CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 14 april 2005 (1)
Zaak C‑270/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Italiaanse Republiek
„Niet-nakoming – Schending artikel 12 van richtlijn 75/442/EEG betreffende afvalstoffen, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG – Ondernemingen die beroepsmatig eigen afvalstoffen inzamelen of vervoeren – Registratieplicht – Register”
I – Inleiding
1. De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door ondernemingen die hun eigen ongevaarlijke afvalstoffen inzamelen en vervoeren als een gebruikelijke en regelmatige activiteit, en door ondernemingen die hun eigen gevaarlijke afvalstoffen vervoeren in hoeveelheden van hoogstens 30 kilogram en 30 liter per dag, krachtens het nationale recht niet te verplichten tot inschrijving in het nationale register, de krachtens artikel 12 van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen(2), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991(3), op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2. In de onderhavige zaak is vooral de vraag aan de orde in hoeverre ondernemingen die hun eigen (gevaarlijke of ongevaarlijke) afvalstoffen inzamelen of vervoeren, moeten worden aangemerkt als „ondernemingen die beroepsmatig afvalstoffen inzamelen of vervoeren” in de zin van artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn en dus moeten worden onderworpen aan een registratieplicht.
II – Rechtskader
A – Gemeenschapsrecht
3. Artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn luidt als volgt:
„Inrichtingen of ondernemingen die beroepsmatig afvalstoffen inzamelen of vervoeren of die ten behoeve van anderen regelingen treffen voor de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen (handelaars of makelaars), dienen zich, indien zij niet aan een vergunning zijn onderworpen, bij de bevoegde instanties te laten registreren.”
B – Italiaans recht
4. Artikel 30, lid 4, van wetsdecreet nr. 22 van 5 februari 1997, zoals gewijzigd bij wet nr. 426 van 9 december 1998 (hierna: „wetsdecreet”), bepaalt het volgende:
„De ondernemingen die ongevaarlijke, door derden geproduceerde afvalstoffen inzamelen en vervoeren, alsmede de ondernemingen die gevaarlijke afvalstoffen inzamelen en vervoeren, dienen zich in te schrijven in het register(4), tenzij het gaat om het vervoer van gevaarlijke afvalstoffen van hoogstens 30 kilogram of 30 liter per dag door de producent van de betrokken afvalstoffen.”
III – Precontentieuze procedure en procedure voor het Hof
5. Omdat de Commissie van mening was dat artikel 30, lid 4, van het wetsdecreet in strijd was met artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn, heeft zij bij brief van 24 oktober 2001 een niet-nakomingsprocedure volgens artikel 226 EG ingeleid tegen de Italiaanse Republiek.
6. De Italiaanse regering heeft bij brief van 27 februari 2002 de aanmaning van de Commissie afgewezen op grond van een notitie van het Ministero dell’Ambiente e della Tutela del territorio (ministerie van Milieu en Bescherming van het grondgebied).
7. Aangezien de Commissie door deze argumentatie niet was overtuigd, heeft zij de Italiaanse regering op 27 juni 2002 een met redenen omkleed advies gestuurd en haar verzocht aan dit advies te voldoen binnen twee maanden na de betekening ervan.
8. Daar zij op dit advies geen antwoord ontving, heeft de Commissie bij verzoekschrift van 17 juni 2003, ingeschreven ter griffie van het Hof op 24 juni 2003, het onderhavige beroep ingesteld.
9. De Commissie verzoekt het Hof
– vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door in artikel 30, lid 4, van wetsdecreet nr. 22 van 5 februari 1997, zoals gewijzigd bij wet nr. 426 van 9 december 1998, ondernemingen toe te staan hun eigen ongevaarlijke afvalstoffen in te zamelen en te vervoeren als een gebruikelijke en regelmatige activiteit, zonder verplichting tot inschrijving in het nationale register van ondernemingen die afvalverwijderingsdiensten verrichten, en hun eigen gevaarlijke afvalstoffen te vervoeren in hoeveelheden van hoogstens 30 kilogram en 30 liter per dag zonder verplichting tot inschrijving in genoemd register, de krachtens artikel 12 van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991, op haar rustende verplichtingen niet nagekomen;
– de Italiaanse Republiek in de kosten te verwijzen.
IV – Beoordeling van het beroep
A – Voornaamste argumenten van partijen
10. De Commissie stelt dat krachtens artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn alle ondernemingen die beroepsmatig afvalstoffen inzamelen of vervoeren, of het nu gaat om ongevaarlijke of gevaarlijke afvalstoffen, zich zonder onderscheid bij de bevoegde autoriteiten moeten laten registreren. Het begrip ondernemingen die afvalstoffen „beroepsmatig” inzamelen of vervoeren, omvat niet enkel ondernemingen die deze activiteiten ten behoeve van anderen uitoefenen, maar ook ondernemingen die als nevenactiviteit, naast hun gebruikelijke bedrijfswerkzaamheden, hun eigen afvalstoffen inzamelen of vervoeren en daarmee economisch voordeel behalen. Dit heeft het Hof ook vastgesteld in de motivering van zijn beschikking in de zaak C‑311/99.(5)
11. Deze uitlegging komt overeen met de systematiek en de doelstellingen van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn, in het bijzonder met de noodzaak om afvalstoffen vanaf hun ontstaan tot aan hun definitieve verwijdering onder toezicht te houden, zoals in de twaalfde overweging van de considerans van de richtlijn wordt verklaard. Aangezien de registratieplicht dit toezicht mogelijk maakt, is geen sluitend toezicht op afvalstoffen meer gewaarborgd wanneer ondernemingen die hun eigen afvalstoffen inzamelen of vervoeren, worden uitgezonderd van de registratieplicht in de zin van artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn.
12. Artikel 30 van het wetsdecreet voorziet daarentegen alleen in een registratieplicht voor ondernemingen die door derden geproduceerde afvalstoffen inzamelen of vervoeren, hetgeen dus niet strookt met het begrip ondernemingen die „beroepsmatig” afvalstoffen inzamelen of vervoeren in de zin van artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn.
13. Artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn voorziet bovendien niet in een kwantitatieve beperking, hetgeen betekent dat de in artikel 30 van het wetsdecreet gemaakte uitzondering op de registratieplicht voor ondernemingen die gevaarlijke afvalstoffen vervoeren in hoeveelheden van hoogstens 30 kilogram en 30 liter per dag, eveneens in strijd is met de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn.
14. De Italiaanse regering voert aan dat geen bepaling van gemeenschapsrecht voorschrijft dat de inzameling en het vervoer van afvalstoffen door derden moet worden verricht. Doorslaggevend is dat het doel van toezicht op de afvalstoffencyclus wordt verwezenlijkt. Krachtens de richtlijn is de houder voor de afvalstoffen verantwoordelijk tot het moment waarop hij zich met het oog op hergebruik, terugwinning of verwijdering ervan ontdoet. De registratieplicht van artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn dient derhalve het toezicht op de afvalstoffen vanaf het moment waarop deze niet meer onder de verantwoordelijkheid van de afvalproducent vallen. De producent van de afvalstoffen „ontdoet” zich hiervan pas wanneer hij ze afgeeft aan een onderneming die zorg draagt voor de nuttige toepassing of verwijdering van de afvalstoffen. Tot dit tijdstip vallen de afvalstoffen sowieso onder zijn verantwoordelijkheid en is registratie van de producent dus niet noodzakelijk ten behoeve van het toezicht.
15. Volgens de Italiaanse regering brengt het begrip „beroepsmatig” in artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn enerzijds tot uitdrukking dat het om een regelmatige activiteit gaat. Anderzijds kan het in die zin worden begrepen dat de betrokken ondernemer over de noodzakelijke kennis en ervaring moet beschikken om deze activiteit te verrichten. Indien de door de Commissie bepleite uitlegging van het begrip werd gevolgd, zouden duizenden ondernemingen zich moeten laten registreren, waardoor de controleerbaarheid door de autoriteiten op de tocht zou komen te staan. Ten slotte mochten de gevaarlijkheid van de afvalstoffen en hun hoeveelheid in aanmerking worden genomen bij de omzetting van het in de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn vastgelegde toezichtstelsel.
B – Beoordeling
16. De Commissie bekritiseert dat artikel 30, lid 4, van het wetsdecreet voor ondernemingen die hun eigen afvalstoffen inzamelen of vervoeren ofwel – in het geval van ongevaarlijke afvalstoffen – helemaal niet dan wel – in het geval van gevaarlijke afvalstoffen – slechts vanaf een bepaalde hoeveelheid (in casu 30 kilogram of 30 liter per dag) voorziet in een registratieplicht.
17. In casu gaat het er derhalve om, enerzijds of krachtens artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn ook voor ondernemingen die eigen afvalstoffen inzamelen of vervoeren, moet worden voorzien in een registratieplicht, en anderzijds of aan deze registratieplicht – althans ten aanzien van gevaarlijke afvalstoffen – een kwantitatieve beperking zoals in casu mag worden gesteld.
18. Ik begin met de vraag of ondernemingen die eigen afvalstoffen inzamelen of vervoeren, eigenlijk wel onder artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn vallen. Hierbij is van belang dat de verwijdering en nuttige toepassing van eigen afvalstoffen in voornoemde richtlijn duidelijker is geregeld dan het inzamelen en vervoeren van eigen afvalstoffen.
19. Zo bepaalt artikel 8 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat iedere houder van afvalstoffen, voorzover hij deze niet afgeeft aan een particuliere of openbare ophaler of een onderneming die de verwijdering of nuttige toepassing ervan verricht, zelf zorg draagt voor de nuttige toepassing of de verwijdering van de afvalstoffen in overeenstemming met de bepalingen van deze richtlijn. Volgens de elfde overweging van de considerans van de wijzigingsrichtlijn afvalstoffen kunnen ondernemingen die hun afval zelf behandelen of voor nuttige toepassing van afvalstoffen zorgen, onder bepaalde voorwaarden en vooropgesteld dat zij de milieuvoorschriften in acht nemen, van de vereiste vergunning worden vrijgesteld, maar dienen zij wel geregistreerd te worden. De desbetreffende regeling is opgenomen in artikel 11, leden 1 en 2, van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn.
20. De gewijzigde afvalstoffenrichtlijn rept daarentegen niet uitdrukkelijk van ondernemingen die hun eigen afvalstoffen inzamelen of vervoeren. Volgens de twaalfde overweging van de considerans dienen echter ook „andere ondernemingen die met afvalstoffen te maken hebben, zoals ophalers, vervoerders of makelaars” aan een vergunning‑ of registratieplicht en aan een passende controle te worden onderworpen.
21. Artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn bepaalt spiegelbeeldig dat de vergunnings‑ of registratieplicht van toepassing is op „inrichtingen of ondernemingen die beroepsmatig afvalstoffen inzamelen of vervoeren of die ten behoeve van anderen regelingen treffen voor de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen (handelaars of makelaars)”.
22. Puur uitgaande van de bewoordingen van de twaalfde overweging van de considerans van de wijzigingsrichtlijn afvalstoffen en van artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn lijkt het op het eerste gezicht erop dat dit artikel alleen is bedoeld voor de in de afvalsector werkzame inzamelings‑ en vervoersondernemingen en niet voor ondernemingen die eigenlijk op een ander gebied actief zijn, maar daarnaast ook hun eigen afvalstoffen inzamelen en vervoeren.
23. Met de Commissie ben ik echter van mening dat uit de ontstaansgeschiedenis van deze bepaling en de algemene systematiek van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn volgt dat artikel 12 ook ondernemingen bedoelt te omvatten die hun eigen afvalstoffen inzamelen of vervoeren.
24. In dit verband herinner ik eraan dat de oorspronkelijke versie van de afvalstoffenrichtlijn onderscheid maakte tussen twee categorieën ondernemingen, waarvoor uiteenlopende voorwaarden golden op het vlak van de milieubescherming.
25. Tot de eerste categorie behoorde „elke onderneming die ten behoeve van derden afvalstoffen behandelt, opslaat of stort”. Deze ondernemingen dienden over een vergunning te beschikken (artikel 8 van de oorspronkelijke versie van de afvalstoffenrichtlijn) en werden periodiek gecontroleerd door de bevoegde instantie (artikel 9 van de oorspronkelijke versie van de afvalstoffenrichtlijn).
26. In de tweede categorie vielen „ondernemingen die hun eigen afvalstoffen vervoeren, ophalen, opslaan, storten of behandelen alsmede die welke ten behoeve van derden afvalstoffen ophalen of vervoeren”. Deze ondernemingen stonden alleen maar onder „toezicht” van de bevoegde instantie (artikel 10 van de oorspronkelijke versie van de afvalstoffenrichtlijn).
27. In de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn komt „toezicht” door de bevoegde instantie als zelfstandige maatregel daarentegen niet meer voor.
28. In plaats daarvan valt thans een deel van de ondernemingen uit de tweede categorie – namelijk de ondernemingen die hun eigen afvalstoffen behandelen, opslaan of storten – in de volgens de artikelen 9 en 10 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn vergunningplichtige categorie ondernemingen die afvalstoffen verwijdert of nuttig toepast, of, voorzover zij voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling van de vergunningsplicht in de zin van artikel 11, lid 1, zijn zij overeenkomstig lid 2 van dit artikel in elk geval registratieplichtig.
29. Wat de overige ondernemingen betreft die door artikel 10 van de oorspronkelijke versie van de afvalstoffenrichtlijn werden bestreken, namelijk ondernemingen die – eigen of door derden geproduceerde – afvalstoffen inzamelen of vervoeren, staat vast dat thans in elk geval ondernemingen die door derden geproduceerde afvalstoffen inzamelen of vervoeren, onder artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn vallen en dus moeten worden geregistreerd, voorzover zij niet over een vergunning dienen te beschikken.
30. Al met al kan dus worden vastgesteld dat de ondernemingen die hun afvalstoffen zelf behandelen, opslaan of storten – en die ingevolge artikel 10 van de oorspronkelijke versie van de afvalstoffenrichtlijn onder toezicht van de bevoegde instantie stonden – evenals de ondernemingen die door derden geproduceerde afvalstoffen inzamelen of vervoeren, krachtens de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn aan een vergunnings‑ of registratieplicht zijn onderworpen. Dit betekent dat zij overeenkomstig artikel 13 van deze richtlijn door de bevoegde instanties periodiek op passende wijze moeten worden gecontroleerd.
31. Het is echter onwaarschijnlijk dat de bij de wijzigingsrichtlijn afvalstoffen doorgevoerde versterking van de doeltreffendheid van de controle – een vergunning‑ of registratieplicht en periodieke, passende controles in plaats van eenvoudig toezicht – niet zou gelden voor ondernemingen die hun eigen afvalstoffen inzamelen of vervoeren.
32. In het bijzonder bevat de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn afvalstoffen, afgezien van artikel 12, geen specifieke controlemaatregel die betrekking heeft op ondernemingen die afvalstoffen inzamelen of vervoeren. Indien artikel 12 dus inderdaad in die zin zou moest worden uitgelegd dat het niet ook doelt op ondernemingen die hun eigen afvalstoffen inzamelen en vervoeren, dan zou de wijzigingsrichtlijn afvalstoffen in dit opzicht niet tot hoger beschermingniveau en doeltreffender controles hebben geleid, maar juist tot een verslechtering, aangezien de oorspronkelijke versie van de afvalstoffenrichtlijn tenminste nog voorzag in toezicht op deze ondernemingen door de bevoegde instantie. De Commissie heeft bovendien terecht benadrukt dat een dergelijke uitlegging op gespannen voet zou staan met de twaalfde overweging van de considerans van de wijzigingsrichtlijn afvalstoffen, waarin staat dat „afvalstoffen vanaf hun ontstaan tot aan hun definitieve verwijdering onder toezicht” moeten worden gehouden.
33. Het feit dat een onderneming die haar eigen afvalstoffen inzamelt of vervoert, op grond van artikel 8 of ook artikel 4 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn tot het tijdstip van afgifte aan een onderneming die nuttig toepast of verwijdert toch al als houder „verantwoordelijk” is voor deze afvalstoffen – zij is onderworpen aan het verbod op ongecontroleerde verwijdering en aan de verplichting om de afvalstoffen aan een geschikte onderneming af te geven – pleit in tegenstelling tot de opvatting van de Italiaanse regering niet ertegen dat voor deze onderneming het vergunning‑ of registratievereiste van de artikelen 12 en 13 van deze richtlijn geldt. Ingevolge de artikelen 4 en 8 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn geldt namelijk ook voor ondernemingen die hun eigen afvalstoffen nuttig toepassen of verwijderen, het algemene verbod op ongecontroleerde verwijdering en het gebod om de nuttige toepassing of verwijdering te waarborgen met inachtneming van de bepalingen van de richtlijn. Desondanks zijn deze ondernemingen krachtens de artikelen 9, 10 en 11 van deze richtlijn onderworpen aan een vergunning‑ of registratieplicht en ingevolge artikel 12 ervan aan periodieke, passende controles.
34. Ik stel derhalve vast dat volgens artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn principieel ook voor ondernemingen die hun eigen afvalstoffen inzamelen of bevorderen, moet worden voorzien in een registratieplicht, voorzover zij niet aan een vergunningsplicht zijn onderworpen.
35. Er moet echter nog worden onderzocht wat de betekenis is van het begrip „beroepsmatig” in artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn.
36. Artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn heeft, zoals ik heb vastgesteld, niet alleen betrekking op ondernemingen die als inzamelaar of vervoerder in de afvalsector actief zijn, maar ook op ondernemingen met andere bedrijfswerkzaamheden, die alleen als nevenactiviteit hun eigen afvalstoffen inzamelen of vervoeren. Het lijkt mij dan ook niet juist, het begrip „beroepsmatig” primair kwantitatief, dat wil zeggen in de zin van het economische voordeel of de rentabiliteit voor de betrokken ondernemingen, op te vatten.
37. De toevoeging „beroepsmatig” is mijns inziens veeleer beperkend bedoeld. Niet iedere onderneming die af en toe of bij uitzondering afvalstoffen produceert en vervolgens zelf vervoert naar een onderneming die deze inzamelt, nuttig toepast of verwijdert, dient onderworpen te zijn aan de registratieplicht van artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn. Daarentegen stellig wel ondernemingen waarvan de bedrijfswerkzaamheden regelmatig of gebruikelijk aanleiding geven tot het vervoer of de inzameling van eigen afvalstoffen, dus als het ware kenmerkend zijn voor die werkzaamheden.
38. Ik stem dan ook in met de in wezen door beide partijen bepleite opvatting, dat de toevoeging „beroepsmatig” aangeeft dat het bij het inzamelen of het vervoer van afvalstoffen om een activiteit moet gaan die de onderneming regelmatig of gebruikelijk in het kader van haar eigenlijke bedrijfswerkzaamheden verricht.
39. Aangaande de kwantitatieve limiet van 30 kilogram of 30 liter per dag die in het wetsdecreet is vastgesteld voor de registratieplicht in het geval van ondernemingen die hun eigen gevaarlijke afvalstoffen inzamelen of vervoeren, constateer ik dat het begrip „beroepsmatig” in artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn weliswaar onscherp is en de lidstaten daardoor bij de omzetting een zekere beoordelingsbevoegdheid laat. Aangezien dit begrip echter niet, zoals blijkbaar door de Italiaanse regering aangenomen, betrekking heeft op de rentabiliteit van het inzamelen of het vervoer van de eigen afvalstoffen, staat artikel 12 mijns inziens niet toe, ondernemingen die dagelijks hoogstens 30 kilogram of 30 liter eigen gevaarlijke afvalstoffen inzamelen of vervoeren, in algemene zin van de registratieplicht uit te sluiten.
40. Anders gezegd, een onderneming die dagelijks hoogstens 30 kilogram of 30 liter eigen gevaarlijke afvalstoffen inzamelt of vervoert, kan wel degelijk worden beschouwd als een onderneming die een dergelijke activiteit als gebruikelijk onderdeel van haar bedrijfswerkzaamheden uitoefent.
41. Overigens heeft de Commissie terecht erop gewezen dat artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn onvoorwaardelijk is geformuleerd en geen aanwijzing bevat waaruit blijkt dat de registratieplicht pas vanaf een bepaalde hoeveelheid zou moeten gelden. De Italiaanse regering heeft ook niet nader toegelicht op grond van welke overwegingen deze minimumhoeveelheid is vastgelegd.
42. In het licht van het voorgaande stel ik derhalve vast dat het wetsdecreet, voorzover het ondernemingen die hun eigen ongevaarlijke afvalstoffen inzamelen of vervoeren in algemene zin uitsluit van de registratieplicht, in strijd is met de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 12 van de gewijzigde afvalstoffenrichtlijn. Tevens stel ik vast dat het wetsdecreet met dit artikel in strijd is voorzover het ondernemingen die eigen gevaarlijke afvalstoffen in hoeveelheden van hoogstens 30 kilogram en 30 liter per dag inzamelen en vervoeren, uitzondert van de registratieplicht.
43. Het beroep van de Commissie is derhalve gegrond.
V – Kosten
44. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dat is gevorderd. Daar de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, stel ik voor haar in de kosten te verwijzen.
VI – Conclusie
45. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
– vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door in artikel 30, lid 4, van wetsdecreet nr. 22 van 5 februari 1997, zoals gewijzigd bij wet nr. 426 van 9 december 1998, ondernemingen toe te staan hun eigen ongevaarlijke afvalstoffen in te zamelen en te vervoeren als een gebruikelijke en regelmatige activiteit, zonder verplichting tot inschrijving in het nationale register van ondernemingen die afvalverwijderingsdiensten verrichten, en hun eigen gevaarlijke afvalstoffen te vervoeren in hoeveelheden van hoogstens 30 kilogram en 30 liter per dag zonder verplichting tot inschrijving in genoemd register, de krachtens artikel 12 van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991, op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
– de Italiaanse Republiek in de kosten te verwijzen.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 194, blz. 39 (hierna: „oorspronkelijke versie van de afvalstoffenrichtlijn”).
3 – PB L 78 , blz. 32 (hierna: „wijzigingsrichtlijn afvalstoffen”; hierna, voor de bij deze richtlijn gewijzigde versie van de afvalstoffenrichtlijn: „gewijzigde afvalstoffenrichtlijn” ).
4 – Nationaal register van ondernemingen die afvalverwijderingsdiensten verrichten.
5 – Beschikking van het Hof op basis van artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van 29 mei 2001 in de zaak Caterino (C‑311/99, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 25).
Full & Egal Universal Law Academy