CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. A. Geelhoed
van 2 juni 2005(1)
Zaak C-334/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Portugese Republiek
„Niet-nakoming – Schending van artikel 4 quinquies van richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/19/EG van de Commissie van 13 maart 1996”
I – Inleiding
1. In deze zaak verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen dat de Portugese Republiek haar verplichtingen niet is nagekomen door niet in de praktijk de omzetting te verzekeren van artikel 4 quinquies van richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten(2), zoals gewijzigd bij richtlijn 96/19/EG van de Commissie van 13 maart 1996 tot wijziging van richtlijn 90/388/EEG met betrekking tot de invoering van volledige mededinging op de markten voor telecommunicatie.(3)
II – Juridisch kader
A – Het gemeenschapsrecht
2. Volgens artikel 2 van richtlijn 90/388, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/19, trekken de lidstaten alle maatregelen in, waarbij
„1. […]
a) uitsluitende rechten worden verleend door de verrichting van telecommunicatiediensten, met inbegrip van de aanleg en de beschikbaarstelling van de voor die diensten benodigde telecommunicatienetten, of
b) bijzondere rechten worden verleend, die het aantal ondernemingen die deze telecommunicatiediensten mogen verrichten of deze netten mogen aanleggen of beschikbaar stellen anders dan op grond van objectieve, evenredige en niet-discriminerende criteria tot twee of meer beperken, of
c) bijzondere rechten worden verleend, die anders dan op grond van objectieve, evenredige en niet-discriminerende criteria verscheidene concurrerende ondernemingen aanwijzen voor de verrichting van deze telecommunicatiediensten of de aanleg of beschikbaarstelling van deze netten.
2. De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat elke onderneming gerechtigd is de in lid 1 bedoelde diensten te verrichten of de in lid 1 bedoelde netten aan te leggen en beschikbaar te stellen.
[…]”
3. Artikel 4 quater van richtlijn 90/388, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/19, bepaalt:
„Onverminderd de harmonisatie door het Europees Parlement en de Raad in het kader van Open Network Provision (hierna: ‚ONP’), dienen de nationale regelingen, die noodzakelijk zijn om de nettokosten van de verplichtingen van de telecommunicatieorganisaties inzake het verrichten van een universele dienst met andere organisaties te delen, ongeacht of deze regelingen een stelsel van aanvullende bijdragen of een fonds voor de universele dienst omvatten,
a) uitsluitend van toepassing te zijn op ondernemingen die openbare telecommunicatienetten aanbieden;
b) aan elke onderneming een financiële bijdrage op te leggen volgens objectieve en niet-discriminerende criteria en in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel.
De lidstaten stellen de Commissie van elke regeling in kennis, zodat deze de verenigbaarheid daarvan met het Verdrag kan beoordelen.
[…]”
4. Artikel 4 quinquies van richtlijn 90/388, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/19, luidt als volgt:
„De lidstaten discrimineren bij de toekenning van doorgangsrechten niet tussen de aanbieders van openbare telecommunicatienetten.
Indien de toekenning van aanvullende doorgangsrechten aan ondernemingen die openbare telecommunicatienetten beschikbaar willen stellen, wegens toepasselijke essentiële vereisten niet mogelijk is, zorgen de lidstaten ervoor dat deze ondernemingen op redelijke voorwaarden toegang krijgen tot bestaande installaties die met gebruikmaking van een doorgangsrecht zijn aangelegd en niet kunnen worden gedupliceerd.”
5. Artikel 5, lid 3, van richtlijn 97/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied, wat betreft de waarborging van de universele dienst en van de interoperabiliteit door toepassing van de beginselen van Open Network Provision (ONP)(4) bepaalt:
„Teneinde te bepalen welke last het verstrekken van de universele dienst eventueel betekent dienen de organisaties met een verplichting tot universele dienstverstrekking op verzoek van hun nationale regelgevende instantie de nettokosten van dergelijke verplichtingen overeenkomstig de procedure van bijlage III te berekenen. De berekening van de nettokosten van de verplichting tot universele dienstverstrekking wordt onderworpen aan verificatie door de nationale regelgevende instantie of een ander bevoegd lichaam dat onafhankelijk is van de telecommunicatieorganisatie, en wordt goedgekeurd door de nationale regelgevende instantie. De resultaten van de kostenberekening en de conclusies van de verificatie zijn toegankelijk voor het publiek overeenkomstig artikel 14, lid 2.”
6. Volgens de drieëntwintigste overweging van de considerans van richtlijn 96/19 „[…] genieten de telecommunicatieorganisaties [in veel lidstaten] juridische voorrechten met betrekking tot de installatie van hun netten op openbare en particuliere terreinen, zonder betaling of tegen betaling van een bedrag dat slechts de veroorzaakte kosten dekt. Indien de lidstaten de nieuwe exploitanten die een vergunning hebben gekregen geen gelijkwaardige mogelijkheden bieden om hun netten uit te bouwen, levert dit vertraging op en komt dit in bepaalde opzichten neer op het handhaven van de uitsluitende rechten van de telecommunicatieorganisaties. […]”
B – Nationale bepalingen
7. Artikel 12, lid 1, van het Portugese wetsbesluit nr. 91/97(5), omschrijft het basis telecommunicatienet als een publiek net, dat op het gehele nationale grondgebied beantwoordt aan de behoeftes van de burgers evenals aan de economische en sociale activiteiten op het gebied van telecommunicatie en dat de internationale verbindingen verzekert.
8. Volgens het tweede lid van artikel 12, zoals gewijzigd bij wetsbesluit nr. 29/2002(6), wordt het basis telecommunicatienet gevormd door een vaste openbaar telefoonnet, het transmissienet en bundelings‑, schakelings‑, en verwerkingselementen, die gezamenlijk ertoe dienen om te voorzien in de universele dienst op het gebied van telecommunicatie.
9. Op grond van artikel 13, van wetsbesluit nr. 91/97 zijn exploitanten van basis telecommunicatienetten vrijgesteld van het betalen van belasting en van de rechten over de aanleg van de telecommunicatie-infrastructuur of de toegang tot de verschillende onderdelen van de installatie of de inrichting die nodig is voor de exploitatie van het verleende net.
III – De feiten
10. Op 20 maart 1994 hebben de Portugese staat en Portugal Telecom, op het gebied van vaste telefonie, voor een periode van 30 jaar, een concessieovereenkomst getekend tot levering van communicatiediensten die worden beschouwd als publieke dienst. Dit contract geeft PT Comunicações, die als dochteronderneming van Portugal Telecom belast is met de levering van netwerkgebonden telecommunicatiediensten, het exclusieve recht om de infrastructuur van het basis telecommunicatienet te installeren, te beheren en te exploiteren. Met de concessie is eveneens het eigendom van de infrastructuur aan PT Comunicações toevertrouwd. PT Comunicações is daarbij verplicht de infrastructuur kwalitatief en kwantitatief uit te breiden en in goede staat te houden, met name ten aanzien van de functionering, de veiligheid en de instandhouding van het net, zodat de levering van telecommunicatiediensten voor algemeen gebruik, als universele dienst, op het gehele grondgebied, is verzekerd. Als tegenprestatie voor de concessie moet PT Comunicações aan de staat als concessiegever een bijdrage betalen die overeenkomt met 1 % van de bruto exploitatie-inkomsten van de verleende diensten. De nettokosten die voortvloeien uit de verplichting tot verrichting van de universele dienst worden van deze bijdrage afgetrokken.
11. Op 17 februari 2003 is op grond van wetsbesluit nr. 31/2003(7), een nieuw concessiecontract goedgekeurd, waarbij de verplichtingen voor de exploitant van het netwerk niet wezenlijk zijn veranderd. PT Comunicações is gehouden de diensten te verrichten die het voorwerp zijn van de concessie, waarbij de interoperabiliteit, de continuïteit, de beschikbaarheid, de duurzaamheid en de kwaliteit moeten zijn verzekerd.
IV – De precontentieuze procedure
12. Op 2 mei 2002 zond de Commissie de Portugese Republiek een ingebrekestelling waarin zij stelde dat PT Comunicações in vergelijking met andere exploitanten gunstiger wordt behandeld, aangezien PT Comunicações, in haar hoedanigheid als enig exploitant van basis-telecommunicatienetten, op grond van artikel 13, wetsbesluit nr. 91/97 is vrijgesteld van belastingen en andere heffingen, terwijl alle andere exploitanten deze wel moeten betalen. Na antwoord van de Portugese regering op 2 juli 2002 heeft de Commissie op 19 december 2002 aan de Portugese Republiek een met redenen omkleed advies verzonden. Omdat de Portugese regering niet heeft geantwoord op het met redenen omklede advies, heeft de Commissie het onderhavige beroep op 30 juli 2003 ingesteld.
13. De Commissie verzoekt het Hof:
– vast te stellen dat de Portugese Republiek haar verplichtingen niet is nagekomen door niet in de praktijk de omzetting te verzekeren van artikel 4 quinquies van richtlijn 90/388, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/19 en
– de Portugese Republiek in de kosten te verwijzen.
14. De Portugese Republiek concludeert tot ongegrondheid van het beroep en verzoekt het Hof de Commissie in de kosten te verwijzen.
V – Argumenten van partijen
15. Volgens de Commissie wordt met de ontheffing zoals voorzien in artikel 13, wetsbesluit nr. 91/97, tezamen met wetsbesluit nr. 31/2003 en het daaraan voorafgaande wetsbesluit nr. 40/95(8), waarin wordt bepaald dat PT Comunicações verantwoordelijk is voor de aanleg en de exploitatie van het basisnetwerk, PT Comunicações in vergelijking met andere exploitanten gunstiger behandeld. Aangezien een rechtvaardiging ontbreekt, levert dit een inbreuk op artikel 4 quinquies van richtlijn 96/19 op.
16. Aangezien PT Comunicações met zijn basistelecommunicatienet diensten levert die concurreren met diensten die worden geleverd door andere exploitanten, heeft PT Comunicações een direct concurrentievoordeel boven de andere exploitanten. Het feit dat de nieuwe exploitanten belast worden met heffingen die de vanouds bestaande exploitant niet hoeft te betalen, zou vertraging bij de ontwikkeling van hun netwerken kunnen opleveren.
17. De Commissie is van mening dat het verschil in behandeling niet objectief gerechtvaardigd is.
18. De vrijstelling wordt niet gerechtvaardigd door de verplichting van PT Comunicações om jaarlijks een vergoeding van ongeveer 20 miljoen euro voor de concessie te betalen. Het gaat hier immers om een vergoeding voor het gebruik van het aan de Portugese staat toebehorende basisnetwerk voor de telecommunicatie. Evenmin kan de vrijstelling worden aangemerkt als een vergoeding voor de verplichting tot universele dienstverlening die op PT Comunicações rust. Artikel 4 quater van de richtlijn zou belastingvrijstellingen die niet in rechtstreeks verband staan met de verlening van universele diensten ondubbelzinnig uitsluiten.
19. De Portugese regering heeft in haar verweerschrift en haar memorie van dupliek uitvoerig gereageerd op de stellingen van de Commissie. De essentie van haar verweer is in drie stellingen samen te vatten.
20. In de eerste plaats is het verschil in behandeling tussen aan de ene kant PT Comunicações en aan de andere kant de overige aanbieders van netwerkgebonden telecommunicatiediensten te herleiden tot het feit dat PT Comunicações gehouden is tot universele dienstverlening en de concurrerende aanbieders niet. Daaruit vloeit voort dat PT Comunicações moet overgaan tot uitbreiding van haar telecommunicatienetwerk als de nakoming van haar verplichting tot universele dienstverplichting dat vergt, ook indien die uitbreiding op zichzelf economisch niet aantrekkelijk is. Haar situatie is derhalve niet vergelijkbaar met die van andere exploitanten die zich bij aanleg van netwerkinfrastructuur en het aanbieden van diensten geheel kunnen laten leiden door rentabiliteitsoverwegingen. De vrijstelling van de belasting voor de benutting van het publieke domein strekt er dus toe om belemmeringen weg te nemen voor de ontwikkeling van voor de universele dienstverlening nodige infrastructuur.
21. Overigens dient een scherp onderscheid te worden gemaakt tussen de lasten die samenhangen met de aanleg en het onderhoud van de netwerkinfrastructuur en de lasten die voortvloeien uit de benutting van dat netwerk. De belastingvrijstelling heeft gevolgen voor de lasten van de eerste categorie, niet voor die van de tweede categorie. Bij de benutting van de infrastructuur als leverancier van communicatiediensten profiteert PT Comunicações dus niet van de belastingvrijstelling.
22. In de tweede plaats ontleent de Portugese regering een argument aan het karakter en de strekking van de vrijstelling. Die zou ten nauwste samenhangen met het gegeven dat PT Comunicações het publieke domein benut ten behoeve van de verlening van openbare diensten in het collectieve belang, terwijl haar concurrenten van dat domein primair gebruik maken bij het nastreven van hun individuele belangen en derhalve zijn onderworpen aan een heffing als vergoeding daarvoor.
23. In de derde plaats betoogt de Portugese regering dat zelfs indien de afdracht van de gemeentelijke heffing zou moeten worden aangemerkt als een door PT Comunicações gedane uitgave – dus als een kostenpost – in het kader van de verlening van een algemene dienst, de ontheffing van de betaling van die heffing, de bijzondere lasten die samenhangen met de uitvoering van de verplichting tot verlening van universele diensten niet zou overschrijden. In dit verband verwijst de Portugese regering naar het arrest Altmark.(9)
24. De Portugese regering besluit haar verweer met de mededeling dat ter uitvoering van richtlijn 2002/77/EG van de Commissie van 16 september 2002 betreffende de mededinging op de markten voor elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten(10), die richtlijn 90/388 heeft vervangen, zij enkele bepalingen aan de vigerende Portugese wetgeving wil toevoegen die alle exploitanten van telecommunicatienetwerken het recht op gebruik van het publieke domein waarborgen en die voorzien in transparante, niet discriminerende en proportionele heffingen op dat gebruik.
VI – Beoordeling
25. In de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de gemeenschapswetgever de liberalisering van de nationale telecommunicatiemarkten met kracht ter hand genomen om zo de voorwaarden te scheppen voor de vorming van één communautaire telecommunicatiemarkt. Dit streven werd vergemakkelijkt door de snelle technologische vooruitgang op het gebied van de informatisering en de telecommunicatie. Daardoor waren de technische en economische argumenten voor de exploitatie van telecommunicatienetwerken door houders van uitsluitende of bijzondere rechten obsoleet geworden.
26. Op geheel onbekend terrein waagde de gemeenschapswetgever zich met zijn initiatieven niet. Al in het begin van de jaren tachtig was in de Verenigde Staten de telecommunicatiemarkt grotendeels geliberaliseerd. Ook in Europa waren enkele landen hem al voorgegaan.(11)
27. Een van de kernproblemen bij de overgang van een als openbare nutsvoorziening georganiseerde en beheerde telecommunicatievoorziening die was toevertrouwd aan een publieke dienst of publieke onderneming met exclusieve of bijzondere rechten was de organisatie van de transformatie van de in publieke regie geproduceerde en geleverde diensten naar een marktmatige voortbrenging en distributie daarvan. Aan de ene kant moest worden verzekerd dat deze diensten die van eminent economisch, sociaal en cultureel belang zijn voor een ieder, ter beschikking bleven: de plicht tot zogeheten universele dienstverlening. Aan de andere kant moest worden voorkomen dat de oorspronkelijke houders van exclusieve rechten op die markt, nu veelal in geprivatiseerde vorm, als houders van dominante posities op de zich vormende markten, al dan niet onder openlijke of tersluikse steun van de nationale autoriteiten, potentiële nieuwkomers op de markt zouden gaan weren.
28. Deze tweeledige preoccupatie is terug te vinden in de considerans en het dispositief van de hierboven aangehaalde richtlijnen 90/388, 96/19 en 97/33. Daarin worden enerzijds ruime overgangsperioden vastgesteld voor die telecommunicatiediensten waarvan de beschikbaarheid voor alle burgers van vitaal belang, zoals de spraaktelefoniedienst(12) en worden normen gegeven voor de berekening van de bijzondere lasten die samenhangen met de verplichte verstrekking van universele diensten.(13) Anderzijds zijn in deze richtlijnen tal van bepalingen opgenomen die ertoe strekken te waarborgen dat nieuwe gegadigden voor de productie en levering van telecommunicatiediensten op dezelfde voet worden behandeld als de reeds op de desbetreffende markten opererende ondernemingen. Het in deze zaak centraal staande artikel 4 quinquies van richtlijn 90/388, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/19 is een voorbeeld van zo’n bepaling.
29. De feiten die aan deze zaak ten grondslag liggen zijn, zoals weergegeven in de punten 10 en 11 van de conclusie, karakteristiek voor de kort aangeduide problemen bij de transformatie van een in exclusief beheer verschafte dienst naar openmarktverhoudingen. Een element van dit feitencomplex verdient bij de beoordeling van dit beroep wegens nalatigheid bijzondere aandacht: PT Comunicações mag de nettokosten die voortvloeien uit de verplichting tot universele dienstverlening integraal van de verschuldigde bijdrage van de concessie aftrekken.
30. De vrijstelling die PT Comunicações op grond van artikel 13 van het wetsbesluit nr. 91/97 geniet van heffingen in verband met het verlenen van doorgangsrechten in het publieke domein ten behoeve van de aanleg van infrastructuur, moet ten opzichte van nieuwe telecommunicatie exploitanten zonder meer als een in beginsel verboden voorrecht worden aangemerkt.
31. Immers, indien in de transformatieperiode de penetratie van nieuwkomers op de markt wordt bemoeilijkt door hun hogere financiële lasten en/of andere belemmeringen op te leggen dan de exploitanten van de al bestaande infrastructuur, wordt daarmee afbreuk gedaan aan het door de gemeenschapswetgever beoogde resultaat en kan het ertoe leiden dat de exclusieve rechten van de „oude” telecommunicatieorganisatie de facto worden bestendigd. Dan wordt ook de vorming van een gemeenschappelijke markt voor de desbetreffende feitelijk verijdeld. De in punt 6 van deze conclusie aangehaalde drieëntwintigste overweging van de considerans van richtlijn 96/19 ziet op dit uitdrukkelijk ongewenste resultaat.
32. De rechtvaardigingsgronden die de Portugese regering aanvoert voor de in artikel 4 quinquies van de gewijzigde richtlijn 90/388 verboden voorkeursbehandeling van PT Comunicações, zijn gekunsteld. Zij konden ook moeilijk anders dan gekunsteld zijn, omdat die rechtvaardiging niet rechtstreeks kan worden gevonden in de bijzondere kosten die voortvloeien uit de verplichting tot universele dienstverlening. Immers die kan PT Comunicações volledig aftrekken van de verschuldigde bijdrage voor de concessie.
33. Daarom rechtvaardigde de Portugese regering de bevoorrechting van PT Comunicações ten opzichte van de andere exploitanten niet met een beroep op de rechtstreeks met de verplichting tot openbare dienstverlening verbonden kosten, maar met een beroep op de bijzondere hoedanigheid van die onderneming als universele dienstverlener. Uit die bijzondere hoedanigheid zouden naar verhouding omvangrijke verplichtingen tot de aanleg en uitbreiding van nieuwe netwerkinfrastructuur voortvloeien, waarvan de overige exploitanten gevrijwaard zouden zijn.
34. Dit betoog is, naar het mij voorkomt, onhoudbaar. In de eerste plaats gaat het er volstrekt aan voorbij dat PT Comunicações als houder en eigenaar van het basistelecommunicatienetwerk reeds beschikt over een infrastructuur die nieuwkomers nog geheel op eigen kosten moeten aanleggen. In een dergelijke uitgangspositie is het toekennen van een vrijstelling van heffingen, die wel op de „nieuwe” exploitanten drukken bij uitstek geëigend om als hindernis voor de marktpenetratie van nieuwkomers te dienen. In de tweede plaats deugt de gegeven rechtvaardiging niet, omdat zij voorbijgaat aan het feit dat vele, zo niet de meeste, projecten van PT Comunicações tot uitbreiding van de netwerkinfrastructuur aan economische rentabiliteitseisen zullen voldoen. In al die gevallen schept de algemene vrijstelling van de bewuste heffingen even zovele flagrante vervalsingen van de concurrentieverhoudingen ten gunste van PT Comunicações.
35. De tweede rechtvaardigingsgrond berust op een redenering die per se onverenigbaar is met het door de lidstaat beoogde resultaat dat alle aanbieders van telecommunicatiediensten op de desbetreffende deelmarkten onder gelijke condities moeten kunnen opereren. Daaruit vloeit voort dat ondernemingen op wie een verplichting tot universele dienstverlening rust een vergoeding toekomt voor de rechtstreeks uit die verplichting voortvloeiende bijzondere kosten, niet meer en niet minder. Ieder bijzonder voorrecht dat zij daarnaast aan die verplichting zou ontlenen, van welk etiket, zoals „publieke dienst” of „collectief belang”, ook voorzien, schept een concurrentievervalsing ten gunste van de oorspronkelijke telecommunicatieorganisaties. Een resultaat dat de gemeenschapswetgever met zijn richtlijnen juist beoogde te voorkomen.
36. Het derde verweer, ten slotte, dat uitgaat van de eerder verworpen hypothese dat de heffingsvrijstelling een „vergoeding” zou zijn voor de bijzondere kosten, die uit de verplichting tot universele dienstverlening zouden voortvloeien is evident onhoudbaar in het licht van het gegeven dat PT Comunicações al aanspraak op een vergoeding kan maken. Als methode voor de compensatie van die bijzondere kosten is de vrijstelling bovendien inadequaat, omdat zij ook geldt voor projecten die geen enkele samenhang hebben met de verplichting tot universele dienstverlening. Tenslotte is een algemene heffingsvrijstelling voor toekomstige activiteiten bij uitstek ongeschikt om enige equivalentie te kunnen vaststellen tussen de omvang van het toegekende voordeel en de omvang van de uit de universele dienstverlening voortvloeiende kosten. Overigens heeft de Portugese regering geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat zij gepoogd zou hebben te voldoen aan de voor zo’n compensatie geldende voorschriften van artikel 5, lid 3, van richtlijn 97/33.
37. Op grond van het bovenstaande stel ik voor dat de Portugese Republiek de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4 quinquies van richtlijn 90/388, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/19, niet correct is nagekomen.
VII – Conclusie
38. In het licht van de hier weergegeven feiten en omstandigheden geef ik het Hof in overweging:
a) Te verklaren dat de Portugese Republiek, door na te laten de nodige wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen te treffen ter uitvoering van artikel 4 quinquies van richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/19/EG, tot wijziging van richtlijn 90/388/EEG met betrekking tot de invoering van volledige mededinging op de markten voor telecommunicatie haar verplichtingen ingevolge bedoelde richtlijnen niet is nagekomen.
b) De Portugese Republiek ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de proceskosten te veroordelen.
1 – Oorspronkelijke taal: Nederlands.
2 – PB L 192, blz. 10.
3 – PB L 74, blz. 13.
4 – PB L 199, blz. 32.
5Diário da República I, serie A, nr. 176, van 1 augustus 1997, blz. 4010.
6Diário da República I, serie A, nr. 282, van 6 december 2002, blz. 7556.
7Diário da República I, serie A, nr. 40, van 17 februari 2003, blz. 1044
8Diário da República I, serie A, nr. 39, van 15 februari 1995, blz. 969.
9 – Arrest van 24 juli 2003 (C‑280/00, Jurispr. blz. I‑7747).
10 – PB L 249, blz. 21.
11 – Een goed overzicht van de diverse ontwikkelingen is te vinden in: Mansell, R., The New Telecommunications: A Political Economy of Network Evolution, London, Sage Publications, 1993.
12 – Artikel 2, eerste alinea, van richtlijn 90/388 en artikel 2, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 96/19.
13 – Artikel 5, lid 3, van richtlijn 97/33.
Full & Egal Universal Law Academy