CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 12 april 2005(1)
Zaak C‑295/03 P
Alessandrini e.a.
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Bananen – Invoer uit derde landen – Verordening (EG) nr. 2362/98 – Certificaten voor invoer van ACS-bananen – Maatregelen op grond van artikel 20, sub d, van verordening (EG) nr. 404/93 – Niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap”
I – Inleiding
1. De onderhavige hogere voorziening is gericht tegen het arrest van het Gerecht van 10 april 2003, Alessandrini e.a./Commissie (T‑93/00 en T‑46/01, Jurispr. blz. II‑1635; hierna: „bestreden arrest”), waarbij zijn verworpen de beroepen tot nietigverklaring van twee brieven van de Commissie houdende afwijzing van de verzoeken van verschillende traditionele importeurs van bananen uit Latijns-Amerika om invoercertificaten voor bananen uit de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ACS) te mogen gebruiken voor de invoer van bananen uit andere derde landen.
2. Aan de orde zijn dus bepaalde aspecten van de in 1998 door de Raad doorgevoerde wijziging van de gemeenschappelijke marktordening van bananen. De toepassing van deze wijziging door de Commissie heeft geleid tot de afschaffing van het tot dan voor het beheer van de invoercertificaten gehanteerde onderscheid naar herkomst (ACS of derde landen).
3. Concreet zijn rekwirantes bij het Gerecht opgekomen tegen de door de Commissie vastgestelde uitvoeringsmodaliteiten, die in strijd zouden zijn met de basisverordening en hun bovendien financiële schade zouden hebben berokkend, nu de verwerende instelling niet de voorgeschreven overgangsmaatregelen heeft genomen.
Bij het Hof vorderen rekwirantes enkel vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden.
II – Het rechtskader
Verordening (EEG) nr. 404/93
4. Titel IV van verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen(2), heeft met ingang van 1 juli 1993 een gemeenschappelijke regeling voor het handelsverkeer met derde landen in de plaats gesteld van de verschillende nationale regelingen. Er is een onderscheid aangebracht tussen „bananen uit de Gemeenschap”, die in de Gemeenschap zijn geoogst, „bananen afkomstig uit de ACS-staten” en „bananen uit derde landen met uitzondering van de ACS-staten”. Binnen de tweede categorie kwamen de „traditionele ACS-bananen” en de „niet-traditionele ACS-bananen” overeen met de uitgevoerde hoeveelheden die het gebruikelijke quotum, zoals vastgesteld in de bijlage bij verordening nr. 404/93, niet respectievelijk wél overschreden.
5. Volgens artikel 17, eerste alinea, van verordening nr. 404/93 moet voor de invoer van bananen in de Gemeenschap een invoercertificaat worden overgelegd. Dit certificaat wordt door de lidstaten afgegeven aan eenieder die daarom verzoekt, ongeacht zijn plaats van vestiging in de Gemeenschap, onverminderd de voor de toepassing van de artikelen 18 en 19 vastgestelde bijzondere bepalingen.
6. De oorspronkelijke versie van artikel 18, lid 1, van verordening nr. 404/93 bepaalde dat jaarlijks een tariefcontingent van 2 miljoen ton (nettogewicht) werd geopend voor de invoer van bananen uit derde landen en niet-traditionele ACS-bananen. In het kader van dit tariefcontingent werd op de invoer van bananen uit derde landen een recht van 100 ECU per ton geheven en op de invoer van niet-traditionele ACS-bananen een nulrecht toegepast. De oorspronkelijke versie van artikel 18, lid 2, van deze verordening bepaalde dat op de invoer buiten genoemd contingent van niet-traditionele ACS-bananen en van bananen uit derde landen respectievelijk 750 ECU en 850 ECU per ton werd geheven.
7. Artikel 19, lid 1, van verordening nr. 404/93 verdeelde het tariefcontingent door het ten belope van 66,5 % te openen voor de marktdeelnemers die bananen uit derde landen en/of niet-traditionele ACS-bananen hadden afgezet (categorie A), ten belope van 30 % voor de marktdeelnemers die bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen hadden afgezet (categorie B) en ten belope van 3,5 % voor de in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemers die vanaf 1992 waren begonnen andere bananen dan bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen af te zetten (categorie C).
8. Artikel 19, lid 2, van verordening nr. 404/93 luidt:
„Op basis van berekeningen die afzonderlijk zijn uitgevoerd voor elk van de categorieën marktdeelnemers [A en B], ontvangt elke marktdeelnemer invoercertificaten op basis van de gemiddelde hoeveelheden bananen die hij in de laatste drie jaren waarover gegevens beschikbaar zijn, heeft verkocht.”
Verordening (EEG) nr. 1442/93
9. Op 10 juni 1993 heeft de Commissie verordening (EEG) nr. 1442/93 houdende bepalingen ter toepassing van de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap(3) (hierna: „regeling van 1993”), vastgesteld. Deze regeling is tot en met 31 december 1998 van kracht geweest.
10. Volgens artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1442/93 dienden de bevoegde autoriteiten van de lidstaten elk jaar voor elke op hun grondgebied geregistreerde marktdeelnemer van de categorieën A en B, het gemiddelde vast te stellen van de hoeveelheden die waren afgezet in de drie jaren die voorafgingen aan het jaar vóór dat waarvoor het contingent werd geopend, welke hoeveelheden daartoe overeenkomstig artikel 3, lid 1, van deze verordening werden gesplitst volgens de aard van de door de marktdeelnemer uitgeoefende functies. Dit gemiddelde werd „referentiehoeveelheid” genoemd.
11. Artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1442/93, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2444/94 van de Commissie van 10 oktober 1994 (PB L 261, blz. 3), luidt: „De invoercertificaataanvragen worden in de eerste zeven dagen van de laatste maand van het kwartaal dat voorafgaat aan het kwartaal waarvoor de certificaten worden afgegeven, ingediend bij de bevoegde autoriteiten van om het even welke lidstaat.”
Verordening (EG) nr. 1637/98
12. Verordening (EG) nr. 1637/98 van de Raad van 20 juli 1998 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 404/93 (PB L 210, blz. 28), heeft met ingang van 1 januari 1999 belangrijke wijzigingen in de gemeenschappelijke ordening van de markten in de sector bananen aangebracht. Zij heeft onder meer de artikelen 16 tot en met 20 van titel IV van verordening nr. 404/93 herzien.
13. Artikel 18, lid 1, van verordening nr. 404/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1637/98, opende een jaarlijks tariefcontingent van 2,2 miljoen ton (nettogewicht) voor de invoer van bananen uit derde landen en niet-traditionele ACS-bananen. In het kader van dit tariefcontingent werd op de invoer van bananen uit derde landen een recht van 75 ECU per ton geheven en op de invoer van niet-traditionele ACS-bananen een nulrecht toegepast.
14. Artikel 18, lid 2, van dezelfde verordening, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1637/98, bepaalde dat jaarlijks voor de invoer van bananen uit derde landen en niet-traditionele ACS-bananen een aanvullend tariefcontingent van 353 000 ton (nettogewicht) zou worden geopend. In het kader van dit tariefcontingent werd op de invoer van bananen uit derde landen een recht van 75 ECU per ton geheven en op de invoer van niet-traditionele ACS-bananen een nulrecht toegepast.
15. Op grond van artikel 20, sub d, van verordening nr. 404/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1637/98, had de Commissie de bevoegdheid om overeenkomstig het in artikel 27 voorziene systeem van het Comité van beheer, de in artikel 18 bedoelde maatregelen betreffende de tariefcontingenten vast te stellen, met inbegrip van de „maatregelen om de overgang van de per 1 juli 1993 geldende invoerregeling naar de bij [...] titel IV [van verordening nr. 404/93] ingevoerde regeling te vergemakkelijken”.
Verordening (EG) nr. 2362/98
16. Op 28 oktober 1998 heeft de Commissie verordening (EG) nr. 2362/98 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 404/93 betreffende de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap(4), bekendgemaakt. Krachtens artikel 31 van die verordening is verordening nr. 1442/93 per 1 januari 1999 ingetrokken. De nieuwe bepalingen met betrekking tot de behandeling van de invoercertificaten in de tariefcontingenten zijn opgenomen in de titels I, II en IV van verordening nr. 2362/98 (hierna: „regeling van 1999”).
17. De regeling van 1999 introduceert ten opzichte van die van 1993 enkele noviteiten:
a) zij maakt geen enkel onderscheid meer naar gelang van de functie van de marktdeelnemers;
b) zij houdt rekening met de hoeveelheden ingevoerde bananen;
c) het beheer van de invoercertificaten vindt plaats zonder verwijzing naar de oorsprong (ACS-staten of derde landen) van de bananen;
d) zij verhoogt de tariefcontingenten en het aan de nieuwe marktdeelnemers toegekende aandeel.
18. Artikel 2 van verordening nr. 2362/98 verdeelt de tariefcontingenten en de traditionele ACS-bananen van respectievelijk de artikelen 18, leden 1 en 2, en 16 van verordening nr. 404/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1637/98, als volgt:
– 92 % voor de traditionele marktdeelnemers als omschreven in artikel 3;
– 8 % voor de marktdeelnemers-nieuwkomers als omschreven in artikel 7.
19. Volgens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2362/98 krijgt elke traditionele marktdeelnemer die in een lidstaat is geregistreerd, voor elk jaar voor alle in bijlage I bij deze verordening vermelde oorsprongsgebieden samen één enkele referentiehoeveelheid die wordt vastgesteld op basis van de bananen die hij in een referentieperiode heeft ingevoerd. Volgens artikel 4, lid 2, van de verordening omvat de referentieperiode voor de in 1999 verrichte invoer de jaren 1994, 1995 en 1996.
20. Artikel 6, lid 1, bepaalt dat „de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de artikelen 3, 4 en 5 [jaarlijks] uiterlijk op 30 september na de nodige controles en verificaties te hebben verricht, voor elke traditionele marktdeelnemer één enkele voorlopige referentiehoeveelheid vast[stellen] op basis van het gemiddelde van de hoeveelheden bananen die in de referentieperiode daadwerkelijk uit de in bijlage I vermelde oorsprongsgebieden zijn ingevoerd”. De referentiehoeveelheid wordt vastgesteld op basis van een driejaarsgemiddelde, zelfs indien de marktdeelnemer gedurende een deel van de referentieperiode geen bananen heeft ingevoerd. Op grond van artikel 6, lid 2, van de verordening delen de bevoegde autoriteiten jaarlijks aan de Commissie de lijst van geregistreerde traditionele marktdeelnemers mee, onder vermelding van het totaal van de voorlopige referentiehoeveelheden van deze laatsten.
21. De wijze waarop de invoercertificaten worden afgegeven, is geregeld in de artikelen 14 tot en met 22 van verordening nr. 2362/98.
22. Artikel 14, lid 1, bepaalt dat „[v]oor de eerste drie kwartalen [...] voor de afgifte van de invoercertificaten een indicatieve hoeveelheid [kan] worden vastgesteld welke in een uniform percentage van de voor elk van de in bijlage I vermelde oorsprongsgebieden beschikbare hoeveelheden is uitgedrukt”.
23. Volgens artikel 15, lid 1, worden „[v]oor elk kwartaal [...] de aanvragen om een invoercertificaat in de eerste zeven dagen van de aan het kwartaal waarvoor de certificaten worden afgegeven, voorafgaande maand ingediend bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de marktdeelnemers worden geregistreerd”.
24. Artikel 17 bepaalt dat, indien voor een kwartaal voor een of meer van de in bijlage I vermelde oorsprongsgebieden het aantal certificaataanvragen aanzienlijk groter is dan de overeenkomstig artikel 14 vastgestelde indicatieve hoeveelheid, of groter is dan de beschikbare hoeveelheid, een op de aanvragen toe te passen verminderingspercentage wordt vastgesteld.
25. Artikel 18 is in de volgende bewoordingen gesteld:
„1. Wanneer overeenkomstig artikel 17 voor een of meer oorsprongsgebieden een verminderingspercentage wordt vastgesteld, kan de marktdeelnemer die een invoercertificaataanvraag voor dat oorsprongsgebied, respectievelijk die oorsprongsgebieden, heeft ingediend, met name:
a) van het gebruik van het certificaat afzien door dit binnen tien werkdagen te rekenen vanaf de bekendmaking van de verordening tot vaststelling van het verminderingspercentage aan de voor de afgifte van de certificaten bevoegde autoriteit mee te delen; in dat geval wordt de zekerheid voor het certificaat onverwijld vrijgegeven; of
b) tot maximaal een hoeveelheid die niet groter is dan de in het kader van de aanvraag niet toegekende hoeveelheid, voor de oorsprongsgebieden waarvoor beschikbare hoeveelheden door de Commissie worden bekendgemaakt, één of meer andere, nieuwe certificaataanvragen indienen. Een dergelijke aanvraag moet worden ingediend binnen de onder a) aangegeven termijn, en hierbij moeten alle voorwaarden die voor de indiening van een certificaataanvraag gelden, in acht worden genomen.
2. De Commissie bepaalt onverwijld de hoeveelheden waarvoor certificaten voor het betrokken oorsprongsgebied, respectievelijk de betrokken oorsprongsgebieden, kunnen worden afgegeven.”
26. Artikel 19, lid 1, bepaalt dat de bevoegde autoriteiten „[u]iterlijk op de 23e van de laatste maand van elk kwartaal [...] de invoercertificaten af[geven] voor het daaropvolgende kwartaal”.
27. Artikel 20, lid 1, stipuleert: „De niet-gebruikte hoeveelheden van een certificaat worden op diens verzoek voor een volgend, doch tot het jaar van afgifte van het eerste certificaat behorend kwartaal, weer aan dezelfde marktdeelnemer, titularis of cessionaris, naar gelang van het geval, toegewezen. De zekerheid wordt verbeurd in verhouding tot de niet-gebruikte hoeveelheden.”
28. Titel V van dezelfde verordening nr. 2362/98 bevat een aantal overgangsbepalingen voor het jaar 1999. Op grond van artikel 28, lid 1, dienden de marktdeelnemers de verzoeken om registratie voor het jaar 1999 uiterlijk op 13 november 1998 in te dienen, voor de traditionele marktdeelnemers vergezeld van een opgave van het totaal van de in elk van de jaren van de referentieperiode 1994-1996 daadwerkelijk ingevoerde hoeveelheden bananen en van de nummers van alle voor deze invoer gebruikte certificaten en van de uittreksels daarvan, alsmede van de referenties van alle bewijsstukken van de betaling van de rechten.
29. Bijlage I bij verordening nr. 2362/98 stelt de verdeling vast van de in artikel 18, leden 1 en 2, van verordening nr. 404/93 genoemde tariefcontingenten en van de traditionele ACS-hoeveelheid (857 000 ton).
De regeling van 2001
30. De Raad heeft verordening (EG) nr. 216/2001 van 29 januari 2001 vastgesteld. Artikel 1 daarvan herzag de artikelen 16 tot en met 20 van verordening nr. 404/93.(5)
31. De toepassingsbepalingen van de aldus gewijzigde titel IV van verordening nr. 404/93 zijn vastgesteld bij verordening (EG) nr. 896/2001 van de Commissie van 7 mei 2001 houdende toepassingsbepalingen van verordening nr. 404/93 ten aanzien van de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap.(6) Overeenkomstig artikel 32 van verordening nr. 896/2001 gelden deze bepalingen vanaf 1 juli 2001.
III – De feiten
32. Rekwirantes zijn importeurs van bananen uit Latijns-Amerika. Zij zijn als traditionele marktdeelnemers bij de bevoegde nationale autoriteiten (in Italië, en, in het geval van London Fruit Ltd, in het Verenigd Koninkrijk) geregistreerd, en hebben van deze autoriteiten voor 1999 voorlopige individuele referentiehoeveelheden verkregen. Zij hebben zodoende voor de eerste drie kwartalen van 1999 certificaten voor de invoer van bananen uit derde landen kunnen verkrijgen.
33. De feiten in zaak T‑93/00 hebben betrekking op het vierde kwartaal van 1999. Rekwirantes hebben voor deze periode bij de bevoegde nationale autoriteiten invoercertificaataanvragen ingediend voor het saldo van hun voorlopige individuele referentiehoeveelheid, welke aanvragen zijn geaccepteerd binnen de grenzen van de voor invoer van bananen uit derde landen beschikbare hoeveelheden.(7)
34. Voorzover niet aan deze aanvragen kon worden voldaan, beschikten rekwirantes nog over de mogelijkheid invoercertificaten aan te vragen voor een hoeveelheid van 308 978,252 ton traditionele ACS-bananen.(8) Zodoende hebben zij overeenkomstig artikel 18, lid 1, van verordening nr. 2362/98 invoercertificaten voor ACS-bananen aangevraagd binnen de grenzen van de overgebleven hoeveelheden. De respectieve overgebleven hoeveelheden van hun referentiehoeveelheden waren als volgt verdeeld:
Alessandrini Srl 2 050 kg
Anello Gino di Anello Luigi & C. Snc 1 859 kg
Arpigi SpA 757 kg
Bestfruit Srl 2 637 kg
Co-frutta SpA 209 392 kg
Co-frutta Soc. coop. arl. 30 207 kg
Dal Bello Sife Srl 1 533 kg
Frigofrutta Srl 2 990 kg
Garletti Snc 4 419 kg
London Fruit Ltd 286 004 kg
35. Op 13 oktober 1999 hebben de bevoegde nationale autoriteiten rekwirantes invoercertificaten voor ACS-bananen afgegeven voor de totale hoeveelheid waarom was verzocht. Ondanks herhaalde pogingen zijn rekwirantes er echter niet in geslaagd zich te bevoorraden.
36. Zij hebben daarom met een beroep op artikel 232 EG de Commissie op 18 november 1999 verzocht:
1) de nodige maatregelen te nemen teneinde hen in staat te stellen de voor de invoer uit ACS-landen afgegeven certificaten van het vierde kwartaal te gebruiken voor de invoer van bananen uit landen in Latijns-Amerika of andere derde landen;
2) in ieder geval te bepalen dat de zekerheden met betrekking tot de betrokken certificaten worden vrijgegeven, aangezien deze certificaten niet zijn gebruikt en het niet-gebruiken ervan niet te wijten is aan de houder van deze certificaten.
37. Omdat antwoord op dit verzoek uitbleef, hebben rekwirantes bij fax van 22 december 1999 de Commissie gewezen op het feit dat de betrokken certificaten op 7 januari 2000 verliepen en haar verzocht zich dienaangaande uit te spreken.
38. Bij tot de raadsman van rekwirantes gerichte brief nr. 02418 van 26 januari 2000 stelde de Commissie het volgende:
„In uw brief van 22 december 1999 heeft u verwezen naar de moeilijkheden die bepaalde marktdeelnemers hebben ondervonden bij het gebruik van de voor het vierde kwartaal van 1999 afgegeven invoercertificaten voor bananen, met name voor de invoer van bananen uit ACS-landen.
Allereerst moet worden vastgesteld dat de problemen in wezen van commerciële aard zijn en uit dien hoofde deel uitmaken van de economische activiteiten van de marktdeelnemers. Het betrokken probleem betreft immers het zoeken van handelspartners voor het inkopen en vervoeren van bepaalde producten, en, met name, in casu, bananen uit ACS-landen. Het feit dat uw cliënten niet in staat zijn geweest contracten voor de levering van ACS-bananen te sluiten is weliswaar betreurenswaardig, maar maakt deel uit van het bedrijfsrisico dat de marktdeelnemers gewoonlijk op zich nemen.
Tot slot moeten wij opmerken dat deze problemen slechts bepaalde, niet nader omschreven marktdeelnemers betreffen, en dat tussenkomst van de Commissie het gevaar in zich zou dragen dat deze marktdeelnemers worden bevoordeeld ten koste van andere die de risico’s op zich hebben genomen welke aan de door hun aangegane verplichtingen zijn verbonden.”
39. De bevoegde nationale autoriteiten hebben overigens de door rekwirantes gestelde zekerheden onder zich gehouden, omdat zij van mening waren dat de argumenten die rekwirantes voor de teruggaaf van deze garanties aanvoerden, geen geval van overmacht opleverden, het enige geval waarin een dergelijke teruggaaf kan worden overwogen.
40. De feiten in zaak T‑46/01 hebben betrekking op het vierde kwartaal van 2000. Ten aanzien van deze periode was het saldo van de voor elk van rekwirantes beschikbare individuele referentiehoeveelheid als volgt:
Alessandrini Srl 5 667 kg
Anello Gino di Anello Luigi & C. snc 5 140 kg
Arpigi SpA 5 792 kg
Bestfruit Srl 7 290 kg
Co-frutta SpA 236 746 kg
Co-frutta Soc. coop. arl 80 301 kg
Dal Bello Sife Srl 4 110 kg
Frigofrutta Srl 8 266 kg
Garletti Snc 7 329 kg
London Fruit Ltd. 324 124 kg
41. Omdat de certificaataanvragen voor bananen uit derde landen de niet-toegewezen hoeveelheden te boven gingen, stelde de Commissie bij verordening (EG) nr. 1971/2000(9) de voor het vierde kwartaal van 2000 voor invoer nog beschikbare hoeveelheid bananen vast. Krachtens de bijlage bij deze verordening konden voor traditionele ACS-bananen nog invoercertificaten ten belope van 329 787,675 ton worden afgegeven. Rekwirantes hebben deze evenwel niet aangevraagd.
42. Op 10 oktober 2000 hebben rekwirantes met een beroep op artikel 232 EG de Commissie primair verzocht, op grond van artikel 20, sub d, van verordening nr. 404/93 maatregelen te nemen, opdat zij voor het vierde kwartaal van 2000 invoercertificaten voor bananen uit derde landen konden verkrijgen voor het restant van de individuele referentiehoeveelheden die hun waren toegekend. Subsidiair hebben zij verzocht de inkomstenderving te vergoeden die was ontstaan doordat die bananen niet konden worden ingevoerd en verhandeld.
43. Bij tot de raadsman van rekwirantes gerichte brief AGR 030905 van 8 december 2000 heeft de Commissie deze verzoeken in de volgende bewoordingen afgewezen:
„In uw brief van 10 oktober 2000 informeert u de Commissie over de moeilijkheden die bepaalde marktdeelnemers hebben ondervonden om bananen te vinden die het mogelijk maakten in het vierde kwartaal de referentiehoeveelheden, welke hun voor het jaar 2000 in het kader van de regeling voor tariefcontingenten bij invoer zijn meegedeeld, volledig te benutten.
De moeilijkheden waarnaar u verwijst zijn in wezen van commerciële aard. Wij moeten helaas beklemtonen dat de communautaire regelgeving de Commissie ter zake geen enkele bevoegdheid toekent. U erkent dit overigens wanneer u stelt dat marktdeelnemers die niet gewoon zijn contact met de producenten van ACS-bananen te onderhouden, moeilijkheden hebben met het inkopen van de betrokken handelswaar.
U verklaart overigens dat het voor de marktdeelnemers die u vertegenwoordigt onmogelijk is alle referentiehoeveelheden die hun zijn toegekend, te benutten.
Wij moeten u erop wijzen dat de referentiehoeveelheden, juridisch gezien, slechts mogelijkheden zijn die de marktdeelnemers worden geboden en die zijn vastgesteld op basis van hun eerdere activiteiten, ter uitvoering van de gemeenschapsverordeningen, en die de betrokkenen uitsluitend het recht geven aanvragen in te dienen voor invoercertificaten teneinde de commerciële handelingen te kunnen verrichten die zij met de leveranciers uit de productielanden overeen zijn kunnen komen.
Wij moeten tot slot toevoegen dat blijkens de gegevens die u aan de Commissie heeft overgelegd, de moeilijkheden waarnaar u verwijst niet van „voorbijgaande aard’ zijn, in die zin dat zij veroorzaakt zijn door de overgang van de aan 1999 voorafgaande regeling naar die welke vanaf dat tijdstip is toegepast. Artikel 20, sub d, van verordening [...] nr. 404/93 laat bijgevolg niet toe dat de Commissie de specifieke maatregelen treft waarom u verzoekt.”
IV – Het bij het Gerecht ingestelde beroep tot nietigverklaring
44. De betrokken ondernemingen hebben bij het Gerecht beroep ingesteld tegen voormelde brieven van de Commissie van 26 januari 2000 (zaak T‑93/00) en 8 december 2000 (zaak T‑46/01).
45. Zij hebben bij wege van de in artikel 241 EG voorziene exceptie van onwettigheid in beide beroepen drie middelen opgeworpen ter zake van de schending van verordening nr. 404/93, het recht van eigendom en de vrijheid van economisch initiatief, alsmede het gelijkheidsbeginsel.
V – Het bestreden arrest
46. In het arrest van 10 april 2003 heeft het Gerecht allereerst de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens het ontbreken van procesbevoegdheid van rekwirantes onderzocht.
47. Alhoewel de litigieuze brieven antwoord gaven op verzoeken van verschillende aard(10), was het Gerecht van oordeel dat beide betrekking hadden op de bevoegdheid van de Commissie om op grond van artikel 20, sub d, van verordening nr. 404/93 maatregelen vast te stellen. De beslissing om van deze bevoegdheid geen gebruik te maken, raakte de geadresseerden rechtstreeks en individueel, nu zij hun rechtspositie aanmerkelijk wijzigde en daarmee hun belangen aantastte.(11)
48. Nadat het Gerecht de exceptie van niet-ontvankelijkheid had afgewezen, onderzocht het de drie door rekwirantes aangevoerde middelen tot staving van de onwettigheid van verordening nr. 2362/98 van de Commissie, betreffende respectievelijk schending van de basistekst, te weten verordening nr. 404/93 van de Raad, schending van het recht van eigendom en van het beginsel van economische vrijheid, alsmede niet-eerbiediging van het discriminatieverbod.
49. In het bestreden arrest zijn deze middelen afgewezen, op grond dat rekwirantes niet hadden aangetoond dat er rechtens een direct verband bestond tussen enerzijds de brieven van 26 januari 2000 en van 8 december 2000 en anderzijds de bepalingen van verordening nr. 2362/98.(12)
50. Volgens rekwirantes had de Commissie op grond van artikel 20, sub d, van verordening nr. 404/93 rekening moeten houden met de praktische onmogelijkheid ACS-bananen geleverd te krijgen en hen moeten toestaan bananen uit derde landen in te voeren ten belope van hun individuele referentiehoeveelheden.(13)
Het Gerecht heeft de ruime beoordelingsbevoegdheid van de Commissie bij het nemen van „specifieke maatregelen” om de overgang van de regeling van 1993 naar de regeling van 1999 te vergemakkelijken, onderzocht, en de toetsing van de rechtmatigheid van de uitoefening van die bevoegdheid daarbij beperkt tot de vraag of sprake is van een kennelijke beoordelingsfout. Volgens het Gerecht vloeide de eventueel door rekwirantes aan te voeren schade evenwel niet rechtstreeks voort uit die overgang, maar uit hun onvermogen om in de loop van het vierde kwartaal van 1999 ACS-bananen in te kopen (in zaak T‑93/00), respectievelijk uit hun weigering om te trachten voor het vierde kwartaal 2000 invoercertificaten voor ACS-bananen te verkrijgen (in zaak T‑46/01).(14)
Volgens het Gerecht had de Commissie in die omstandigheden de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid niet overschreden, toen zij weigerde bepalingen op grond van artikel 20, sub d, van verordening nr. 404/93 vast te stellen. Bijgevolg heeft het Gerecht het middel in zijn geheel verworpen.(15)
51. Het Gerecht heeft evenwel met betrekking tot zaak T‑93/00 erkend dat, ook al zou de argumentatie van rekwirantes aldus kunnen worden uitgelegd, dat daarmee de onmogelijkheid handelspartners te vinden aan de inwerkingtreding van de regeling van 1999 wordt geweten, dit niet wegneemt dat rekwirantes rechtens niet genoegzaam hebben aangetoond dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te weigeren op hun verzoek om maatregelen op basis van artikel 20, sub d, van verordening nr. 404/93 in te gaan.(16)
52. Ten slotte onderzocht het Gerecht de door rekwirantes ingestelde vorderingen tot schadevergoeding wegens de onrechtmatige handelwijze van de Commissie, bestaande in het eenvormig beheer van de tariefcontingenten voor bananen uit derde landen en ACS-bananen, en met name in de samenvoeging van de referentiehoeveelheden en het achterwege laten van maatregelen om de nadelige gevolgen daarvan op te vangen.
53. Het bestreden arrest heeft het standpunt van de Commissie aanvaard, dat er geen causaal verband bestaat tussen de wijzigingen als gevolg van verordening nr. 2362/98 en de moeilijkheden die rekwirantes bij de inkoop van ACS-bananen ondervonden.
54. Het Gerecht stelt: „In zaak T‑93/00 is de oorzaak van de beweerde schade [...] dat verzoeksters niet in staat zijn geweest leveranciers te vinden die hun in de loop van het vierde kwartaal van 1999 ACS-bananen konden verschaffen. In zaak T‑46/01 is de inkomstenderving waarover verzoeksters zich beklagen, rechtstreeks toe te schrijven aan hun gebrek aan voortvarendheid. Toen de hoeveelheid bananen uit derde landen eenmaal op was, hebben zij niet geprobeerd invoercertificaten voor ACS-bananen voor het vierde kwartaal van 2000 te verkrijgen, volgens de voorwaarden van verordening nr. 1971/2000. Voorts hebben zij, ondanks de problemen waarmee zij in de loop van het vierde kwartaal van 1999 te maken hadden gehad, niet geprobeerd om in de loop van het jaar 2000 handelscontacten aan te knopen met leveranciers van ACS-bananen om zo in het vierde kwartaal van dat jaar te kunnen inkopen”.(17)
VI – Beoordeling van de hogere voorziening
55. De hogere voorziening strekt ertoe:
– het bestreden arrest te vernietigen voorzover het de vordering tot schadevergoeding betreft;
– de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de schade die rekwirantes hebben geleden doordat hun geen certificaten voor de invoer van bananen uit derde landen zijn toegekend;
– de Commissie te verwijzen in de kosten van de gehele procedure.
56. De Commissie op haar beurt verzoekt het Hof de hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren en, subsidiair, ze af te wijzen. In geval van gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest, verzoekt zij het Hof de zaak naar het Gerecht te verwijzen voor een uitspraak ten gronde, en rekwirantes hoe dan ook in de kosten te verwijzen.
57. De exceptie van niet-ontvankelijkheid berust op de gestelde wijziging van het voorwerp van het geding door rekwirantes, die in afwijking van het gevorderde in eerste aanleg, thans het Hof rechtstreeks uitspraak willen laten doen over de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie.
58. Gezien de omstandigheden waaronder deze hogere voorziening is ingesteld, lijkt het mij raadzaam de ontvankelijkheid van de aansprakelijkheidsvordering tezamen met de zaak ten gronde te behandelen.
59. Rekwirantes verwijten het Gerecht, dat het niet alle argumenten ter ondersteuning van hun vordering tot schadevergoeding in aanmerking heeft genomen. Door ten onrechte te verklaren dat de geleden schade het gevolg was van hun onvermogen om ACS-bananen in te voeren, is het Gerecht voorbijgegaan aan het feit dat zij niet de hun toekomende invoercertificaten voor de referentiehoeveelheden voor derde landen konden verkrijgen, welke certificaten zij verkregen zouden hebben, indien de Commissie geen eenvormige tariefcontingenten en globalisering van de referentiehoeveelheden had ingesteld.
Zij wilden met hun vordering primair aantonen, dat verordening nr. 2362/98 de rechtstreekse oorzaak voor de door hen geleden schade vormde.
60. Ten slotte maken zij bezwaar tegen de punten 56 en 58 van het bestreden arrest – waarin de conclusies van partijen zijn samengevat –, voorzover deze in strijd met de waarheid de indruk wekken dat de geleden schade aan de brieven van 26 januari 2000 en 8 december 2000 is te wijten.
61. De Commissie is van mening dat de hogere voorziening in haar geheel niet-ontvankelijk is, daar zij zich beperkt tot het vorderen van schadevergoeding en niet opkomt tegen de vaststelling van het Gerecht ten aanzien van de gestelde onwettigheid van verordening nr. 2362/98.
62. Met betrekking tot de gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest betoogt de Commissie dat rekwirantes bepaalde aspecten van de gestelde schade – te weten het feit dat zij hun referentiehoeveelheden niet ten volle hebben benut – verwarren met het causale verband dat moet bestaan tussen die schade en de beweerdelijk onrechtmatige gedragingen die ze veroorzaakt.
63. Wat de grief over de gebrekkige formulering van de punten 56 en 58 van het arrest in eerste aanleg aangaat, stelt de Commissie dat de inhoud van de discussie tussen partijen in het licht van hun schriftelijke en ter terechtzitting aangevoerde argumenten daarin correct is samengevat.
64. De Commissie betoogt voorts dat het Gerecht zich niet om het causale verband zou hebben bekommerd, indien het had geoordeeld dat de schadevordering uitsluitend was gebaseerd op de beide betrokken brieven, waarvan het de rechtmatigheid reeds had erkend, aangezien er bij gebreke van een verwijtbare onrechtmatige gedraging geen aansprakelijkheid zou zijn.
65. De strategie van rekwirantes is erop gericht, aan te tonen dat het Gerecht bij de behandeling van hun vordering tot schadevergoeding de wettigheid van verordening nr. 2362/98 had moeten onderzoeken, aangezien deze niet alleen in strijd was met de bepalingen van verordening nr. 404/93, maar ook met het fundamentele recht van eigendom en vrije uitoefening van economische activiteit, alsmede met het non-discriminatiebeginsel.
66. Onder verwijzing naar de schending van de in artikel 20, sub d, van verordening nr. 404/93 neergelegde verplichting, betogen zij dat de in 1999 ingevoerde wijziging van de regeling hun mogelijkheden tot bevoorrading met bananen uit derde landen voor het totaal van hun referentiehoeveelheden heeft beperkt.
67. Het Gerecht schrijft de geleden schade aan het gedrag van rekwirantes toe, zonder de juistheid te onderzoeken van hun bewering, dat het feit dat zij geen leveranciers van ACS-bananen konden vinden een gevolg was van de uitvoeringsbepalingen van de regeling van 1999. Het arrest in eerste aanleg beschrijft correct de rechtstreekse oorzaken voor de door rekwirantes geleden financiële schade, namelijk het onvermogen om zich te bevoorraden en invoercertificaten te verkrijgen in de laatste kwartalen van respectievelijk 1999 en 2000. Het doet evenwel geen uitspraak over de verder gelegen oorzaak van die disfuncties: de gevolgen van verordening nr. 2362/98 voor de handelspraktijk van de marktdeelnemers.
68. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft met betrekking tot het begrip van een eerlijke behandeling vastgesteld, dat artikel 6, lid 1, van het Verdrag van Rome van 4 november 1950, rechterlijke instanties er niet toe verplicht elk van de door partijen aangevoerde argumenten gedetailleerd te beantwoorden. Wanneer evenwel, afhankelijk van de kenmerken van het concrete geschil, een middel of een exceptie duidelijk en nauwkeurig zijn geformuleerd, op betrouwbare bewijzen steunen en voor de uitkomst van het geding beslissend zijn, mag een motivering niet ontbreken; anders zou immers verwarring over die argumenten ontstaan, in het bijzonder over de vraag of de behandeling ervan is verzuimd, of zij zijn afgewezen en, met name, op welke gronden de ene of de andere beslissing is genomen.(18)
69. De verzoekschriften maken naast de gestelde onwettigheid van verordening nr. 2362/98 melding van de nadelige gevolgen daarvan voor de economische activiteit van de sector en voor de capaciteit van de traditionele importeurs van bananen uit derde landen om ACS-bananen in te kopen.
70. Volgens rekwirantes heeft de invoering van het eenvormig beheer van de tariefcontingenten, evenals de samenvoeging van de referentiehoeveelheden, de bevoorrechte positie van de importeurs van ACS-bananen gehandhaafd en versterkt. Terwijl de in derde landen gespecialiseerde marktdeelnemers volgens de regeling van 1993 vrije toegang tot de markt voor ACS-bananen hadden, dwingt de nieuwe regeling hen ertoe gebruik te maken van hun referentiehoeveelheden.
71. De omstandigheid dat ruim een derde van de hoeveelheid traditionele ACS-bananen niet is benut, toont volgens rekwirantes aan dat het nieuwe mechanisme de ACS-marktdeelnemers bevoordeelt ten koste van de importeurs uit derde landen.
72. De argumenten van rekwirantes blinken niet uit door hun duidelijkheid noch door hun overtuigingskracht. De nieuwe modaliteiten van samenvoeging van de referentiehoeveelheden en eenvormig beheer van de tariefcontingenten hebben blijkbaar een verschuiving in de vraag van de invoer van ACS-bananen naar die uit derde landen veroorzaakt, waardoor het contingent van deze laatste categorie voortijdig uitgeput raakte.
Rekwirantes hebben overigens geen nadere informatie verstrekt over de aard van de moeilijkheden die zij ondervonden toen zij in het vierde kwartaal van 1999 trachtten ACS-bananen in te kopen. In punt 33 van het bestreden arrest stelt het Gerecht vast, dat „ondanks herhaalde pogingen” rekwirantes er niet in zijn geslaagd ACS-bananen in te kopen.
Dit gegeven – dat suggereert dat de betrokken ondernemingen niet nalatig zijn geweest – had voor het Gerecht aanleiding moeten zijn om de aannemelijkheid van de overige verklaringen voor de oorzaak van de schade te onderzoeken en eventueel de wettigheid van verordening nr. 2352/98 te toetsen.
73. Indien men aanneemt, al was het maar in theorie, dat rekwirantes ondanks een redelijke voortvarendheid in het vierde kwartaal van 1999 geen leveranciers van ACS-bananen konden vinden, is het verschoonbaar dat zij ten aanzien van het laatste kwartaal van het volgende jaar ervan afzagen dergelijke zinloze inspanningen te hervatten.
Daarenboven moet men rekening houden met het probleem van het bewijs van een negatief feit, zoals het ontbreken van een redelijk vooruitzicht dat men op zeker moment een handelspartner zal vinden.
74. Ik meen op grond hiervan dat rekwirantes in zaak T‑93/00 en ook, alhoewel in mindere mate, in zaak T‑46/01 een voldoende duidelijk en relevant middel hebben opgeworpen, dat op zijn minst een uitdrukkelijke afwijzing door het Gerecht verdiende.
75. Nu dit niet is gebeurd, is in het bestreden arrest het recht onjuist toegepast doordat een van de voorwaarden voor een eerlijke behandeling is miskend. Ik ben daarom van mening dat vernietiging van het bestreden arrest moet volgen, voorzover het in punt 108 enkel het gedrag van rekwirantes als uitsluitende oorzaak van de beweerde schade noemt, zonder de gevolgen van de toepassing van de met de inwerkingtreding van verordening nr. 2362/98 ingevoerde nieuwe regeling in aanmerking te nemen.
VII – Onderzoek van de zaak ten gronde
76. Artikel 54 van ’s Hofs Statuut-EG bepaalt: „In geval van gegrondheid van het verzoek om hogere voorziening vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht. Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.” Een van de gevallen waarin gebruik kan worden gemaakt van de door deze bepaling geboden mogelijkheid, is dat van de dwaling in iudicando, op voorwaarde dat het verslag van de feiten volledig en voldoende is om de zaak af te doen, en dat er geen bewijsmaatregelen nodig zijn. Deze koers lijkt in de rechtspraak van het Hof te zijn ingeslagen, hoewel het Hof nimmer heeft verklaard, op welke gronden het van oordeel is dat de staat van de procedure hem in staat stelt de zaak zelf af te doen: het heeft zich altijd tot laconieke constateringen beperkt als „zulks [is] in casu het geval”.(19) Kortom, het Hof zal uitspraak ten gronde kunnen doen wanneer uit de hem ter beschikking staande schriftelijke stukken duidelijk blijkt dat de zaak in staat van wijzen is. Daartoe moeten in ieder geval summier de voornaamste elementen van de door rekwirantes ingestelde vordering tot schadevergoeding worden geanalyseerd en in het kader van de onderhavige zaak de concrete middelen tegen de geldigheid van verordening nr. 2362/98 worden onderzocht. Overigens zijn partijen ter bescherming van de procedurele rechten van rekwirantes, ter terechtzitting verzocht hun argumenten op de eventuele onwettigheid van voormelde verordening te concentreren.
77. Welnu, rekwirantes voeren, onder verwijzing naar hun argumenten in het kader van de exceptie van onwettigheid in eerste aanleg, drie verschillende middelen aan.
78. Naar hun mening is verordening nr. 2362/98 niet alleen onrechtmatig omdat zij in tegenspraak is met verordening nr. 404/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1637/98 (eerste middel), maar ook omdat zij de fundamentele rechten van eigendom en vrijheid van economisch initiatief (tweede middel), alsmede het gelijkheidsbeginsel (derde middel) schendt.
79. In het kader van het eerste middel maken zij om te beginnen bezwaar tegen de vaststelling van de periode van drie jaar 1994-1996 als referentie voor de quotatoekenning.
80. De keuze van de litigieuze periode is van invloed op de berekening van de toegestane individuele hoeveelheden, aangezien elke marktdeelnemer een quotum verkrijgt op basis van het gemiddelde van zijn invoer tijdens de betrokken boekjaren. De schadevordering in deze procedure is evenwel gebaseerd op de onmogelijkheid invoercertificaten te verkrijgen voor de aan rekwirantes toegekende hoeveelheden, zoals hun procesvertegenwoordigers ter terechtzitting in hogere voorziening hebben erkend. De discussie over de modaliteiten van de voorafgaande verdeling van de referentiehoeveelheden is in casu naast de kwestie. Bijgevolg moet dit argument als kennelijk irrelevant worden afgewezen.
81. Voorts hebben rekwirantes kritiek op de invoering van de methode van eenvormig beheer van de tariefcontingenten, die samen met de samenvoeging van de referentiehoeveelheden tot een versterking van de bevoorrechte positie van de importeurs van ACS-bananen zou hebben geleid.
82. Volgens de Commissie bevordert het unieke karakter van het contingent het handelsverkeer en geeft het de marktdeelnemers meer vrijheid. Doordat het geen onderscheid maakt tussen importeurs van ACS-bananen en importeurs van bananen uit derde landen, biedt het beiden de mogelijkheid bananen van om het even welke oorsprong in te kopen.
83. Het volstaat erop te wijzen dat artikel 19 van verordening nr. 404/93, zoals gewijzigd, de Commissie bij de vaststelling van de basisverordening een ruime beoordelingsvrijheid verleent, met als enig voorbehoud dat de gekozen methode rekening houdt met de traditionele handelsstromen. Daarnaast moet zij volgens artikel 20, sub e, van die gewijzigde verordening maatregelen treffen die nodig kunnen zijn om toe te zien op de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de door de Gemeenschap overeenkomstig artikel 228 van het Verdrag gesloten akkoorden.
84. Ik herinner eraan dat de Commissie op het gebied van de landbouw bevoegd is alle maatregelen te treffen die nodig of doelmatig zijn voor de uitvoering van de basisregeling, op voorwaarde dat zij de toepasselijke geldigheidscriteria eerbiedigen.(20)
85. Uit geen van rekwirantes’ argumenten kan worden afgeleid dat de gemeenschapsinstelling, bij de keuze van de beheermethode om de opgelegde doelstellingen met elkaar in overeenstemming te brengen, de grenzen van de haar door de Raad toegekende bevoegdheid kennelijk heeft overschreden.
86. In de tweede plaats betogen rekwirantes dat hun recht van eigendom en vrijheid van economisch initiatief is geschonden, doordat zij geen certificaten voor de invoer van bananen uit derde landen konden verkrijgen.
87. In de gemeenschappelijke marktordening van bananen zijn de referentiehoeveelheden enkel een vergunning om te mogen invoeren. Ofschoon zowel het eigendomsrecht als de vrijheid van beroepsuitoefening deel uitmaken van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, hebben zij geen absolute gelding, maar moeten zij in relatie tot hun sociale functie worden beschouwd. Bijgevolg kunnen zij met name in het kader van een gemeenschappelijke marktordening aan beperkingen worden onderworpen, voorzover zulke beperkingen beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die de Gemeenschap nastreeft en niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast.(21)
88. De invoering van het communautaire contingent en zijn verdelingsregels doet geen afbreuk aan het eigendomsrecht van de marktdeelnemers die bananen uit derde landen afzetten, daar niemand een dergelijk eigendomsrecht kan doen gelden op een marktaandeel dat hij vóór de totstandkoming van een gemeenschappelijke marktordening bezat. Dat marktaandeel vertegenwoordigt immers enkel een tijdelijke economische positie, die is blootgesteld aan de onzekerheid van een verandering van omstandigheden.
89. Een marktdeelnemer kan zich evenmin beroepen op een verworven recht of op een gewettigd vertrouwen in het voortbestaan van een situatie, daar de gemeenschapsinstellingen deze in het kader van hun beoordelingsbevoegdheid, binnen de toegestane grenzen, kunnen wijzigen.(22)
90. Uit hetgeen rekwirantes hebben aangevoerd, kan niet worden afgeleid dat de handelwijze van de Commissie de ingeroepen fundamentele rechten in hun kern heeft aangetast.
91. In de derde en laatste plaats stellen rekwirantes dat het bij de verordening ingevoerde systeem de importeurs die traditioneel bananen in derde landen kochten, discrimineert ten opzichte van de importeurs die in ACS-landen kochten.
92. Deze bewering dient zonder meer te worden afgewezen, nu rekwirantes niet hebben toegelicht welke gevolgen de gestelde ongelijke behandeling voor het ontstaan van de door hen aangevoerde verplichting tot schadevergoeding had.
93. Uit geen van de door rekwirantes uiteengezette argumenten blijkt derhalve dat verordening nr. 2362/98 onwettig is, zodat niet behoeft te worden onderzocht of de overige voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap zijn vervuld.
VIII – Kosten
94. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat volgens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. In weerwil van de vernietiging van het bestreden arrest, moet de vordering van rekwirantes ten gronde worden afgewezen. Rekwirantes dienen derhalve in alle kosten te worden verwezen.
IX – Conclusie
95. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1) het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 10 april 2003, Alessandrini e.a./Commissie (T‑93/00 en T‑46/01), te vernietigen;
2) de hogere voorziening af te wijzen;
3) rekwirantes in de kosten te verwijzen.
1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.
2 – PB L 47, blz. 1.
3 – PB L 142, blz. 6.
4 – PB L 293, blz. 32.
5 – PB L 31, blz. 2.
6 – PB L 126, blz. 6.
7 – Gepubliceerd in de bijlage bij verordening (EG) nr. 1824/1999 van de Commissie van 20 augustus 1999 houdende wijziging van verordening (EG) nr. 1623/1999 tot vaststelling van de in het vierde kwartaal van 1999 in het kader van de tariefcontingenten en de hoeveelheid traditionele ACS-bananen in te voeren bananen (PB L 221, blz. 6).
8 – Hoeveelheid vastgesteld bij verordening (EG) nr. 1998/1999 van de Commissie van 17 september 1999 betreffende de afgifte van certificaten voor de invoer van bananen in het kader van het tariefcontingent voor het vierde kwartaal van 1999, en de indiening van nieuwe aanvragen (PB L 247, blz. 10).
9 – Verordening van de Commissie van 18 september 2000 betreffende de afgifte van certificaten voor de invoer van bananen in het kader van de tariefcontingenten en de invoer van traditionele ACS-bananen, voor het vierde kwartaal van 2000, en de indiening van nieuwe aanvragen (PB L 235, blz. 10).
10 – In de eerste brief verzochten rekwirantes om maatregelen om hun invoercertificaten van het vierde kwartaal voor de invoer van bananen uit derde landen te mogen gebruiken en om vrijgave van de niet-gebruikte zekerheden (punt 34 van het bestreden arrest); in de tweede brief verzochten zij om afgifte van invoercertificaten voor bananen uit derde landen voor het vierde kwartaal van 2000, voor het restant van de individuele referentiehoeveelheden, dan wel vergoeding van de inkomstenderving (punt 41 van het bestreden arrest).
11 – Punt 65 van het bestreden arrest.
12 – Ibidem, punt 81.
13 – Ibidem, punt 83.
14 – Ibidem, punten 86-95.
15 – Ibidem, punten 91, 96 en 97.
16 – Ibidem, punt 92. Cursivering door mij toegevoegd.
17 – Ibidem, punt 108.
18 – Zie arresten Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 december 1994, Ruiz Torija/Spanje (serie A, nr. 303 A, punten 29 en 30), en Hiro Balani/Spanje (serie A, nr. 303 B, punten 27 en 28).
19 – Arresten van 20 november 1992, Parlement/Hanning (C-345/90 P, Jurispr. blz. I‑949 e.v., inzonderheid blz. I-989), en 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a. (C‑137/92 P, Jurispr. blz. I-2555, punt 55).
20 – Arresten van 17 oktober 1995, Nederland /Commissie (C-478/93, Jurispr. blz. I‑3081, punt 31), en 30 september 2003, Duitsland/Commissie (C-239/01, Jurispr. blz. I-10333, punt 55).
21 – Arresten van 11 juli 1989, Schraeder (265/87, Jurispr. blz. 2237, punt 15), en 13 juli 1989, Wachauf (5/88, Jurispr. blz. 2609, punt 18).
22 – Arrest van 28 oktober 1982, Faust/Commissie (52/81, Jurispr. blz. 3745, punt 27).
Full & Egal Universal Law Academy