen hoeft een persoon die zijn beroepsactiviteit om een van de genoemde redenen heeft onderbroken, niet opnieuw te tellen alsof hij nog nooit legale arbeid in het land van ontvangst heeft verricht.(31)
36. De bijzonderheden met betrekking tot de continuïteit van de activiteit vinden geen toepassing meer wanneer de Turkse werknemer voldoet aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, derde streepje, om de onvoorwaardelijke vrijheid te genieten die deze bepaling hem toekent(32), en hij heeft bovendien het recht zijn deelname aan de arbeidsmarkt te onderbreken, aangezien hij reeds legaal in de structuur ervan is geïntegreerd.(33) Deze situatie, waarin sommige onderbrekingen niet relevant zijn, mag niet worden verward met de vorige gevallen, waarin het verwerven van die rechten op het spel staat.
37. Ook moet worden benadrukt dat de genoemde voorwaarden weliswaar beperkt moeten worden opgevat(34), omdat de berekening anders verkeerd zou uitvallen, doch dat onder bepaalde omstandigheden rekening moet worden gehouden met verscheidene, in het algemeen korte tijdvakken.(35)
B – De uitlegging van artikel 6 van besluit nr. 1/80 en het beroep van zeeman
38. Aan het eind van elk van de aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen vraagt de verwijzende rechter, welke rol de bijzondere kenmerken van het beroep van zeeman spelen.
39. De zeescheepvaart is een bedrijfstak die van oudsher wordt gekenmerkt door talrijke gevaren en grote moeilijkheden, omdat zij zich afspeelt in een vijandige en meedogenloze omgeving(36), ook al zijn de omstandigheden waarin zij zich afspeelt in de loop der tijd veranderd. „Voor ons, zeelieden, is de zee hoofdzakelijk een route, het is bijna uitsluitend een weg. Maar wát een weg! Ik zal nooit de eerste keer vergeten dat ik de oceaan overstak. Het zeilschip domineerde de wereld nog. Wat een tijd was dat! Ik zeg niet dat de zee toen beter was, dat niet, maar wel poëtischer, mysterieuzer, onbekender. Tegenwoordig wordt de zee steeds meer geïndustrialiseerd; de zeeman, op zijn schip van staal, weet wanneer hij vertrekt, wanneer hij gaat aanleggen; hij telt de dagen en de uren ... Vroeger was dat niet zo; men ging aan boord met het toeval, het lot en bij gunstige wind [...]. Tegenwoordig is de zee veranderd, het schip is veranderd en de zeeman is ook veranderd ” [vrije vertaling]. Aldus liet een beroemde Spaanse schrijver van de generatie van 1898 zijn hoofdpersoon aan het woord.(37)
40. Deze activiteit vertoont, net als vroeger, ook heden aanmerkelijke verschillen met alle andere activiteiten. Met de hardheid en de bijzondere omstandigheden van het leven en het werk op zee is rekening gehouden in het volkerenrecht(38), het recht van de lidstaten(39) en het gemeenschapsrecht.
41. Als voorbeeld op gemeenschapsniveau kan worden gewezen op richtlijn 1999/63/EG van de Raad van 21 juni 1999 inzake de overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden, gesloten door de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Federatie van de bonden voor het vervoerspersoneel in de Europese Unie (FST)(40), en richtlijn 1999/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de handhaving van de bepalingen inzake de arbeidstijd van zeevarenden aan boord van schepen die havens in de Gemeenschap aandoen.(41)
42. Evenals op andere gebieden, zoals op het gebied van het vervoer(42), worden de bijzondere kenmerken van het werk van zeelieden weerspiegeld in de regels, met name de regels betreffende bescherming en veiligheid.
43. Het bestaan van een eigen regeling toont aan dat rekening is gehouden met de bijzondere kenmerken van een beroep wanneer dat nuttig werd geacht.
44. Besluit nr. 1/80 verwijst niet naar een bepaalde categorie werknemers, zodat de bepalingen ervan zonder onderscheid gelden voor arbeiders in loondienst in welk beroep dan ook.
45. Dit wordt niet ontkracht door artikel 12, dat de lidstaten en Turkije het recht geeft de artikelen 6 en 7 tijdelijk niet automatisch toe te passen wanneer de levensstandaard of de werkgelegenheid in een gebied, een bedrijfstak of een beroep wordt verstoord of gevaar loopt te worden verstoord, want deze laatste verwijzing is van algemene aard en wordt verklaard door het tijdelijke uitzonderlijke karakter van de situatie.
46. Bovendien heeft het Hof verklaard dat artikel 6, lid 1, is gesteld in algemene en onvoorwaardelijke bewoordingen, aangezien het de lidstaten niet de bevoegdheid geeft om bepaalde categorieën Turkse werknemers uit te sluiten van de rechten die deze bepaling hen rechtstreeks verleent.(43) Deze opvatting kan ook worden toegepast op alle gevallen waarin een beroep wordt gedaan op de bijzondere kenmerken van een bepaalde arbeid.
47. Bijgevolg zijn de bijzondere kenmerken van een activiteit, ruim opgevat, niet relevant bij de uitlegging van de genoemde bepaling, waarvan de uniformiteit zou worden bedreigd indien uitzonderingen werden aanvaard en de regels werden aangepast naar gelang van het uitgeoefende beroep. In dat geval zou immers niets eraan in de weg staan dat ook voor andere arbeidsterreinen om een voorkeursbehandeling wordt gevraagd, hetgeen zou leiden tot een casuïstische rechtspraak die de coherentie van het stelsel en de rechtszekerheid in gevaar zou brengen. Niets verzet zich er echter tegen dat, wanneer de door deze bepaling verleende rechten op het spel staan, rekening wordt gehouden met de bijzondere omstandigheden van elk geval.
C – De eerste prejudiciële vraag
48. De hoofdvraag van de verwijzende rechter betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, derde streepje, en lid 2, van besluit nr. 1/80, teneinde de gevolgen voor het recht op vrije toegang tot arbeid te beoordelen van onderbrekingen die noch door naar behoren geconstateerde werkloosheid noch door ziekte zijn veroorzaakt, en de invloed te onderzoeken van het feit dat de verandering van werkgever kenmerkend is voor het beroep. Dit laatste aspect, dat deze vraag gemeen heeft met de andere voorgelegde vraag, heb ik zojuist echter reeds besproken.
49. In de omstandigheden van het geval ontstaat het probleem doordat Sedef meer dan vijftien jaar op Duitse schepen bij verschillende werkgevers heeft gewerkt, maar volgens de door het Bundesverwaltungsgericht overgelegde gegevens enkel zonder onderbreking heeft gewerkt gedurende de tijd die nodig is om het achter het eerste gedachtestreepje van genoemd artikel vermelde recht op verlenging van de arbeidsvergunning bij de oorspronkelijke werkgever te verkrijgen.
50. Indien de tijdvakken, variërend van één tot zeventig dagen, die de betrokkene aanmerkt als „onbetaald verlof”, werden meegerekend, zou de vereiste duur voor het maximale beschermingsniveau van het derde gedachtestreepje worden bereikt, op voorwaarde echter dat deze tijdvakken onder lid 2 van de betrokken bepaling vallen.
51. Dienaangaande lijkt het duidelijk dat deze tijdvakken niet kunnen worden gelijkgesteld met de jaarlijkse vakanties of met tijdvakken van afwezigheid wegens kortdurende ziekte, welke zonder problemen kunnen worden meegeteld. Dit is ook de mening van de verwijzende rechter.
52. Zij kunnen evenmin worden gelijkgesteld met de tijdvakken waarin de betrokkene heeft geleden aan een langdurige ziekte, die elders worden vermeld.
53. Wat de gelijkstelling met de gevallen van onvrijwillige werkloosheid betreft, noemt de betrokken bepaling enkel die gevallen welke naar behoren door de bevoegde autoriteiten zijn geconstateerd. Deze vaststelling moet worden uitgelegd in overeenstemming met het doel ervan, namelijk het voorkomen van fraude door de controle door de overheid van werknemers te vergemakkelijken, aangezien het ontbreken van een officiële registratie de regelmatigheid van de situatie zou ondermijnen.(44)
54. Uit de in de verwijzingsbeschikking van het Bundesverwaltungsgericht verstrekte gegevens blijkt dat betrokkene zich, in het vooruitzicht van een nieuw dienstverband binnen korte tijd, niet hoefde te laten registeren als werkzoekende(45), hetgeen herhaaldelijk is gebeurd; ook blijkt dat hij na zijn terugkeer in Duitsland in de regel zonder grote problemen arbeid in loondienst heeft verricht(46), waar bovendien voor het werk als zeeman geen arbeidsvergunning is vereist maar een verblijfsvergunning volstaat.
55. De korte onderbrekingen moeten dan ook worden gelijkgesteld met tijdvakken van naar behoren geconstateerde onvrijwillige werkloosheid, aangezien zij het behoren tot de arbeidsmarkt van een lidstaat onverlet laten en geen afbreuk doen aan de doelstelling van de officiële constatering van de werkloosheid.(47)
56. Dit is ook gerechtvaardigd omdat, zoals ik hierboven heb uiteengezet, artikel 6 van besluit nr. 1/80 het vrije verkeer van werknemers beoogt, waarbij als voorwaarde wordt gesteld dat een beroep continu wordt uitgeoefend, hetgeen in het geval van Sedef voldoende is bewezen.
57. Het is ook gebaseerd op het arrest van 17 april 1997, Kadiman(48), dat de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen noemt. Hoewel dit arrest betrekking heeft op artikel 7 van besluit nr. 1/80, dat is opgesteld met het doel de Turkse werknemer te herenigen met zijn gezinsleden wanneer zij gedurende drie jaar „onafgebroken” in de lidstaat van ontvangst wonen, heeft het Hof hier aanvaard „dat de betrokkene gedurende een redelijke termijn en om legitieme redenen buiten de gemeenschappelijke woning verblijft, bijvoorbeeld om in zijn land van herkomst vakantie te houden of familie te bezoeken” (punt 48).
58. Sommige van de omstreden tijdvakken vallen binnen deze laatste categorie, maar dit geldt niet voor de tijdvakken die buitensporig lang hebben geduurd omdat een concreet arbeidsaanbod lang op zich heeft laten wachten of omdat het bezoek aan de verwanten langer heeft geduurd dan redelijk was.
59. In ieder geval staat het niet aan het Hof om te bepalen welke gevallen moeten worden gelijkgesteld met die van artikel 6, lid 2, van besluit nr. 1/80, omdat het zich dan zou mengen in de bevoegdheden van de nationale rechter; het dient deze rechter derhalve enkel de nodige aanwijzingen te geven om het gemeenschapsrecht adequaat toe te passen in het hoofdgeding.
60. Gelet op het voorgaande stel ik voor dat op de eerste prejudiciële vraag aldus wordt geantwoord, dat artikel 6, lid 2, van besluit nr. 1/80 onderbrekingen van de arbeidsverhouding zoals die welke in het onderhavige geval aan de orde zijn, dekt, met uitzondering van onderbrekingen die buitensporig lang duren omdat een concreet arbeidsaanbod lang op zich laat wachten of omdat de familiebezoeken langer duren dan redelijk is, waarbij het aan de nationale rechter staat om deze onderbrekingen te kwalificeren.
D – De tweede prejudiciële vraag
61. Het Bundesverwaltungsgericht wenst tevens te vernemen of voor de verwerving van het in artikel 6, lid 1, derde streepje, van besluit nr. 1/80 neergelegde recht eerst moet worden voldaan aan de achter het tweede gedachtestreepje genoemde voorwaarden.
62. De gedachtestreepjes van de genoemde bepaling kennen achtereenvolgens steeds omvangrijker wordende rechten op vrije toegang tot arbeid toe, naarmate de legale arbeid langer heeft geduurd. Indien enkel het temporele aspect van de arbeidsverhouding wordt beschouwd, kunnen de bij iedere fase behorende voorwaarden zelfstandig worden beoordeeld, in die zin dat een hoger niveau de lagere niveaus omvat – vier jaar omvat drie jaar en drie jaar omvat één jaar.
63. De moeilijkheid ontstaat bij de beoordeling of de arbeidsovereenkomst is gesloten met één of met meer werkgevers, aangezien pas na het verstrijken van drie jaar ononderbroken arbeid de fase van het tweede gedachtestreepje wordt bereikt, met de mogelijkheid om vanaf dat moment aanbiedingen van andere werkgevers dan de oorspronkelijke werkgever te aanvaarden.
64. Het stelsel van geleidelijke integratie van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 vooronderstelt, dat de verschillende niveaus één voor één moeten worden doorlopen om het hoogste niveau van de voordelen te bereiken, zonder dat het derhalve toegestaan is om met een sprong het laatste niveau te bereiken.
65. Dit kan grafisch worden voorgesteld als vier concentrische cirkels. In de kleinste cirkel bestaan enkel verwachtingen, maar door gedurende één jaar bij dezelfde werkgever te werken wordt de tweede cirkel bereikt, waardoor de mogelijkheid wordt verkregen de arbeidsvergunning te verlengen; ingeval gedurende drie jaar arbeid is verricht – en wel bij de eerste werkgever – wordt de derde cirkel bereikt, die het recht geeft om in hetzelfde beroep van werkgever te veranderen; wanneer vier jaar is verstreken in hetzelfde beroep, komt bij de vrijheid om te kiezen met wie een dienstbetrekking wordt aangegaan, de vrijheid om voor welke andere activiteit dan ook te kiezen.
66. Op dit punt wil ik verwijzen naar de doctrine die is geformuleerd in het arrest Eroglu, reeds aangehaald, waarin wordt bevestigd dat artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 van toepassing is wanneer om verlenging van de arbeidsvergunning wordt verzocht „om na het eerste jaar van legale arbeid bij dezelfde werknemer te blijven werken” (punt 13), zonder dat de reikwijdte ervan kan worden uitgebreid om „vóór het verstrijken van de in het tweede streepje bepaalde termijn van drie jaar” van werkgever te veranderen, waardoor bovendien „de werknemers uit de lidstaten de hun bij dat streepje verleende voorrang [zouden] verliezen, wanneer de Turkse werknemer van werkgever verandert” (punt 14).
67. In dezelfde zin valt in het arrest van 29 mei 1997, Eker(49), te lezen: „[...] de coherentie van het stelsel van geleidelijke integratie [...] [zou] worden verstoord, indien de betrokkene reeds vóór hij aan de in lid 1, eerste streepje, bedoelde voorwaarde van één jaar legale arbeid voldoet, recht had om bij een andere werkgever in dienst te treden [...] [want] de Turkse werknemer [mag] immers pas na drie jaar legale arbeid in de betrokken lidstaat in dienst van een andere werkgever treden [...]” (punt 23).
68. De hierboven aangegeven redenen vormen het uitgangspunt voor de beantwoording van de voorgelegde vraag, maar zij mogen niet worden opgevat als een automatisme waardoor andere omstandigheden, waarvan de relevantie door de lidstaat bij zijn beslissing op de door de Turkse werknemer ingediende aanvragen uitdrukkelijk is beoordeeld, buiten beschouwing worden gelaten. Indien deze bijzonderheden niet in aanmerking werden genomen, zou de regel naar de letter worden toegepast, zonder rekening te houden met het doel en de geest ervan, en zou worden nagelaten te streven naar rechtvaardigheid, hetgeen met een teleologische en systematische uitlegging wél kan worden bereikt.
69. Uit de gegevens in de verwijzingsbeschikking blijkt immers, dat de Duitse autoriteiten Sedef zonder enig bezwaar de verblijfsvergunningen hebben verleend die hij nodig had om als zeeman te kunnen werken, zelfs wanneer hij die aanvroeg om overeenkomsten te sluiten met verschillende reders, hoewel hij nooit een arbeidsverhouding van meer dan drie jaar met dezelfde werkgever heeft gehad – hij heeft slechts enkele malen meer dan een jaar gehaald.(50) Er is dus afgeweken van de strenge tekst van de regel door alle beschikbare gegevens van het geval mee te wegen, teneinde de geest van de bepaling aan te passen aan de bijzonderheden van het geval van Sedef. Pas nu hij verzoekt om aan land te werken wordt vereist dat het bepaalde achter de gedachtestreepjes van artikel 6, lid 1, strikt wordt nageleefd.(51)
70. In die zin roept het arrest Ertanir, reeds aangehaald, dat de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen ook heeft aangehaald, ertoe op „rekening te houden met korte tijdvakken gedurende welke de Turkse werknemer in de lidstaat van ontvangst geen houder van een geldige verblijfs‑ of arbeidsvergunning was, welke tijdvakken niet onder artikel 6, lid 2, van dit besluit vallen, wanneer de bevoegde autoriteiten niet op die grond hebben betwist dat de betrokkene legaal op het nationale grondgebied verbleef, maar hem juist een nieuwe verblijfs‑ of arbeidsvergunning hebben verstrekt” (punt 69).
71. In het licht van deze rechtspraak dient te worden geconcludeerd dat in een geval als het onderhavige door de handelwijze van de nationale overheidsinstanties, die meer dan zestien jaar heeft voortgeduurd, de situatie van betrokkene de schijn van legaliteit heeft gekregen doordat de voorwaarden van de gedachtestreepjes van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 flexibel zijn uitgelegd. Zo zijn hem, hoewel hij enkel het recht op grond van het eerste gedachtestreepje had verworven om zijn dienstbetrekking bij zijn oorspronkelijke werkgever voort te zetten, steeds weer nieuwe arbeidsvergunningen verleend om te werken bij andere ondernemingen in de sector, een recht waarin het tweede gedachtestreepje voorziet en waarvoor een dienstbetrekking van meer dan drie jaar bij dezelfde reder is vereist.
72. Daarbij komt nog dat betrokkene tot de legale arbeidsmarkt in Duitsland behoort en hij daar op bestendige wijze arbeid heeft verricht sinds hij in 1977 is begonnen met zijn werk als zeeman, totdat hij in 1993 voor die werkzaamheden ongeschikt is verklaard.(52)
73. De bijzondere kenmerken van de onderhavige zaak, de nuttige werking van besluit nr. 1/80 zoals door het Hof erkend(53), alsook de doelstelling van de Associatieovereenkomst, in samenhang met de overige toepasselijke bepalingen, die gericht is op de geleidelijke verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers, pleiten ervoor om in omstandigheden als de onderhavige de toetsing van de in het derde gedachtestreepje van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 gestelde voorwaarden op autonome wijze te verrichten, zonder eerst na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden van het tweede gedachtestreepje.
V – Conclusie
74. Gezien het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Bundesverwaltungsgericht te beantwoorden als volgt:
„1. Artikel 6, lid 2, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije dekt onderbrekingen als die welke in het onderhavige geval aan de orde zijn, met uitzondering van onderbrekingen die buitensporig lang duren omdat een concreet arbeidsaanbod lang op zich laat wachten of omdat de familiebezoeken langer duren dan redelijk is, waarbij het aan de nationale rechter staat om deze onderbrekingen te kwalificeren.
2. Om een verblijfsvergunning te verkrijgen krachtens artikel 6, lid 1, derde streepje, van besluit nr. 1/80, moeten eerst de voorwaarden van het tweede gedachtestreepje van deze bepaling zijn vervuld, maar de toetsing van de in het derde gedachtestreepje gestelde voorwaarden kan in bijzondere omstandigheden, zoals die van de arbeidsovereenkomsten in het onderhavige geval, op autonome wijze worden verricht”.
1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.
2 – Bij gebreke van een officiële publicatie kan de tekst ervan worden geraadpleegd in Associatieovereenkomst en protocollen EEG-Turkije en andere basisdocumenten, Raad van de Europese Gemeenschappen, Brussel, 1992, blz. 327 e.v. Over de onderhandelingen en het totstandkomingsproces van de overeenkomst: Ananiades, L.C., L’Association aux Communautés européennes, Librairie générale de droit et de jurisprudence, Parijs, 1967, blz. 50‑59, en Lesort, G., „L’Association avec la Turquie”, L’Association à la Communauté Économique Européenne. Aspects juridiques, Presses Universitaires de Bruxelles, Brussel, 1970, blz. 89‑111.
3 – Núñez Villaverde, J.A., „Turquía y la UE: una carrera de obstáculos sin fin”, Política Exterior, 1998, nr. 63, blz. 65 e.v.
4 – Olesti Rayo, A., „El Acuerdo de Asociación con Turquía y el régimen jurídico de los trabajadores de nacionalidad turca en la Unión Europea”, Revista de Derecho Communitario Europeo, nr. 7, januari-juni 2000, blz. 51.
5 – PB 1964, 217, blz. 3685.
6 – Arrest van 28 april 2004 (C‑373/02, Jurispr. blz. I‑3605).
7 – Krachtens artikel 28 zullen de overeenkomstsluitende partijen, wanneer de werking van de associatie het toelaat de volledige aanvaarding door Turkije van de uit het EG-Verdrag voortvloeiende verplichtingen te overwegen, de mogelijkheid van een toetreding van Turkije onderzoeken.
8 – Hartler, C., en Laura, S., „The EU model and Turkey. A case for Thanksgiving”, Journal of World Trade, 1999, nr. 3, blz. 147 e.v.
9 – In de briefwisseling tussen de voorzitters van de twee delegaties die op 12 september 1963 heeft plaatsgevonden (PB 1964, 217, blz. 3701), is de Associatieraad de bevoegdheid verleend om met ingang van de eerste fase de problemen betreffende de arbeidskrachten in Turkije te bestuderen.
10 – Op dezelfde wijze als de artikelen 52‑56 en 58 van het EEG-Verdrag (thans de artikelen 43‑46 en 48 EG) de basis vormen voor de geleidelijke invoering van de vrijheid van vestiging (artikel 13), en de artikelen 55, 56 en 58‑65 van het EEG-Verdrag (thans de artikelen 45, 46 en 48‑54 EG) voor het vrij verrichten van diensten.
11 – Ondertekend te Brussel op 23 november 1970, goedgekeurd en bevestigd namens de Gemeenschap bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 293, blz. 1). Op dezelfde datum is een aan de Associatieovereenkomst gehecht Financieel Protocol gesloten.
12 – Zoals volgt uit het arrest van 30 september 1987, Demirel (12/86, Jurispr. blz. 3719, punt 23), heeft artikel 12 van de Associatieovereenkomst noch artikel 36 van het Protocol rechtstreekse werking, maar dit staat sinds de arresten van 20 september 1990, Sevince (C‑192/89, Jurispr. blz. I‑3461, punt 2), 26 november 1998, Birden (C‑1/97, Jurispr. blz. 7747, punt 52), en 8 mei 2003, Wählergruppe Gemeinsam (C‑171/01, Jurispr. blz. I‑4301, punt 64) er niet aan in de weg, dat de besluiten van de Associatieraad, die op bepaalde punten de in de Overeenkomst bedoelde programma’s verwezenlijken, rechtstreekse werking hebben.
13 – Zoals blijkt uit het arrest van 6 juni 1995, Bozkurt (C‑434/93, Jurispr. blz. I‑1475, punt 14), is besluit nr. 2/76 een eerste etappe in de verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers, die wordt voortgezet met besluit nr. 1/80. Dezelfde gedachte wordt, behalve in het reeds aangehaalde arrest Birden, punt 52, tot uitdrukking gebracht in de arresten van 23 januari 1997, Tetik (C‑171/95, Jurispr. blz. I‑329, punt 20); 30 september 1997, Günaydin e.a. (C‑36/96, Jurispr. blz. I‑5143, punten 20 en 21), en Ertanir (C‑98/96, Jurispr. blz. I‑5179, punten 20 en 21); 10 februari 2000, Nazli (C‑340/97, Jurispr. blz. I‑957, punt 52); 19 november 2002, Kurz (C‑188/00, Jurispr. blz. I‑10691, punt 40) en 2 juni 2005, Dörr en Ünal (C‑136/03, Jurispr. blz. I‑0000, punt 66).
14 – Namelijk van 31.8.1977 tot en met 20.11.1977; van 28.11.1977 tot en met 10.2.1978; van 7.3.1978 tot en met 12.9.1978; van 17.11.1978 tot en met 14.6.1979; van 16.8.1979 tot en met 21.6.1980; van 27.7.1980 tot en met 9.11.1981; van 4.12.1981 tot en met 13.4.1982; van 7.8.1982 tot en met 27.10.1983; van 2.11.1983 tot en met 18.5.1984; van 16.7.1984 tot en met 23.7.1985; van 21.10.1986 tot en met 22.2.1987; van 22.11.1988 tot en met 14.3.1989; van 14.4.1989 tot en met 24.6.1989; van 3.7.1989 tot en met 23.9.1989; van 2.1.1990 tot en met 31.1.1990; van 7.2.1990 tot en met 26.2.1991, en van 15.2.1992 tot en met 10.9.1992.
15 – Van 23.6.1982 tot en met 6.8.1982; van 13.6.1984 tot en met 14.7.1984; van 1.8.1986 tot en met 20.10.1986; van 7.4.1987 tot en met 20.6.1988; van 18.8.1988 tot en met 21.11.1988; van 3.4.1991 tot en met 30.11.1911, en van 2.12.1991 tot en met 13.1.1992.
16 – Van 11.2.1978 tot en met 23.2.1978; van 19.6.1980 tot en met 6.7.1980; van 13.6.1985 tot en met 31.7.1986; van 16.2.1987 tot en met 31.3.1987; van 24.9.1989 tot en met 1.1.1990; van 27.2.1991 tot en met 2.4.1991, en van 11.9.1992 tot en met 18.1.1993.
17 – Van 21.11.1977 tot en met 27.11.1977; van 24.2.1978 tot en met 6.3.1978; van 13.9.1978 tot en met 16.11.1978; van 15.6.1979 tot en met 15.8.1979; van 7.7.1980 tot en met 26.7.1980; van 10.11.1981 tot en met 3.12.1981; van 14.4.1982 tot en met 22.6.1982; van 28.10.1983 tot en met 1.11.1983; van 19.5.1984 tot en met 12.6.1984; op 15.7.1984; van 1.4.1987 tot en met 6.4.1987; van 21.6.1988 tot en met 17.8.1988; van 15.3.1989 tot en met 13.4.1989; van 25.6.1989 tot en met 2.7.1989; van 1.2.1990 tot en met 6.2.1990; op 1.12.1991, en van 14.1.1992 tot en met 14.2.1992.
18 – § 18 van het Ausländergesetz (Duitse vreemdelingenwet) van 9 juli 1990 (BGBl. I, blz. 1354), juncto de Arbeitsaufenthaltsverordnung (verordening betreffende de arbeidsvergunning) van 18 december 1990 (BGBl. I, blz. 2994).
19 – Reeds aangehaalde arresten Tetik (punt 29) en Günaydin e.a. (punt 22). In de doctrine wordt, wat de inhoud ervan betreft, onderscheid gemaakt tussen het „vrije verkeer in een associatie” en het „vrije verkeer in de Gemeenschap”: Krück, H., „Die Freizügigkeit der Arbeitnehmer nach dem Assoziierungsabkommen EG/Türkei”, EuR, 1984, blz. 292 e.v., en Rumpf, C., „La libre circulation des travailleurs turcs et l’association entre la Communauté européenne et la Turquie: de Demirel à Kus en passant par Sevince”, Actualités du droit, 1994, nr. 2, blz. 271.
20 – Krachtens artikel 8, lid 1, van besluit nr. 1/80 krijgen Turkse werknemers voorrang op die van andere derde landen wanneer in de Gemeenschap een arbeidsplaats niet kan worden gevuld door de in de lidstaten aanwezige arbeidskrachten.
21 – Op Turkse onderdanen die de bij besluit nr. 1/80 toegekende rechten genieten, worden namelijk de in de artikelen 39 EG, 40 EG en 41 EG genoemde beginselen toegepast (reeds aangehaalde arresten Birden, punt 23, en Kurz, punten 30 en 31).
22 – Reeds aangehaalde arresten Günaydin e.a., punt 31, en Ertanir, punt 43.
23 – Reeds aangehaalde arresten Bozkurt, punt 23; Günaydin e.a., punt 29; Ertanir, punt 39; Birden, punt 33, en Kurz, punt 37.
24 – Reeds aangehaalde arresten Sevince, punt 30, en Bozkurt, punt 26.
25 – Reeds aangehaalde arresten Birden, punt 51; Nazli, punten 31 en 32, en Kurz, punt 39. In dezelfde zin, hoewel in de omstandigheden van het geval werd geoordeeld dat de arbeid niet legaal was, arresten van 16 december 1992, Kus (C‑237/91, Jurispr. blz. I‑6781, punt 18); 5 juni 1997, Kol (C‑285/95, Jurispr. blz. I‑3069, punt 29), en arrest Sevince, reeds aangehaald, punt 31. In de doctrine, Gutmann, R., „Die aufenthaltsrechtliche Bedeutung des Beschlusses Nr. 1/80 des Assoziationsrats EWG-Türkei”, Assoziierungsabkommen der EU mit Drittstaaten, Wenen, 1998, blz. 66.
26 – Arrest van 5 oktober 1994, Eroglu (C‑355/93, Jurispr. blz. I‑5113, punt 12); arresten Tetik, punt 23; Günaydin e.a., punt 25, en Ertanir, punt 25, reeds aangehaald.
27 – Reeds aangehaalde arresten Sevince, punt 26; Eroglu, punt 11; Tetik, punt 22; Gunaydin e.a., punt 24, en Kurz, punt 26.
28 – Arrest van 11 mei 2000, Savas (C‑37/98, Jurispr. blz. I‑2927, punt 60); en arresten Sevince, punt 29; Kus, punt 33; Eroglu, punt 20; Bozkurt, punt 28; Günaydin e.a., punt 26; Ertanir, punt 26; Nazli, punt 28; Kurz, punt 27, en Dörr en Ünal, punt 66, reeds aangehaald.
29 – Arrest Bozkurt, reeds aangehaald, punt 39.
30 – Arrest Nazli, reeds aangehaald, punt 44.
31 – Arrest Tetik, reeds aangehaald, punten 39 en 40.
32 – Arrest Nazli, reeds aangehaald, punt 35, en arrest van 7 juli 2005, Dogan (C‑383/03, Jurispr. blz. I‑0000, punt 16). In de rechtspraak is aldus verklaard, dat niet elke afwezigheid leidt tot het verlies van de krachtens artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 verworven rechten, aangezien daarvoor vereist is dat de werknemer blijvend non-actief wordt (arrest Nazli, punten 36‑39).
33 – Arrest Nazli, reeds aangehaald, punt 40. Dezelfde kwalificatie wordt gebruikt in bijvoorbeeld de reeds aangehaalde arresten Birden, punten 37 en 64 en dictum, en Ertanir, punt 62 en dictum, wat het tijdvak van een jaar betreft, en in de arresten Günaydin e.a., punt 55 en dictum, en onlangs Ertanir, punt 38, wat de periode van drie jaar betreft.
34 – Rumpf., O., „Wann erlischt das Aufenthaltsrecht nach Art. 6 I des Beschlusses Nr. 1/80 des Assoziationsrates EWG-Türkei?”, Neue Zeitschrift für Verwaltungrecht, 1994, blz. 1189, is van mening dat de situaties van lid 2 uitputtend zijn opgesomd en dat onderbrekingen, hoe kort ook, leiden tot het verlies van de verworven rechten. Het Bundesverwaltungsgericht erkent in zijn verwijzingsbeschikking dat er in zijn rechtspraak tot nu toe van wordt uitgegaan, dat de opsomming uitputtend is.
35 – Arrest Ertanir, reeds aangehaald, punt 69.
36 – Volgens de statistieken die zijn gepresenteerd tijdens de bijeenkomst over zeescheepvaart van de Internationale Arbeidsconferentie van 1996, hebben tussen 1994 en 1996 180 schepen van meer dan 500 ton schipbreuk geleden, hetgeen meer dan 1 200 personen, zowel passagiers als bemanning, het leven heeft gekost.
37 – Baroja, P., Las inquietudes de Shanti Andia, collectie Austral, Espasa Calpe, 8e uitgave, Madrid, 1970, blz. 13 en 15. De Commissie heeft deze realiteit aldus verwoord: „Jonge mensen zijn steeds minder bereid om lange tijd op zee door te brengen, ver weg van hun verwanten, kinderen en vrienden. Zelfs de aantrekkelijke kanten van het vak, zoals de mogelijkheid veel van de wereld te zien en exotische plaatsen te bezoeken, schijnen te zijn verdwenen ten gevolge van moderne navigatiepraktijken, waardoor schepen slechts korte tijd in een haven verblijven of de haven zelfs niet meer aandoen voor hun commerciële activiteiten. Bovendien hebben moderne schepen slechts een kleine bemanning, meestal bestaande uit personen van verschillende nationaliteiten die verschillende talen spreken, wat tot sociale isolatie kan leiden”, punt 1.2.2 van de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement inzake de opleiding en rekrutering van zeevarenden (COM/2001/188 def.).
38 – De meeste verdragen rond „zeevarenden” zijn ondertekend in het kader van de Internationale Arbeidsorganisatie: conventies nrs. 7 en 58 over de minimumleeftijd (arbeid op zee), 1920 en 1936; nr. 8 over de vergoeding wegens werkloosheid (schipbreuk), 1920; nr. 9 over de bezorging van werk aan zeelieden, 1920; nr. 16 over het geneeskundig onderzoek van jongeren (arbeid op zee), 1921; nr. 22 over het wervingscontract van zeelieden, 1926; nr. 23 over de repatriëring van zeelieden, 1926; nrs. 54 en 72 over de vakantie met behoud van loon van zeelieden, 1936 en 1946; nr. 55 over de verplichtingen van de reder, in geval van ziekte, ongeval of overlijden van zeelieden, 1936; nr. 56 over de verzekering tegen ziekte van zeelieden, 1936; nr. 57 over de arbeidsduur aan boord van schepen en de bemanning, 1936; nr. 68 over de voeding en verzorging (bemanningen van schepen), 1946; nr. 70 over de sociale zekerheid van zeelieden, 1946; nr. 71 over de pensioenen van zeelieden, 1946; nrs. 76, 93 en 109 over de gages, de arbeidsduur aan boord en de bemanning, 1946, 1949 en 1958; nr. 134 over de voorkoming van ongevallen (zeelieden), 1970; nr. 145 over de continuïteit van de arbeid (zeelieden), 1976; nr. 147 over de koopvaardij (minimumnormen), 1976; nr. 163 over het welzijn van zeevarenden, 1987; nr. 166 over de repatriëring van zeelieden, 1987; nr. 179 over de werving en plaatsing van zeevarenden, 1996, en nr. 180 over de arbeidstijd van zeevarenden en de bemanning van schepen, 1996. Ook in het kader van de Verenigde Naties bestaan verscheidene regelgevende instrumenten, zoals het Verdrag inzake het recht van de zee van 1982.
39 – In Spanje kan bijvoorbeeld worden gewezen op Decreto nr. 2864/1974 van 30 augustus 1974 betreffende goedkeuring van de herziene tekst van Ley nr. 116/1969 van 30 december 1969 en Ley nr. 24/1972 van 21 juni 1972 houdende een bijzondere regeling voor de sociale zekerheid van zeevarenden (BOE nr. 243 van 10 oktober 1972); Real Decreto nr. 1561/1995 van 21 september 1995 betreffende bijzondere arbeidstijden voor de zeescheepvaart (BOE nr. 230 van 26 september 1995), zoals gewijzigd bij Real Decreto nr. 285/2002 van 22 maart 2002 (BOE nr. 82 van 5 april 2002), of Real Decreto nr. 258/1999 van 12 februari 1999 tot vaststelling van minimumvoorwaarden op het gebied van de bescherming van de gezondheid en medische hulp voor zeevarenden (BOE nr. 47 van 24 februari 1999).
40 – PB L 167, blz. 33.
41 – PB 2000, L 14, blz. 29.
42 – Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen (PB L 80, blz. 35).
43 – Arrest Ertanir, reeds aangehaald, punt 33. Tezcan, E., „Le droit du travail et le droit de séjour des travailleurs turcs dans l’Union européenne à la lumière des arrêts récents de la Cour de justice des Communautés européennes”, Revue du Marché commun et de l’Union européenne, nr. 445, februari 2001, blz. 124 en 125.
44 – Dezelfde opvatting wordt verwoord in punt 41 van het arrest Tetik, reeds aangehaald, met betrekking tot een werknemer die gedurende meer dan vier jaar legale arbeid had verricht, aangezien iemand in beginsel enkel tot de legale arbeidsmarkt behoort „voorzover de belanghebbende die geen werk meer heeft, alle eventueel door de betrokken lidstaat vereiste formaliteiten vervult, bijvoorbeeld door zich als werkzoekende in te schrijven en door gedurende de aldaar voorgeschreven termijn ter beschikking van het arbeidsbureau van deze lidstaat te blijven”.
45 – Uit deze verwijzingsbeschikking blijkt dat een zeeman die een nieuw dienstverband is aangeboden op een schip dat de haven nog niet is binnengelopen, zich kan laten registeren als werkloze en dat het zelfs mogelijk is dit met terugwerkende kracht te doen.
46 – In de verwijzingsbeschikking wordt erkend dat „hij in aansluiting op zijn ‚onbetaalde verloven’ bijna steeds zonder problemen en onmiddellijk nieuwe dienstverbanden is aangegaan”.
47 – Dit geldt bijvoorbeeld voor de periode van 23 juni 1982 tot en met 20 juni 1988, gedurende welke er sprake was van „onbetaald verlof” van 28 oktober tot en met 1 november 1983, van 19 mei tot en met 12 juni 1984 – de volgende dag, op 13 juni, begon een tijdvak van werkloosheid –, op 15 juli 1984 en van 1 tot en met 6 april 1987.
48 – C‑351/95, Jurispr. blz. I‑2133.
49 – C‑386/95, Jurispr. blz. I‑2697.
50 – Vonnis van het Verwaltungsgericht te Hamburg van 10 december 1996, blz. 4 e.v.
51 – Men zou kunnen betogen dat deze verandering van houding voortvloeit uit het feit dat volgens Duits recht de verblijfsvergunning volstaat om aan te monsteren als zeeman, terwijl de arbeidsvergunning alleen nodig is om aan land te werken, maar dit is irrelevant voor de toepassing van besluit nr. 1/80, waarin enerzijds de integratie in de legale arbeidsmarkt en anderzijds het verrichten van legale arbeid van belang is, zonder dat daarvoor een bepaald soort vergunning nodig is.
52 – De door de Bondsrepubliek Duitsland bij haar schriftelijke opmerkingen gevoegde tabel spreekt wat dat betreft voor zich: bij elk jaar hoort een kolom waarin in verschillende kleuren de tijdvakken van arbeid, onderbrekingen wegens ziekte, naar behoren geconstateerde werkloosheid en „onbetaald verlof” worden weergegeven.
53 – Daarnaar wordt onder andere verwezen in de reeds aangehaalde arresten Tetik, punt 31, Günaydin e.a., punt 38, Birden, punt 37, en Kurz, punt 68.
Full & Egal Universal Law Academy