CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 16 september 2004 (1)
Zaak C‑254/03 P
Eduardo Vieira, SA
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Visserij – Overeenkomst EEG-Argentinië – Communautaire financiële bijstand – Vermindering – Rechtszekerheid – Overmacht – Informatie‑ en loyaliteitsplicht”
1. In deze zaak verzoekt de Spaanse vennootschap Eduardo Vieira SA (hierna: „SAEV” of „rekwirante”) het Hof het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 3 april 2003, Vieira e.a./Commissie (T‑44/01, T‑119/01 en T‑126/01)(2) (hierna: „bestreden arrest”), te vernietigen. Bij dit arrest werd haar beroep verworpen tegen de beschikking van 19 maart 2001 waarbij de Commissie de bijstand had verminderd die was verleend aan het project ARG/ESP/SM/26-94 voor de oprichting van een gemengde vennootschap in het kader van de overeenkomst inzake de betrekkingen tussen de Gemeenschap en de Argentijnse Republiek op het gebied van de zeevisserij.(3) (4)
I – Rechtskader
A – De visserijovereenkomst EEG-Argentinië
2. Het juridische instrument dat ten behoeve van de onderhavige zaak in de eerste plaats moet worden onderzocht, is de visserijovereenkomst die namens de Gemeenschap bij verordening (EEG) nr. 3447/93 van de Raad van 28 september 1993(5) is goedgekeurd.
3. De doelstellingen van deze overeenkomst zijn vastgelegd in artikel 5, lid 1, luidende als volgt:
„De overeenkomstsluitende partijen scheppen gunstige voorwaarden voor de vestiging in Argentinië van ondernemingen die zijn opgericht met kapitaal uit een of meer lidstaten van de Gemeenschap en voor de totstandbrenging van gemengde vennootschappen en tijdelijke samenwerkingsverbanden in de visserijsector tussen reders uit Argentinië en uit de Gemeenschap, met het oog op de gezamenlijke exploitatie, en eventueel verwerking, van de Argentijnse visbestanden, overeenkomstig het bepaalde in Protocol I en in de bijlagen I en II.”
4. Het begrip gemengde overeenkomst (hierna eveneens: „joint venture”) is in artikel 2, sub e, gedefinieerd als „een vennootschap naar privaatrecht die is opgericht door een of meer reders uit de Gemeenschap en een of meer Argentijnse natuurlijke personen of rechtspersonen, die een overeenkomst hebben gesloten inzake een gemengde vennootschap met het doel de Argentijnse visbestanden te exploiteren en eventueel te verwerken, bij voorrang met het oog op de voorziening van de markt van de Gemeenschap”.
5. Zoals gepreciseerd bij artikel 5, lid 3, brengt de oprichting van een „joint venture” in beginsel mee dat een vaartuig uit de Gemeenschap aan Argentijnse ondernemingen wordt overgedragen, met als gevolg dat dit vaartuig uit het register van de Gemeenschap wordt geschrapt.
6. De artikelen 6 en 7 van de visserijovereenkomst voorzien in de instelling van een mechanisme voor de selectie van projecten voor de oprichting van gemengde vennootschappen die in aanmerking komen voor de verlening van communautaire financiële bijstand. Van beslissende betekenis in dit opzicht is de rol van de in artikel 10 van de overeenkomst genoemde gemengde commissie (hierna: „gemengde commissie”), die inzonderheid is belast met de evaluatie van de projecten van de gemengde vennootschappen (vijfde streepje), het aanbevelen van projecten die voor financiële bijstand in aanmerking komen (zesde streepje) en „[het toezicht op] het beheer van de projecten […] en op de besteding van de voor deze projecten bestemde financiële bijstand als bedoeld in artikel 7 […]” (achtste streepje).
7. Het mechanisme voor de selectie van projecten die voor financiering in aanmerking komen is vastgelegd in een serie bijlagen en protocollen bij de overeenkomst, waarnaar de al aangehaalde artikelen 6 en 7 van de overeenkomst verwijzen. Inzonderheid preciseert bijlage III bij de overeenkomst (onder het opschrift „Voorschriften en criteria voor de selectie van projecten”) dat de projecten door tussenkomst van de lidstaten bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen worden ingediend „overeenkomstig de in de communautaire wetgeving vastgelegde voorschriften ter zake” (bijlage III, punt 2). Vervolgens legt de Gemeenschap aan de hierboven genoemde gemengde commissie de lijst voor van projecten die voor financiële bijstand in aanmerking komen; laatstgenoemde evalueert de projecten en beveelt aan de bevoegde Argentijnse en communautaire autoriteiten de geselecteerde projecten aan (bijlage III, punten 3, 4 en 5).
8. De modaliteiten voor de verlening van financiële bijstand aan goedgekeurde projecten worden daarentegen geregeld in protocol I bij de overeenkomst, onder het opschrift „Vangstmogelijkheden en financiële bijstand als vastgesteld in de Overeenkomst inzake de betrekkingen tussen Argentinië en de Gemeenschap op het gebied van de zeevisserij”. Dit voorziet in twee soorten financiering, ten gunste van de betrokken reder uit de Gemeenschap respectievelijk de gemengde vennootschap.
9. Inzonderheid bepaalt artikel 3 van dit protocol het volgende:
„1. [...] de Gemeenschap [verleent] financiële bijstand voor de oprichting van gemengde vennootschappen [...]. Deze financiële bijstand [...] wordt verleend aan reders uit de Gemeenschap als gedeeltelijke vergoeding voor hun aandeel in de kosten voor de oprichting van een gemengde vennootschap [...] en/of voor het schrappen van de desbetreffende vaartuigen uit de registers van de Gemeenschap.
2. Teneinde de oprichting en de ontwikkeling van gemengde vennootschappen te stimuleren, verleent de Gemeenschap aan in Argentinië gevestigde gemengde vennootschappen een financiële bijstand die overeenkomt met vijftien procent (15 %) van het aan de reder uit de Gemeenschap toegekende bedrag. Deze financiële bijstand, die wordt uitgekeerd als bedrijfskapitaal, wordt door de Gemeenschap uitbetaald aan de Argentijnse uitvoerende autoriteit, die bepaalt op welke wijze het geld wordt besteed en beheerd.
Argentinië deelt de gemengde commissie mede op welke wijze dit geld wordt gebruikt.
[...]
4. De voorschriften inzake het aanvragen van de bijstand en de wijze waarop de communautaire bijstand aan de in punt 1 bedoelde reder uit de Gemeenschap wordt uitbetaald, dienen met de in de communautaire wetgeving vastgestelde voorschriften ter zake in overeenstemming te zijn. [...]”
B – De communautaire regelgeving inzake gemengde vennootschappen in de visserijsector
10. Naast het door de visserijovereenkomst en haar bijlagen gevormde rechtskader, wil ik nog enkele communautaire verordeningen aanhalen, waarin de algemene modaliteiten voor de tussenkomst van de Gemeenschap in de visserijsector zijn vastgesteld.
11. Verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds(6), is voor de onderhavige zaak van bijzondere betekenis.
12. Artikel 24 van deze verordening bepaalt: „Indien slechts een gedeelte van de toegekende financiële bijstand door de stand van uitvoering van een actie of maatregel lijkt te worden gerechtvaardigd, gaat de Commissie in het kader van het partnerschap over tot een passend onderzoek” (lid 1), waarna zij „de bijstand voor de betrokken actie of maatregel [kan] verminderen of opschorten indien het onderzoek een onregelmatigheid en met name een belangrijke wijziging bevestigt die strijdig is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van de actie of maatregel en waarvoor niet om haar goedkeuring is verzocht” (lid 2).
13. Verder moet worden gewezen op verordening (EG) nr. 3699/93 van de Raad van 21 december 1993 tot vaststelling van de criteria en voorwaarden voor de structurele bijstand van de Gemeenschap in de sector visserij/aquacultuur en verwerking/afzet van de producten daarvan.(7)
14. Relevant voor de onderhavige zaak zijn enkel artikel 8 van de verordening, dat bepaalt dat de lidstaten maatregelen moeten treffen voor de bevordering van het slopen van vaartuigen, hun definitieve overbrenging naar een derde land en hun definitieve bestemming voor andere doeleinden dan visserij, en artikel 9, dat voorziet in het nemen van maatregelen die de oprichting van gemengde vennootschappen aanmoedigen.
15. Bijlage IV stelt de maximumbedragen vast van de premies die in het kader van de artikelen 8 en 9 van de verordening kunnen worden betaald. Inzonderheid bepaalt punt 1.1, sub a, dat de slooppremies en de premies voor de oprichting van gemengde vennootschappen niet hoger mogen zijn dan de bedragen die worden berekend op grond van de bijzonderheden van het gesloopte of overgedragen vaartuig, met toepassing van een aan het overzicht gehechte tabel. Punt 1.1, sub b, bepaalt dat de premie voor de definitieve overbrenging niet hoger mag zijn dan 50 % van de premie die zou zijn verleend voor de sloop van het desbetreffende schip op grond van de bepalingen sub a.
16. Tot slot herinner ik aan verordening (EEG) nr. 4028/86 van de Raad van 18 december 1986 inzake communautaire acties voor verbetering en aanpassing van de structuur van de visserij en de aquacultuur.(8) Ofschoon zij met ingang van 1 januari 1994 werd ingetrokken(9) en derhalve niet van toepassing is op de onderhavige feiten, moet aandacht worden geschonken aan een bepaling ervan die aan een van de middelen ten grondslag ligt.
17. Het betreft hier meer bepaald artikel 44, lid 1, dat bepaalt de Commissie de aan de projecten van de gemengde vennootschappen krachtens genoemde verordening verleende bijstand kan schorsen, verminderen of intrekken indien het betrokken project niet zoals voorzien wordt uitgevoerd. Tijdens deze procedure dient de Commissie het permanent comité voor de visserijstructuur te raadplegen.
II – Feiten en procesverloop
A – De feiten die aan het geschil ten grondslag liggen, de precontentieuze procedure en de bestreden beschikking
18. De feiten worden in het bestreden arrest als volgt omschreven:
„18 In het kader van de visserijovereenkomst heeft de Spaanse vennootschap [SAEV] een project ingediend om samen met een Argentijnse reder een gemengde vennootschap op te richten onder de benaming Vieira Argentina, SA (hierna: ‚VASA’). Het project voorzag in de vangst van zwarte Patagonische ijsheek. Het communautaire vaartuig Ibsa Cuarto, later omgedoopt tot Vieirasa XII, moest voor het project worden bestemd.
[...]
25 Bij beschikking van 25 juli 1995 (hierna: ‚bijstandsbeschikking van 25 juli 1995’ [of eenvoudigweg: bijstandsbeschikking]), heeft de Commissie de toekenning van financiële bijstand aan het door SAEV ingediende project (project ARG/ESP/SM/26-94) goedgekeurd, ‚onder de in de bepalingen van de [visserij]overeenkomst [...], in de toepasselijke gemeenschapswetgeving en in de voorschriften van de bijlagen gestelde voorwaarden’ (artikel 1).
26 In bijlage I bij de bijstandsbeschikking van 25 juli 1995 wordt de bijstand aan SAEV vastgesteld op 1 881 936 ECU. [...]
27 Bijlage I van de bijstandsbeschikking van 25 juli 1995 bepaalt verder: ‚In de gegevens van de onderhavige bijlage mag geen wijziging worden aangebracht zonder voorafgaande toestemming van de Argentijnse autoriteiten en van de Commissie’.
[...]
29 Op 27 juni 1996 heeft de Commissie de eerste tranche (80 %) van de bijstand uitbetaald.
30 De Vieirasa XII heeft op 5 juli 1996 de Argentijnse wateren definitief verlaten om in internationale wateren te gaan vissen.
31 SAEV heeft op 25 februari 1997 verzocht om uitbetaling van het saldo van de bijstand.”
19. Bij brief van 21 april 1998 heeft de Commissie rekwirante meegedeeld dat het vertrek van het vaartuig uit de Argentijnse wateren een schending van artikel 5, lid 1, van de visserijovereenkomst en van artikel 3, lid 1, van protocol I bij deze overeenkomst opleverde. Dit maakte immers de exploitatie van de Argentijnse visbestanden, voorzien in de genoemde bepalingen, onmogelijk. De Commissie heeft derhalve SAEV ingelicht over een mogelijke vermindering van de bijstand indien genoemde vennootschap geen bevredigend antwoord zou geven dat de schending zou kunnen rechtvaardigen.
20. Van mening dat de door SAEV gegeven rechtvaardigingen niet bevredigend waren, stelde de Commissie de bestreden beschikking vast en beval zij SAEV een bedrag van 419 446 euro terug te betalen (artikel 2). In deze beschikking liet zij zich daarentegen niet uit over de aan de gemengde vennootschap VASA verleende bijstand.
21. In de motivering van haar beschikking heeft de Commissie eraan herinnerd dat „[k]rachtens artikel 1 van de [...] beschikking [tot toekenning van bijstand], de bijstand was toegekend onder de in de bepalingen van de [visserij]overeenkomst [...], in de toepasselijke gemeenschapswetgeving en in de voorschriften van de bijlagen gestelde voorwaarden”. Met name heeft de Commissie erop gewezen dat „de oprichting van gemengde vennootschappen in Argentinië de exploitatie van de Argentijnse visbestanden [...] tot doel [had]” en dat „[i]n punt 3.2.1 van deel B van het door SAEV ingevulde en ondertekende aanvraagformulier voor communautaire bijstand [...] uitdrukkelijk [was] vermeld dat de Commissie enkel financiële bijstand [verleende] aan projecten die tot doel [hadden] de visbestanden in de wateren onder de soevereiniteit en/of jurisdictie van het betrokken derde land te exploiteren”. Bovendien heeft de Commissie geconstateerd dat „[v]anaf 5 juli 1996 het vaartuig Ibsa Cuarto zijn activiteit in de Argentijnse [exclusieve economische zone (hierna: ‚EEZ’)] [had] stopgezet en in de internationale wateren de visserij [had] voortgezet voor de vangst van zwarte Patagonische ijsheek, zonder de Commissie daarover vooraf te hebben aangesproken en zonder haar toestemming te hebben verkregen”.(10)
22. Op basis van het bovenstaande heeft de Commissie, aldus het bestreden arrest, „in punt 9 van de [bestreden] beschikking [geconcludeerd] dat SAEV de voorwaarden voor toekenning van de financiële bijstand niet [was] nagekomen. Vervolgens [heeft] zij de vermindering van de betrokken bijstand [berekend] in de punten 10 tot en met 13 van deze beschikking. Zij [heeft] om te beginnen [opgemerkt] dat SAEV overeenkomstig het in verordening nr. 3699/93 vastgestelde steuntarief recht [had] op bijstand ten belope van 688 187 euro wegens de definitieve overdracht van het vaartuig Vieirasa XII aan de gemengde vennootschap. Het saldo van de haar bij de bijstandsbeschikking van 25 juli 1995 verleende bijstand [bedroeg] dus 1 193 749 euro (1 881 936 – 688 187). Aangezien de Vieirasa XII slechts twaalf maanden (op de voorziene zesendertig maanden) in de Argentijnse wateren actief [was] geweest, [heeft] de Commissie [geconcludeerd] dat SAEV recht [had] op slechts eenderde van de voorziene 1 193 749 euro, dit is 397 916 euro. De aldus verminderde bijstand [bedroeg] volgens de Commissie in het totaal dus 1 1086 103 euro (397 916 + 688 187). SAEV, die reeds 80 % van de bijstand (1 505 549 euro) had ontvangen, [moest] de Commissie dus 419 446 euro terugbetalen.”(11)
B – De procedure voor het Gerecht en het bestreden arrest
23. Bij verzoekschrift, ingediend bij de griffie van het Gerecht op 8 juni 2001, heeft SAEV beroep tot nietigverklaring van beschikking C(2001) 680 def. van 19 maart 2001 ingesteld. Uit het bestreden arrest blijkt dat het beroep berustte op de volgende middelen: i) ontbrekende of onjuiste rechtsgrondslag voor de bestreden beschikking (punten 79‑112); ii) ontbreken van belangrijke wijzigingen van het project die vermindering van de bijstand zouden kunnen rechtvaardigen (punten 113‑135); iii) schending van het evenredigheidsbeginsel (punten 136‑154); iv) onjuiste toepassing van de gemeenschapswetgeving inzake vermindering van financiële bijstand (punten 155‑164); v) schending van het beginsel van de redelijke termijn van de procedure en van het vertrouwens‑ en het rechtszekerheidsbeginsel (punten 165‑185; vi) schending van de rechten van de verdediging (punten 186‑190).
24. Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep verworpen en rekwirante in de kosten verwezen.
C – De procedure voor het Hof
25. Bij haar op 16 juni 2003 ingestelde hogere voorziening verzocht SAEV het Hof het arrest van het Gerecht te vernietigen en de Commissie in de kosten van beide instanties te verwijzen.
26. Op 15 december 2003 diende de Commissie overeenkomstig artikel 115 van het Reglement voor de procesvoering een memorie van antwoord in. Zij verzoekt het Hof verscheidene middelen van de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren en de overige middelen af te wijzen, subsidiair, om de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen. Zij concludeert voorts tot verwijzing van rekwirante in de kosten.
27. Aangezien partijen van mondelinge behandeling hebben afgezien, heeft het Hof op grond van artikel 44 bis van het Reglement voor de procesvoering besloten zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen.
III – Juridisch onderzoek
28. Ter onderbouwing van haar hogere voorziening voert SAEV zes middelen aan. Met name stelt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot: i) de rechtsgrondslag van de bestreden beschikking; ii) de rol van de gemengde commissie en van de Argentijnse autoriteiten; iii) de toepassing van artikel 44 van verordening nr. 4028/86 tijdens de procedure tot vermindering van de financiële bijstand; iv) de toepassing van verordening nr. 3699/93 voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de financiële bijstand; v) het bestaan van overmacht; vi) de noodzaak, de goedkeuring van de Commissie te verkrijgen alvorens de Argentijnse visserijzone te verlaten.
A – Het eerste middel van de hogere voorziening
29. Met haar eerste middel betwist rekwirante het oordeel van het Gerecht dat „[a]angezien de bijstand terecht onder meer op basis van verordening nr. 4253/88 is verleend, [...] de Commissie materieel bevoegd [was] om de bestreden beschikking eveneens op deze verordening, en met name op artikel 24 daarvan, te baseren”.(12)
30. Aangaande dit middel werpt de Commissie om te beginnen een exceptie van niet-ontvankelijkheid op, op grond dat het niet anders doet dan een middel herhalen dat al in eerste aanleg door rekwirante is aangevoerd.
31. Hierover wil ik opmerken dat volgens vaste rechtspraak van het Hof uit de artikelen 225 EG, 58, eerste alinea, van ’s Hofs Statuut-EG en 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat de hogere voorziening tegen een arrest van het Gerecht zich niet kan beperken „tot een herhaling of een letterlijke weergave van de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten, waaronder die welke waren gebaseerd op feiten die het Gerecht uitdrukkelijk heeft verworpen”(13), behoudens wanneer „rekwirante [...] de uitlegging of de toepassing van het gemeenschapsrecht door het Gerecht betwist”.(14)
32. Het komt mij echter voor dat rekwirante in het onderhavige geval juist niet alleen opkomt tegen de uitlegging van de bepalingen van de visserijovereenkomst en van de bijstandsbeschikking die de Commissie in de bestreden beschikking heeft gegeven, maar eveneens tegen de door het Gerecht in het bestreden arrest gegeven uitlegging.
33. Ik ben daarom van mening dat dit middel ontvankelijk is.
34. Aangaande de kern van de vraag dient allereerst beknopt te worden ingegaan op de redenering van het Gerecht op grond waarvan het tot de conclusie komt dat verordening nr. 4253/88 in wezen op het onderhavige geval van toepassing is (zie boven, punt 29).
35. In dit verband heeft het Gerecht om te beginnen verklaard dat de Gemeenschap, die op grond van de visserijovereenkomst bevoegd is om financiële bijstand te verlenen voor de oprichting van een „joint venture”, „ook de bevoegdheid [moet] hebben om deze bijstand te verminderen indien niet aan de voorwaarden voor toekenning van de bijstand is voldaan”.(15) Deze conclusie volgt volgens het Gerecht uit de „algemene rechtsbeginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, zoals het verbod van ongerechtvaardigde verrijking of het beginsel dat wederkerige verbintenissen kunnen worden opgezegd wanneer een van de overeenkomstsluitende partijen haar verplichtingen niet nakomt”.(16)
36. Dit vooropgesteld, heeft het Gerecht vervolgens onderzocht of artikel 24 van verordening nr. 4253/88, dat deze beginselen op het onderhavige gebied concretiseert, de Commissie een specifieke bevoegdheid verleent om de bestreden beschikking vast te stellen.(17)
37. Na dienaangaande te hebben vastgesteld dat de bijstandsbeschikking uitdrukkelijk alleen is gebaseerd op verordening nr. 3447/93, waarbij de visserijovereenkomst is goedgekeurd, heeft het Gerecht overwogen dat „[l]uidens artikel 1, lid 1, van deze beschikking […] de bijstand evenwel [wordt] verleend ‚onder de in de bepalingen van de visserijovereenkomst [...], in de toepasselijke gemeenschapswetgeving en in de voorschriften van de bijlagen gestelde voorwaarden’”.(18)
38. Volgens het Gerecht moet „[d]e verwijzing naar de ‚toepasselijke gemeenschapswetgeving’ [...] met name worden opgevat als een verwijzing naar verordening nr. 4253/88”, aangezien deze verordening „een ruime werkingssfeer heeft” die zich eveneens uitstrekt tot „acties met een structureel karakter” waarvoor gebruik wordt gemaakt van andere financieringsinstrumenten dan structuurfondsen. Het Gerecht vervolgt: „De verlening van financiële bijstand voor de oprichting van gemengde vennootschappen in het kader van de visserijovereenkomst heeft een structureel karakter. Zoals in de tweede overweging van de considerans van de [bijstandsbeschikking] is vermeld, beantwoordt de oprichting van gemengde vennootschappen, waarbij vaartuigen uit de Gemeenschap worden gebruikt en nieuwe visserijzones worden opengesteld voor reders uit de Gemeenschap, aan ‚de doelstellingen van het communautaire structuurbeleid’ op het gebied van de visserij.”(19) Derhalve heeft de Commissie zich niet vergist door in het onderhavige geval verordening nr. 4253/88 toe te passen.
39. Volgens rekwirante daarentegen zou het Gerecht blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de reeds genoemde verwijzing naar de „toepasselijke gemeenschapswetgeving” eveneens betrekking kan hebben op verordening nr. 4253/88.
40. Rekwirante erkent dat de Commissie op grond van een algemeen rechtsbeginsel financiële bijstand kan verminderen wanneer de oorspronkelijk gestelde voorwaarden niet zijn vervuld, maar zij wijst erop dat de visserijovereenkomst daarover niets bepaalt en dat de bijstandsbeschikking zelf alleen uitdrukkelijk verwijst naar verordening nr. 3447/93. Aangezien de visserijovereenkomst een lex specialis op dit gebied is, kan slechts van haar worden afgeweken door een uitdrukkelijke bepaling. Aangezien een dergelijk voorschrift ontbreekt, en er inzonderheid geen expliciete verwijzing is naar verordening nr. 4253/88, kan deze verordening niet worden toegepast, ook al is zij de lex generalis voor gemengde vennootschappen op visserijgebied.
41. Ik wil meteen stellen dat het bezwaar van rekwirante mij niet overtuigend voorkomt.
42. Zelfs wanneer men erkent dat de visserijovereenkomst als een lex specialis moet worden gekwalificeerd ten opzichte van de bepalingen aangaande de financiering van structurele maatregelen als vermeld in verordening nr. 4253/88, blijft het namelijk een feit dat een lex specialis, zoals bekend, strikt moet worden uitgelegd en slechts kan afwijken van de lex generalis indien en voorzover dit daadwerkelijk en uitdrukkelijk is voorzien voor het te regelen gebied. Voor het overige blijft de lex generalis gelden.
43. In dit geval bevat de visserijovereenkomst niet alleen geen regeling van het onderhavige onderwerp, maar verwijst zij ook voor „het aanvragen van de bijstand en de wijze waarop de communautaire bijstand aan de [...] reder uit de Gemeenschap wordt uitbetaald” naar de „in de communautaire wetgeving vastgestelde voorschriften” (protocol I, artikel 3, lid 4). Bovendien verwijst artikel 1 van de bijstandsbeschikking op zijn beurt naar de „toepasselijke gemeenschapswetgeving”.
44. Daarbij komt nog – zoals rekwirante zelf erkent – dat de mogelijkheid de ten onrechte bestede financiële bijstand te verminderen een algemeen beginsel tot uitdrukking brengt en de overeenkomst zelfs geen impliciete afwijking van dit beginsel bevat. Het komt mij dan ook voor dat het Gerecht op goede gronden heeft geoordeeld dat de Commissie het recht had de bestreden beschikking op grond van artikel 24 van verordening nr. 4253/88 vast te stellen.
45. Evenmin kan worden aangevoerd, zoals rekwirante doet, dat de ruime uitlegging van de uitdrukking „toepasselijke gemeenschapswetgeving” door het Gerecht een bron van extreme juridische onzekerheid zou zijn voor de ontvangers van de bijstand. Anders dan rekwirante wil doen geloven, slaat deze verwijzing geenszins op „welke regeling dan ook”, maar – zoals in een dergelijk geval vaak voorkomt – op de relevante gemeenschapswetgeving en de desbetreffende beginselen, te weten bepalingen die algemeen bekend zijn of waarvan een zorgvuldige marktdeelnemer gemakkelijk kennis kan nemen.
46. Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging het eerste middel af te wijzen.
B – Het tweede middel
47. Met haar tweede middel, bestaande uit twee onderdelen, betoogt SAEV dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat de Commissie niet verplicht was de gemengde commissie (eerste onderdeel van het middel) en in het algemeen de Argentijnse autoriteiten (tweede onderdeel van het middel) te raadplegen, alvorens over te gaan tot vermindering van de bijstand.
48. Om deze argumenten van rekwirante beter te begrijpen, is het nuttig eraan te herinneren dat het Gerecht in de punten 105 en 106 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat „[d]e selectie en de toetsing van de projecten van gemengde vennootschappen behoort tot het internationale gedeelte van de visserijovereenkomst. De oprichting van dergelijke vennootschappen is immers een instrument van samenwerking tussen de Gemeenschap en de Republiek Argentinië in de visserijsector. [...] de selectie van de projecten als dusdanig [vereist] dat deze binnen de gemengde commissie worden geëvalueerd en zowel door de Gemeenschap als door de Argentijnse autoriteiten worden goedgekeurd.
De toekenning van financiële bijstand aan reders uit de Gemeenschap voor de geselecteerde projecten daarentegen is een eenzijdige handeling van de Gemeenschap en behoort derhalve tot het communautaire gedeelte van de visserijovereenkomst.”
49. Tegen deze vaststelling voert rekwirante aan dat beide componenten tezamen deel uitmaken van dezelfde overeenkomst, die in haar geheel door zowel de communautaire als de Argentijnse autoriteiten is goedgekeurd, zodat de uiteenlopende kwalificatie ervan door het Gerecht onjuist is. Anders dan het Gerecht meent, kan de bijstandsbeschikking niet als een eenzijdige communautaire handeling worden beschouwd waarvan de vaststelling uitsluitend tot de bevoegdheid van de Commissie behoort.
50. Dienaangaande rijst allereerst de vraag of het door het Gerecht gemaakte onderscheid steun vindt in de overeenkomst zelf. Het is om te beginnen weliswaar juist, en zelfs evident, dat de toestemming van alle partijen noodzakelijk is voor de geldige totstandkoming van een internationale overeenkomst, maar zulks heeft niets te maken met de verdeling van de bevoegdheden tot uitvoering ervan. Of hiervoor een gezamenlijke handeling van de overeenkomstsluitende partijen dan wel een handeling van de ene of de andere partij vereist is, dient immers geval per geval door uitlegging van de relevante bepalingen van de overeenkomst te worden bepaald.
51. In het onderhavige geval moet derhalve worden vastgesteld of, wat de bepalingen inzake de financiering van communautaire reders voor de geselecteerde visvangstprojecten betreft, de gemeenschappelijke wil van de partijen, waarop de overeenkomst berust, erop was gericht, al was het maar impliciet, slechts één van de partijen exclusief bevoegd te verklaren.
52. Ik ben van mening dat een aandachtige lezing van de bepalingen van de overeenkomst betreffende de te financieren projecten de analyse van het Gerecht bevestigt. Uit deze bepalingen volgt namelijk dat de Gemeenschap verantwoordelijk is voor sommige handelingen ter uitvoering van de overeenkomst, de Argentijnse Republiek voor andere, en de „partijen”, dat wil zeggen de Gemeenschap en de Argentijnse Republiek, verenigd in de gemengde commissie (zie punt 6 van deze conclusie), voor nog andere.
53. Met name bepaalt artikel 5, lid 3, van de overeenkomst dat „[d]e Gemeenschap toe[staat] dat vaartuigen uit de Gemeenschap worden overgenomen”; artikel 6 bepaalt daarentegen dat „[d]e overeenkomstsluitende partijen [...] de projecten [selecteren]”; artikel 7, lid 1, spreekt van „door de overeenkomstsluitende partijen [...] geselecteerde projecten”. Wat protocol I betreft, herinner ik eraan dat artikel 3 daarvan bepaalt dat „de Gemeenschap [...] financiële bijstand [verleent] voor de oprichting van gemengde vennootschappen” (lid 1), en vervolgens onderscheid maakt tussen de steun, verleend aan de communautaire reder en die verleend aan de gemengde vennootschap. Terwijl de eerste „wordt verleend aan reders uit de Gemeenschap” (lid 1), met inachtneming van de voorschriften en de wijze van uitbetaling die in „de in de communautaire wetgeving vastgestelde voorschriften ter zake” zijn vastgelegd (lid 4), wordt de tweede „door de Gemeenschap uitbetaald aan de Argentijnse uitvoerende autoriteit, die bepaalt op welke wijze het geld wordt besteed en beheerd. Argentinië deelt de gemengde commissie mede op welke wijze dit geldt wordt gebruikt” (lid 2).(20)
54. Voorzover hier van belang, kan uit het voorafgaande derhalve worden afgeleid dat de verlening van bijstand aan communautaire reders voor geselecteerde projecten inderdaad een taak is die door de overeenkomst alleen aan de gemeenschapsinstanties is toevertrouwd.
55. Evenmin kan tegen een dergelijke conclusie worden aangevoerd – zoals rekwirante nochtans doet – dat artikel 10, achtste streepje, van de visserijovereenkomst tot de taken van de gemengde commissie de controle „[van] het beheer van de projecten [...] en [...] de besteding van de voor deze projecten bestemde financiële bijstand als bedoeld in artikel 7” rekent. Dit laatste artikel bepaalt namelijk dat de bijstand wordt verleend overeenkomstig de bepalingen van protocol I, dat bij de vaststelling van de procedure voor de verlening van bijstand de bevoegdheden preciseert van elk van de daarbij betrokken autoriteiten. Dit protocol verleent de gemengde commissie enkel een rol bij de verstrekking van bijstand aan gemengde vennootschappen, zoals hierboven aangegeven, en in het kader van de wetenschappelijke en technische samenwerking(21), zonder enige verwijzing naar de aan de communautaire reders uitgekeerde bijstand.
56. Ik ben derhalve van mening dat het Gerecht op goede gronden heeft geconcludeerd dat de verlening van bijstand een eenzijdige handeling ter uitvoering van de visserijovereenkomst vormt die onder de uitsluitende bevoegdheid van de gemeenschapsinstanties valt.
57. Daarmee kom ik bij het tweede onderdeel van het middel, dat betrekking heeft op de uitlegging van bijlage I van de bijstandsbeschikking en met name op de voetnoot volgens welke „[i]n de gegevens van de onderhavige bijlage [...] geen wijziging [mag] worden aangebracht zonder voorafgaande toestemming van de Argentijnse autoriteiten en van de Commissie”.
58. Rekwirante betoogt in wezen dat, aangezien het aan de communautaire reder te betalen bedrag in de bijlage is vastgesteld, het Gerecht ten onrechte heeft geconstateerd dat de bestreden beschikking: i) „ niet [kan] worden beschouwd als een beschikking tot wijziging van ‚de gegevens’ van de aanvankelijke toekenningsbeschikking in de zin van bovengenoemde voetnoot”; ii) moet worden gekwalificeerd als een „autonome beschikking waarbij gevolgen worden verbonden aan de niet-nakoming van de voorwaarden voor bijstandsverlening”(22), voor de vaststelling waarvan de Argentijnse autoriteiten niet hoefden te worden geraadpleegd.
59. De Commissie is van mening dat dit onderdeel van het tweede middel niet-ontvankelijk is om in wezen dezelfde redenen als het eerste middel (zie boven, punt 30).
60. Het komt mij evenwel voor dat deze exceptie moet worden verworpen op dezelfde gronden als de eerste (zie boven, punten 31 e.v.), omdat het door rekwirante aangevoerde bezwaar betrekking heeft op de uitlegging van de bestreden bepaling door het Gerecht.
61. Wat de kern van de zaak betreft, wil ik gaarne toegeven dat de redenering van het Gerecht op dit punt inderdaad te apodictisch is. Evenwel ben ik van mening dat de conclusies waartoe het is gekomen, in wezen moeten worden bekrachtigd.
62. Mijns inziens mag namelijk bij de uitlegging van de bijstandsbeschikking, en derhalve eveneens van de voetnoot in de bijlage, niet worden voorbijgegaan aan het juridische kader waarin de beschikking is vastgesteld, te weten de visserijovereenkomst en inzonderheid de bepalingen waarbij de respectieve bevoegdheden van de Commissie en de Argentijnse autoriteiten ten aanzien van het beheer van de in de overeenkomst voorziene financieringen worden bepaald. Zoals reeds aangetoond, zijn weliswaar beide verantwoordelijk voor de selectie en de evaluatie van de projecten, doch is de bevoegdheid om bijstand aan communautaire reders te verlenen uitsluitend in handen van de Commissie (zie boven, punten 54‑56).
63. Ik ben derhalve van mening dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ondanks de aangehaalde voetnoot te oordelen dat alleen de Commissie de bestreden beschikking kon nemen.
64. Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging het tweede middel in zijn geheel af te wijzen.
C – Het derde middel
65. Met haar derde middel voert rekwirante aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de grief te verwerpen volgens welke de Commissie, door het permanent comité voor de visserijstructuur te raadplegen alvorens over te gaan tot de vermindering van de bijstand, artikel 44 van verordening nr. 4028/86 heeft toegepast. Die toepassing vormt een schending van de visserijovereenkomst, waarin geen enkele rol aan dit comité is toegekend, en is ook ratione temporis niet gerechtvaardigd omdat SAEV haar project voor een gemengde vennootschap had ingediend na 1 januari 1994, de datum waarop deze verordening was ingetrokken (zie boven, punt 16).
66. Rekwirante beroept zich met name op een agenda van het comité, waaruit blijkt dat de Commissie dit had geraadpleegd, en zulks niet ten overvloede maar veeleer om zich te voegen naar de in verordening nr. 4028/86 dwingend voorgeschreven procedure.
67. Dienaangaande herinner ik eraan dat dit bewijs al was geleverd ten overstaan van het Gerecht, dat evenwel van oordeel was dat het feit „[d]at de Commissie conform verordening nr. 4028/86 een Comité heeft geraadpleegd, [niet] bewijst [...] dat de bestreden beschikking [...] op deze verordening was gebaseerd.”(23)
68. Volgens vaste rechtspraak is het Hof in hogere voorziening „niet bevoegd om de feiten vast te stellen noch, in beginsel, om de bewijzen te onderzoeken op basis waarvan het Gerecht deze feiten heeft vastgesteld. Wanneer deze bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedureregels inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn gerespecteerd, staat het alleen aan het Gerecht te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijzen [...]. Deze beoordeling levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs.”(24)
69. Aangezien rekwirante zich noch beroept op een schending van de algemene rechtsbeginselen en de procedureregels inzake de bewijslast, noch op een verdraaiing van de feiten, doch zich ertoe beperkt dezelfde bewijsmiddelen als in eerste aanleg aan het Hof voor te leggen teneinde een tweede opinie te verkrijgen, moet mijns inziens worden vastgesteld dat het middel niet-ontvankelijk is.
70. Derhalve geef ik het Hof in overweging het derde middel niet-ontvankelijk te verklaren.
D – Het vierde middel
71. Met haar vierde middel betoogt SAEV dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie het bedrag van de vermindering van de bijstand op basis van verordening nr. 3699/93 kon berekenen. Inzonderheid zou het Gerecht ten onrechte hebben overwogen dat de Commissie de genoemde verordening alleen naar analogie had toegepast. Volgens rekwirante betreft het in casu een rechtstreekse toepassing van deze verordening en derhalve een schending van de visserijovereenkomst, waarin op geen enkele wijze naar die verordening wordt verwezen.
72. Voor een beter begrip van de argumenten van rekwirante dient om te beginnen te worden herinnerd aan de relevante bepalingen van verordening nr. 3699/93 en te worden nagegaan op welke wijze deze door de Commissie zijn toegepast.
73. In bijlage IV, punt 1.1, van deze verordening zijn de berekeningsmodaliteiten van de uitkeerbare premies vastgesteld. Met name worden in punt 1.1, sub a, de maximale bedragen vastgesteld die kunnen worden uitgekeerd voor de sloop van een vaartuig en voor de oprichting van een gemengde vennootschap; punt 1.1, sub b, bepaalt dat de aan de begunstigden betaalde premies voor de definitieve overbrenging van een vaartuig naar een derde land niet hoger mogen zijn dan de onder a bedoelde maximumbedragen van de slooppremies voor ditzelfde vaartuig, verlaagd met 50 %.
74. In de onderhavige zaak heeft de Commissie geoordeeld dat de niet-nakoming door rekwirante van de voorwaarden voor de verlening van financiële bijstand geen enkele wijziging brengt in het feit dat zij het vaartuig Ibsa Cuarto daadwerkelijk aan de gemengde vennootschap heeft overgedragen. Zij heeft derhalve besloten het definitieve bedrag van de bijstand waarop rekwirante recht had, aldus te berekenen dat het deel van de bijstand dat verband hield met deze overdracht ongewijzigd moest blijven. Daartoe heeft zij zich gebaseerd op de bepalingen van verordening nr. 3699/93 met betrekking tot een soortgelijk geval. Dienovereenkomstig heeft zij het bedrag berekend waarop rekwirante op grond van punt 1.1, sub a, van bijlage IV van de verordening recht zou hebben gehad, en vervolgens dit bedrag met 50 % verminderd. De uitkomst van deze berekening heeft zij beschouwd als het deel van de bijstand waaraan niet mocht worden geraakt, ondanks het feit dat het vaartuig de Argentijnse wateren had verlaten.
75. Rekwirante betoogt dat deze berekening, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, neerkomt op een rechtstreekse toepassing van verordening nr. 3699/93. De Commissie heeft namelijk geen gebruikgemaakt van de aan de visserijovereenkomst gehechte tabellen voor de berekening van het volledige bedrag van de bijstand, dat vervolgens met 50 % had moeten worden verminderd op grond van het in verordening nr. 3699/93 vastgestelde criterium; integendeel, zij heeft zich van dit laatste al bediend om het hypothetische aanvangsbedrag van de bijstand te berekenen, waarop zij vervolgens de vermindering heeft toegepast. Aldus heeft de Commissie ten onrechte het deel van de bijstand dat onveranderd behoorde te blijven, te laag vastgesteld.
76. Ik herinner eraan dat het Gerecht in het bestreden arrest heeft vastgesteld dat noch de twee handelingen waarop de bestreden beschikking berust (verordening nr. 4253/88 en verordening nr. 3447/93), noch de visserijovereenkomst specifieke bepalingen bevatten betreffende het deel van de bijstand dat verschuldigd is wegens de overdracht van een communautair vissersvaartuig. Het Gerecht leidt hieruit af dat „[a]angezien de Commissie voor de berekening van het definitieve bedrag van de aan verzoekster verschuldigde bijstand enkel gebonden was door het evenredigheidsbeginsel, [...] zij zich op goede gronden [heeft] laten leiden door de analogie met de bepalingen van verordening nr. 3699/93 om het bedrag vast te stellen dat zij verzoekster wegens de overdracht van het vaartuig verschuldigd was. Aldus streefde zij er immers naar de behandeling van een in het kader van de visserijovereenkomst opgerichte gemengde vennootschap af te stemmen op die van de gemengde vennootschappen die binnen de werkingssfeer van verordening nr. 3699/93 vallen.”(25)
77. Gelet op het bovenstaande komt het mij voor dat het onderzoek van het onderhavige middel zich moet concentreren op de vraag of de analoge toepassing van de regels van de genoemde verordening een redelijke optie was en geschikt was om de financiële belangen van de Gemeenschap te beschermen, of dat zij integendeel heeft geleid tot een berekening van de definitieve bijstand die voor SAEV buitengewoon nadelig was.
78. In dit verband merk ik op dat bijstand verleend voor de oprichting van een gemengde vennootschap, zowel in het kader van verordening nr. 3699/93 als in dat van de visserijovereenkomst, althans in theorie twee componenten bevat, waarvan de ene verband houdt met de schrapping van een vaartuig uit de communautaire registers en de andere met de financiële deelneming in een gemengde vennootschap.
79. Ofschoon aan de hand van punt 1.1, sub a, van bijlage IV van de verordening op zich het belang van elke component afzonderlijk niet kan worden bepaald, kan uit ditzelfde punt, sub b, wel indirect het maximumbedrag van de met de schrapping verband houdende component worden afgeleid. Aangezien in dit punt, sub b, is bepaald dat voor de definitieve overdracht van een vissersvaartuig, die buiten het kader van de oprichting van een gemengde vennootschap plaatsvindt, bijstand kan worden verleend van hoogstens 50 % van het bedrag dat voor de oprichting van een gemengde vennootschap volgens het bepaalde sub a, is voorzien, volgt daaruit namelijk dat ook in het kader van de „samengestelde” bijstand als bedoeld sub a, de component die verband houdt met de overdracht van het vaartuig, niet meer dan 50 % kan uitmaken van het totale bedrag.
80. Daarentegen kan ik in de visserijovereenkomst geen aanwijzingen vinden op grond waarvan het bedrag van de twee componenten van de bijstand indirect zou kunnen worden vastgesteld. Wanneer de eigenschappen van het vaartuig dezelfde zijn, zie ik evenwel niet in waarom voor de component die verband houdt met zijn schrapping uit het register een hoger maximum moet worden vastgesteld dan in verordening nr. 3699/93 is voorzien, aangezien het structurele voordeel voor de Gemeenschap bij de schrapping hetzelfde is, ongeacht de uiteindelijke bestemming van het vaartuig. Het onderscheid tussen de totale bijstand die een reder in het ene of het andere geval ontvangt, moet mijns inziens ten goede komen van de component die verband houdt met de financiële deelneming in de „joint venture”.
81. Ik ben derhalve van mening dat het Gerecht op goede gronden de door de Commissie gevolgde procedure heeft gekwalificeerd als een analoge toepassing van verordening nr. 3699/93 in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel.
82. Ik voeg hieraan toe dat rekwirante zich hoe dan ook niet over enig nadeel kan beklagen, aangezien de Commissie niet gehouden was het bedrag van de component van de bijstand die verband hield met de schrapping, op het maximumniveau vast te stellen. Punt 1.1, sub b, van bijlage IV bij verordening nr. 3699/93 bepaalt immers dat de premies voor de definitieve overbrenging van een vaartuig naar een derde land niet hoger mogen zijn dan de maximumbedragen van de slooppremies, genoemd sub a, verlaagd met 50 %. Zelfs wanneer de Commissie ervoor had geopteerd het aanvangsbedrag te ontlenen aan de tabellen van de visserijovereenkomst en niet aan de minder genereuze tabellen van de verordening, geloof ik bijgevolg niet dat het evenredigheidsbeginsel, zonder bijkomende nadere bepalingen, de Commissie zou hebben belet het aan rekwirante toekomende bedrag voor de schrapping van het vaartuig op een vergelijkbaar (of lager) niveau vast te stellen dan daadwerkelijk is gebeurd. Zij zou zich immers volstrekt legaal hebben kunnen bedienen van de haar in de genoemde bepaling toegekende discretionaire bevoegdheid om een verlaging van meer dan 50 % toe te passen.
83. Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging het vierde middel af te wijzen.
E – Het vijfde middel
84. Volgens rekwirante had de Commissie de omstandigheid dat het vaartuig Vieirasa XII de Argentijnse wateren had verlaten, als een geval van overmacht moeten beschouwen, te wijten aan de uitputting van de Argentijnse visbestanden en de als gevolg hiervan door de Argentijnse autoriteiten uitgevaardigde visserijbeperkingen en ‑verboden. Door op dit punt anders te beslissen, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
85. De Commissie beroept zich om te beginnen op niet-ontvankelijkheid van dit middel, omdat rekwirante in eerste aanleg op geen enkel ogenblik het bestaan van overmacht heeft ingeroepen.
86. Dienaangaande moet ik er om te beginnen op wijzen dat rekwirante inderdaad, blijkens het dossier van het Gerecht, in eerste aanleg niet heeft betoogd dat de Commissie verplicht was de betrokken omstandigheden als overmacht te kwalificeren. Zij heeft enkel in het kader van het middel „Problemen veroorzaakt door de subsidiaire toepassing van de algemene regelgeving voor gemengde vennootschappen” gewezen op een tegenstrijdigheid tussen de voor de berekening van de verlaging van de bijstand gebruikte methode en het feit dat de Commissie in de loop van de procedure zou hebben erkend dat het vertrek uit de Argentijnse wateren op het moment dat de Argentijnse autoriteiten eenzijdig een visverbod hadden opgelegd, een geval van overmacht vormde.(26)
87. Het Gerecht zelf heeft evenwel erkend dat rekwirante in eerste aanleg had aangevoerd dat het „noodzakelijk was de Argentijnse wateren te verlaten omdat de visbestanden in de Argentijnse EEZ uitgeput waren of omdat de Argentijnse autoriteiten de visserij zelfs hadden verboden of beperkt”.(27)
88. Men kan derhalve niet volledig uitsluiten dat dit middel als een uitbreiding kan worden beschouwd van hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd. Ik geloof echter niet dat het nodig is bij deze vraag lang te blijven stilstaan, omdat het middel mij hoe dan ook kennelijk ongegrond voorkomt.(28)
89. Het volstaat namelijk eraan te herinneren dat volgens vaste rechtspraak „onder ‚overmacht’ [...] niet alleen volstrekte onmogelijkheid [is] te verstaan, doch ook abnormale en onvoorziene omstandigheden die zich buiten toedoen van de ondernemer hebben voorgedaan en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden”.(29) Zelfs wanneer wordt erkend dat de uitputting van de Argentijnse visbestanden en de beperkende maatregelen die daaruit voortvloeiden, abnormale omstandigheden waren, konden zij evenwel, zoals de Commissie terecht opmerkt, beslist niet als onvoorziene omstandigheden worden beschouwd. Ik meen dan ook te kunnen stellen, zonder de andere bezwaren van rekwirante in het kader van dit middel te hoeven onderzoeken, dat de genoemde omstandigheden niet als een geval van overmacht kunnen worden gekwalificeerd.
90. Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging het vijfde middel af te wijzen.
F – Het zesde middel
91. Met haar laatste middel verwijt SAEV het Gerecht de visserijovereenkomst te hebben geschonden door te verklaren dat „op de begunstigden van communautaire financiële bijstand een verplichting tot informatie en loyale samenwerking rust [die] inherent [is] aan een dergelijke bijstandsregeling en essentieel voor de goede werking ervan [en dat verzoeksters] [o]vereenkomstig deze verplichting […] de Commissie [hadden] moeten inlichten over de problemen bij de uitvoering van de projecten”.(30)
92. Het Gerecht zou bovendien blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat „[d]e door de gemengde vennootschappen geëxploiteerde vaartuigen [...] de Argentijnse EEZ in elk geval niet zonder voorafgaande toestemming van de Commissie [mochten] verlaten, aangezien de exploitatie of de verwerking van de Argentijnse visbestanden een van de voornaamste voorwaarden voor toekenning van de communautaire financiële bijstand vormde.”(31)
93. Volgens rekwirante was de uitdrukkelijke toestemming van de Argentijnse autoriteiten waarover zij beschikte, op zich al voldoende om het vertrek uit de Argentijnse wateren te rechtvaardigen, in aanmerking genomen, enerzijds, dat het bij uitsluiting aan deze autoriteiten staat om de activiteiten van de vissersvaartuigen te regelen en, anderzijds, dat de Commissie hoe dan ook via de gemengde commissie van het gebeurde op de hoogte is gebracht.
94. Ten slotte voert rekwirante aan dat, aangezien de Commissie door het verbond van gemengde vennootschappen op de hoogte was gebracht van de uitputting van de visbestanden en van de door de Argentijnse autoriteiten getroffen maatregelen, het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te stellen dat „[i]ndien de Commissie correct was geïnformeerd, [...] zij eventuele maatregelen [had] kunnen nemen om de visserijovereenkomst overeenkomstig artikel 9, lid 1, daarvan aan te passen aan de nieuwe omstandigheden.”(32)
95. Ik herinner eraan dat ik bij het onderzoek van het tweede middel al tot de conclusie ben gekomen dat het Gerecht op goede gronden de bijstandsbeschikking als een eenzijdige communautaire handeling heeft beschouwd (zie boven, punt 56). Ik behoef daaraan derhalve alleen nog toe te voegen dat, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, ingevolge artikel 24 van verordening nr. 4253/88 elke belangrijke wijziging van een project door de Commissie moet worden goedgekeurd. Aangezien de bestreden beschikking behoort tot de communautaire component van de visserijovereenkomst, kon de goedkeuring van de Argentijnse autoriteiten alleen niet opwegen tegen het feit dat de Commissie hierbij niet was betrokken.
96. Evenals het Hof wijs ik er voorts op, dat het „voor de goede werking van het stelsel dat een controle van een passend gebruik van gemeenschapsfondsen mogelijk maakt onontbeerlijk [is], dat de aanvragers van bijstand de Commissie betrouwbare informatie verstrekken die haar niet op een dwaalspoor kan brengen”.(33)
97. De schending van deze informatie‑ en loyaliteitsplicht impliceert derhalve ipso facto dat de Commissie bevoegd is de toegekende bijstand te verminderen, ongeacht of zij de informatie langs een andere weg zou kunnen verkrijgen en ongeacht de consequenties die deze informatie kan hebben.
98. Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging het laatste middel eveneens af te wijzen.
G – Afsluitende overwegingen
99. Aangezien alle door SAEV aangevoerde middelen mijns inziens niet-ontvankelijk of ongegrond zijn, geef ik het Hof in overweging de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen.
IV – Kosten
100. Gelet op artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering en mijn conclusie dat de hogere voorziening dient te worden afgewezen, ben ik van mening dat rekwirante in de kosten moet worden verwezen.
V – Conclusie
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 3 april 2003, Vieira e.a./Commissie (T‑44/01, T‑119/01 en T‑126/01), ingestelde hogere voorziening af te wijzen en rekwirante in de kosten van beide instanties te verwijzen.
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – Jurispr. blz. II‑1209.
3 – Overeenkomst inzake de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Argentijnse Republiek op het gebied van de zeevisserij (PB 1993, L 318, blz. 2; hierna: „visserijovereenkomst” of alleen „overeenkomst”).
4 – Beschikking C(2001) 680 def., niet gepubliceerd.
5 – PB L 318, blz. 1.
6 – PB L 374, blz. 1. Deze verordening werd gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2082/93 van de Raad van 20 juli 1993 (PB L 193, blz. 20).
7 – PB L 346, blz. 1.
8 – PB L 376, blz. 7. Deze verordening is achtereenvolgens gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3944/90 van de Raad van 20 december 1990 (PB L 380, blz. 1), verordening (EEG) nr. 2794/92 van de Raad van 21 september 1992 (PB L 282, blz. 3) en verordening (EEG) nr. 3946/92 van de Raad van 19 december 1992 (PB L 401, blz. 1).
9 – Zie artikel 9 van verordening (EEG) nr. 2080/93 van 20 juli 1993 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot het financieringsinstrument voor de oriëntatie van de visserij (PB L 193, blz. 1).
10 – Officieuze vertaling van de Spaanse versie van de beschikking.
11 – Punt 41.
12 – Punt 94.
13 – Arrest van 29 april 2004, IPK-München/Commissie (C‑199/01 P en 200/01 P, nog niet in de Jurisprudentie gepubliceerd, punten 48 en 49). Zie voorts beschikking van 25 maart 1998, FFSA e.a./Commissie (C‑174/97 P, Jurispr. blz. I‑1303, punt 24), en arrest van 6 maart 2003. Interporc/Commissie (C‑41/00 P, Jurispr. blz. I‑2125, punt 16).
14 – Arrest IPK-München/Commissie, reeds aangehaald, punt 50. Zie bovendien arrest van 13 juli 2000, Salzgitter/Commissie (C‑210/98 P, Jurispr. blz. I‑5843, punt 43), alsmede beschikking van 11 november 2003, Martinez/Parlement (C‑488/01 P, Jurispr. blz. I‑13355, punt 39).
15 – Punt 85.
16 – Punt 86.
17 – Punten 87‑89.
18 – Punten 90 en 91. Het letterlijk weergegeven deel komt voor in punt 91.
19 – Punt 92.
20 – Cursivering van mij.
21 – Zie artikel 4, lid 2, van protocol I.
22 – Zie punt 110.
23 – Punt 158.
24 – Arrest van 12 februari 2004, Hortiplant/Commissie (C‑330/01 P, Jurispr. blz. I‑1763, punt 36). Zie bovendien arresten van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie (C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punt 24), en 7 november 2002, Glencore en Compagnie Continentale/Commissie (C‑24/01 P en C‑25/01 P, Jurispr. blz. I‑10119, punt 65).
25 – Punt 163.
26 – Punt 105 van het verzoekschrift in eerste aanleg.
27 – Punt 123, cursivering van mij.
28 – Zie arrest van 26 februari 2002, Raad/Boehringer (C‑23/00 P, Jurispr. blz. I‑1873, punten 51 en 52), waaruit volgt dat de communautaire rechter om proceseconomische redenen een beroep als ongegrond kan afwijzen zonder zich te hoeven uitspreken over de door de verwerende partij ingediende excepties van niet-ontvankelijkheid.
29 – Arrest van 17 oktober 2002, Parras Medina (C‑208/01, Jurispr. blz. I‑8955, punt 19, en de daarin aangehaalde rechtspraak).
30 – Punt 124.
31 – Punt 125.
32 – Punt 124.
33 – Arrest van 24 januari 2002, Conserve Italia/Commissie (C‑500/99 P, Jurispr. blz. I‑867, punt 100), waarbij het arrest van het Gerecht van 12 oktober 1999, Conserve Italia/Commissie (T‑216/96, Jurispr. blz. II‑3139, punt 71) werd bekrachtigd. Zie voorts arresten Gerecht van 17 oktober 2002, Astipesca/Commissie (T‑180/00, Jurispr. blz. II‑3985, punt 93), en 28 januari 2004, Euroagri/Commissie (T‑180/01, Jurispr. blz. II‑369, punt 83).
Full & Egal Universal Law Academy