CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 14 april 2005 (1)
Zaak C‑276/03 P
Scott SA
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Onrechtmatige staatssteun – Toepassing in tijd van verordening (EG) nr. 659/1999 – Beschikking inzake onverenigbaarheid en terugvordering van steun – Verjaringstermijn – Stuiting – Noodzaak om begunstigde van steun in te lichten over stuitingsmaatregel”
1. In de onderhavige hogere voorziening, die tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 10 april 2003, Scott/Commissie(2) is ingesteld, gaat het in wezen om de vraag, wanneer in staatssteunprocedures een verjaringstermijn wordt gestuit krachtens artikel 15 van verordening (EG) nr. 659/1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (thans artikel 88 EG).(3)
2. Kan, meer in het bijzonder, deze termijn door een verzoek om informatie worden gestuit dat de Commissie heeft gericht tot de nationale autoriteiten die steun aan een onderneming hebben verleend, wanneer die onderneming niet op de hoogte is van het verzoek?
3. Aan deze vraag ligt een verschil van mening ten grondslag betreffende de positie van de begunstigde van een niet-aangemelde steunmaatregel in het kader van een door de Commissie naar die steun ingesteld onderzoek.
Relevante regelgeving
4. Artikel 88 EG bepaalt dat de Commissie op de hoogte wordt gebracht van alle door de overheid aan ondernemingen verleende steunmaatregelen en dat zij deze aan een onderzoek onderwerpt. Ingevolge artikel 88, lid 2, EG kan de Commissie, na de betrokken partijen in de gelegenheid te hebben gesteld hun opmerkingen te maken, naar gelang het door haar ingenomen standpunt, van een lidstaat eisen dat deze een bepaalde steunmaatregel opheft of wijzigt.
5. Verordening nr. 659/1999 is vastgesteld om, met het oog op een grotere transparantie en rechtszekerheid, de consistente praktijk die de Commissie voor de toepassing van artikel 88 EG heeft ontwikkeld en vastgesteld, te codificeren. Zij trad in werking op 16 april 1999.
6. De artikelen 2 tot en met 9 van deze verordening gaan over de procedure betreffende aangemelde steun. Indien de Commissie na een eerste onderzoek twijfel heeft over de verenigbaarheid van een steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt, moet zij ingevolge artikel 4, lid 4,(4) een formele onderzoeksprocedure inleiden. Deze, in de artikelen 6 en 7 geregelde procedure voorziet erin dat de lidstaten en andere belanghebbenden hun opmerkingen indienen. Indien de Commissie vaststelt dat de steunmaatregel niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, moet zij ingevolge artikel 7, lid 5, een „negatieve beschikking” geven.
7. De artikelen 10 tot en met 15 van deze verordening gaan over de procedure betreffende onrechtmatige – dat betekent in deze context niet-aangemelde – steun. Volgens artikel 10, leden 1 en 2, moet de Commissie, indien zij uit welke bron ook over informatie beschikt met betrekking tot beweerdelijk onrechtmatige steun, die informatie onverwijld aan een onderzoek onderwerpen. Zo nodig moet zij de betrokken lidstaat om informatie verzoeken. Krachtens artikel 13, lid 1, moet het onderzoek, zo nodig, resulteren in een beschikking tot inleiding van de in de artikelen 6 en 7 van diezelfde verordening geregelde formele onderzoeksprocedure.
8. Indien de Commissie alsdan een negatieve beschikking neemt, moet zij van de lidstaat eisen dat deze de steun overeenkomstig artikel 14 van de verordening terugvordert.
9. Artikel 15 van de verordening luidt:
„1. De bevoegdheden van de Commissie om steun terug te vorderen(5) verjaren na een termijn van tien jaar.
2. Deze termijn gaat in op de dag waarop de onrechtmatige steun als individuele steun of in het kader van een steunregeling aan de begunstigde is verleend. Door elke maatregel van de Commissie of een op haar verzoek optredende lidstaat ten aanzien van de onrechtmatige steun wordt de verjaring gestuit. Na elke stuiting begint de termijn van voren af aan te lopen. De verjaring wordt geschorst, zolang over de beschikking van de Commissie een beroep aanhangig is bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
3. Steun ten aanzien waarvan de verjaringstermijn is verstreken, wordt als bestaande steun beschouwd.”
10. De in artikel 15 vervatte verjaringstermijn maakte geen deel uit van de voorheen bestaande, bij verordening vastgelegde praktijk.(6) Zo wordt in de considerans van de verordening overwogen(7) dat „ter wille van de rechtszekerheid een termijn van tien jaar dient te worden vastgesteld, na het verstrijken waarvan geen terugvordering van onrechtmatige steun meer kan worden bevolen”.
Feiten en procesverloop
11. Scott SA (tot november 1987 Bouton Brochard Scott SA; hierna: „Scott”) is een in Frankrijk gevestigd bedrijf dat toilet‑ en huishoudpapier fabriceert.
12. Bij overeenkomst van 31 augustus 1987 hebben de stad Orléans en het departement Loiret aan Scott tegen preferentiële voorwaarden een terrein van 48 hectare op het industrieterrein La Saussaye verkocht (hierna: „litigieuze steun”).
13. Nadat in december 1996 een klacht was ingediend, heeft de Commissie bij brief van 17 januari 1997 de Franse autoriteiten om nadere inlichtingen verzocht, hetgeen tot een briefwisseling heeft geleid.
14. Bij besluit van 20 mei 1998 heeft de Commissie de procedure van artikel 88, lid 2, EG ingeleid. Zij heeft daarvan de Franse autoriteiten bij brief van 10 juli 1998 op de hoogte gebracht.
15. Andere belanghebbenden zijn op 30 september 1998 van het besluit op de hoogte gebracht door de bekendmaking van laatstgenoemde brief in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.(8) Op diezelfde dag hebben de Franse autoriteiten Scott ook telefonisch op de hoogte gebracht van het besluit.
16. Op 16 april 1999 is verordening nr. 659/1999 in werking getreden.
17. Op 12 juli 2000 heeft de Commissie beschikking 2002/14/EG(9) gegeven, waarbij zij de betrokken steun onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft verklaard en terugvordering daarvan heeft geëist.
18. In de litigieuze beschikking(10) overwoog de Commissie, dat ingevolge artikel 15 van verordening nr. 659/1999 de verjaringstermijn door elke maatregel die zij ten aanzien van onrechtmatige steun neemt, wordt gestuit. De betrokken steun was op 31 augustus 1987 verleend. De eerste maatregel van de Commissie was het formele verzoek om informatie, gericht aan de Franse autoriteiten op 16 januari 1997.(11) De verjaringstermijn van 10 jaar was dus vóór het verstrijken van die termijn gestuit.
19. De Commissie heeft het argument van Scott afgewezen, dat de verjaringstermijn de begunstigde van de steun beoogt te beschermen, zodat de verjaring pas zou worden gestuit wanneer de begunstigde van een onderzoek op de hoogte is gebracht.
20. Verder bleef de Commissie in haar beschikking bij haar opvatting dat de vraag, ten gunste van wie de verjaringstermijn uiteindelijk bedoeld is, losstaat van de berekeningswijze ervan. Artikel 15 van verordening nr. 659/1999 verwijst niet naar derden, maar alleen naar de relatie tussen de Commissie en de lidstaten. De Commissie is niet verplicht om informatie te verschaffen aan derden, die geen specifieke rechten aan artikel 15 ontlenen. In procedures inzake overheidssteun hebben derden uitsluitend procedurele rechten ingevolge artikel 88, lid 2, EG. Artikel 15 van verordening nr. 659/1999 verwijst uitsluitend naar de begunstigde van de steun om de datum te bepalen waarop de verjaringstermijn ingaat, dat wil zeggen „de dag waarop de onrechtmatige steun [...] aan de begunstigde is verleend”.
21. Bovendien moet de begunstigde verifiëren of de hem verleende steun is aangemeld. Wanneer de steun niet is aangemeld en de goedkeuring ontbreekt, bestaat er geen rechtszekerheid.
Het bestreden arrest
22. Op 30 november 2000 heeft Scott bij het Gerecht van eerste aanleg beroep ingesteld tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking voorzover daarbij de litigieuze steun werd teruggevorderd.
23. Scott heeft onder meer gesteld dat de Commissie artikel 15 van verordening nr. 659/1999 heeft geschonden, doordat zij zich op het standpunt heeft gesteld dat de in dit artikel neergelegde verjaringstermijn door het informatieverzoek van 17 januari 1997 was gestuit, een verzoek dat niet aan Scott was meegedeeld.
24. De Commissie heeft het standpunt dat zij in de litigieuze beschikking had ingenomen gehandhaafd, maar tevens subsidiair aangevoerd dat de verjaringstermijn niet van toepassing was omdat het besluit tot inleiding van het formele onderzoek op 20 mei 1998 was genomen, dus vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 659/1999.
25. Op 10 april 2003 heeft het Gerecht een arrest gewezen dat beperkt was tot de grief betreffende schending van artikel 15 van verordening nr. 659/1999.
26. In de punten 51 tot en met 54 van dat arrest heeft het onderzocht, in hoeverre die bepaling van toepassing was, waarbij het opmerkte dat procedurevoorschriften volgens vaste rechtspraak in het algemeen van toepassing zijn op alle, ten tijde van de inwerkingtreding ervan aanhangige procedures, dat artikel 15 geen overgangsbepaling met betrekking tot de toepassing ervan in de tijd bevat, en dat duidelijk uit de litigieuze beschikking was gebleken dat de Commissie verordening nr. 659/1999 van toepassing had geacht.
27. In de punten 56 en 57 kwam het Gerecht tot de conclusie dat, ook al was die verordening niet van toepassing ten tijde van de toekenning van de litigieuze steun op 31 augustus 1987, zodat de verjaringstermijn van artikel 15 niet op die datum kon zijn ingegaan, die datum toch als aanvangsdatum van die termijn moest worden genomen wanneer artikel 15 wordt toegepast op de situatie zoals die op 12 juli 2000 was. Gelet hierop moeten de gebeurtenissen die zich tijdens deze termijn hebben voorgedaan, ook op basis van de verordening worden beoordeeld.
28. In de punten 58 tot en met 62 heeft het Gerecht overwogen als volgt:
„58 Met betrekking tot verzoeksters argument, dat de door de Commissie tussen januari en augustus 1997 genomen maatregelen geen stuiting van de verjaring krachtens artikel 15 van verordening nr. 659/1999 tot gevolg konden hebben omdat verzoekster destijds geen kennis van die maatregelen had, dient te worden opgemerkt dat artikel 15 een uniforme verjaringstermijn voor de terugvordering van steun heeft ingevoerd, die gelijkelijk van toepassing is op de betrokken lidstaat en derden.
59 In dit verband moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat de procedure van artikel 88, lid 2, EG hoofdzakelijk plaatsvindt tussen de Commissie en de betrokken lidstaat; de belanghebbenden, waaronder de steunontvanger, worden slechts geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld hun argumenten aan te voeren (zie in die zin arrest Hof van 14 november 1984, Intermills/Commissie, 323/82, Jurispr. blz. 3809, punten 16 en 17). Volgens vaste rechtspraak hebben de belanghebbenden namelijk vooral de functie van informatiebron van de Commissie in het kader van de administratieve procedure van artikel 88, lid 2, EG (arresten Gerecht van 22 oktober 1996, Skibsvaerftsforeningen e.a./Commissie, T‑266/94, Jurispr. blz. II‑1399, punt 256, en 25 juni 1998, British Airways e.a. en British Midland Airways/Commissie, T‑371/94 en T‑394/94, Jurispr. blz. II‑2405, punt 59). De Commissie is evenwel niet verplicht om vóór de inleiding van de administratieve procedure de potentiële belanghebbenden, waaronder de steunontvanger, de maatregelen mee te delen die zij tegen een onrechtmatige steun neemt.
60 Het feit alleen dat verzoekster niet op de hoogte was van de informatieverzoeken die de Commissie vanaf 17 januari 1997 [...] aan de Franse autoriteiten heeft gericht, heeft dus niet tot gevolg dat zij rechtsgevolg jegens verzoekster missen. De brief van 17 januari 1997, die de Commissie vóór de inleiding van de administratieve procedure de Franse autoriteiten toezond en waarin zij hen om nadere inlichtingen verzocht, is krachtens artikel 15 van verordening nr. 659/1999 een maatregel waardoor de verjaringstermijn van 10 jaar, die in casu op 31 augustus 1987 is ingegaan, vóór het verstrijken ervan werd gestuit, ook al was verzoekster toentertijd niet op de hoogte van die correspondentie.
61 Vervolgens dient eraan te worden herinnerd, dat de betrokken steun niet bij de Commissie is aangemeld. Volgens vaste rechtspraak kan de steunontvanger, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, zich slechts op een gewettigd vertrouwen in de regelmatigheid van een steunmaatregel beroepen wanneer deze met inachtneming van artikel 88 EG is verleend (arresten Hof van 20 september 1990, Commissie/Duitsland, C‑5/89, Jurispr. blz. I‑3437, punt 14, en van 14 januari 1997, Spanje/Commissie, C‑169/95, Jurispr. blz. I‑135, punt 51), en een zorgvuldige marktdeelnemer moet normaal gesproken in staat worden geacht zich ervan te vergewissen of deze procedure is nageleefd.
62 Ten slotte dient te worden opgemerkt dat de gemeenschapswetgever vóór 16 april 1999 niet in een verjaringstermijn voor maatregelen van de Commissie tegen niet-aangemelde staatssteun had voorzien. Vóór deze datum kon verzoekster zich dus niet beroepen op een gewettigd vertrouwen of op de rechtszekerheid wat de verjaring van een in 1987 verleende niet-aangemelde steun betreft. De uitlegging van artikel 15 van verordening nr. 659/1999 in de punten 50 tot en met 57 supra en de toepassing ervan op de maatregel van de Commissie van 17 januari 1997 ontneemt verzoekster dus niet de rechtszekerheid of een gewettigd vertrouwen dat binnen tien jaar na de verlening van de betrokken steun had kunnen ontstaan.”
29. Het Gerecht van eerste aanleg heeft het beroep derhalve verworpen, voorzover het was gebaseerd op schending van artikel 15 van verordening nr. 659/1999, en de procedure voor het overige voortgezet – dat wil zeggen voorzover deze betrekking had op andere, ook in de litigieuze beschikking behandelde steunmaatregelen en andere middelen die met het oog op de nietigverklaring ervan waren voorgedragen. Op 6 februari 2004 is die procedure geschorst in afwachting van het arrest in deze hogere voorziening.
De in hogere voorziening voorgedragen middelen
30. In hogere voorziening concludeert Scott dat het het Hof behage, het bestreden arrest te vernietigen, de litigieuze beschikking nietig te verklaren, voorzover daarbij de betrokken steun wordt teruggevorderd, en de Commissie te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening en de eerste instantie. De Commissie concludeert dat het het Hof behage, de hogere voorziening af te wijzen, en wijst erop dat het Gerecht hoe dan ook bepaalde, nog onbeantwoorde vragen niet heeft behandeld.
31. Er bestaat een fundamenteel meningsverschil tussen Scott, die stelt dat de verjaringstermijn de rechtspositie van de begunstigden van de steun beoogt te beschermen en de Commissie, volgens wie zowel de tekst als de context van verordening nr. 659/1999 aantonen dat de daarin neergelegde procedure de betrekkingen tussen de Commissie en de lidstaten beoogt te regelen, in plaats van de begunstigden te beschermen.
32. Hoewel Scott erkent dat de hogere voorziening op één enkele vraag betrekking heeft („of de verjaringstermijn kan worden gestuit door een maatregel, ook als de begunstigde deze maatregel niet kent”), brengt hij meer specifiek onder zes verschillende rubrieken een aantal argumenten naar voren. Deze argumenten kunnen als volgt worden samengevat.
33. In de eerste plaats stelt Scott dat het Gerecht ten onrechte de recent ingevoerde bepalingen van artikel 15 van verordening nr. 659/1999 heeft toegepast, alsof daarop de oude rechtspraak inzake het voeren van administratieve procedures van kracht was. Meer in het bijzonder acht hij het niet terecht om de begunstigden van steun slechts als informatiebron te beschouwen en voorbij te gaan aan het feit dat artikel 15 juist tot doel had, een verjaringstermijn in te voeren om de rechtszekerheid van de begunstigde te garanderen.
34. Volgens de Commissie blijkt hieruit niet concreet, dat sprake is van een onjuiste rechtsopvatting. Het Gerecht heeft in elk geval verordening nr. 659/1999 op juiste wijze uitgelegd en naar behoren de bestaande rechtspraak in aanmerking genomen. Noch artikel 15 noch enige andere bepaling in verordening nr. 659/1999 of in de algemene regelgeving inzake overheidssteun heeft betrekking op het opleggen van sancties aan ondernemingen of de bescherming van hun rechten. Bovendien zijn in het bestreden arrest de begunstigden van de steun niet „slechts” als informatiebron beschouwd, maar is daarin de bestaande en nog altijd relevante rechtspraak, volgens welke zij „vooral” die functie hebben, opnieuw bevestigd.
35. Ten tweede heeft het Gerecht volgens Scott ten onrechte geoordeeld, dat een door de Commissie met betrekking tot de steun genomen maatregel, waarvan de begunstigde niet op de hoogte was, de verjaringstermijn ten aanzien van de begunstigde kon stuiten, omdat deze instelling niet verplicht is de begunstigde vóór de publicatie van de in artikel 88, lid 2 bedoelde ingebrekestelling in kennis te stellen van deze maatregel.
36. De Commissie stelt dat het Gerecht zijn conclusie in punt 60 van het bestreden arrest, dat een gebeurtenis waarvan de begunstigde niet op de hoogte is, de verjaringstermijn kan stuiten, niet enkel heeft gebaseerd op de laatste volzin van punt 59 volgens welke de Commissie niet verplicht is de begunstigde van haar verzoek op de hoogte te stellen, maar op alle, althans in dat punt vervatte, overwegingen betreffende de staatssteunregeling.
37. Ten derde heeft het Gerecht volgens Scott ten onrechte geoordeeld dat artikel 15 een uniforme verjaringstermijn heeft ingevoerd die gelijkelijk van toepassing is op de betrokken lidstaten en derden, of althans ten onrechte heeft geoordeeld dat dit beginsel betekent dat de kennis van de lidstaten en niet die van de begunstigde in dit opzicht beslissend is.
38. De Commissie betoogt dat er een uniforme verjaringstermijn is die voor alle belanghebbenden op hetzelfde tijdstip wordt gestuit. Alle maatregelen van de Commissie, zoals in verordening nr. 659/1999 genoemd, zijn gericht tot de lidstaat en stuiten dus de verjaringstermijn ten aanzien van eenieder.
39. Ten vierde heeft het Gerecht volgens Scott ten onrechte van belang geacht dat Scott er geen gewettigd vertrouwen in kon hebben dat de steun oorspronkelijk rechtmatig was verleend; artikel 15 van verordening nr. 659/1999 heeft veeleer tot doel om in gevallen van onrechtmatig verleende steun na 10 jaar rechtszekerheid te scheppen.
40. Volgens de Commissie zou, zelfs als de verwijzing naar het gewettigd vertrouwen niet van belang was, dit geen reden zijn om het bestreden arrest te vernietigen. Van rechtszekerheid kan eerst sprake zijn wanneer de bepaling die rechtszekerheid wil garanderen, is vastgesteld en in werking is getreden.
41. Ten vijfde beklaagt Scott zich erover dat het Gerecht zijn argument betreffende de formulering van artikel 15 niet in aanmerking heeft genomen. Artikel 15 kwalificeert een „maatregel van [...] een op haar [de Commissie] verzoek optredende lidstaat” als een gebeurtenis waardoor de verjaringstermijn wordt gestuit. Deze kwalificatie is alleen te begrijpen als de termijn niet door het verzoek van de Commissie als zodanig wordt gestuit.
42. De Commissie geeft voor deze kwalificatie bijvoorbeeld als reden op, dat een enkel verzoek harerzijds kan leiden tot een aantal maatregelen van een lidstaat betreffende verschillende steunmaatregelen die afzonderlijk zijn verleend in het kader van een in een bepaalde periode uitgevoerd steunprogramma.
43. Ten zesde heeft het Gerecht volgens Scott ten onrechte relevant geacht, dat Scott zich vóór de invoering van de verjaringstermijn op 16 april 1999 niet op enige rechtszekerheid kon beroepen; een dergelijke zienswijze is onverenigbaar met de erkenning dat verordening nr. 659/1999 van toepassing is op de feiten die in de litigieuze beschikking aan de orde zijn.
44. De Commissie herhaalt, dat van rechtszekerheid geen sprake kan zijn, zolang de regel die rechtszekerheid wil garanderen, niet van kracht is.
Beoordeling
Inleidende opmerkingen
45. In de litigieuze beschikking heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat de verjaringstermijn van artikel 15 van verordening nr. 659/1999 op de feiten van de onderhavige zaak moest worden toegepast.
46. Dit wordt om voor de hand liggende redenen niet door Scott betwist. In haar verweerschrift in eerste aanleg heeft de Commissie haar standpunt enigszins bijgesteld, zonder evenwel de toepasselijkheid van artikel 15 op een situatie waarin de termijn van 10 jaar vanaf de steunverlening was verstreken vóór de inwerkingtreding van de verordening, in twijfel te trekken.
47. Niettemin heeft het Gerecht deze vraag behandeld, voordat het de argumenten betreffende de stuiting van de verjaringstermijn onderzocht. Het is duidelijk dat, indien de verjaringstermijn niet van toepassing was, het irrelevant zou zijn om de eventuele stuiting ervan te onderzoeken. Het Gerecht heeft besloten dat de termijn inderdaad van toepassing was en kwam vervolgens tot de beoordeling die in het kader van deze hogere voorziening wordt aangevochten.
48. Men kan zich afvragen, of dit inderdaad de juiste aanpak was. Het is weliswaar in het algemeen zonder meer correct, dat procedurevoorschriften van toepassing zijn op alle procedures die ten tijde van hun inwerkingtreding aanhangig waren. Er doen zich evenwel, zoals duidelijk blijkt uit een groot deel van de argumenten in de onderhavige zaak, grote problemen van inhoudelijke en praktische aard voor wanneer gebeurtenissen die zich in het verleden hebben voorgedaan, worden beoordeeld op basis van regels die ten tijde van die gebeurtenissen niet bestonden – en dit geldt in het bijzonder wanneer vragen van rechtszekerheid rijzen, wat de kern is van de onderhavige verjaringstermijn.
49. De toepasselijkheid van artikel 15 op de feiten van het onderhavige geding wordt echter in het kader van deze hogere voorziening niet betwist. Ik zal mij daarom beperken tot de beoordeling van de gedeelten van het bestreden arrest die zijn aangevochten.
Het geschilpunt in hogere voorziening
50. Zoals beide partijen erkennen, is in casu één enkele vraag aan de orde, waarvan de diverse facetten aan de hand van verschillende argumenten worden belicht. In hogere voorziening verdient het wellicht de voorkeur, deze vraag wat strikter te formuleren dan Scott heeft gedaan, en wel als volgt:
„Is het Gerecht terecht tot de conclusie gekomen dat de verjaringstermijn kon worden gestuit door een verzoek om informatie betreffende de betrokken steun dat de Commissie tot de lidstaat heeft gericht, ook als de begunstigde niet op de hoogte was van dat verzoek, en was de redenering waarop het Gerecht deze conclusie heeft gebaseerd, juist?”
51. Met betrekking tot deze vraag betwist Scott een aantal aspecten van de punten 58 tot en met 62 van het bestreden arrest. Zijn argumenten zijn in zes rubrieken onderverdeeld, die niet de volgorde van die punten aanhouden, maar talrijke onderlinge verwijzingen bevatten. Volgens mij is het het eenvoudigst om deze te behandelen in de volgorde van het bestreden arrest.
Een uniforme verjaringstermijn
52. Het eerste punt dat Scott betwist, is de stelling in punt 58 „dat artikel 15 een uniforme verjaringstermijn voor de terugvordering van steun heeft ingevoerd, die gelijkelijk van toepassing is op de betrokken lidstaat en derden”.
53. Ter ondersteuning van zijn stelling dat in het gemeenschapsrecht wordt erkend dat voor verschillende belanghebbenden verschillende verjaringstermijnen kunnen gelden, citeert Scott de conclusie van advocaat-generaal Gand in de zaak ACF Chemiefarma/Commissie(12), volgens welke – in het kader van zijn voorstel dat de bevoegdheid van de Commissie voor het opleggen van geldboeten voor in het verleden begane inbreuken op de mededingingsvoorschriften aan een verjaringstermijn zou moeten worden gebonden op grond van een algemeen rechtsbeginsel dat in de rechtsstelsels van de lidstaten wordt erkend – „de verjaring op verschillende data kan worden gesteld die voor elke onderneming afzonderlijk dan de dag is waarop de opdracht bij gelegenheid van de verificaties werd getoond”.
54. Dit standpunt kan echter volgens mij niet als gezaghebbend in het communautaire recht in de door Scott voorgestane zin worden beschouwd. Zonder kritiek uit te oefenen op de redenering van advocaat-generaal Gand, zou ik erop willen wijzen dat het Hof zijn voorstel voor een verjaringstermijn in die zaak in elk geval niet heeft overgenomen en dat hij zelf heeft opgemerkt dat zijn standpunt betreffende verschillende stuitingen voor verschillende ondernemingen het „te betreuren” en „eigenaardige” gevolg zou hebben dat een van de desbetreffende inbreuken ten aanzien van twee van de drie betrokken ondernemingen verjaard zouden zijn, maar niet ten aanzien van de derde, waarna hij concludeerde: „Daar uw Hof terzake in de uitoefening van zijn volle rechtsmacht zal beslissen, staat het u stellig vrij de boeten ten aanzien van een ieder hunner naar gelang ieders eigen aansprakelijkheid vast te stellen, met voorbijzien van hetgeen aan een zuiver toevallige anomalie te wijten is.” Hij hechtte evenmin waarde aan deze anomalie, aangezien hij heeft geadviseerd de boete voor alle drie ondernemingen met hetzelfde percentage te verlagen. Ten slotte moet in aanmerking worden genomen dat verschillende overwegingen van toepassing kunnen zijn op enerzijds mededingingsverstoringen en boeten en anderzijds de terugvordering van overheidssteun.
55. Wat inbreuken op het mededingingsrecht betreft, is daarna inderdaad een verjaringstermijn ingevoerd bij verordening nr. 2988/74(13); Scott beroept zich voorts op de artikelen 2 en 3 van deze verordening, die als volgt luiden:
„Artikel 2
Stuiting van de verjaring van het recht van vervolging
1. De verjaring van het recht van vervolging wordt gestuit door iedere handeling die door de Commissie of door een lidstaat op verzoek van de Commissie tot onderzoek of vervolging van de inbreuk wordt verricht. De stuiting van de verjaring treedt in op de dag waarop van de handeling wordt kennis gegeven aan ten minste één onderneming of ondernemersvereniging die heeft deelgenomen aan de inbreuk.
Handelingen die de verjaring stuiten zijn met name:
a) schriftelijke verzoeken om inlichtingen van de Commissie of de bevoegde autoriteit van een lidstaat op verzoek van de Commissie, alsmede beschikkingen van de Commissie waarbij de gevraagde inlichtingen worden verlangd;
b) door de Commissie of de bevoegde autoriteit van een lidstaat op verzoek van de Commissie aan hun personeelsleden verstrekte schriftelijke opdrachten om verificaties te verrichten alsmede beschikkingen van de Commissie waarbij verificaties worden gelast;
c) de inleiding van een procedure door de Commissie;
d) de mededeling van de punten van bezwaar welke de Commissie in aanmerking heeft genomen.
2. De stuiting van de verjaring geldt ten aanzien van alle ondernemingen en ondernemersverenigingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen.
3. Na iedere stuiting vangt de verjaring opnieuw aan. De verjaring treedt echter ten laatste in op de dag waarop een termijn gelijk aan tweemaal de verjaringstermijn is verstreken zonder dat de Commissie een geldboete of een sanctie heeft opgelegd; deze termijn wordt verlengd met de periode waarin de verjaring ingevolge artikel 3 wordt geschorst.
Artikel 3
Schorsing van de verjaring van het recht van vervolging
De verjaring van het recht van vervolging wordt geschorst zolang de beschikking van de Commissie het onderwerp vormt van een procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap.”
56. Uit het feit dat in de tweede volzin van artikel 2, lid 1, en in artikel 2, lid 2, specifiek naar een uniforme verjaringstermijn wordt verwezen, die ten aanzien van alle ondernemingen op gelijke wijze wordt gestuit, leidt Scott af dat, nu het overigens zeer gelijkluidend geformuleerde artikel 15 van verordening nr. 659/1999 een dergelijke verwijzing niet bevat, dit moet betekenen dat in het kader van laatstgenoemde bepaling de verjaringstermijn op verschillende wijze voor verschillende partijen kan worden gestuit.
57. Ik denk echter niet dat Scott uit dit verschil in formulering de door hem gewenste conclusie kan trekken. Wanneer met het oog op de rechtszekerheid een verjaringstermijn wordt ingevoerd – hetgeen in menig opzicht als de objectieve tegenhanger van het meer subjectieve begrip gewettigd vertrouwen zou kunnen worden beschouwd – moet uiteraard altijd worden vermoed dat de termijn op dezelfde wijze ten aanzien van eenieder zal gelden. De omstandigheid dat dit in het ene geval expliciet wordt vermeld, kan niet betekenen dat het in een ander geval, waar het onuitgesproken blijft, niet geldt. Ook al kon een dergelijke a-contrarioredenering bovendien uit een vergelijking met verordening nr. 2988/74 worden afgeleid, dan nog zou de verjaringstermijn in verordening nr. 659/1999 voor de betrokken steunmaatregel in het geheel niet kunnen gelden, aangezien laatstgenoemde verordening geen met artikel 7 van verordening nr. 2988/74 vergelijkbare, expliciete bepaling bevat die preciseert: „De onderhavige verordening is ook van toepassing op inbreuken die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn gepleegd.”
58. Er bestaan inderdaad zeer dwingende redenen van procedurele logica die de mogelijkheid uitsluiten, dat de verjaringstermijn ten aanzien van een lidstaat wordt gestuit, maar ten aanzien van de begunstigde doorloopt. Het is absurd te veronderstellen dat de Commissie alsdan volgens het gemeenschapsrecht de terugvordering van de steun zou kunnen verlangen, terwijl tegelijkertijd de lidstaat daaraan niet zou kunnen voldoen. Toch lijkt op basis van deze veronderstelling geen andere uitkomst mogelijk.
59. Er is daarom volgens mij geen reden om van de bewoordingen van artikel 15, dat uitsluitend in het enkelvoud spreekt van „een” of „de verjaring”, af te wijken, deze aan te vullen of de door deze bepaling beoogde rechtszekerheid te verminderen, zoals onvermijdelijk het geval zou zijn indien de termijn voor verschillende partijen op verschillende tijdstippen afliep. Noch de op dit punt door Scott aangevoerde argumenten, noch de formulering van artikel 15 of de door verordening nr. 659/1999 nagestreefde doelstellingen doen twijfel rijzen omtrent de juistheid van de conclusie in punt 58 van het bestreden arrest, dat er een uniforme verjaringstermijn is die gelijkelijk van toepassing is op alle betrokkenen.
60. De kern van Scott’s betoog is echter – en Scott blijft daarbij, ongeacht of er een uniforme verjaringstermijn dan wel verschillende verjaringstermijnen bestaan – dat de verjaringstermijn ten aanzien van de begunstigde van de steun – en dus in geval van een uniforme termijn ook ten aanzien van een lidstaat – niet kan worden gestuit door een gebeurtenis die niet aan de begunstigde is meegedeeld. Scott betwist dus de daarmee strijdige conclusie die het Gerecht in de punten 59 en 60 van het bestreden arrest heeft getrokken en voert daartoe een reeks specifieke argumenten aan.
Toepassing van oude rechtspraak op nieuwe regelgeving
61. In punt 59 van zijn arrest heeft het Gerecht verwezen naar rechtspraak van vóór 1999. Scott stelt dat de bij verordening nr. 659/1999 ingevoerde regeling in vele opzichten nieuw is – in het bijzonder door de invoering van een verjaringstermijn – en niet moet worden uitgelegd in het licht van de rechtspraak die betrekking had op de eerdere praktijk.
62. In dit verband verwijst Scott naar mijn conclusie in de zaak Oostenrijk/Commissie(14) – een zaak waarin de betrokken procedure al was beëindigd vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 659/1999 en die dus alleen betrekking had op de daarvóór bestaande rechtstoestand – waarin ik stelde dat de nieuwe regeling „een enigszins nieuw en afwijkend evenwicht tot stand [brengt] tussen de belangen van de Gemeenschap, van de lidstaten en van andere belanghebbenden”.
63. Dat is inderdaad waar, maar de conclusie die door mij daaruit is getrokken, was niet dat de eerdere rechtspraak niet meer relevant was, maar dat, toen verordening nr. 659/1999 een nieuw voorschrift invoerde, dit niet kon worden ingeroepen om de eerdere praktijk te verduidelijken, en dat het riskant was om afzonderlijke bepalingen daaruit te lichten en die bepalingen te beschouwen als een codificatie van de reeds bestaande rechtspraktijk.
64. Het is inderdaad duidelijk dat verordening nr. 659/1999 geen compleet nieuw kader opzet voor het toezicht op overheidssteun, maar hoofdzakelijk het al bestaande kader codificeert en verduidelijkt in de vorm van bindende regelgeving. In dat opzicht blijft de eerdere rechtspraak duidelijk relevant. Zelfs indien vernieuwingen in het reeds bestaande kader worden ingevoerd, dan nog kan er rechtmatig naar die rechtspraak worden verwezen, omdat de vernieuwing juist in de context waarbinnen zij is ingevoerd, moet worden uitgelegd.
65. De rechtspraak waarnaar het Gerecht in punt 59 van zijn arrest heeft verwezen, betreft de uitlegging van artikel 88, lid 2, EG. Hoewel latere regelgeving betreffende de toepassing van een verdragsbepaling in bepaalde omstandigheden de eerdere rechtspraak betreffende die bepaling opzij kan zetten of het belang daaraan kan ontnemen, moet worden vermoed dat dit niet zo is, tenzij specifiek het tegendeel kan worden aangetoond.
66. Volgens mij heeft Scott niet aangetoond dat verordening nr. 659/1999 zodanig vernieuwend is dat zij de rechtspraak waarnaar het Gerecht heeft verwezen dan wel de conclusies die het daaruit heeft getrokken, opzij heeft gezet. Ik zal hierna de argumenten van Scott achtereenvolgens behandelen.
Bescherming van de begunstigde van de steun
67. Het kernargument van Scott is dat verordening nr. 659/1999 of althans een aantal bepalingen ervan, en in het bijzonder de verjaringstermijn van artikel 15, de begunstigde van de steun beogen te beschermen, hetgeen een aanzienlijke accentverschuiving is en om een andere benadering bij de uitlegging vraagt.
68. Dit argument vindt volgens mij geen steun in de verordening. Het is namelijk opvallend dat, geheel overeenkomstig de vaste rechtspraak waarnaar het Gerecht heeft verwezen, in de tekst van de verordening de procedure overwegend wordt benaderd als een aangelegenheid tussen de Commissie en de lidstaten.
69. Artikel 1, sub h, definieert „belanghebbende” als „een lidstaat en een persoon, onderneming of ondernemersvereniging waarvan de belangen door de toekenning van steun kunnen worden getroffen, in het bijzonder de begunstigde van de steun, concurrerende ondernemingen en beroepsverenigingen”. De begunstigde is een van de verschillende belanghebbenden en hem valt geen bijzondere behandeling ten deel.
70. De rechten van de belanghebbenden worden in de achtste, negende en eenentwintigste overweging van de considerans van verordening nr. 659/1999 genoemd, maar alleen met betrekking tot het indienen van opmerkingen in de formele onderzoeksprocedure en het informeren over de in het kader van die procedure genomen beschikkingen van de Commissie (overweging 21 van de considerans spreekt echter uitdrukkelijk over het behoud van het beginsel „dat beschikkingen in zaken van overheidssteun tot de betrokken lidstaat worden gericht”). De veertiende overweging van de considerans, die de verjaringstermijn betreft, verwijst enkel naar de rechtszekerheid. Volgens de zestiende overweging van de considerans moeten „alle mogelijkheden [...] worden omschreven waarover derden beschikken om hun belangen in procedures betreffende overheidssteun te verdedigen”, hetgeen doet vermoeden dat de bepalingen van de verordening een uitputtende regeling van de omstandigheden waarin met die belangen rekening gehouden moet worden, zullen inhouden.(15)
71. In de bepalingen van verordening nr. 659/1999 worden belanghebbenden voor het eerst genoemd in artikel 6 („Formele onderzoeksprocedure”) als zijnde gerechtigd om, wanneer de formele procedure eenmaal is ingeleid, hun opmerkingen in te dienen en te verzoeken om hun identiteit geheim te houden voor de betrokken lidstaat – een mogelijkheid die duidelijk niet de begunstigde van de steun betreft.
72. Nergens in de considerans of de bepalingen van deze verordening wordt ten aanzien van de fase die aan de inleiding van de procedure voorafgaat, verwezen naar de positie van anderen dan de betrokken lidstaat, en om die fase gaat het juist in dit geval.
73. Verder regelt alleen artikel 20 de rechten van de belanghebbenden. Het luidt als volgt:
„1. Elke belanghebbende kan overeenkomstig artikel 6 opmerkingen indienen naar aanleiding van een beschikking van de Commissie om een formele onderzoeksprocedure in te leiden. Elke belanghebbende die opmerkingen heeft ingediend en elke ontvanger van individuele steun krijgt een afschrift van de door de Commissie overeenkomstig artikel 7 gegeven beschikking toegezonden.
2. Elke belanghebbende kan de Commissie in kennis stellen van beweerdelijk onrechtmatige steun en van beweerd misbruik van steun. Indien de Commissie op basis van de informatie waarover zij beschikt meent dat er onvoldoende gronden zijn om in de zaak een standpunt in te nemen, stelt zij de belanghebbende daarvan op de hoogte. Indien de Commissie een beschikking geeft in een geval dat betrekking heeft op het onderwerp van de verstrekte informatie, zendt zij de belanghebbende een afschrift van die beschikking.
3. Desgewenst ontvangt elke belanghebbende een afschrift van krachtens artikel 4, artikel 7, artikel 10, lid 3, en artikel 11 gegeven beschikkingen.”
74. Ik tref hierin niets aan dat duidt op een stelselmatig streven om de belangen van begunstigden te beschermen. Het feit dat de rechten van belanghebbenden – waaronder de begunstigden, aan wie geen bijzondere behandeling ten deel valt – zo summier in één enkel artikel worden behandeld, is zeer veelzeggend, vergeleken met de in de rest van de verordening alom aanwezige verwijzingen naar de bevoegdheden en verplichtingen van de Commissie en de lidstaten, en naar de betrekkingen en de uitwisseling tussen hen. Bovendien komt hetzelfde patroon net zo duidelijk naar voren uit de formulering van artikel 88 EG.
75. Alle andere verwijzingen naar de begunstigde in de verordening zijn in zuiver feitelijke bewoordingen gesteld, zonder enige toespeling op de bescherming van diens rechten.
76. Dit geldt in het bijzonder voor artikel 15, waarin de begunstigde enkel wordt genoemd om te bepalen wanneer de verjaringstermijn ingaat. Verder is de formulering neutraal, zoals is te verwachten van een bepaling die tot doel heeft de rechtszekerheid van eenieder te garanderen.
77. Niettemin betoogt Scott dat het doel van de verjaringstermijn erin moet zijn gelegen om het belang van de begunstigde te beschermen, aangezien dit in wezen het enige belang is dat na verloop van een termijn van tien jaar na het verlenen van de steun bescherming behoeft en het enige belang dat in feite door het verstrijken van de termijn wordt gediend. Tien jaar nadat de steun is verleend, zal de terugvordering ervan normaliter niet in het nadeel zijn van de lidstaat die de steun toekende; wél zal zij altijd ten koste van de begunstigde plaatsvinden.
78. Afgezien van het feit dat terugvordering van de steun ook na tien jaar wel degelijk kan indruisen tegen het belang van de lidstaat – die niet zal hebben verwacht iets te moeten terugvorderen, maar waarschijnlijk niet wenst dat een door hem ondersteunde onderneming, economische sector of geografisch gebied in gevaar komt – en dat het belang van een concurrent of andere belanghebbende bij terugvordering van de steun net zo groot kan zijn als het belang van de begunstigde bij het behoud ervan, berust dit argument echter op de – volgens mij onjuiste – veronderstelling dat het doel van de verjaringstermijn moet zijn om het belang van een partij te beschermen.
79. Integendeel, zoals duidelijk uit de verordening blijkt en zoals Scott zelf in zijn argumentatie benadrukt, bestaat het doel erin, rechtszekerheid te scheppen. Dit doel is neutraal en objectief, en niet partijdig en subjectief.
80. Het verstrijken van de – uniforme – verjaringstermijn wijzigt de rechtstoestand niet alleen voor de begunstigde en de lidstaat, maar ook voor de Commissie en alle anderen die onder de categorie „belanghebbenden” vallen, die in artikel 1, sub h, van verordening nr. 659/1999 op ruime maar niet uitputtende wijze worden gedefinieerd.(16) Niet alleen de betrokken lidstaat en de begunstigde, maar ook de Commissie, de andere lidstaten, concurrenten en de plaatselijke of regionale autoriteiten die profijt hebben gehad van de toekenning van de steun dan wel daarvan nadeel hebben ondervonden, kunnen er zeker van zijn dat de steun voortaan beschouwd moet worden als bestaande steun.
81. In het licht van deze overwegingen moet het door Scott aangevoerde argument worden onderzocht dat de gebeurtenis die de verjaring stuit, ter kennis van de begunstigde moet worden gebracht om effect te sorteren.
82. Het is eigen aan termijnen en verjaringstermijnen dat zij direct of indirect van invloed zijn op de rechtstoestand van bepaalde partijen. Het precieze tijdstip van de gebeurtenissen die de termijn doen ingaan dan wel deze stuiten, zal niet automatisch en onmiddellijk aan alle betrokkenen ter kennis worden gebracht. Wél moet een dergelijke gebeurtenis gemakkelijk kunnen worden vastgesteld en objectief kunnen worden aangetoond.
83. Een gebeurtenis zoals een verzoek om informatie dat de Commissie aan een lidstaat richt, waarvan oorspronkelijk misschien alleen deze partijen op de hoogte zijn, kan door iedere andere belanghebbende worden vastgesteld door het inwinnen van informatie bij de Commissie of de lidstaat, naar gelang van de door die belanghebbende gewenste discretie. Het bestaan ervan laat zich ook op objectieve wijze vaststellen, tenminste als het informeren schriftelijk is geschied. (Als deze gebeurtenis niet objectief kan worden vastgesteld, kan daar uiteraard in het geheel geen beroep op worden gedaan).
84. In de onderhavige zaak kon weliswaar van geen enkele partij worden verwacht dat zij ten tijde van de feiten informatie zou inwinnen over een eventuele stuiting van de verjaringstermijn, aangezien de verordening die deze termijn invoert en de gebeurtenissen omschrijft waardoor de verjaring wordt gestuit, pas zo’n twee jaar later is vastgesteld, doch deze eigenaardigheid, die het onvermijdelijke gevolg is van het feit dat de verjaringstermijn wordt toegepast op gebeurtenissen die plaatsvonden vóór de inwerkingtreding van deze verordening, kan niet van invloed zijn op de wijze waarop de verordening moet worden uitgelegd.(17)
„[...] of een op haar [de Commissie] verzoek optredende lidstaat”
85. Een ander – en belangrijk – argument van Scott berust op de specifieke formulering van artikel 15. Ik herinner eraan dat volgens dit artikel de verjaring wordt gestuit „door elke maatregel van de Commissie of een op haar verzoek optredende lidstaat ten aanzien van de onrechtmatige steun”. Volgens Scotts redenering moet worden verondersteld dat, als een maatregel van een op verzoek van de Commissie optredende lidstaat de termijn stuit, het verzoek op zich hiertoe niet volstaat.
86. De betrokken formulering zou Scotts stelling zeker ondersteunen, indien er andere aanwijzingen waren die in dezelfde richting wijzen, doch hiervan is, zoals gezegd, volgens mij geen sprake. Maar ook zonder dergelijke aanwijzingen blijft deze formulering, om de door Scott aangevoerde redenen, bevreemdend.
87. Dit zou te maken kunnen hebben met een nalatigheid bij het redigeren van deze bepaling, zij het dat dit niet de meest bevredigende verklaring is. De Commissie geeft aan, dat haar oorspronkelijke voorstel voor een verordening van de Raad(18) geen bepaling over verjaringstermijnen bevatte en dat de Raad artikel 15 daaraan heeft toegevoegd. Zij merkt ook op dat artikel 15 van verordening nr. 659/1999 een treffende gelijkenis vertoont met de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 2988/74.(19) Men zou kunnen denken dat de betrokken formulering van de ene verordening naar de andere is getransponeerd, zonder goed acht te slaan op de procedurele verschillen tussen voor ondernemingen geldende mededingingsvoorschriften en voorschriften betreffende staatssteun. In mededingingszaken kan de Commissie rechtstreeks of door tussenkomst van de lidstaten invloed uitoefenen op ondernemingen, zodat de betrokken formulering passend lijkt; wat staatssteun betreft is de lidstaat de enige gesprekspartij van de Commissie.
88. Er zijn echter ook andere verklaringen te vinden die aan de zinsnede enige – zij het wellicht een beperkte – praktische betekenis toekennen.
89. De Commissie merkt bijvoorbeeld op, dat zij tot een lidstaat een algemeen verzoek kan richten tot opschorting van een programma waarbij steun, wellicht op subnationaal niveau, periodiek voor een bepaalde periode wordt verleend. Door dat verzoek zou de verjaringstermijn voor de reeds verleende steun worden gestuit, maar niet voor de steun die daarna, voordat het programma daadwerkelijk kon worden opgeschort, is verleend. Ten aanzien van die laatste steun zou de door de lidstaat op verzoek van de Commissie genomen maatregel de gebeurtenis zijn die de verjaring stuit.
90. Ook kan het zijn dat het verzoek van de Commissie in een vorm geschiedt – bijvoorbeeld telefonisch – die niet voldoende concreet kan worden vastgesteld om daarop in rechte een beroep te kunnen doen, maar waaraan de lidstaat niettemin gevolg geeft. De maatregel van de lidstaat zou dan de verjaring stuiten.
91. Ten slotte roep ik in herinnering, dat artikel 15 bepaalt dat na elke stuiting de termijn van voren af aan begint te lopen. Hieruit blijkt duidelijk dat de verjaringstermijn herhaaldelijk kan worden gestuit. Dat er eventueel een of meer stuitingsmaatregelen door de lidstaat ná die eerste stuitingsmaatregel kunnen worden genomen, lijkt in dat verband volstrekt redelijk.
92. Bijgevolg denk ik niet dat Scotts argument betreffende de formulering van artikel 15 de conclusie in punt 60 van het bestreden arrest aantast, hoewel het de voorkeur had verdiend indien het Gerecht in eerste instantie op dit argument, dat het van voldoende belang achtte om het in punt 42 van zijn arrest samen te vatten, was ingegaan.
De rol van de begunstigde als informatiebron en de verplichting van de Commissie om de begunstigde te informeren
93. De twee laatste argumenten waarmee Scott punt 59 van het bestreden arrest betwist, kunnen zeer kort worden afgedaan.
94. Het Gerecht heeft vastgesteld dat „de belanghebbenden [namelijk] vooral de functie [hebben] van informatiebron van de Commissie in het kader van de administratieve procedure” en dat „De Commissie [...] niet verplicht [is] om vóór de inleiding van de administratieve procedure de potentiële belanghebbenden, waaronder de steunontvanger, de maatregelen mee te delen die zij tegen een onrechtmatige steun neemt.”
95. Scott lijkt de inhoud van deze vaststellingen niet te betwisten, maar stelt dat deze niet de conclusie in punt 60 van het bestreden arrest onderbouwen, dat het feit dat Scott niet op de hoogte was van de informatieverzoeken van de Commissie, niet tot gevolg heeft dat zij jegens haar geen rechtsgevolg sorteren.
96. Volgens mij blijkt duidelijk uit de relevante punten van het bestreden arrest dat het Gerecht op basis van alle premissen in de punten 58 en 59 de conclusie in punt 60 heeft getrokken. De twee belangrijkste van deze premissen zijn, dat er een uniforme verjaringstermijn is die gelijkelijk van toepassing is op alle betrokkenen en dat de onderzoeks‑ en controleprocedures met betrekking tot staatsteun hoofdzakelijk plaatsvinden tussen de Commissie en de betrokken lidstaten. Ik heb de redenen aangegeven waarom ik meen dat deze premissen niet in twijfel kunnen worden getrokken. De twee andere stellingen die Scott bekritiseert, zijn weliswaar op zich niet voldoende om deze conclusie te staven, doch zijn daarmee volstrekt verenigbaar en tenderen ernaar deze conclusie te bevestigen.
Conclusie ten aanzien van de punten 58, 59 en 60 van het bestreden arrest
97. Ik kom dus tot de conclusie dat de motivering in de punten 58, 59 en 60 van het bestreden arrest correct is en de eveneens correcte conclusie wettigt dat de verjaringstermijn in artikel 15 van verordening nr. 659/1999 kan worden gestuit door een verzoek om informatie van de Commissie aan de betrokken lidstaat, en dat deze stuiting rechtsgevolg sorteert ten aanzien van alle betrokkenen, ook al is de begunstigde van de betreffende steun niet op de hoogte van dat verzoek.
98. Volgens mij is dit voldoende om te kunnen concluderen dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en dat de hogere voorziening moet worden afgewezen. Niettemin zijn er nog enige niet behandelde argumenten betreffende de punten 61 en 62 van het bestreden arrest, waarop ik kort wil ingaan.
Gewettigd vertrouwen
99. In punt 61 heeft het Gerecht uiteengezet dat, aangezien de betrokken steun niet bij de Commissie was aangemeld, Scott zich niet op een gewettigd vertrouwen in de regelmatigheid van de toekenning ervan kon beroepen, en dat een zorgvuldig marktdeelnemer zich ervan zou moeten vergewissen of de juiste procedure is nageleefd.
100. Scott stelt dat, indien het ontbreken van gewettigd vertrouwen in de rechtmatige toekenning van de steun de mogelijkheid om de verjaringstermijn in te roepen uitsloot, deze termijn praktisch nooit zou kunnen worden ingeroepen, aangezien zij per definitie alleen geldt voor gevallen van niet-aangemelde steun, in de rechtmatigheid waarvan de begunstigde geen gewettigd vertrouwen kan hebben. Het Gerecht heeft daarom volgens Scott ten onrechte het al dan niet bestaan van dat vertrouwen relevant geacht voor de toepassing van artikel 15.
101. Ik ben het in grote mate eens met Scott. De verwijzing naar het gewettigd vertrouwen is misplaatst in deze context, waarin, overeenkomstig de vaste rechtspraak waarnaar het Gerecht verwijst, van het bestaan hiervan geen sprake kan zijn.
102. Zoals de Commissie uiteenzet, betekent het opnemen van deze overweging in het bestreden arrest echter niet, dat het arrest moet worden vernietigd, tenzij deze overweging een noodzakelijk onderdeel is van de redenering om tot het rechtsoordeel te komen. Zoals ik hierboven al duidelijk heb gemaakt, ben ik van mening dat het Gerecht, onafhankelijk van deze overweging en voldoende gemotiveerd, in punt 60 tot dit oordeel is gekomen.
103. De verwijzing naar het gewettigd vertrouwen is dus, zoals door Scott aangevoerd, niet van betekenis voor het bestreden arrest. Om dezelfde reden is zij evenmin van betekenis voor de hogere voorziening zelf.
104. Niettemin wil ik opmerken dat de herinnering door het Gerecht aan het feit dat een zorgvuldig marktdeelnemer zich ervan zou moeten vergewissen of de juiste procedure is nageleefd, als algemene opmerking in het kader van artikel 15 niet zonder betekenis is, vooral in het licht van Scotts grieven met betrekking tot de kennis van de begunstigde van de gebeurtenis die de verjaring stuit.
Rechtszekerheid vóór de invoering van de verjaringstermijn
105. In punt 62 van het bestreden arrest heeft het Gerecht verklaard, dat Scott zich vóór de invoering van verordening nr. 659/1999 niet kon beroepen op enige rechtszekerheid ten aanzien van de verjaring van een in 1987 verleende niet-aangemelde steun en dat de vaststelling dat de termijn door het verzoek van de Commissie was gestuit, haar dus die zekerheid niet kon ontnemen.
106. Volgens Scott heeft het Gerecht dit ten onrechte relevant geacht en is deze verklaring in strijd met de eerdere conclusie dat de verordening moest worden toegepast op de feiten zoals die op 12 juli 2000 – de dag waarop de bestreden beschikking werd genomen – bestonden, waarbij 31 augustus 1987 als ingangsdatum van de verjaringstermijn had te gelden.
107. Ik ben het ermee eens dat de verklaring in punt 62, voorzover het daarbij gaat om de rechtszekerheid(20), geen noodzakelijke stap in de redenering is om tot de conclusie in punt 60 te komen – hetgeen overigens kan worden afgeleid uit het feit dat deze verklaring na deze conclusie is opgenomen. Zij is echter als algemene opmerking niet zonder betekenis, aangezien er, indien de stuiting van de verjaringstermijn door het verzoek van de Commissie het beginsel van rechtszekerheid had geschonden, wellicht een andere analyse nodig was geweest.
108. Wat de rechtszekerheid betreft, wil het Gerecht met deze verklaring volgens mij enkel benadrukken, dat in de ongewone omstandigheden van het onderhavige geval pas rechtszekerheid is geschapen in verband met de toepassing van de verjaringstermijn op 16 april 1999, toen verordening nr. 659/1999 in werking trad. Dit is geheel in overeenstemming met de eerdere conclusie met betrekking tot de toepasselijkheid van de verjaringstermijn. Ook indien Scott gelijk had gehad met zijn stelling dat de begunstigde op de hoogte moet zijn, zouden zijn argumenten in deze omstandigheden geen doel hebben getroffen, aangezien zij vóór het intreden van de rechtszekerheid in kennis was gesteld van de stuitingsmaatregel. Kortom, de rechtszekerheid die op 16 april 1999 is ingetreden, behelsde mede de zekerheid dat de verjaringstermijn op 17 januari 1997 was gestuit.
109. Bijgevolg bevatten de punten 61 en 62 van het bestreden arrest of Scotts argumenten betreffende die punten geen grond tot aanleiding om het arrest te vernietigen.
Terugverwijzing naar het Gerecht – Kosten
110. Indien het bestreden arrest wordt vernietigd, kan het Hof overeenkomstig artikel 61 van zijn Statuut de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
111. In casu had het bestreden arrest niet de pretentie een eindoordeel te zijn, maar heeft het alleen één enkel onderwerp behandeld. Voor de rest is de procedure voortgezet en sindsdien geschorst in afwachting van de afloop van de onderhavige hogere voorziening. Gelet op deze aanpak – die wellicht verbazing wekt, aangezien het, tenzij de hogere voorziening gegrond wordt verklaard, een nieuw en enigszins verlaat onderzoek van de nog niet opgeloste vragen lijkt te impliceren – kan het Hof de zaak niet zelf afdoen.
112. Wanneer de hogere voorziening ongegrond is, beslist het Hof volgens artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering ten aanzien van de proceskosten. Volgens artikel 69, lid 2, van dit Reglement wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Bij gebreke van een conclusie ten aanzien van de proceskosten, draagt volgens artikel 69, lid 5, elk van de partijen haar eigen kosten.
113. In casu ben ik de mening toegedaan dat de hogere voorziening ongegrond is. De Commissie heeft echter niet geconcludeerd tot verwijzing in de kosten, zodat elke partij haar eigen kosten moet dragen.
Slotopmerkingen – Praktische overwegingen
114. Verschillende aspecten van de onderhavige zaak doen nogal surrealistisch aan, wanneer men in aanmerking neemt dat het er hier om gaat of het met het oog op de rechtszekerheid van belang is of de begunstigde van een door de Commissie genomen maatregel die geacht wordt een verjaringtermijn te stuiten, hiervan al dan geen kennis draagt, terwijl deze termijn in feite pas bij een wettelijke regeling is ingevoerd nadat alle relevante data waren verstreken.
115. In deze omstandigheden is het moeilijk denkbaar dat welke gebeurtenis ook, dan wel de kennis daarvan, enige rechtszekerheid zou kunnen scheppen vóór 16 april 1999, toen de verjaringstermijn werd ingevoerd.
116. Ik heb gesuggereerd(21) dat de juiste zienswijze wellicht zou zijn geweest dat de verjaringstermijn in de omstandigheden van het onderhavige geval in het geheel niet kon worden toegepast – een aanpak die in feite tot hetzelfde resultaat zou hebben geleid als de conclusie dat Scott zich niet op de verjaring kon beroepen omdat deze was gestuit.
117. Nu het bestaan van de relevante procedurevoorschriften echter bekend is, is kennis van de door de Commissie genomen maatregelen duidelijk van groot praktisch belang voor de begunstigde van niet-aangemelde steun, ook al is dit, zoals ik in mijn analyse heb aangegeven, juridisch niet relevant.
118. In dit verband lijkt het mij een taak van de Commissie om, ongeacht de regels die in verordening nr. 659/1999 zijn neergelegd, in het kader van een goede administratieve praktijk de begunstigden van iedere maatregel in kennis te stellen die de verjaring kan stuiten, in het bijzonder wanneer het einde van de verjaringstermijn nadert en de mogelijkheid bestaat dat de begunstigde anders vóór het verstrijken van de termijn geen kennis neemt van het bestaan van die maatregel.
119. Die mededeling kan eenvoudigweg worden gedaan in de vorm van een summiere bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese gemeenschappen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vertegenwoordiger van de Commissie een aantal redenen naar voren gebracht waarom, volgens hem, een dergelijke procedure niet zo praktisch zou zijn als zij op het eerste gezicht moge lijken. Ik ben er niet van overtuigd dat de moeilijkheden zo groot zijn als hij heeft betoogd. Een beknopte mededeling in het Publicatieblad zou een eenvoudige en praktische stap zijn om problemen zoals die waarop Scott de aandacht vestigt, te voorkomen.
Conclusie
120. Gelet op het voorafgaande geef ik het Hof in overweging, de hogere voorziening af te wijzen en de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen teneinde de nog niet in diens arrest behandelde vragen te beantwoorden, en voor recht te verklaren dat partijen hun eigen kosten in de hogere voorziening moeten dragen.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – T‑366/00, Jurispr. blz. II‑1763, hierna: „bestreden arrest”.
3 – PB L 83, blz. 1.
4 – Zie in het bijzonder de tweede en derde overweging van de considerans van deze verordening.
5 – Sic. In de Franse versie wordt dit minder ongelukkig geformuleerd, „Les pouvoirs de la Commission en matière de récupération de l’aide”, evenals in diverse andere taalversies. Het moge duidelijk zijn, dat het de taak van de steunverlenende lidstaat is om de steun terug te vorderen; de Commissie kan deze terugvordering slechts voorschrijven.
6 – Zie arrest Gerecht van 15 september 1998, BFM en EFIM/Commissie (T‑126/96 en T‑127/96, Jurispr. blz. II‑3437, punten 67‑69).
7 – Veertiende overweging van de considerans.
8 – PB C 301, blz. 4.
9 – Beschikking betreffende door Frankrijk verleende staatssteun ten behoeve van Scott Paper SA/Kimberly-Clark (PB 2002, L 12, blz. 1, hierna: „litigieuze beschikking”).
10 – Zie punten 219‑224 van de beschikking.
11 – Dit is duidelijk een vergissing: de brief dateert van 17 januari.
12 – Arrest van 15 juli 1970 (41/69, Jurispr. blz. 661, in het bijzonder blz. 729); de conclusie had ook betrekking op de zaken waarin op diezelfde dag een arrest is gewezen, namelijk Buchler/Commissie (44/69, Jurispr. blz. 733), en Boehringer Mannheim/Commissie (45/69, Jurispr. blz. 769).
13 – Verordening van de Raad van 26 november 1974 inzake de verjaring van het recht van vervolging en van tenuitvoerlegging op het gebied van het vervoers‑ en het mededingingsrecht van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 319, blz. 1).
14 – Arrest van 15 februari 2001 (C‑99/98, Jurispr. blz. I‑1101, punten 27 en 28).
15 – Het gebruik van het voorzetsel „in” in het Engels in het zinsdeel „possibilities in which third parties have to defend their interests” lijkt niet overeen te stemmen met het merendeel van de versies in de andere talen, waarin wordt gesproken over de mogelijkheden waarover derden beschikken om hun belangen in procedures betreffende overheidssteun te verdedigen.
16 – Zie punt 69 van deze conclusie.
17 – Zie mijn slotopmerkingen in de punten 114 e.v. van deze conclusie.
18 – Voorstel voor een verordening (EG) van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag [COM(98) 73 def., PB 1998, C 116, blz. 13].
19 – Zie punt 55 van deze conclusie.
20 – Het Gerecht heeft in dit verband ook het gewettigd vertrouwen genoemd, maar Scott beperkt zijn bezwaar tot de verwijzing naar de rechtszekerheid. Mijn beoordeling zou echter, mutatis mutandis, ook gelden voor de overweging betreffende het gewettigd vertrouwen.
21 – In de punten 45 e.v. van deze conclusie.
Full & Egal Universal Law Academy