CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. A. GEELHOED
van 17 maart 2005(1)
Zaak C-244/03
Franse Republiek
tegen
Europees Parlement
en
Raad van de Europese Unie
„Rechtstreeks beroep – Nietigverklaring van artikel 1, lid 2, van richtlijn 2003/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2003 voorzover daarbij een nieuw artikel 4 bis wordt ingevoegd in richtlijn 76/768/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten”
I – Inleiding
1. In dit beroep, ingesteld krachtens artikel 230 EG, vordert de Franse Republiek nietigverklaring van artikel 1, lid 2, van richtlijn 2003/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2003, voorzover daarbij een nieuw artikel 4 bis wordt ingevoegd in richtlijn 76/768/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten. (2)
II – Het wetgevingskader
A – De Europese wetgeving op het gebied van cosmetica en de bestreden bepaling
Wetgevingsgeschiedenis
2. De nationale wetgevingen inzake cosmetische producten zijn geharmoniseerd bij richtlijn 76/768, die tot doel had „op communautair vlak regels vast te stellen die voor de samenstelling, de etikettering en de verpakking van cosmetische producten in acht moeten worden genomen”. Deze richtlijn bevatte oorspronkelijk geen bepalingen over dierproeven. (3)
3. Bij richtlijn 93/35/EEG is een nieuw artikel 4, lid 1, sub i, aan richtlijn 76/768 toegevoegd, dat de lidstaten verplichtte, met ingang van 1 januari 1998 te verbieden dat cosmetische producten in de handel werden gebracht die ingrediënten bevatten die op dieren waren beproefd teneinde aan die richtlijn te voldoen. (4) Deze termijn werd nadien verlengd tot 30 juni 2000 en vervolgens tot 30 juni 2002, omdat er onvoldoende alternatieve methoden voor de uitvoering van proeven wetenschappelijk waren gevalideerd. (5)
4. De wetgevingsprocedure die tot de vaststelling van de bestreden bepaling heeft geleid is als volgt verlopen.
5. In april 2000 heeft de Commissie een voorstel ingediend voor de zevende wijziging van richtlijn 76/768. (6) Daar de rechtsgrondslag van dit voorstel artikel 95 EG was, werd de medebeslissingsprocedure van artikel 251 EG gevolgd.
6. In haar voorstel stelde de Commissie onder meer de invoering van een permanent en definitief verbod op de uitvoering van dierproeven voor cosmetische eindproducten op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie voor. Daarnaast stelde zij voor, het verbod op het in de handel brengen uit de richtlijn te halen.
7. In zijn gemeenschappelijk standpunt van februari 2002 inzake de voorgestelde wijziging heeft de Raad opnieuw een verbod opgenomen op het in de handel brengen van cosmetische producten wanneer op de eindproducten of de ingrediënten een dierproef was verricht, maar dit verbod werd afhankelijk gesteld van het bestaan van alternatieve proefmethodes die in het kader van de OESO waren aanvaard en op communautair niveau waren aangenomen. Het gemeenschappelijk standpunt bevatte geen termijnen voor de uitvoering van het verbod op het in de handel brengen. (7)
8. In juni 2002 heeft het Parlement zijn standpunt bepaald over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad. Een van de door het Parlement voorgestelde amendementen was de invoering van een verbod op het in de handel brengen, indien en voorzover alternatieven beschikbaar zijn, met een definitieve datum waarna geen producten meer in de handel mochten worden gebracht waarvoor proeven op dieren waren uitgevoerd, ongeacht of er op die datum gevalideerde alternatieven bestonden. (8)
9. In juli 2002 heeft de Commissie haar advies opgesteld over de amendementen van het Parlement op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad, waarin zij de door het Parlement voorgestelde herinvoering van het verbod op het in de handel brengen afwees. (9)
10. Daar de Raad zich niet volledig kon vinden in de amendementen van het Parlement op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad, werd het bemiddelingscomité van de Raad en het Parlement bijeengeroepen in oktober 2002. Over de bestreden bepaling werd overeenstemming bereikt tijdens de tweede vergadering van het bemiddelingscomité in november 2002, nadat in een eerste vergadering pogingen om tot overeenstemming te komen zonder resultaat waren gebleven. (10) De gemeenschappelijke tekst werd vervolgens door de Raad en het Parlement goedgekeurd, in de vorm van een compromis tussen de respectieve standpunten van deze twee instellingen.
De bestreden bepaling
11. Verbod op dierproeven en verbod op het in de handel brengen. Artikel 1, punt 2, van richtlijn 2003/15 wijzigt richtlijn 76/768 onder meer door daarin een nieuw artikel 4 bis in te voegen, waarbij het verrichten van dierproeven en het in de handel brengen van cosmetische producten en ingrediënten waarvoor een dierproef is verricht, met ingang van een bepaalde datum wordt verboden. Dit verbod is geformuleerd in artikel 4 bis, lid 1:
„Onverminderd de algemene verplichtingen van artikel 2 verbieden de lidstaten:
a) het in de handel brengen van cosmetische producten, wanneer er, om aan de voorschriften van deze richtlijn te voldoen, voor de eindsamenstelling daarvan een dierproef is verricht volgens een andere methode dan een alternatieve methode, nadat die alternatieve methode op communautair niveau al was gevalideerd en aangenomen naar behoren rekening houdend met de ontwikkeling van de validering binnen de OESO;
b) het in de handel brengen van cosmetische producten die ingrediënten of combinaties van ingrediënten bevatten waarvoor, om aan de voorschriften van deze richtlijn te voldoen, een dierproef is verricht volgens een andere methode dan een alternatieve methode, nadat die alternatieve methode op communautair niveau al was gevalideerd en aangenomen naar behoren rekening houdend met de ontwikkeling van de validering binnen de OESO;
c) het verrichten van dierproeven met cosmetische eindproducten (11) op hun grondgebied, om aan de voorschriften van deze richtlijn te voldoen;
d) het verrichten van dierproeven met ingrediënten of combinaties van ingrediënten op hun grondgebied, om aan de voorschriften van deze richtlijn te voldoen, uiterlijk op de datum waarop die proeven dienen te zijn vervangen door één of meer gevalideerde alternatieve methoden die zijn genoemd in bijlage V van richtlijn 67/548/EEG […] of in bijlage IX van deze richtlijn […]” (12)
12. Artikel 2 van richtlijn 76/768, waarnaar in de bestreden bepaling wordt verwezen, bevat een van de grondbeginselen van de richtlijn: „Cosmetische producten die binnen de Gemeenschap in de handel worden gebracht, mogen, wanneer zij onder normale gebruiksvoorwaarden worden aangewend, geen gevaar voor de gezondheid van de mens opleveren.”
13. Samengevat is in artikel 4 bis een verbod op dierproeven en een verbod op het in de handel brengen neergelegd, dat voor de meeste proefmethoden zal ingaan zes jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn, waarbij de Commissie tijdschema’s dient op te stellen voor de geleidelijke beëindiging van de verschillende proeven uiterlijk in 2009. Validatie en bevestiging van alternatieve methoden dienen op gemeenschapsniveau te geschieden, rekening houdend met de ontwikkelingen binnen de OESO.
14. Tijdschema’s . Artikel 4 bis, lid 2, schrijft voor dat de Commissie tijdschema’s opstelt voor de toepassing van artikel 4 bis, lid 1, sub a, b en d, die uiterlijk op 11 september 2004 ter beschikking moesten worden gesteld van het publiek. Deze tijdschema’s moesten worden opgesteld na raadpleging van het Wetenschappelijk comité voor cosmetische producten en voor consumenten bestemde niet-voedingsproducten (WCCNVP) en het Europees centrum voor de validatie van alternatieve methoden (CEVMA), en naar behoren rekening houdend met de ontwikkeling van de validering binnen de OESO. (13) Artikel 4 bis, lid 1, sub c, dat het verrichten van dierproeven voor cosmetische eindproducten verbiedt, moest uiterlijk op 11 september 2004 zijn geïmplementeerd, terwijl artikel 4 bis, lid 1, sub a, b en d, in maart 2009 geïmplementeerd moet zijn. Voor proeven in verband met toxiciteit bij herhaalde toediening, toxiciteit met betrekking tot de voortplanting en toxicokinetiek, waarvoor nog geen alternatieven worden ontwikkeld, moet artikel 4 bis, lid 1, sub a, b en d, geïmplementeerd zijn in 2013. (14)
15. Artikel 4 bis, lid 2.2, bepaalt dat de Commissie de technische problemen bestudeert die zich kunnen voordoen bij het naleven van het verbod op proeven waarvoor nog geen alternatieven worden ontwikkeld. Informatie over de voorlopige en definitieve resultaten van deze studies moet een onderdeel vormen van jaarverslagen die door de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad moeten worden voorgelegd. (15) Bovendien kunnen op grond van deze jaarverslagen de overeenkomstig lid 2 vastgestelde tijdschema’s aangepast worden binnen de relevante tijdslimiet (zes of tien jaar). De tijdschema’s kunnen alleen worden aangepast na raadpleging van het WCCNVP en het CEVMA.
16. Ingevolge artikel 4 bis, lid 2.3, stelt de Commissie, indien uiterlijk in maart 2007 uit haar studies blijkt dat één of meer van de in lid 2.1 genoemde proeven om technische redenen niet zullen zijn ontwikkeld en gevalideerd in maart 2009, het Europees Parlement en de Raad hiervan op de hoogte en dient zij overeenkomstig artikel 251 van het Verdrag een wetgevingsvoorstel in.
17. Vrijstellingsprocedure. Artikel 4 bis, lid 2.4, bepaalt dat in buitengewone omstandigheden waarin „ernstige bezorgdheid rijst over de veiligheid van een bestaand cosmetisch ingrediënt”, een lidstaat de Commissie om vrijstelling van artikel 4 bis, lid 1, kan verzoeken. De Commissie kan, na raadpleging van het WCCNVP, middels een met redenen omkleed besluit volgens de procedure van artikel 10, lid 2, van richtlijn 76/768 vrijstelling verlenen. (16) Het besluit betreffende de vrijstelling, de daaraan gekoppelde voorwaarden en de behaalde eindresultaten vormen een onderdeel van het jaarverslag van de Commissie.
18. Andere bepalingen van richtlijn 2003/15. Naast de bestreden bepaling is in richtlijn 2003/15 onder meer nog bepaald dat: a) artikel 4, lid 1, sub i, van richtlijn 76/768 (dat een afzonderlijk verbod inhield op het in de handel brengen van cosmetische producten die op dieren beproefde ingrediënten bevatten) met terugwerkende kracht tot 1 juli 2002 komt te vervallen (17) ; b) het gebruik in cosmetische producten van stoffen die als kankerverwekkend, mutageen of vergiftig voor de voortplanting zijn ingedeeld, verboden is (18) , en c) op het etiket van bepaalde cosmetische producten een „minimale houdbaarheidsdatum” en een lijst van ingrediënten wordt vermeld. (19)
19. Artikel 3 van richtlijn 2003/15 verplicht de lidstaten om uiterlijk op 11 september 2004 uitvoeringswetgeving in werking te doen treden . (20)
B – Overige communautaire wetgeving
20. Naast bovenstaande bepalingen, die uitsluitend cosmetische producten betreffen, bestaat er inzake dierproeven een aantal algemeen geldende gemeenschapsbepalingen, ook buiten de cosmeticasector.
21. In dit verband zijn gemeenschappelijke voorschriften voor het gebruik van dieren voor experimentele doeleinden vastgesteld in richtlijn 86/609 van de Raad, zoals gewijzigd. (21) Deze richtlijn legt de voorwaarden vast waaronder dergelijke experimenten op het grondgebied van de lidstaten moeten worden uitgevoerd. Met name eist artikel 7 van deze richtlijn dat in plaats van dierproeven andere methoden worden gebruikt, wanneer die er zijn en zij wetenschappelijk verantwoord zijn. De richtlijn bevat evenwel geen datum waarop dierproeven uiterlijk moeten zijn vervangen door andere methoden.
22. Daarnaast is bij het Verdrag van Amsterdam aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap een protocol betreffende de bescherming en het welzijn van dieren gehecht. Dit protocol bepaalt:
„Verlangend te zorgen voor een betere bescherming en eerbiediging van het welzijn van dieren als wezens met gevoel […] [houden de Gemeenschap en de lidstaten b]ij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Gemeenschap op het gebied van landbouw, vervoer, interne markt en onderzoek, […] ten volle rekening met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren, onder eerbiediging van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en gebruiken van de lidstaten met betrekking tot met name godsdienstige riten, culturele tradities en regionaal erfgoed.”
C – Artikelen III, lid 4, en XX, sub b, GATT
23. Artikel III, lid 4, GATT bevat het beginsel van non-discriminatie van importen op grond van nationale voorschriften:
„De producten van oorsprong uit het grondgebied van enige verdragsluitende partij zullen bij invoer in het grondgebied van enige andere verdragsluitende partij, voor wat betreft alle wetten, verordeningen en voorschriften betreffende verkoop, ten verkoop aanbieden, koop, vervoer, distributie of gebruik in het binnenland geen minder gunstige behandeling genieten, dan die welke wordt verleend aan overeenkomstige producten van inheemse oorsprong […]”
24. Artikel XX, sub b, GATT, gelezen in samenhang met artikel XX aanhef, bevat de volgende uitzondering op de GATT:
„Onder voorbehoud dat de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel vormen tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen landen waar gelijksoortige omstandigheden heersen of tot een verkapte beperking van de handel in diensten, wordt geen bepaling in deze Overeenkomst uitgelegd als een beletsel voor het vaststellen of toepassen door een Lid van maatregelen […] die noodzakelijk zijn voor de bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant.”
25. In dit verband is het begrip „noodzakelijk” aldus uitgelegd dat een maatregel niet gerechtvaardigd kan zijn in de zin van deze bepaling, wanneer een andere maatregel redelijkerwijs beschikbaar was die beter in overeenstemming was met de GATT-regels. (22)
III – Het procesverloop voor het Hof
26. Het onderhavige beroep tot nietigverklaring is door de Franse regering ter griffie van het Hof neergelegd op 10 juni 2003. Vervolgens zijn verweerschriften ingediend door de Raad en het Europees Parlement, repliek door de Franse regering en dupliek door verweerders.
27. Bij brief van 15 november 2004 heeft het Hof partijen verzocht schriftelijk hun argumenten uiteen te zetten ten aanzien van de verenigbaarheid van artikel 4 bis van richtlijn 76/768 met de WTO-regels, onder voorbehoud van hun respectieve standpunten over de vraag of in het voorliggende geval op de WTO-regels een beroep kan worden gedaan. Nadat de schriftelijke antwoorden waren binnengekomen is de schriftelijke procedure gesloten.
28. Op 18 januari 2004 is een mondelinge behandeling gehouden, waaraan alle partijen hebben deelgenomen.
IV – Opmerkingen van partijen
A – De Franse regering
29. Als punt vooraf stelt de Franse regering dat haar beroep ontvankelijk is. In antwoord op het betoog van verweerders dat gedeeltelijke nietigverklaring van richtlijn 2003/15 niet mogelijk is daar artikel 1, lid 2, niet scheidbaar is van artikel 1, lid 1, erkent de Franse regering dat het gevolg van de gedeeltelijke nietigverklaring zou zijn dat dierproeven voor cosmetica niet langer verboden zouden zijn. Volgens haar doet dit echter niet af aan de scheidbaarheid van artikel 1, lid 2, daar de overige bepalingen van de richtlijn „nog steeds rechtsgevolgen zouden hebben” en er geen noodzakelijk juridisch verband is tussen de twee artikelleden.
30. In dit verband beroept de Franse regering zich op het arrest van het Hof Duitsland/Parlement en Raad (23) voor haar stelling dat de subjectieve bedoeling van de gemeenschapswetgever betreffende de vraag of hij de richtlijn zou hebben vastgesteld zonder de aangevochten bepaling, niet relevant is; relevant is of gedeeltelijke nietigverklaring het wezen van de richtlijn zou aantasten. Volgens de Franse regering is dit niet het geval. Zij betoogt voorts dat de doelstelling, bescherming van dieren, nog steeds zou worden gerespecteerd door richtlijn 86/609, en dat het onlogisch zou zijn geweest indien zij met het onderhavige beroep tevens de nietigverklaring van artikel 1, lid 1, zou hebben gevorderd, omdat daardoor artikel 4, lid 1, sub i, van richtlijn 76/768 zou herleven, waarin 30 juni 2002 als termijn was gesteld voor het verbod op het in de handel brengen van cosmetica waarvoor dierproeven zijn verricht.
31. Ten gronde brengt de Franse regering vijf hoofdargumenten naar voren tot staving van haar beroep.
32. In de eerste plaats stelt zij dat de bestreden bepaling inbreuk maakt op het rechtszekerheidsbeginsel. Zij stelt: a) de bewoordingen van artikel 4 bis, dat dierproeven verbiedt die zijn verricht „om aan de voorschriften van deze richtlijn te voldoen”, zijn onduidelijk daar uit de formulering van de richtlijn niet met zekerheid blijkt of dit verbod ook geldt voor proeven die zijn verricht om te voldoen aan andere wetgeving. Onduidelijk is dus of de resultaten van proeven die zijn verricht om te voldoen aan andere wetgeving ook door de cosmetica-industrie mogen worden gebruikt; b) onduidelijk is of nieuwe cosmetische producten die zelf niet op dieren zijn getest, maar die gebruik maken van de resultaten van bestaande proeven, verboden zijn; c) onduidelijk is of dierproeven op het grondgebied van de lidstaten verboden zijn, wanneer zij tot doel hebben, te voldoen aan de voorschriften van derde landen dan wel wanneer de producten bestemd zijn voor de export, en d) onduidelijk is of ingrediënten en producten die wellicht buiten de EU op dieren zijn getest, binnen de EU in de handel mogen worden gebracht, daar deze proeven niet zijn verricht „om aan de voorschriften van de[…] richtlijn te voldoen”. Ofschoon de Franse regering erkent dat de door de Raad en het Parlement in hun schriftelijke opmerkingen voorgestane uitleggingen mogelijk zijn, en in sommige gevallen het meest voor de hand liggend, zijn zij volgens haar niet duidelijk genoeg om aan de vereisten van de rechtszekerheid te voldoen.
33. Volgens de Franse regering betekenen deze onzekerheden dat de lidstaten de richtlijn op sterk uiteenlopende wijzen in nationaal recht kunnen omzetten, met als gevolg een onaanvaardbare rechtsonzekerheid voor cosmeticaondernemingen. In dit verband wijst de Franse regering op het feit dat Franse cosmeticaondernemingen, die marktleider zijn in de cosmeticasector van de Gemeenschap, gemiddeld meer dan de helft van hun omzet behalen uit de export. Verder eisen de belangrijkste landen die cosmetica uit de Gemeenschap invoeren, waaronder China, Japan, Korea en tot op zekere hoogte de Verenigde Staten, dat cosmeticaondernemingen aantonen dat hun producten veilig zijn voor dieren, alvorens toestemming wordt gegeven om deze op de markt te brengen. Dientengevolge, aldus de Franse regering, is rechtszekerheid vereist voor het behoud van de concurrentiepositie van de Europese cosmetica-industrie. Door de bestreden bepaling zal het aantal in de cosmeticasector te gebruiken stoffen steeds verder afnemen.
34. In de tweede plaats betoogt de Franse regering dat de richtlijn in strijd is met het beginsel van vrije beroepsuitoefening. (24) De bescherming van dieren is geen gemeenschapsdoelstelling van een dusdanig algemeen belang dat zij een beperking van deze vrijheid rechtvaardigt. Voorts, al was de bescherming van dieren een in dit opzicht geldig na te streven doelstelling, de uit artikel 4 bis voortvloeiende beperking van deze vrijheid is onevenredig aan het nagestreefde doel. In het bijzonder zal de bestreden bepaling volgens de Franse regering de Europese industrie onredelijk benadelen ten opzichte van haar concurrenten uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie. Indien de eerdergenoemde situaties van onzekerheid beperkt zouden worden geïnterpreteerd, dan zou dit volgens de Franse regering de cosmeticaondernemingen dwingen hun onderzoekscentra over te brengen naar locaties buiten de Gemeenschap, een stap die voor vele middelgrote en kleine bedrijven zeer moeilijk zou blijken te zijn.
35. In de derde plaats betoogt de Franse regering dat de richtlijn inbreuk maakt op het evenredigheidsbeginsel, doordat de nadelige gevolgen van de uitvoering van de bepaling niet in verhouding staan tot het doel. Tot staving van dit argument stelt de Franse regering dat het profijt voor dieren van de bestreden bepaling uitermate beperkt is, daar slechts 0,3 % van de dierproeven wordt verricht voor cosmetische producten. Dit is niet voldoende om de hiervóór beschreven beperkingen van de vrije beroepsuitoefening die de richtlijn meebrengt, te rechtvaardigen, evenmin als de risico’s voor de gezondheid van de mens door het momenteel ontbreken van alternatieve methoden.
36. Verder stelt de Franse regering dat de uitzondering neergelegd in artikel 4 bis, lid 2.4, onvoldoende is om deze risico’s voor de gezondheid van de mens op te vangen, daar door de strenge voorwaarden voor die uitzondering de bepaling te laat effect zal hebben om naar behoren tegemoet te kunnen komen aan de noodzaak, risico’s voor de gezondheid van de mens te vermijden.
37. In de vierde plaats is de bestreden bepaling volgens de Franse regering in strijd met het voorzorgsbeginsel. Onder verwijzing naar met name het arrest Pfizer (25) van het Gerecht, stelt de Franse regering dat de richtlijn onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid van de mens meebrengt, om de hiervóór betreffende de evenredigheid uiteengezette redenen. In het bijzonder heeft de gemeenschapswetgever een kennelijke beoordelingsfout begaan door geen rekening te houden met wetenschappelijke rapporten van het WCCNVP en het CEVMA, volgens welke niet alle alternatieve methoden beschikbaar zullen zijn op de in de richtlijn gestelde einddatum 2009, respectievelijk 2013.
38. Ten vijfde betoogt de Franse regering dat artikel 4 bis een schending vormt van het beginsel van non-discriminatie. Indien de in haar argumentatie vervatte hypothesen inzake de rechtszekerheid een geldige uitlegging van de richtlijn vormen, kan dit discriminatie opleveren tussen: a) ondernemingen die uitsluitend in de cosmeticasector actief zijn en ondernemingen die actief zijn in andere sectoren, daar die laatste in hun cosmetica ingrediënten mogen gebruiken die op dieren zijn getest om te voldoen aan andere regelingen; b) bedrijven die wel en bedrijven die niet hun cosmetica exporteren, voor het geval de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij proeven voor producten met exportbestemming toestaat; of c) bedrijven die al hun activiteiten verrichten binnen de Gemeenschap en bedrijven die ook in derde landen opereren, indien de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij proeven toestaat die, hetzij binnen hetzij buiten de Gemeenschap, zijn verricht om te voldoen aan de voorschriften van derde landen.
39. Ten slotte verklaart de Franse regering, in antwoord op het verzoek van het Hof aan partijen om hun argumenten met betrekking tot de verenigbaarheid van de bestreden bepaling met de WTO-regelgeving te verduidelijken, dat volgens de rechtspraak van het Hof de wettigheid van handelingen van gemeenschapsinstellingen niet kan worden getoetst aan de WTO-overeenkomst of de bijlagen daarbij, in verband met de aard van deze overeenkomst. Voorts is de Franse regering van mening dat de bestreden bepaling niet valt onder een van de door het Hof op dit beginsel gemaakte uitzonderingen. (26)
40. De Franse regering verzoekt het Hof echter om de relevantie van de GATT-regels voor het onderhavige geval te onderzoeken in het licht van het beginsel van de „harmonische uitlegging”, te weten het beginsel volgens hetwelk „[o]mdat door de Gemeenschap gesloten volkenrechtelijke overeenkomsten van hogere rang zijn dan de bepalingen van afgeleid gemeenschapsrecht, […] ook deze bepalingen zoveel mogelijk in overeenstemming met die overeenkomsten [moeten] worden uitgelegd”. (27) In dit verband wijst de Franse regering op het feit dat de Commissie haar oorspronkelijke voorstel beperkte tot het verbod op het verrichten van dierproeven op het grondgebied van de lidstaten om te voldoen aan de WTO-regels. Op basis hiervan stelt de Franse regering dat de bestreden bepaling, in het bijzonder het verbod op het in de handel brengen, niet verenigbaar is met de GATT-regels, om de volgende redenen.
41. In de eerste plaats stelt zij dat het verbod op het in de handel brengen onverenigbaar is met artikel III, lid 4, GATT omdat: a) het verbod een maatregel is die de verkoop van cosmetische producten betreft in de zin van artikel III, lid 4; b) cosmetische producten of ingrediënten die zijn getest met op gemeenschapsniveau gevalideerde alternatieve methoden, en die welke zijn getest met andere methoden, „overeenkomstige” producten vormen in de zin van dit artikel, gelet op hun fysieke eigenschappen, hun uiteindelijke gebruik, consumentengewoonten en –voorkeuren, en hun tariefindeling, en c) ingevolge de richtlijn importen een minder gunstige behandeling krijgen dan gemeenschapsproducten, aangezien artikel 4 bis van de richtlijn het in de handel brengen van cosmetische producten alleen toestaat indien „de dierproef is verricht volgens een andere methode dan een alternatieve methode, nadat die alternatieve methode op communautair niveau al was gevalideerd […]”
42. Bovendien ontkent de Franse regering dat de in artikel XX, sub b, GATT neergelegde algemene uitzondering van toepassing is op de bestreden bepaling. Het verbod op het in de handel brengen is weliswaar een beleid dat de bescherming van het leven en de gezondheid van dieren tot doel heeft, maar het verbod is voor de verwezenlijking van dit doel niet noodzakelijk, daar ditzelfde doel met andere maatregelen had kunnen worden bereikt zonder dat deze met de WTO-wetgeving onverenigbaar zouden zijn geweest. (28) De Franse regering stelt voorts dat het verbod op het in de handel brengen niet voldoet aan de „inleidende” zinnen van artikel XX GATT, aangezien het neerkomt op een economisch embargo om andere leden te dwingen, in wezen wereldwijd dezelfde regelgeving vast te stellen om een doelstelling te bereiken die op het grondgebied van de Gemeenschap is gedefinieerd. (29) Volgens de Franse regering valt een dergelijk extra-territoriaal doel duidelijk af te leiden uit de gedachtewisseling tussen het Parlement en de Commissie en is dit in wezen de „belangrijkste rechtvaardiging voor het verbod op het in de handel brengen op het grondgebied van de Gemeenschap”.
43. Op basis van deze argumenten concludeert de Franse regering dat het in de bestreden bepaling neergelegde verbod op het in de handel brengen onverenigbaar is met de WTO-regelgeving.
B – De Raad van de Europese Unie
44. De Raad verweert zich met de volgende argumenten.
45. Wat de ontvankelijkheid betreft, heeft de Raad ter terechtzitting aangegeven het eens te zijn met het betoog van het Parlement dat het onderhavige beroep niet-ontvankelijk is op grond dat artikel 1, lid 2, niet scheidbaar is van artikel 1, lid 1. (30) Volgens de Raad zou een gedeeltelijke nietigverklaring resulteren in een volledig andere tekst en richtlijn 2003/15 haar zin ontnemen.
46. Wat de schending van het rechtszekerheidsbeginsel betreft, verdedigt de Raad dat de zinsnede „om aan de voorschriften van deze richtlijn te voldoen” in de bestreden bepaling, eenvoudig betrekking heeft op het doel van richtlijn 76/768, de bescherming van de volksgezondheid. Volgens de Raad is het duidelijk dat de bestreden bepaling betekent dat alleen alternatieve methoden waarbij geen gebruik wordt gemaakt van dierproeven mogen dienen als bewijs dat een cosmetisch ingrediënt of product veilig is voor de volksgezondheid. Bijgevolg is volgens de Raad het verrichten van dierproeven binnen de EU op cosmetische producten of ingrediënten bestemd voor de export, duidelijk verboden; het verbod op „in de handel brengen” strekt zich ook uit tot het ter beschikking van derden stellen van dergelijke producten of ingrediënten, inclusief export of import; voorts geldt het verbod op het in de handel brengen ook voor cosmetische producten waarvoor buiten de Gemeenschap dierproeven zijn uitgevoerd om te voldoen aan de wettelijke regels van derde landen. De stellingen van de Franse regering betreffende rechtsonzekerheid zijn derhalve ongegrond.
47. Inzake de schending van het beginsel van de vrije beroepsuitoefening wijst de Raad erop dat het verbod op het in de handel brengen binnen de Gemeenschap, niet alleen betrekking heeft op producten waarvoor dierproeven zijn verricht in de Gemeenschap, maar ook op die waarvoor dierproeven zijn verricht buiten de Gemeenschap. Het zou voorbarig zijn, ervan uit te gaan dat binnen de in de bestreden bepaling gestelde termijnen op gemeenschapsniveau geen alternatieve methoden zullen worden vastgesteld of dat derde landen zullen weigeren deze alternatieve methoden te erkennen. Ook is het te vroeg om aan te nemen dat de Europese industrie zal worden benadeeld ten opzichte van in derde landen gevestigde concurrenten. (31) Hoe dan ook zou volgens de Raad elke beperking van het beginsel van vrije beroepsuitoefening gerechtvaardigd worden door een wezenlijk belang van de Gemeenschap, namelijk het welzijn van dieren.
48. Betreffende de bewering dat het evenredigheidsbeginsel geschonden is, betwist de Raad de stelling dat de bestreden bepaling kennelijk niet passend is gelet op haar doelstelling. Met name kan het verbod niet leiden tot het in het verkeer komen van producten die ernstige risico’s voor de gezondheid van de mens opleveren, daar alle producten die binnen de Gemeenschap op de markt worden gebracht nog steeds moeten voldoen aan de in richtlijn 76/768 gestelde eisen van openbare veiligheid.
49. Wat de schending van het voorzorgsbeginsel betreft, stelt de Raad dat de bestreden bepaling niet kan worden aangemerkt als een kennelijke beoordelingsfout. Integendeel, zij maakt deel uit van een compromis dat is bereikt na een complexe afweging van alle wetenschappelijke gegevens waarover de gemeenschapswetgever ten tijde van de vaststelling ervan beschikte.
50. Daarnaast bestrijdt de Raad de stelling van de Franse regering dat de bestreden bepaling discrimineert tussen bedrijven binnen de cosmeticasector, op vergelijkbare gronden als die ten aanzien van de stelling betreffende de rechtsonzekerheid. Met andere woorden, daar het verbod op het in de handel brengen binnen de Gemeenschap, geldt voor alle cosmeticaondernemingen, ongeacht waar zij zijn gevestigd of waar de dierproeven worden verricht, moet elke bewering van discriminatie worden afgewezen.
51. Ten slotte betoogt de Raad met betrekking tot de argumenten van de Franse regering inzake de relevantie van de WTO-regels voor het onderhavige geval, dat cosmetische producten die niet op dieren zijn getest niet „overeenkomstig” zijn met cosmetische producten die wel op dieren zijn getest in de zin van artikel III, lid 4, GATT, als gevolg van de uiteenlopende voorkeur van de consument voor deze categorieën. Wat artikel XX, sub b, GATT betreft, herhaalt de Raad dat het verbod op het in de handel brengen geldt voor alle cosmetische producten waarvoor dierproeven zijn verricht en die in de Gemeenschap in de handel worden gebracht, zonder onderscheid naar herkomst. Verder bestaan er geen alternatieve maatregelen die minder beperkend zouden zijn volgens de regels van de GATT. Bovendien is het aan de orde zijnde beleid, anders dan het beleid dat in de door de Franse regering aangehaalde zaak US-Shrimp in het geding was, niet rigide, waar het andere verdragspartijen vrij laat om te beslissen hoe zij aan het vereiste dat cosmetische producten niet op dieren worden getest, zullen voldoen. De Raad wijst erop dat op grond van de richtlijn de Commissie en de lidstaten van de Gemeenschap alle passende maatregelen moeten nemen om de aanvaarding van door de Gemeenschap gevalideerde alternatieve methoden door de OESO te vergemakkelijken.
C – Het Europees Parlement
52. Het Parlement neemt veel van de door de Raad in zijn verweer aangevoerde argumenten over. Daarnaast brengt het onder meer het volgende naar voren.
53. Wat de ontvankelijkheid betreft, betwist het Parlement dat de bestreden bepaling scheidbaar is van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2003/15. In het geval van deze richtlijn zijn de onderhandelingen in het bemiddelingscomité „bijzonder moeizaam en netelig” geweest en is de uiteindelijke tekst een „globaal compromis” geweest tussen het comité van permanente vertegenwoordigers, het Parlement en de Commissie, en kan artikel 1, lid 1, onmogelijk worden gescheiden van artikel 1, lid 2. (32) De door de Franse Republiek gevorderde gedeeltelijke nietigverklaring zou neerkomen op een „poging tot wetgeving via de rechter” daar artikel 1, lid 1, nooit door de wetgever zou zijn aangenomen zonder gelijktijdige aanneming van artikel 1, lid 2.
54. Naar de mening van het Parlement is dit geval totaal anders dan dat van het arrest Duitsland/Parlement en Raad, C-376/98, daar de Commissie in dat geval erkende dat de in geding zijnde bepaling scheidbaar was, maar de gedeeltelijke nietigverklaring betwistte op de enkele grond dat zij de desbetreffende richtlijn niet zou hebben vastgesteld zonder deze bepaling. Verder wijst het Parlement het argument van de Franse regering van de hand dat een niet-ontvankelijkverklaring zou neerkomen op rechtsweigering, daar Frankrijk richtlijn 93/95 had kunnen aanvechten, die vergelijkbare bewoordingen bevatte als die waarover ten aanzien van richtlijn 2003/15 wordt geklaagd.
55. Ten gronde betoogt het Parlement in de eerste plaats met betrekking tot de rechtszekerheid dat, bij gebreke van schending van het beginsel van het gewettigd vertrouwen, het rechtszekerheidsbeginsel op zich niet kan leiden tot nietigverklaring van een gemeenschapshandeling.
56. In de tweede plaats zet het Parlement vraagtekens bij het werkelijke doel van de argumenten van de Franse regering inzake de rechtszekerheid; wellicht is het de bedoeling een gunstige (dat wil zeggen restrictieve) uitlegging van de richtlijn te verkrijgen via een beroep tot nietigverklaring van de richtlijn. Volgens het Parlement zou dit misbruik van procedure zijn.
57. In de derde plaats verwerpt het Parlement de bewering dat de richtlijn rampzalig zou zijn voor de Europese cosmetica-industrie, wijzend op het grote aantal ondernemingen dat al een beleid voerde dat aan de richtlijn voldeed voordat deze was aangenomen.
58. Wat ten slotte de relevantie van de WTO-regels voor het onderhavige geval betreft, sluit het Parlement zich aan bij het betoog van de Raad dat wel en niet op dieren geteste cosmetische producten niet „overeenkomstig” zijn in de zin van de WTO-wetgeving. Verder verwerpt het Parlement de gedachte dat de gemeenschapswetgever een protectionistisch beleid had willen verschuilen achter de richtlijn en het merkt op dat de cosmetica-industrie van de Gemeenschap een kwantitatief groter aandeel in de wereldmarkt voor cosmetica heeft dan de VS of Japan. Volgens het Parlement ontkracht dit het argument dat de richtlijn resulteert in een „minder gunstige” behandeling in de zin van artikel III, lid 4, GATT, alsook het argument dat de richtlijn discrimineert in de zin van artikel XX GATT.
V – Analyse
Ontvankelijkheid
59. Het eerste punt dat moet worden besproken is, of dit beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond dat de bestreden bepaling niet scheidbaar is van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2003/15, waarvan de Franse regering geen nietigverklaring verzoekt. Zoals bekend, is gedeeltelijke nietigverklaring van een wetgevingshandeling of een beschikking alleen mogelijk wanneer de elementen waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, kunnen worden gescheiden van de rest van de handeling of beschikking. (33)
60. Bij de beoordeling van dit punt moet te rade worden gegaan bij de rechtspraak van het Hof inzake de beoordeling van de scheidbaarheid van bepalingen van een wetgevingshandeling in een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring. Mijns inziens zijn drie zaken met name van belang.
61. De eerste zaak is Duitsland/Commissie, een beroep tot nietigverklaring van artikel 5, lid 5, van verordening nr. 690/2001 betreffende bijzondere marktondersteuningsmaatregelen in de rundvleessector, voorzover deze bepaling iedere betrokken lidstaat verplichtte om 30 % van de kosten van de in deze verordening bedoelde aankoop van vlees op zich te nemen. (34) In die zaak verzocht het Hof partijen zich uit te spreken over de ontvankelijkheid van het beroep in het licht van het beginsel dat een gemeenschapshandeling alleen dan ten dele nietig kan worden verklaard wanneer de elementen waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, kunnen worden gescheiden van de rest van de handeling. Het Hof concludeerde dat de bestreden bepaling scheidbaar was van de rest van de verordening „aangezien de nietigverklaring van deze bepaling de kern van de verordening niet wijzigt”. (35) Het oordeelde dat aangezien de kern van de verordening bestond in het vaststellen van een bijzondere opkoopregeling voor rundvlees om de door de BSE veroorzaakte crisis het hoofd te bieden, nietigverklaring van de verordening waarbij de lidstaten werden verplicht 30 % van de prijs van het aangekochte vlees te betalen, „de kern van die verordening niet aan[tastte], aangezien zij slechts een financiële compensatie tussen de Gemeenschap en de betrokken lidstaten met zich meebrengt”. (36) Onder verwerping van het argument van de Commissie dat zij zonder de bestreden bepaling de overige bepalingen van de verordening in hun huidige versie waarschijnlijk niet zou hebben vastgesteld – in het bijzonder een bepaling volgens welke de opbrengsten uit de verkoop van producten overeenkomstig de verordening toebehoorden aan de betrokken lidstaat (37) – verklaarde het Hof dat de vraag of een gedeeltelijke nietigverklaring de kern van de bestreden handeling wijzigt, een objectief criterium is, en geen subjectief criterium dat samenhangt met de politieke wil van de autoriteit die de bestreden handeling heeft vastgesteld.
62. Het onderwerp is ook besproken door advocaat-generaal Fennelly in de zaak Duitsland/Parlement en Raad („tabaksreclame”). (38) Die zaak betrof een beroep tot nietigverklaring van richtlijn 98/43/EG, die beoogde alle vormen van tabaksreclame en sponsoring te verbieden. Na tot de slotsom te zijn gekomen dat de gemeenschapswetgever niet bevoegd was tot vaststelling van de richtlijn op de ingeroepen gronden, voorzover het ging om reclame in media die uitsluitend reclame voor tabaksproducten bevatten, maar wel bevoegd zou zijn geweest met betrekking tot media die ook een andere, onafhankelijke, inhoud hadden en die een eigen diensten- of handelselement hadden, zoals kranten en radioprogramma’s, onderzocht advocaat-generaal Fennelly vervolgens of het Hof gedeeltelijke nietigverklaring van de richtlijn kon uitspreken. Onder verwijzing naar het arrest Arbeidstijd en arresten in beroepen tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikkingen van de Commissie in mededingingszaken (39) , merkte hij het volgende op:
„Het Hof heeft geen algemene richtsnoeren over de scheidbaarheid van de geldige en de ongeldige gedeelten van een wettelijke maatregel vastgesteld. Het schijnt mij echter toe, dat het Hof de weg van gedeeltelijke nietigverklaring heeft gekozen wanneer aan twee voorwaarden is voldaan: wanneer in de eerste plaats een bijzondere bepaling op zichzelf kan staan en daarom zonder wijziging van de rest van de tekst daarvan kan worden gescheiden, en in de tweede plaats de nietigverklaring van die bepaling de onderlinge samenhang van de regeling waarvan zij deel uitmaakt, niet aantast.”40 –Punt 122.
63. Hij kwam tot de conclusie dat gedeeltelijke nietigverklaring geen geldige optie was op grond dat, daar de richtlijn geen onderscheid maakte tussen media die uitsluitend tabaksreclame bevatten en onafhankelijke media met een dienstverleningselement, het aanbrengen van dit onderscheid door het Hof zou neerkomen op creatief herschrijven van de richtlijn door de rechter. Zoals hij in het bijzonder opmerkte, „zouden de resterende delen slechts een gedeelte zijn van het voorwerp van het verbod dat de gemeenschapswetgever duidelijk in algemene termen heeft willen uitvaardigen. Het Hof zou de hele boom omhakken maar proberen een paar takken te redden […]” (41)
64. Een laatste relevante zaak is het arrest Commissie/Raad, waarin de Commissie gedeeltelijke nietigverklaring vorderde van het besluit van de Raad tot goedkeuring van de toetreding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie tot het Verdrag inzake nucleaire veiligheid. (42) De Commissie vorderde met name nietigverklaring van de laatste alinea van de aan dat besluit gehechte verklaring van de EGA, waarin de draagwijdte van de bevoegdheid van de Gemeenschap op het gebied van dat Verdrag wordt aangegeven, op grond dat uit deze aanduiding bepaalde communautaire bevoegdheidsgebieden waren weggelaten. Het Hof verwierp het betoog van de Raad dat het beroep niet-ontvankelijk was wegens niet-scheidbaarheid, op grond dat de gevraagde gedeeltelijke nietigverklaring „het wezen van het bestreden besluit niet [zou] wijzigen”, daar dit „geenszins de juridische draagwijdte [zou beïnvloeden] van de bepalingen waarover de Raad zich reeds heeft uitgesproken” (bedoeld zal zijn: op het punt van de bevoegdheid van de Gemeenschap). (43) In zijn conclusie in die zaak heeft advocaat-generaal Jacobs de in geding zijnde feiten afgezet tegen beroepen tot gedeeltelijke nietigverklaring van besluiten in de mededingingssfeer die niet het karakter van wetgeving hadden, zoals in de zaken Transocean Marine Paint en Kali und Salz (44) , waarin de nietigverklaring van de aangevochten voorwaarden van de besluiten, „de aard van het besluit zelf had kunnen beïnvloeden”. (45)
65. Bovenstaande rechtspraak toont naar mijn mening aan dat een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van een wetgevingshandeling niet-ontvankelijk is, wanneer de nietigverklaring van de bestreden bepaling, gelet op de betrokken fundamentele wetgevingsdoelstellingen, die wetgeving haar wezen zou ontnemen. Dit geldt zelfs indien, zuiver formeel logisch bezien, de bestreden bepaling kan worden gezien als onderscheiden van de rest van die wetgeving (wanneer er bijvoorbeeld in de bestreden bepaling niet uitdrukkelijk wordt verwezen naar de rest van de wetgevingshandeling, en omgekeerd). Een andere opvatting zou de objectieve bedoeling van de gemeenschapswetgever ondermijnen en ertoe leiden dat wetgevingsbepalingen die uitsluitend ondersteunend bedoeld waren, zelfstandig blijven bestaan. Op zichzelf bezien is het niet ondenkbaar dat deze ondersteunende bepalingen in bepaalde gevallen het oorspronkelijke wetgevingsdoel zouden kunnen schaden.
66. Wanneer dit beginsel wordt toegepast op het voorliggende geval, blijkt uit onder meer de considerans van richtlijn 2003/15 dat een van de belangrijkste doelstellingen daarvan de afschaffing van dierproeven voor cosmetische producten is. Zo is bijvoorbeeld volgens punt 4 van de considerans „van essentieel belang dat er wordt gestreefd naar de afschaffing van dierproeven voor cosmetische producten en dat het verbod op dergelijke proeven op het grondgebied van de lidstaten van kracht wordt”. De punten 1 tot en met 11 van de considerans hebben betrekking op deze doelstelling.
67. Zoals de Franse regering uitdrukkelijk erkent, zou haar beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring indien dit zou slagen tot gevolg hebben dat door de eliminatie van artikel 4, lid 1, sub i, van richtlijn 76/768 (46) het in de handel brengen van cosmetische producten waarvoor dierproeven zijn verricht, binnen de Gemeenschap onvoorwaardelijk toegestaan zou zijn.
68. Uit het voorgaande volgt dat een dergelijk resultaat in feite het omgekeerde zou bewerkstelligen van de objectieve doelstelling van de gemeenschapswetgever en van het wezen van de richtlijn. Het is duidelijk dat artikel 1, lid 1, louter diende als ondersteuning van de bestreden bepaling: het bij de bestreden bepaling ingevoerde artikel 4 bis was juist bedoeld om artikel 4, lid 1, sub i, van richtlijn 76/768 te vervangen. Het effect van gedeeltelijke nietigverklaring zou daarmee het tegengestelde zijn van hetgeen kennelijk de bedoeling was.
69. Ik merk verder op dat andere bepalingen van richtlijn 2003/15, in het bijzonder artikel 1, lid 7, eveneens door de wetgever lijken te zijn geconcipieerd in het licht van artikel 1, lid 2.
70. Om deze redenen ben ik van mening dat artikel 1, lid 2, van richtlijn 2003/15 niet scheidbaar is van de rest van de richtlijn, in het bijzonder niet van artikel 1, lid 1, en dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Voor het geval het Hof evenwel tot de tegengestelde conclusie zou komen, zal ik nu de argumenten van partijen ten gronde beoordelen.
Ten gronde
A – Rechtszekerheid
71. De Franse regering stelt dat de bestreden bepaling nietig moet worden verklaard omdat zij niet voldoende duidelijk en nauwkeurig bepaald is. Het nieuwe artikel 4 bis is voor meer dan één uitleg vatbaar, wat betekent dat het door de lidstaten op uitlopende wijze in nationaal recht kan worden omgezet, hetgeen kan leiden tot rechtsonzekerheid voor ondernemingen.
72. Vooraf merk ik op dat partijen in hun opmerkingen spreken van het „rechtszekerheidsbeginsel”, maar dat deze term verwarrend kan zijn, daar zij dikwijls wordt gebruikt voor een keur aan verschillende, zij het verwante, juridische begrippen, te weten het beginsel van niet-terugwerkende kracht van de gemeenschapswetgeving; het beginsel van eerbiediging van gewekte verwachtingen, in de zin van een redelijke verwachting die is gebaseerd op een verklaring van een gemeenschapsinstelling, en het begrip eerbiediging van de bindende kracht van gemeenschapsnormen. (47) In het onderhavige geval betreffen de argumenten van de Franse regering uitsluitend een gebrek aan duidelijkheid in de bewoordingen en gevolgen van de bestreden bepaling, en niet een van de genoemde betekenissen.
73. Alvorens op de inhoud van deze argumenten in te gaan, moet mijns inziens principieel eerst worden bezien in welke omstandigheden de onduidelijkheid of vaagheid van de bewoordingen van een richtlijn op zich, grond kan zijn voor nietigverklaring van die richtlijn.
74. In de eerste plaats moet er naar mijn mening op worden gewezen, dat een algemeen toepasselijke handeling van gemeenschapswetgeving die maar voor één uitleg vatbaar is, een hoogst ongebruikelijk verschijnsel is. Het ligt in de aard van dergelijke handelingen, en in het bijzonder van een handeling waartoe op het hoogste niveau in het communautaire wetgevingsstelsel is besloten, dat niet elke gebruikte term in de handeling zelf uitputtend en definitief kan of moet zijn gedefinieerd. Te streven naar een uitputtende definitie zou in de meeste gevallen eenvoudig ondoenlijk zijn, en in vele gevallen onmogelijk en niet opportuun. Dit komt niet alleen doordat moeilijk bij voorbaat alle mogelijke scenario’s zijn te regelen waarin een richtlijn van toepassing zou kunnen zijn, maar ook meer in het algemeen door de linguïstieke onbepaaldheid van het recht. (48)
75. De wetgeving van de Gemeenschap, en ook die van de lidstaten, staan dan ook bol van de legislatieve begrippen waarvan de details en de toepassing met opzet aan de rechter of de administratie zijn overgelaten. Duidelijk voorbeelden in de afgeleide gemeenschapswetgeving zijn onder meer de uitzonderingen op het beginsel van gelijke behandeling neergelegd in artikel 2 van richtlijn 76/207, het begrip „sociaal voordeel” in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, en de uitzonderingen op de vrijheid van verkeer wegens openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid, die voorheen waren neergelegd in richtlijn 64/221, vervangen door richtlijn 2004/38. (49)
76. Het is dan ook, wanneer zich in een procedure een situatie voordoet waarin door de toepasselijke wetgeving niet uitdrukkelijk is voorzien, aan de rechter om deze wetgeving uit te leggen en op het voorliggende geval toe te passen. In het gemeenschapsrecht bijvoorbeeld komt het beginsel dat de uitlegging en toepassing van de wetgeving tot de belangrijkste taken van het Hof van Justitie behoren, tot uitdrukking in de formulering van artikel 220 EG. Bij de uitvoering van deze taak moet het Hof erop toezien dat het effect van gemeenschapsbepalingen voor de justitiabelen duidelijk en voorzienbaar is. (50) Deze factor is beslissend geweest in vele zaken waarin het Hof het gemeenschapsrecht moest uitleggen of toepassen. (51)
77. Ofschoon dit geldt voor alle communautaire wetgevingshandelingen met algemene gelding, is het speciaal relevant in het geval van richtlijnen. Ik acht de redenering van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Nederland/Parlement en Raad (52) in dit verband van bijzonder belang. Bij zijn afwijzing van het betoog van de Nederlandse regering dat richtlijn 98/44 nietig moest worden verklaard wegens schending van de rechtszekerheid, wees de advocaat-generaal erop dat volgens artikel 249 EG een richtlijn verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties de bevoegdheid moet laten om vorm en middelen te kiezen. Vervolgens merkte hij op:
„Naar hun aard treden richtlijnen dus niet noodzakelijkerwijs in alle bijzonderheden van de erin geregelde aangelegenheden. Ofschoon zulks uiteraard niet betekent dat een onduidelijke tekst aanvaardbaar is, blijkt er wel uit, dat het enkele feit dat een richtlijn de lidstaten een zekere beoordelingsbevoegdheid verleent, op zich geen grond tot nietigverklaring van een richtlijn is.
[…] In recente zaken waarin het Hof heeft vastgesteld dat een lidstaat een onnauwkeurig geredigeerde richtlijnbepaling onjuist had omgezet, doch de bepaling een betekenis had gegeven die zij in redelijkheid kon hebben, is nergens de gedachte verdedigd, dat de richtlijn (of zelfs maar de desbetreffende bepaling) ongeldig moest worden geacht, alleen omdat zij onnauwkeurig en dus vatbaar voor meer dan een uitlegging was. Evenmin heeft het Hof bij het formuleren van het beginsel, dat alleen de richtlijnbepalingen die duidelijk en ondubbelzinnig zijn, rechtstreekse werking kunnen hebben, naar mijn weten te kennen gegeven, dat alle bepalingen die niet zo duidelijk en onvoorwaardelijk zijn, ongeldig zijn.”53 –Punten 87-88. Het beroep werd uiteindelijk verworpen.
78. Met deze redenering stem ik graag in. Hoewel zoals ik reeds heb gezegd en zoals ook de Franse regering betoogt, het effect van gemeenschapsbepalingen duidelijk en voorspelbaar dient te zijn voor de justitiabelen, kan en mag hieruit niet worden geconcludeerd dat alle wettelijke regelingen die voor meer dan één uitleg vatbaar zijn, nietig moeten worden verklaard. Om de hiervóór gegeven redenen is een gebrek aan duidelijkheid mijns inziens alleen een grond voor nietigverklaring van gemeenschapswetgeving, of een deel daarvan, in die extreme gevallen waarin de wettelijke regeling kennelijk innerlijk tegenstrijdig is of er geen enkele logische betekenis kan worden gegeven aan de in geding zijnde bepaling. (54)
79. Deze overwegingen toepassend op het voorliggende geval, concentreren de argumenten van de Franse regering betreffende rechtsonzekerheid zich op de gedachte dat alleen dierproeven die zijn verricht „om aan de vereisten van de richtlijn te voldoen” onder de verboden van die bepaling vallen. Deze zinsnede komt voor in elk van de vier typen verbod van de richtlijn.
80. Deze argumenten overtuigen mij niet. Naar mijn opvatting voldoet de richtlijn aan de hiervóór uitgezette vereisten van juridische duidelijkheid en voorspelbaarheid, om de volgende redenen.
81. Zoals de Raad heeft opgemerkt moet de zinsnede „om aan de voorschriften van deze richtlijn te voldoen” worden gelezen in de context van het belangrijkste doel van richtlijn 76/768, waaraan artikel 4 bis uitdrukkelijk ondergeschikt is, namelijk de bescherming van de volksgezondheid. Zoals reeds opgemerkt, is dit beginsel uitgedrukt in artikel 2 van de richtlijn: „Cosmetische producten die binnen de Gemeenschap in de handel worden gebracht, mogen, wanneer zij onder normale gebruiksvoorwaarden worden aangewend, geen gevaar voor de gezondheid van de mens opleveren.”
82. Het is mijns inziens duidelijk dat de betrokken zinsnede aldus de bedoeling van de wetgever weergeeft, dat dierproeven waarvoor de verboden gelden, gericht moeten zijn op verwezenlijking van de in richtlijn 76/768 voor cosmetica neergelegde volksgezondheidsvereisten. Verder mag in redelijkheid worden aangenomen dat in de cosmeticasector nagenoeg alle dierproeven zullen worden verricht met dit doel, en dit is door de Franse regering ook niet ontkend. In dit verband kan worden opgemerkt dat deze zinsnede voor het eerst voorkwam in artikel 4 van richtlijn 76/768 als gevolg van de bij richtlijn 93/35 doorgevoerde wijziging. Hoewel de inwerkingtreding van deze bepaling, zoals ik hiervóór heb uiteengezet, is uitgesteld, heeft de Franse regering in tussentijd kennelijk geen bezwaar gemaakt tegen de formulering of gesteld dat deze onvoldoende duidelijk was.
83. In dit licht bezien, lijken de onzekerheden die de Franse regering naar voren brengt, stuk voor stuk denkbeeldig.
84. In de eerste plaats lijkt het duidelijk dat het verbod van dierproeven evenzeer geldt voor proeven die zijn verricht om te voldoen aan andere wettelijke regelingen, voorzover stoffen waarvoor die proeven zijn verricht niet mogen worden gebruikt als of in cosmetische producten. Deze uitlegging lijkt noodzakelijk voor het effet utile van de richtlijn en strookt met de bedoeling welke tot uitdrukking komt in de voorbereidende documenten die tot de vaststelling van de richtlijn hebben geleid. (55)
85. In de tweede plaats volgt mijns inziens uit de bewoordingen van de bestreden bepaling dat deze van toepassing is op het verrichten van dierproeven voor cosmetische producten of ingrediënten op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht of die proeven worden verricht voor producten bestemd voor de export. Deze uitlegging valt ook af te leiden uit artikel 1, lid 7, van richtlijn 2003/15. (56)
86. In de derde plaats volgt uit deze bewoordingen tevens dat cosmetische producten en ingrediënten waarvoor dierproeven zijn verricht buiten de Gemeenschap, onder het verbod op het in de handel brengen vallen. Dergelijke proeven zullen uiteraard zijn verricht om te voldoen aan volksgezondheidsvereisten, waarmee zij onder het verbod vallen. (57)
87. Naar mijn mening vertoont de bestreden bepaling dus geen onaanvaardbare mate van rechtszekerheid voor cosmeticaondernemingen. Bovendien wijs ik erop dat ingeval er zich uitleggingsvragen voordoen, het dergelijke ondernemingen vrijstaat om zich tot hun nationale rechterlijke instanties te wenden, die deze vragen op hun beurt aan het Hof kunnen voorleggen krachtens artikel 234 EG.
B – Evenredigheid
88. Zoals bekend, vereist het evenredigheidsbeginsel dat maatregelen die door middel van communautaire bepalingen worden uitgevoerd, passend zijn om het gestelde doel te bereiken, en niet verder gaan dan daarvoor noodzakelijk is. (58) Wanneer er kan worden gekozen tussen meerdere passende maatregelen, moet derhalve de maatregel worden gekozen die het minst belastend is. (59)
89. Ik zou een aantal opmerkingen vooraf willen maken over de door het Hof aan te leggen toetsingsmaatstaf in situaties als de onderhavige.
90. Volgens vaste rechtspraak is op gebieden waar complexe beleidskeuzen moeten worden gemaakt en waar de gemeenschapswetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, de materiële toetsing door de rechter van wetgevingshandelingen beperkt. In zulke gevallen dient een wetgevingshandeling alleen nietig te worden verklaard wanneer deze kennelijk de grenzen van de bevoegdheid van de wetgever heeft overschreden. (60) Zoals het Hof in het geval van een communautair verbod op tabak voor oraal gebruik heeft verklaard
„[…] beschikt de gemeenschapswetgever op een [dergelijk] gebied […] over een ruime discretionaire bevoegdheid, waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarin hij ingewikkelde beoordelingen moet maken. Derhalve is een op dit gebied vastgestelde maatregel slechts onrechtmatig, wanneer zij kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel.”61 –Arresten Arnold André, aangehaald in voetnoot 58, punt 46, en BAT, aangehaald in voetnoot 58, punt 123. Zie in die zin ook arresten van 12 november 1996, Verenigd Koninkrijk/Raad (C-84/94, Jurispr. blz. I-5755, punt 58); 13 mei 1997, Duitsland/Parlement en Raad (C-233/94, Jurispr. blz. I-2405, punten 55 en 56), en 5 mei 1998, National Farmers’ Union e.a. (C-157/96, Jurispr. blz. I-2211, punt 61); arrest Fedesa, aangehaald in voetnoot 59, punt 14.
91. Zoals duidelijk is, vloeit het beperkte karakter van de materiële rechterlijke toetsing van dergelijke wetgevingshandelingen primair voort uit het grondbeginsel van institutioneel evenwicht en scheiding der machten. Aan dit evenwicht is inherent dat het Hof de door het Verdrag aan de gemeenschapswetgever toegekende „politieke verantwoordelijkheid” (62) eerbiedigt en zich ervan onthoudt, zijn oordeel over dergelijke politieke kwesties daarvoor in de plaats te stellen. (63)
92. Mijns inziens volgt uit dit beginsel van institutioneel evenwicht, evenals uit het democratisch beginsel zelf, dat het Hof bijzonder voorzichtig moet zijn bij de toetsing van de wettigheid van een wetgevingshandeling die door de Raad en het Parlement tezamen is genomen via de medebeslissingsprocedure. Speciaal terughoudend dient het Hof te zijn om op materiële gronden de wetgevende beleidsbeslissingen te vernietigen van een rechtstreeks en democratisch gekozen lichaam dat de burgers van de Gemeenschap vertegenwoordigt. Ik merk tevens op dat deze zorg voor een maximale eerbiediging van de democratische beginselen uitgangspunt van de rechtspraak van het Hof is geweest bij tal van eerdere gelegenheden. (64)
93. Wanneer deze overwegingen worden toegepast op de voorliggende zaak, is duidelijk dat het verbod van dierproeven voor cosmetische producten en ingrediënten een bijzonder gevoelige politieke beslissing vertegenwoordigt, waarvoor een moeilijke en veelomvattende analyse van de voor- en nadelen van het voorgestelde systeem door de Commissie, de Raad en het Parlement nodig is geweest. Zoals hiervóór uiteengezet, is overeenstemming over de richtlijn bereikt na een langdurige en gecompliceerde medebeslissingsprocedure, waarin meerdere tripartite vergaderingen met de Commissie zijn gehouden en kennelijk veelvuldig advies is gevraagd aan derde belanghebbenden. (65) Uiteindelijk werd slechts overeenstemming bereikt na bijeenroeping van het bemiddelingscomité.
94. Vermeldenswaard is dat, zoals hiervóór uiteengezet, tijdens het wetgevingsproces een sterke impuls tot de opneming van een uiterste datum voor het verbod op dierproeven voor cosmetica is uitgegaan van het Parlement. (66) Het Parlement beschrijft de richtlijn als „het resultaat van een wetgevingsproces van bijna tien jaar, een wetgevingshandeling van groot belang en met een hoge mate van politieke gevoeligheid”. (67)
95. In beginsel moet derhalve de rechterlijke toetsing van de materiële wettigheid van de bestreden bepaling, en in dit geval ook van de verenigbaarheid van de bepaling met het evenredigheidsbeginsel, uitermate beperkt zijn.
96. Om deze toetsing te kunnen uitvoeren is het noodzakelijk om eerst het doel van de bestreden bepaling te omlijnen. Dit doel wordt uitdrukkelijk aangegeven in de considerans van richtlijn 2003/15: „Om het hoogst mogelijke niveau van bescherming van dieren te bereiken, moet er een termijn voor de invoering van een definitief verbod worden vastgesteld.” (68) Zo had de Commissie in het richtlijnvoorstel verklaard:
„[…] alle betrokken partijen hebben als gemeenschappelijke doelstelling het lijden van dieren tijdens proeven en het aantal proeven zoveel mogelijk te beperken en waar en zo spoedig mogelijk een einde te maken aan het lijden van dieren. Deze doelstelling komt overeen met de ethische eisen ten aanzien van de eerbied voor het leven, gesteund door de publieke opinie en de uitdrukkelijk geformuleerde wensen van het Europees Parlement. Deze doelstelling is ook opgenomen in richtlijn 86/609/EEG betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt.”
97. Ongetwijfeld is dit een geldige doelstelling van gemeenschapswetgeving. Dit wordt bevestigd door het protocol betreffende de bescherming en het welzijn van dieren dat aan het EG-Verdrag is gehecht. (69) Anders dan de Franse regering, ben ik van mening dat het arrest Jippes niet tot de tegengestelde conclusie leidt. (70) Integendeel, in die zaak was de vraag of in de gemeenschapswetgeving voldoende rekening was gehouden met het welzijn van dieren, een belangrijke stap in de beoordeling van het Hof of het in geding zijnde gemeenschapsbeleid evenredig was. (71)
98. Voor de tweede fase van de evenredigheidstoetsing moet worden geanalyseerd of de bestreden bepaling een passend middel voor het bereiken van dit doel is. In het onderhavige geval kan men moeilijk stellen dat de invoering van een definitief verbod op dierproeven voor cosmetische producten en ingrediënten binnen de Gemeenschap geen middel is om het welzijn van dieren te bevorderen, en de Franse regering doet ook geen poging in die richting.
99. De derde fase van de evenredigheidstoetsing vormt de beoordeling of de bestreden bepaling verder gaat dan hetgeen voor het bereiken van de doelstelling daarvan noodzakelijk is. Dit is de fase waarin het beperkte karakter van de rechterlijke toetsing het meest relevant is.
100. Uit de in de loop van de wetgevingsprocedure opgestelde documenten blijkt dat de gemeenschapswetgever bij de formulering van de bestreden bepaling heeft gestreefd naar een delicaat evenwicht tussen de vereisten van dierenbescherming en de overige betrokken belangen, waaronder de volksgezondheid en de noodzaak van nakoming van internationale verplichtingen. Nadat een aantal alternatieven was overwogen – waaronder dat in het voorstel van de Commissie, dat geen verbod op het in de handel brengen bevatte – werd na heftige discussie de bestreden bepaling gekozen als de meest geschikte. (72) Zo merkte de Raad in zijn gemeenschappelijk standpunt op:
„Hoewel de Raad het eens is met het doel om zo snel mogelijk een eind te maken aan dierproeven met ingrediënten voor cosmetische producten, is hij van oordeel dat dit doel nagestreefd moet worden zonder de gezondheid en de veiligheid van de consument in gevaar te brengen.”73 –Voetnoot 7, punt 10.
101. Op tal van punten in de bestreden bepaling en in richtlijn 2003/15 als geheel komt het streven naar dit evenwicht tot uiting en de uiteindelijke tekst is een zorgvuldig opgesteld compromis met deze strekking.
102. Dat het belang van de waarborging van de volksgezondheid en bescherming van de consument vooropstaat, blijkt bijvoorbeeld duidelijk uit artikel 4 bis, lid 1, dat bepaalt dat de daarin neergelegde verboden gelden onverminderd de uit artikel 2 voortvloeiende algemene verplichtingen uit hoofde van de volksgezondheid. (74) Het belang van het op peil houden van de volksgezondheid klinkt door in de gehele richtlijn 2003/15, ook in de mogelijkheid van vrijstelling in geval van aangetoonde specifieke problemen voor de gezondheid van de mens (75) ; de mogelijkheid dat de Commissie een wetgevingsvoorstel doet indien er niet voldoende alternatieve proeven zijn gevalideerd (76) ; de bijzondere mogelijkheid van verlenging van de termijnen voor proeven in verband met toxiciteit bij herhaalde toediening, toxiciteit met betrekking tot de voortplanting en toxicokinetiek (77) , en de bepaling in de considerans betreffende de opstelling van richtsnoeren door de Commissie in overleg met de lidstaten om te verzekeren dat er gemeenschappelijke criteria worden gehanteerd voor de beoordeling van vermeldingen dat er voor een cosmetisch product geen dierproeven zijn verricht, om te voorkomen dat de consument wordt misleid. (78)
103. Tevens blijkt uit de richtlijn een duidelijke aandacht voor de belangen van de cosmetica-industrie binnen de context van de doelstellingen van de richtlijn op het gebied van dierenbescherming en openbare veiligheid. Zo wordt in artikel 9 van richtlijn 76/768, zoals gewijzigd, bepaald dat het jaarverslag dat de Commissie aan het Parlement en de Raad voorlegt de vorderingen moet bevatten die de Commissie heeft gemaakt in haar streven naar aanvaarding van de op communautair niveau gevalideerde alternatieve methoden door de OESO en erkenning door derde landen van de resultaten van in de Gemeenschap met behulp van alternatieve methoden uitgevoerde proeven, alsook van „het in aanmerking nemen van de specifieke behoeften van het midden- en kleinbedrijf”. Ook moeten op communautair niveau gevalideerde alternatieve methoden onmiddellijk worden gepubliceerd. (79) Deze bepalingen hebben duidelijk tot doel, het de ondernemingen in de Gemeenschap gemakkelijker te maken en de doorzichtigheid te vergroten.
104. Voorts behoeft in antwoord op het argument van de Franse regering dat er onvoldoende alternatieve methoden bestaan, slechts te worden gezegd dat alles erop wijst dat de wetgever zich zeer wel bewust was van de stand van de ontwikkeling van alternatieve methoden en deze in zijn uiteindelijke compromis volledig in aanmerking heeft genomen. (80)
105. Uit het bovenstaande blijkt dat de bestreden bepaling de weerslag is van een zorgvuldig en weloverwogen evenwicht dat door de gemeenschapswetgever is bereikt tussen de betrokken belangen. Naar mijn mening, met name gezien het beperkte karakter van de rechterlijke toetsing die in een dergelijk geval passend is, volstaat dit om de stelling van de Franse regering te weerleggen dat de bestreden bepaling nietig moet worden verklaard wegens schending van het evenredigheidsbeginsel.
C – Voorzorgsbeginsel
106. Zoals ik in mijn recente conclusie in de zaak Arnold André in herinnering heb gebracht, heeft het Hof het voorzorgsbeginsel als volgt omschreven:
„Wanneer het onmogelijk blijkt te zijn, het bestaan of de omvang van het gestelde risico met zekerheid te bepalen, omdat de resultaten van de studies ontoereikend, niet concludent of onnauwkeurig zijn, maar reële schade voor de volksgezondheid waarschijnlijk blijft ingeval het risico intreedt, rechtvaardigt het voorzorgsbeginsel de vaststelling van beperkende maatregelen.”81 –Conclusie in zaak Arnold André, aangehaald in voetnoot 58, punt 100, waarin wordt geciteerd uit het arrest van 23 september 2003, Commissie/Denemarken (C-192/01 Jurispr. blz. I-9693).
107. In het bijzonder moet ter rechtvaardiging van de toepassing van het voorzorgsbeginsel worden aangetoond dat het gestelde risico meer dan hypothetisch is. (82)
108. In het onderhavige geval beroept de Franse regering zich op dit beginsel om de bestreden bepaling aan te vechten, op grond dat deze een risico oplevert voor de volksgezondheid aangezien niet zeker is of er voldoende alternatieve methoden zullen zijn ontwikkeld binnen het in de gestelde termijnen neergelegde tijdschema.
109. Zoals ik reeds heb uiteengezet, maakt de zorg voor de veiligheid van het publiek evenwel integrerend deel uit van richtlijn 2003/15, evenals in richtlijn 76/768 het geval was. In het bijzonder geldt voor de verboden van artikel 4 bis uitdrukkelijk het voorbehoud van de algemene verplichting van de lidstaten om te zorgen dat binnen de Gemeenschap in de handel gebrachte cosmetische producten, wanneer zij onder normale gebruiksvoorwaarden worden aangewend, geen gevaar voor de gezondheid van de mens mogen opleveren. Zoals in de punten 100-102 is uiteengezet, is het belang van de veiligheid van het publiek dus duidelijk gewaarborgd. Daar de Franse regering niet heeft aangetoond dat er een „meer dan hypothetisch” risico voor de volksgezondheid bestaat, kan dit argument worden verworpen.
D – Discriminatieverbod
110. De argumenten van de Franse regering betreffende het discriminatieverbod gaan alle uit van de geldigheid van de hypotheses waarmee zij wil aantonen dat de bestreden bepaling niet voldoet aan de vereisten van het rechtszekerheidsbeginsel. In het voorgaande heb ik deze hypotheses onder de loep genomen en geconcludeerd dat zij berusten op een onjuiste lezing van de bestreden bepaling. (83) Om dezelfde redenen moeten de argumenten betreffende het discriminatieverbod worden afgewezen.
E – Beperking van de vrijheid van beroepsuitoefening
111. Het Hof heeft het gemeenschapsrechtelijk beginsel van vrije beroepsuitoefening in het arrest Metronome Musik aldus geformuleerd:
„[…] dat volgens vaste rechtspraak het recht van vrije beroepsuitoefening, zoals trouwens ook het eigendomsrecht, tot de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht behoort. Deze beginselen hebben echter geen absolute gelding, maar moeten in relatie tot hun sociale functie worden beschouwd. De vrijheid van beroepsuitoefening kan dus aan beperkingen worden onderworpen, mits dergelijke beperkingen werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die de Gemeenschap nastreeft, en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast.”84 –Aangehaald in voetnoot 24, punt 21. Zie ook arresten van 9 september 2004, Spanje en Finland/Parlement en Raad (C-184/02 en C-223/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 52), en 15 juli 2004, Di Lenardo Adriano e.a. (C-37/02 en C-38/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 82).
112. Zoals blijkt uit bovenstaand citaat, is het karakter van de beoordeling of beperkingen op de vrijheid van beroepsuitoefening toegestaan zijn, vergelijkbaar met dat van de beoordeling of aan het evenredigheidsbeginsel is voldaan. (85)
113. Bijgevolg ben ik om de hiervóór (86) uitvoerig uiteengezette redenen van mening dat, al is duidelijk dat elk verbod op het verrichten van proeven of het in de handel brengen van een product de beroepsuitoefening zeer waarschijnlijk op een of andere manier zal beperken, die beperking in het onderhavige geval geen onevenredige inbreuk op de vrijheid van beroepsuitoefening meebrengt.
F – Relevantie van het WTO-recht
114. Met betrekking tot de argumenten betreffende de verenigbaarheid van de bestreden bepaling met het WTO-recht moet in de eerste plaats worden uitgemaakt in hoeverre met dergelijke argumenten rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van de wettigheid van de bestreden bepaling.
115. Zoals de Franse regering erkent, heeft het Hof verklaard dat de WTO-overeenkomst en de bijlagen daarbij, gelet op hun aard en opzet, in beginsel niet behoren tot de normen waaraan het Hof de wettigheid van handelingen van de gemeenschapsinstellingen toetst. (87) Zoals zij eveneens erkent, behoort het onderhavige geval ook niet tot de door het Hof geformuleerde uitzonderingen op dit beginsel, namelijk wanneer de Gemeenschap uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting of de gemeenschapshandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de WTO- overeenkomsten verwijst. (88)
116. In het onderhavige geval echter verzoekt de Franse regering het Hof, als onderdeel van haar verzoek om nietigverklaring van de bestreden bepaling, te verklaren dat het daarin neergelegde verbod op het in de handel brengen onverenigbaar is met de GATT-overeenkomst. De Franse regering verzoekt het Hof om dit vast te stellen op grond van wat kan worden aangeduid als het beginsel van de „harmonische uitlegging”, zoals geformuleerd in de communautaire rechtspraak. Dit beginsel in zijn oorspronkelijke vorm houdt in dat „door de Gemeenschap gesloten volkenrechtelijke overeenkomsten van hogere rang zijn dan de bepalingen van afgeleid gemeenschapsrecht, zodat ook deze bepalingen zoveel mogelijk in overeenstemming met die overeenkomsten [moeten] worden uitgelegd”. (89) Dit weerspiegelt duidelijk het beginsel dat wanneer een bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht moet worden uitgelegd, dat zoveel mogelijk aldus dient te geschieden, dat zij in overeenstemming is met de bepalingen van het Verdrag. (90) Zo heeft het Hof verklaard dat aangezien de Gemeenschap partij is bij de TRIPs-overeenkomst, het communautaire merkenrecht zoveel mogelijk in het licht van de bewoordingen en het doel van deze overeenkomst moet worden uitgelegd. (91)
117. In casu stelt de Franse regering dat de reden voor de onverenigbaarheid van de in geding zijnde bepaling met de GATT het karakter van de bepaling zelf is, namelijk een verbod op het in de handel brengen van alle cosmetische producten waarvoor dierproeven zijn verricht volgens een „andere methode dan een alternatieve methode, nadat die alternatieve methode op communautair niveau al was gevalideerd en aangenomen”. (92) Volgens de Franse regering vormt dit een minder gunstige behandeling in de zin van artikel III, lid 4, GATT, daar bedrijven die hun product in de Gemeenschap importeren, verplicht zijn om hun alternatieve methode op communautair niveau te laten valideren.
118. Dit is echter de uitdrukkelijke formulering van de richtlijn. Zoals ook de Raad heeft opgemerkt, kan men deze bijvoorbeeld op geen enkele manier redelijkerwijs in die zin uitleggen dat zij betekent dat alternatieve methoden die op OESO-niveau zijn aangenomen, ook voldoende zijn. Naar mijn mening is dit derhalve niet een geval waarin een andere, beweerdelijk „meer in overeenstemming met de GATT zijnde” uitlegging in de bepaling kan worden gelezen. De essentie van het beginsel van de harmonische uitlegging is zoals gezegd dat deze uitlegging alleen wordt toegepast „zoveel” als gelet op de uitdrukkelijke bewoordingen van de betrokken wetgeving „mogelijk” is. Bovendien is de Franse regering volgens mij eigenlijk niet uit op de uitlegging van richtlijn 2003/15, maar op de nietigverklaring ervan. Ik wijs erop dat zij geen mogelijke uitlegging van het verbod op het in de handel brengen voorstelt die volgens haar zou leiden tot verenigbaarheid met de GATT.
119. Verder ben ik op basis van de in deze zaak aangevoerde argumenten er hoe dan ook niet van overtuigd dat de bestreden bepaling onverenigbaar is met de GATT. Daar de argumenten van de Franse regering in dit opzicht niet voldoende uitgewerkt zijn om een algehele beoordeling van dit punt te kunnen maken, zal ik mij beperken tot de volgende opmerkingen.
120. Wat artikel III, lid 4, GATT betreft, is het mijns inziens weliswaar waarschijnlijk dat bij de huidige ontwikkelingsstand van de markt cosmetica waarvoor wel, en cosmetica waarvoor geen dierproeven zijn verricht, „soortgelijke” producten zijn, daar zij momenteel vanuit het perspectief van de consument concurrerend zijn (93) , maar ik betwijfel of het vereiste dat alternatieve methoden op communautair niveau worden gevalideerd, zou leiden tot een minder gunstige behandeling van geïmporteerde cosmetische producten. Terwijl duidelijk is dat dit vereiste rechtens niet discriminerend is, daar het zonder onderscheid van toepassing is op communautaire producenten en producenten uit derde landen, staat voor mij ook niet zonder meer vast dat dit vereiste in de praktijk op producenten uit derde landen een grotere concurrentielast zou leggen dan op ondernemingen uit de EU. (94) Deze voorwaarde wordt gesteld aan elke cosmeticaonderneming, wil zij haar producten binnen de EU mogen verkopen. Ik zie niet in waarom verkrijging van goedkeuring voor een bepaalde alternatieve methode moeilijker zou zijn voor ondernemingen buiten de EU (vergeleken met bijvoorbeeld verkrijging van deze goedkeuring op OESO-niveau), en de Franse regering heeft niet beargumenteerd waarom dit het geval zou zijn.
121. Bovendien zijn er volgens mij sterke argumenten waarom het vereiste van validering op EU-niveau van alternatieve methoden te rechtvaardigen is op grond van artikel XX, sub b, GATT. Met name komt het mij voor dat dit vereiste voldoet aan het noodzakelijkheidscriterium in de zin van deze bepaling. Op basis van de beschikbare gegevens is het niet duidelijk over welke andere maatregel de EU redelijkerwijs kon beschikken die „beter in overeenstemming” met de GATT zou zijn in de zin van de GATT-rechtspraak. (95)
122. De Franse regering houdt weliswaar vol dat de validering van alternatieve methoden op OESO-niveau zo’n maatregel zou zijn, maar het is duidelijk dat de gemeenschapswetgever deze mogelijkheid kende en haar, naar het mij voorkomt op redelijke gronden, heeft verworpen als onvoldoende geschikt voor de verwezenlijking van het doel van de richtlijn. Zo benadrukt de Commissie in haar voorstel van 2000 de noodzaak van goedkeuring van alternatieve methoden op gemeenschapsniveau:
„De Commissie moet weliswaar trachten de OESO zover te brengen dat zij de door het ECVAM gevalideerde alternatieve methoden erkent, maar de ervaring heeft geleerd dat het soms verschillende jaren duurt voordat een bestaande methode door alle leden van de OESO wordt erkend. Vanwege het ethische belang van het welzijn van dieren kan in een dergelijke situatie niet op deze erkenning door de OESO worden gewacht. Wanneer er alternatieve methoden bestaan die zijn gevalideerd of door het ECVAM als wetenschappelijk valide zijn erkend en door het Wetenschappelijk adviescomité van het ECVAM worden gesteund, is actie op communautair niveau nodig. Daarom is in de voorgestelde richtlijn voor een nieuwe benadering gekozen: wettelijke erkenning op Europees niveau zal volstaan om voorstellen voor wetgeving voor de beproeving van cosmetica in de Europese Unie mogelijk te maken.”
123. Om vergelijkbare redenen ben ik van mening dat het vereiste van goedkeuring op EU-niveau voldoet aan de voorwaarden in de aanhef van artikel XX, daar het geen middel is tot willekeurige en ongerechtvaardigde discriminatie of een verkapte beperking van de internationale handel. Op dit punt is de onderhavige zaak, anders dan de Franse regering meent, te onderscheiden van de garnalenzaak, waarin de Beroepsinstantie verklaarde dat een vereiste dat andere landen een bepaald wetgevingsscenario dienden te kiezen dat in grote lijnen gelijk was aan dat van het lid zelf, zonder dat werd nagegaan of dit gelet op de voorwaarden in die landen passend was, willekeurige en ongerechtvaardigde discriminatie was. (96) In casu echter is het vereiste van goedkeuring op gemeenschapsniveau zoals gezegd te goeder trouw gesteld, was het in de ogen van de gemeenschapswetgever het enige middel om het dierenbeschermingsdoel van de richtlijn daadwerkelijk te bereiken, en had het uitdrukkelijk tot doel de aanvaarding van door de op gemeenschapsniveau goedgekeurde alternatieve methoden op OESO-niveau te maximaliseren. (97)
124. Om deze redenen moeten de argumenten van de Franse regering gebaseerd op onverenigbaarheid met de GATT, naar mijn mening worden afgewezen.
VI – Conclusie
125. Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging:
1) Het beroep van de Franse Republiek tot nietigverklaring van artikel 1, lid 2, van richtlijn 2003/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2003, voorzover daarbij een nieuw artikel 4 bis wordt toegevoegd aan richtlijn 76/768/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten, te verwerpen.
2) De Franse Republiek te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Richtlijn 2003/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2003 tot wijziging van richtlijn 76/768/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (PB L 66, blz. 26).
3 – Richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (PB L 262, blz. 169).
4 – Richtlijn 93/35/EEG van de Raad van 14 juni 1993 tot zesde wijziging van richtlijn 76/768/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (PB L 151, blz. 32). Artikel 4, lid 1, van richtlijn 76/768, zoals gewijzigd, bepaalde: „Indien bij het uitwerken van methoden die dierproeven op bevredigende wijze kunnen vervangen onvoldoende vooruitgang is geboekt, met name wanneer, ondanks alle redelijke inspanningen, geen alternatieve methoden wetenschappelijk zijn gevalideerd als methoden die de consument, met inachtneming van de OESO-richtlijnen voor toxiciteitsonderzoek, een gelijkwaardige bescherming garanderen, dient de Commissie uiterlijk op 1 januari 1997 ontwerp-maatregelen in om de toepassing van deze bepaling voldoende lang, en in ieder geval ten minste twee jaar, uit te stellen.”
5 – Richtlijn 97/18/EG van de Commissie van 17 april 1997 tot uitstel van de ingangsdatum voor het verbod op dierproeven met ingrediënten of combinaties van ingrediënten van cosmetische producten (PB L 114, blz. 43); richtlijn 2000/41/EG van de Commissie van 19 juni 2000 tot hernieuwd uitstel van de ingangsdatum voor het verbod op dierproeven met ingrediënten of combinaties van ingrediënten van cosmetische producten (PB L 145, blz. 25).
6 – Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot zevende wijziging van richtlijn 76/768/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten [COM (2000) 189].
7 – Gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 29/2002 van 14 februari 2002, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van richtlijn 76/768/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (PB C 113 E, blz. 109).
8 – Aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van richtlijn 76/768/EEG (PE 232.072/DEF).
9 – COM (2002) 435 def.
10 – Report on the joint text approved by the Conciliation Committee for a European Parliament and Council directive of the European Parliament and of the Council amending Council Directive 76/768/EEC on the approximation of the laws of the Member States relating to cosmetic products [PE‑CONS 3668/2002 – C5‑0557/2002 – 2000/0077(COD)].
11 – In artikel 4 bis, lid 3, wordt „cosmetisch eindproduct” gedefinieerd als een cosmetisch product in de eindsamenstelling waarin het in de handel wordt gebracht en ter beschikking van de consument wordt gesteld, of het prototype daarvan (dat op zijn beurt wordt gedefinieerd als een eerste model of ontwerp dat niet in partijen wordt geproduceerd en op basis waarvan het cosmetisch eindproduct wordt gekopieerd of definitief ontwikkeld).
12 – Artikel 4 bis bepaalt dat de inhoud van bijlage IX bij richtlijn 2003/15 door de Commissie wordt vastgesteld uiterlijk op 11 september 2004 volgens de procedure bedoeld in artikel 10, lid 2, en na raadpleging van het Wetenschappelijk Comité voor cosmetische producten en voor consumenten bestemde niet-voedingsproducten (WCCNVP). Zie richtlijn 2004/94/EG van de Commissie van 15 september 2004 tot wijziging van richtlijn 76/768/EEG van de Raad wat betreft bijlage IX (PB L 294, blz. 28).
13 – Zie Commission Staff Working document van 1 oktober 2004, SEC(2004) 1210, Timetables for the phasing out of animal testing in the framework of the 7th Amendment to the Cosmetics Directive (Council Directive 76/768/EEC).
14 – Artikel 4 bis, lid 2.1.
15 – Zie artikel 9 van richtlijn 76/768, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 9, van richtlijn 2003/15, volgens hetwelk deze jaarverslagen ook de vorderingen moeten vermelden die de Commissie maakt in haar streven naar aanvaarding van de op communautair niveau gevalideerde alternatieve methoden door de OESO en verkrijging van de erkenning van de resultaten van in de Gemeenschap met behulp van alternatieve methoden uitgevoerde veiligheidsproeven door niet-lidstaten, met name in het kader van samenwerkingsovereenkomsten tussen de Europese Gemeenschap en die landen, alsook de wijze waarop met de specifieke behoeften van het midden- en kleinbedrijf rekening is gehouden.
16 – Artikel 4 bis, lid 2.4, bepaalt dat in deze vrijstelling „de voorwaarden [worden] vastgelegd wat betreft specifieke doelstellingen, looptijd en verslaglegging van de resultaten. Vrijstelling wordt uitsluitend verleend indien: a) het ingrediënt op grote schaal wordt gebruikt en niet kan worden vervangen door een ander ingrediënt met een soortgelijke functie; b) het specifieke probleem in verband met de menselijke gezondheid wordt toegelicht en de noodzaak van dierproeven met redenen wordt omkleed en onderbouwd met een gedetailleerd onderzoekverslag dat wordt voorgesteld als grondslag voor de evaluatie”.
17 – Artikel 1, lid 1, van richtlijn 2003/15.
18 – Artikel 1, lid 2, van richtlijn 2003/15 (waarbij een nieuw artikel 4 ter in richtlijn 76/768 wordt ingevoegd).
19 – Artikel 1, leden 3 en 4, van richtlijn 2003/15. Bij artikel 2 van richtlijn 2003/15 worden de lidstaten verplicht alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat met ingang van 11 maart 2005 noch fabrikanten noch importeurs die in de Gemeenschap gevestigd zijn, cosmetische producten op de markt brengen die niet aan deze vereisten voldoen.
20 – In het belang van de rechtszekerheid verleent de richtlijn echter terugwerkende kracht aan artikel 1, punt 1, waarbij artikel 4, lid 1, sub i, van richtlijn 76/768 (de termijn van 30 juni 2002 voor het verbod van dierproeven voor cosmetica) komt te vervallen.
21 – Richtlijn 86/609/EEG van de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB L 358, blz. 1).
22 – Zie bijvoorbeeld rapport van de Beroepsinstantie inzake EG – Asbest, WT/DS135/AB/R, 2001, vastgesteld op 5 april 2001.
23 – Arrest van 5 oktober 2000 (C-376/98, Jurispr. blz. I-8419).
24 – Zie bijvoorbeeld arrest van 28 april 1998, Metronome Musik (C-200/96, Jurispr. blz. I-1953, punt 21).
25 – Arrest van 11 september 2002, Pfizer Animal Health/Raad (T-13/99, Jurispr. blz. II-3305).
26 – Arrest van 23 november 1999, Portugal/Raad (C-149/96, Jurispr. blz. I-8395).
27 – Arrest van 10 september 1996, Commissie/Duitsland (C-61/94, Jurispr. blz. I-3989).
28 – Zie bijvoorbeeld rapport van de Beroepsinstantie inzake Korea – Diverse maatregelen betreffende rundvlees, WT/DS161/AB/R, WT/DS169/AB/R, vastgesteld op 10 januari 2001.
29 – Rapport van de Beroepsinstantie inzake VS – Garnalen, WT/DS58/AB/R, vastgesteld op 6 november 1998.
30 – Zie hierna, punt 53.
31 – De Raad wijst in dit verband op punt 10 van de considerans van de richtlijn.
32 – Het Parlement verwijst in dit verband naar het arrest van 31 maart 1998, Frankrijk/Commissie, „Kali und Salz” (C-68/94, Jurispr. blz. I-1375).
33 – Zie arrest van 23 oktober 1974, Transocean Marine Paint (17/74, Jurispr. blz. 1063, punt 21); arrest Kali und Salz (aangehaald in voetnoot 32, punt 256), en arrest van 10 december 2002, Commissie/Raad (C-29/99, Jurispr. blz. I-11221, punt 45).
34 – Arrest van 30 september 2003 (C-239/01, Jurispr. blz. I-10333).
35 – Ibid., punt 34.
36 – Ibid., punt 35.
37 – Artikel 10 van de betrokken verordening.
38 – Aangehaald in voetnoot 23.
39 – Met name arrest van 13 juli 1966, Consten en Grundig (56/64 en 58/64, Jurispr. blz. 450), en arrest Transocean Marine Paint, aangehaald in voetnoot 33.
40 – Punt 122.
41 – Punt 128.
42 – Aangehaald in voetnoot 33.
43 – Punt 46.
44 – Zie voetnoot 33.
45 – Punt 75.
46 – Dit bepaalt dat de lidstaten het in de handel brengen van cosmetische producten waarvoor dierproeven zijn verricht, met ingang van 30 juni 2002 moeten verbieden; zie hiervóór, punt 3.
47 – Zie voor de verschillende betekenissen van rechtszekerheid in het gemeenschapsrecht Puissochet, J.‑P. en Légal, H., „Le principe de sécurité juridique dans la jurisprudence de la Cour de justice des Communautés européennes”, Les Cahiers du Conseil Constitutionnel, nr. 11/2001, blz. 98.
48 – Dat wil zeggen de gedachte dat de pluraliteit van mogelijke wetsinterpretaties volgt uit de intrinsieke onbepaaldheid van de taal zelf. Zie bijvoorbeeld Ronald Dworkin, 1986, Law’s Empire, Fontana Press, Londen.
49 – Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40); verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2), en richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77).
50 – Zie bijvoorbeeld arresten van 15 december 1987, Ierland/Commissie (325/85, Jurispr. blz. 5041), en 22 januari 1997, Opel Austria (T-115/94, Jurispr. blz. II-39, punt 124), en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
51 – Zie bijvoorbeeld de rechtspraak van het Hof waarin de eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel werd beschouwd als een factor die pleitte voor een bepaalde uitkomst of uitlegging, bijvoorbeeld arrest van 9 juli 1981, Grondrand Frères (169/80, Jurispr. blz. 1931) (rechtszekerheid eist dat de betrokken producten in een bepaalde postonderverdeling van het gemeenschappelijk douanetarief worden ingedeeld); arrest Ierland/Commissie, aangehaald in voetnoot 50 (rechtszekerheid eist dat eenzijdig voorstel van de Commissie inzake visquota aan Ierland niet kon worden aangemerkt als communautaire voorschriften); arresten van 21 juni 1988, Commissie/Italië (257/86, Jurispr. blz. 3249) (onduidelijk rechtskarakter van Italiaanse bepalingen betekende dat deze werden toegepast op een wijze die in strijd was met het gemeenschapsrecht), en 16 juni 1993, Frankrijk/Commissie (C-325/91, Jurispr. blz. I-3283) (rechtszekerheid eist dat elke bepaling van gemeenschapsrecht haar verbindendheid ontleent aan een wettelijke basis).
52 – Arrest van 9 oktober 2001 (C-377/98, Jurispr. blz. I-7079).
53 – Punten 87-88. Het beroep werd uiteindelijk verworpen.
54 – Een zeldzaam voorbeeld van zo’n geval is de zaak Opel Austria, waarin de verzoeker nietigverklaring vorderde van een verordening van de Raad van december 1993 waarin een invoerrecht van 4,9 % werd gelegd op bepaalde door verzoeker geproduceerde versnellingsbakken, onder meer op grond dat dit in strijd was met de EEE-overeenkomst, die in werking trad op 1 januari 1994 en die de heffing van invoerrechten en heffingen van gelijke werking verbood. Het Gerecht van eerste aanleg verklaarde dat de Raad door de bestreden verordening vast te stellen „willens en wetens een situatie in het leven [had] geroepen waarin vanaf de maand januari 1994 twee tegenstrijdige rechtsregels naast elkaar bestonden […] Derhalve kan de bestreden verordening niet worden aangemerkt als gemeenschapswetgeving die met zekerheid kenbaar is en kan de toepassing ervan niet worden geacht voor de justitiabelen voorzienbaar te zijn.” De verordening werd dan ook nietig verklaard. Arrest Opel Austria, aangehaald in voetnoot 50, punt 125.
55 – Zie bijvoorbeeld het voorstel van de Commissie voor de richtlijn, aangehaald in voetnoot 6, punt 2.4: „Om de aan de consument verstrekte informatie te verbeteren voorziet dit voorstel ook in de mogelijkheid dat de fabrikant of de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het product, vermeldt dat er (direct noch indirect) dierproeven zijn uitgevoerd. Om misbruik van deze vermeldingen te voorkomen zal de Commissie echter in samenwerking met de lidstaten richtsnoeren opstellen voor het gebruik daarvan. In deze richtsnoeren moeten specifieke bepalingen worden opgenomen die vereisen dat er met het eindproduct en de ingrediënten nooit dierproeven zijn uitgevoerd, ook niet voor doeleinden die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen.”
56 – Dit artikel bepaalt dat „gegevens over eventuele dierproeven die door de fabrikant, zijn gevolmachtigden of zijn leveranciers zijn verricht betreffende de ontwikkeling of veiligheidsbeoordeling van het product of de ingrediënten daarvan, met inbegrip van eventuele dierproeven die zijn verricht om te voldoen aan de voorschriften van niet-lidstaten” voor controledoeleinden ter beschikking van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat moeten worden gehouden door de fabrikant, zijn gevolmachtigde of degene in wiens opdracht een cosmetisch product is vervaardigd of degene die verantwoordelijk is voor het in de Gemeenschap in de handel brengen van een ingevoerd cosmetisch product.
57 – Zie ook het voorstel van de Commissie voor deze richtlijn, aangehaald in voetnoot 6, punt 1.2.3: „In de huidige formulering van artikel 4, lid 1, punt i, van richtlijn 76/768/EEG wordt bepaald dat de lidstaten het in de handel brengen van cosmetische producten die ingrediënten bevatten die na 30 juni 2000 op dieren zijn beproefd, moeten verbieden, ongeacht of deze producten in de Europese Unie zijn vervaardigd of uit derde landen worden ingevoerd.”
58 – Arresten van 14 december 2004, Arnold André (C-434/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 45), en 10 december 2002, BAT (C-491/01, Jurispr. blz. I-11453, punt 122). Zie onder meer ook arresten van 18 november 1987, Maizena (137/85, Jurispr. blz. 4587, punt 15); 7 december 1993, ADM Ölmühlen (C-339/92, Jurispr. blz. I-6473, punt 15), en 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister (C-210/00, Jurispr. blz. I-6453, punt 59).
59 – Arrest van 13 november 1990, Fedesa (C-331/88, Jurispr. blz. I-4023, punt 13). Zie conclusie van advocaat-generaal Ruiz‑Jarabo Colomer van 16 december 2004, België/Commissie (C‑110/03, punt 71); arrest van 10 juli 2003, Commissie/BEI (C-15/00, Jurispr. blz. I-7281); arresten BAT, aangehaald in voetnoot 58, en Maizena, aangehaald in voetnoot 58; arrest van 20 februari 1979, Buitoni (122/78, Jurispr. blz. 677, punt 1).
60 – Zie mijn conclusie in de zaak BAT, aangehaald in voetnoot 58, punt 225.
61 – Arresten Arnold André, aangehaald in voetnoot 58, punt 46, en BAT, aangehaald in voetnoot 58, punt 123. Zie in die zin ook arresten van 12 november 1996, Verenigd Koninkrijk/Raad (C-84/94, Jurispr. blz. I-5755, punt 58); 13 mei 1997, Duitsland/Parlement en Raad (C-233/94, Jurispr. blz. I-2405, punten 55 en 56), en 5 mei 1998, National Farmers’ Union e.a. (C-157/96, Jurispr. blz. I-2211, punt 61); arrest Fedesa, aangehaald in voetnoot 59, punt 14.
62 – Zie bijvoorbeeld arrest Fedesa, aangehaald in voetnoot 59, punt 14; arrest van 5 oktober 1994, Duitsland/Raad (C-280/93, Jurispr. blz. I-4973, punt 89).
63 – Dit is te onderscheiden van de ratio van de beperkte rechterlijke toetsing van administratieve beslissingen van de Commissie, namelijk de economische en technische complexiteit van de aan de handeling voorafgaande analyse.
64 – Zie bijvoorbeeld arresten van 23 april 1986, Les Verts/Parlement (294/83, Jurispr. blz. 1339), en 4 oktober 1991, Parlement/Raad, „Tsjernobyl” (C-70/88, Jurispr. blz. I-4529).
65 – Zo wijst het Parlement erop dat er acht tripartite vergaderingen zijn gehouden tussen het comité van permanente vertegenwoordigers, vertegenwoordigers van het Parlement en de Commissie, om tot een compromis te komen: zie hiervóór punt 10.
66 – Zie ook de tekst van het voorstel van het Parlement tot wijziging van de richtlijn in de tweede lezing, zie hiervóór punt 8, overweging 7 bis: „De publieke opinie wil dat dierproeven voor cosmetische producten worden verboden.”
67 – Brief van 20 februari 2004 van het Europees Parlement aan het Hof, waarin het bevestigt dat het ter terechtzitting wenst te worden gehoord.
68 – Considerans van de richtlijn, punt 7.
69 – Zie punt 22.
70 – Arrest van 12 juli 2001 (C-189/01, Jurispr. blz. I-5689).
71 – Punt 85.
72 – Zo ging het voorstel van de Commissie voor de richtlijn, zie voetnoot 6, in punt 2.3 uit van een andere benadering: „[…] zal de Europese Unie gegevens moeten erkennen die afkomstig zijn van dierproeven en ter ondersteuning van ingrediënten of cosmetische producten worden gebruikt. Dit onderzoek moet namelijk hoe dan ook worden uitgevoerd om aan de eisen in de wetgeving van derde landen te voldoen. Deze aanpak staat of valt met wederzijdse erkenning: het zou onjuist zijn als de Europese Unie de herhaling van een proef met behulp van een alternatieve methode verplicht zou stellen, aangezien dit een belemmering voor de handel zou betekenen en gevolgen zou kunnen hebben voor een positieve houding ten opzichte van de aanvaardbaarheid van in vitro gegevens uit de Europese Unie. Deze aanpak komt ook tegemoet aan de kritiek dat de nieuwe WTO-conforme wettelijke maatregelen op het gebied van dierproeven in de sector cosmetische producten het probleem zonder meer ‚exporteren’. Het is integendeel een oprecht streven om te komen tot wettelijke erkenning van alternatieve methoden op wereldwijde schaal.”
73 – Voetnoot 7, punt 10.
74 – Zie punt 12.
75 – Artikel 4 bis, lid 2.4.
76 – Artikel 4 bis, lid 2.3.
77 – Artikel 4 bis, lid 2.1.
78 – Considerans, punt 11.
79 – Considerans, punt 7.
80 – Zie bijvoorbeeld punt 5 van de considerans, waarin staat dat de Commissie richtsnoeren zou moeten vaststellen voor het vergemakkelijken van de toepassing, met name door het midden- en kleinbedrijf, van methoden waarmee het gebruik van dieren voor de beoordeling van de veiligheid van cosmetische eindproducten kan worden voorkomen. Zie ook het rapport van maart 2004 voor de vaststelling van het tijdschema voor de geleidelijke afschaffing van dierproeven voor het doel van de cosmeticarichtlijn, geschreven door een door de Commissie ingestelde ad-hocgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de diensten van de Commissie, vertegenwoordigers van belangenverenigingen uit de industrie, dierenbescherming en consumentenbescherming, en de OESO; dit rapport is te vinden op .
81 – Conclusie in zaak Arnold André, aangehaald in voetnoot 58, punt 100, waarin wordt geciteerd uit het arrest van 23 september 2003, Commissie/Denemarken (C-192/01 Jurispr. blz. I-9693).
82 – Conclusie in zaak Arnold André, aangehaald in voetnoot 58, punt 98.
83 – Zie punten 71-87.
84 – Aangehaald in voetnoot 24, punt 21. Zie ook arresten van 9 september 2004, Spanje en Finland/Parlement en Raad (C-184/02 en C-223/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 52), en 15 juli 2004, Di Lenardo Adriano e.a. (C-37/02 en C-38/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 82).
85 – Zoals advocaat-generaal Maduro het uitdrukt in zijn conclusie in zaak C-327/02, Panayotova e.a. (nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), „[hangt] de toets of er sprake is van een ingreep in het wezen van het recht, niet alleen af […] van een analyse van het gevolg van de beperkende maatregel voor het recht zelf. Een en ander is ook afhankelijk van het met de maatregel beoogde doel en de geschiktheid van de maatregel om het te bereiken. Hoewel de toets niet verplicht tot een beoordeling van de evenredigheid van de maatregel of zelfs het bestaan van een minder beperkend alternatief daarvoor (noodzakelijkheid), vereist deze toch wel een beoordeling van de geschiktheid of de passendheid van de middelen en het doel.” (punt 44).
86 – Zie punten 88‑105.
87 – Zie arrest Portugal/Raad, aangehaald in voetnoot 26, punt 47, en arrest van 14 december 2000, Dior (C-300/98 en C-392/98, Jurispr. blz. I-11307, punt 43).
88 – Zie arrest van 7 mei 1991, Nakajima (C-69/89, Jurispr. blz. I-2069, punt 31), en arrest Portugal/Raad, aangehaald in voetnoot 26, punt 49.
89 – Arrest van 1 april 2004, Bellio (C-286/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 33), en arrest Commissie/Duitsland, aangehaald in voetnoot 27, punt 52.
90 – Ibid.
91 – Arrest van 16 november 2004, Anheuser-Busch (C-245/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 42); zie ook arrest van 16 juni 1998, Hermès International (C-53/96, Jurispr. blz. I-3603), en arrest Dior, aangehaald in voetnoot 87.
92 – Artikel 4 bis, lid 1, sub a.
93 – Zie de beginselen die zijn geformuleerd in het rapport van de Beroepsinstantie inzake Japan – Alcoholhoudende dranken II, WT/DS8/AB/R, WT/DS11/AB/R, vastgesteld op 1 november 1996, en het rapport van de Beroepsinstantie inzake EG – Asbest, aangehaald in voetnoot 22.
94 – Zie verder het rapport van de Beroepsinstantie inzake Korea – Diverse maatregelen betreffende rundvlees, aangehaald in voetnoot 28, punt 142, waarin het de panels instrueerde om te kijken naar de „fundamentele richting en effect van de maatregel” (artikel 21.5‑EC), WT/DS108/AB/RW, vastgesteld op 29 januari 2002, punt 215. Zie voor een voorbeeld van een zonder onderscheid toepasselijke maatregel die in strijd met artikel III, lid 4, werd verklaard het rapport van het panel inzake Canada – Provincial Liquor Boards (US), BISD 39S/27, vastgesteld op 18 februari 1992.
95 – Zie bijvoorbeeld het rapport van de Beroepsinstantie inzake Korea – Diverse maatregelen betreffende rundvlees, aangehaald in voetnoot 28.
96 – In die zaak verplichtten de Verenigde Staten de leden om hetzelfde wetgevingsscenario voor de bescherming van zeeschildpadden vast te stellen om garnalen naar de VS te mogen exporteren: rapport van de Beroepsinstantie inzake Verenigde Staten – Importverbod voor bepaalde garnalen en garnalenproducten, aangehaald in voetnoot 29.
97 – Zie bijvoorbeeld de formulering van artikel 4 bis zelf, dat voor elk onderdeel van het verbod de zinsnede „naar behoren rekening houdend met de ontwikkeling van de validering binnen de OESO” bevat; artikel 1, lid 9, van de richtlijn, waarin wordt bepaald dat het jaarlijks verslag van de Commissie onder meer moet vermelden welke vorderingen de Commissie heeft gemaakt in haar streven naar aanvaarding van de op communautair niveau gevalideerde alternatieve methoden door de OESO en verkrijging van de erkenning van de resultaten van in de Gemeenschap met behulp van alternatieve methoden uitgevoerde veiligheidsproeven door niet-lidstaten, met name in het kader van samenwerkingsovereenkomsten tussen de Europese Gemeenschap en die landen; artikel 1, lid 10, van de richtlijn, waarin is bepaald dat de erkenning door niet-lidstaten van in de Gemeenschap ontwikkelde methoden zou moeten worden gestimuleerd, en dat de Commissie en de lidstaten al het mogelijke zouden moeten doen om de erkenning van die methoden door de OESO te bevorderen.
Full & Egal Universal Law Academy