CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. A. GEELHOED
van 18 november 2004 (1)
Zaak C-335/03
Portugese Republiek
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Nietigverklaring van beschikking 2003/364/EG van de Commissie van 15 mei 2003 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, hebben verricht (PB L 124, blz. 45) – Forfaitaire correcties op door Portugal gedeclareerde uitgaven voor het kalenderjaar 1999 – Premie voor melkkoeien en speciale premie voor producenten van rundvlees”
I – Inleiding
1. In deze zaak vordert de Portugese Republiek de nietigverklaring van beschikking 2003/364/EG van de Commissie van 15 mei 2003 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, hebben verricht.(2) Het onderhavige beroep betreft de weigering van de Commissie om een bedrag van in totaal 2 446 684,20 EUR aan de Portugese Republiek te vergoeden.
II – Juridisch kader
2. Het rechtskader ten aanzien van de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL is reeds meermalen op uitputtende wijze aan de orde gekomen in diverse conclusies en arresten. Voor een uitgebreide uiteenzetting van dit rechtskader verwijs ik onder meer naar de conclusie van advocaat‑generaal Jacobs van 22 januari 2004 en het arrest Duitsland/Commissie.(3)
III – Feiten en precontentieuze procedure
3. Van 18 tot 22 september 2000 heeft de Commissie in Portugal verschillende controles verricht om na te gaan of de toepasselijke communautaire voorschriften werden nageleefd. Deze controles vonden plaats op verscheidene veehouderijen in Alentejo.
4. Op grond van deze controles heeft de Commissie, bij brief van 20 maart 2001, de Portugese autoriteiten laten weten dat zij een onderzoek is gestart op grond van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95(4), omdat in de rundvleessector verordening nr. 805/68(5), verordening nr. 3886/92(6), verordening nr. 3508/92(7) en verordening nr. 3887/92(8) evenals verordening nr. 1254/1999(9) en verordening nr. 2342/1999(10), niet volledig werden nageleefd.
5. De Commissie kwam tot dit oordeel op basis van de volgende constateringen. Om te beginnen betrof het aantal controles ter plaatse tijdens de periode waarin de dieren moeten worden aangehouden 4,4 %, terwijl het gemeenschapsrecht op grond van artikel 6 van verordening nr. 3887/92(11) een minimumpercentage van 5 % aan controles gedurende de betrokken periode voorschrijft. Voorts gebruikten de Portugese producenten verschillende identificatiemerken. Het betroffen normale oranje oormerken, oude metalen oormerken, gele oormerken en groene oormerken van het (IDEA) programma van de Commissie waarbij een elektronisch merksysteem wordt gebruikt voor het registreren en traceren van dieren in de Gemeenschap. Daarnaast waren enkele dieren gemarkeerd met ijzer en/of door middel van tatoeages op de flank. Een groot aantal dieren was niet met de officiële gedistribueerde oormerken geïdentificeerd, maar met, door de producent, handgeschreven merken.
6. Per brief van 28 mei 2001 hebben de Portugese autoriteiten de geconstateerde onregelmatigheden bestreden. In de eerste plaats stelt de Portugese regering dat zij in het betrokken jaar wel aan het voorgeschreven minimumpercentage van 5 % aan controles heeft voldaan. In de tweede plaats geeft de Portugese regering nader uitleg over de verschillende gebruikte oormerken. De oude metalen oormerken zijn gebruikt voor dieren die voor september/oktober 1998 zijn geïdentificeerd en niet zijn vervangen. De gele oormerken zijn door bepaalde producenten voor hun eigen beheer gebruikt. De dieren die gemarkeerd zijn met ijzer en/of door middel van tatoeages op de flank, zijn vechtstieren. Bij vechtstieren moeten de merktekens op grote afstand leesbaar zijn. De handgeschreven merken werden volgens de Portugese autoriteiten gebruikt omdat de originele oormerken kwijt waren, deze zouden wel gelijk zijn aan de officiële identificatienummers.
7. Daarop heeft de Commissie per brief van 31 oktober 2001, de Portugese autoriteiten uitgenodigd voor een bilateraal overleg. De Commissie heeft hieraan toegevoegd dat zij overweegt om een forfaitaire correctie van 2 % op de door Portugal gedeclareerde uitgaven voor de premie voor zoogkoeien in het kalenderjaar 1999 op te leggen en een forfaitaire correctie van 5 % op de door Portugal gedeclareerde uitgaven voor de speciale premie voor producenten van rundvlees in hetzelfde kalenderjaar op te leggen.
8. Het bilaterale overleg heeft plaatsgevonden op 21 november 2001 in Brussel. Bij officiële mededeling van 20 februari 2002 heeft de Commissie haar conclusies ten aanzien van het bilaterale overleg medegedeeld. Vervolgens heeft de Commissie per brief van 30 mei 2002 haar conclusies formeel aan de Portugese autoriteiten doen toekomen, onder verwijzing naar beschikking 94/442/EG.(12) De Portugese autoriteiten hebben voorts om de opening van de bemiddelingsprocedure gevraagd. Deze procedure heeft de standpunten van de partijen echter niet nader tot elkaar gebracht. Nadat deze procedure zonder resultaat was gebleven, heeft de Commissie de bestreden beschikking op 15 mei 2003 vastgesteld.
9. Bij beschikking 2003/364/EG sloot de Commissie bepaalde uitgaven van de lidstaten van financiering door het Fonds uit. Zoals blijkt uit artikel 1 van beschikking 2003/364/EG en de bijlage bij deze beschikking, zijn voor het begrotingsjaar 1999, ten aanzien van de Portugese Republiek, de volgende uitgaven van financiering uitgesloten:
– 909 773,86 EUR ter zake van een zoogkoeienpremie, aanvullende premie inbegrepen,
– 1 087 047,53 EUR ter zake van een speciale premie voor rundvlees,
– 376 870,71 EUR ter zake van een extensiveringspremie,
– 72 992,11 EUR ter zake van directe betalingen aan producenten‑Poseima.
10. Bij een verzoekschrift dat op 31 juli 2003 ter griffie is gedeponeerd heeft de Portugese Republiek op grond van artikel 230, lid 1, EG verzocht om de vernietiging van de bestreden beslissing en de verweerster te verwijzen in de kosten. De Commissie verzoekt het Hof het beroep te verwerpen en verzoekster in de kosten te verwijzen.
IV – Het beroep
11. Tot staving van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan: schending van het recht bij de toepassing van de regeling van artikel 6, lid 5, van verordening nr. 3887/92; onjuiste beoordeling van de feiten in verband met de door de Portugese autoriteiten voor het kalenderjaar 1999 gedeclareerde uitgaven met betrekking tot de premie voor het aanhouden van het zoogkoeienbestand en schending van de motiveringsplicht van artikel 253 EG.
A – Eerste middel: Schending van het recht bij de toepassing van de regeling van artikel 6, lid 5, van verordening nr. 3887/92
12. Opmerkingen van de partijen
13. De Portugese regering stelt dat zij in het betrokken jaar heeft voldaan aan het door artikel 6, lid 5, van verordening nr. 3887/92 voorgeschreven minimumpercentage aan controles. In artikel 6, lid 5, van verordening nr. 3887/92 wordt namelijk gesproken over „het minimumaantal controles op dieren”. Volgens de Portugese regering moeten de steunaanvragen voor „dieren” en de desbetreffende controles worden geïnterpreteerd en beoordeeld in het licht van de eenheid van het bedrijf, of met andere woorden, alle steunregelingen ten aanzien van „dieren” moeten gezamenlijk in ogenschouw worden genomen. Derhalve vloeit niet voort uit artikel 6, lid 5, van verordening nr. 3887/92 dat, zoals de Commissie lijkt te betogen, elk van de regelingen afzonderlijk moeten worden gecontroleerd.
14. De Portugese autoriteiten hebben gekozen voor een benadering waarbij bedrijven een geïntegreerde aanvraag voor de verschillende binnen de afdeling Garantie van het EOGFL beschikbare steunregelingen „dieren” indienen, in het kader waarvan de controles worden verricht. Daarbij is in het betrokken jaar ter plaatse en gedurende de periode waarin de dieren op het bedrijf worden aangehouden het wettelijk vastgestelde minimumaantal van de aanvragen gecontroleerd.
15. De Portugese regering is van mening dat artikel 6, lid 5, van verordening nr. 3887/92, in de ten tijde van de feiten van kracht zijnde versie, geen onderscheid maakt tussen de verschillende steunregelingen met betrekking tot de controleverplichting van 5 % van de steunaanvragen „dieren” gedurende de periode waarin de dieren op het bedrijf worden aangehouden, zodat, anders dan de Commissie stelt, het optreden van de Portugese autoriteiten in overeenstemming met de genoemde bepaling was. Zij wijst ook nog op artikel 6, lid 5, zoals gewijzigd door verordening nr. 1678/98(13), waarin is bepaald dat „controles ter plaatse op grond van de onderhavige verordening mogen samen met andere in de communautaire wetgeving voorgeschreven controles worden uitgevoerd”.(14)
16. De Portugese regering stelt dat het percentage controles voor de geïntegreerde steunaanvragen voor „dieren” hoger is dan 5 %. Weliswaar bedroeg het percentage controles voor de premieregeling met betrekking tot de sector rundvlees, gedurende de periode waarin deze dieren moeten worden aangehouden, 4,4 %, echter, indien het gemiddelde wordt genomen van de controlepercentages van de premieregeling met betrekking tot de sector rundvlees, de premieregeling voor het aanhouden van het zoogkoeienbestand en de premieregeling voor producenten van schapen- en geitenvlees, wordt een controlepercentage van 6,3 % behaald.
17. Voorts wijst de Portugese regering nog op de nadien bij verordening nr. 2801/99(15) vastgestelde versie van artikel 6, lid 5, van verordening nr. 3887/92. Deze bepaling luidt als volgt: „[…] Controles ter plaatse met betrekking tot premies voor dieren moeten betrekking hebben op alle dieren die in het kader van een steunregeling moeten worden gecontroleerd. Ten minste 50 % van het minimumaantal controles moet worden verricht in de periode waarin de dieren op het bedrijf worden aangehouden. […] Controles ter plaatse in het kader van deze verordening moeten, waar nodig, tegelijk met voor andere communautaire regelingen te verrichten controles worden verricht.” Deze nadien vastgestelde versie van artikel 6, lid 5, van verordening nr. 3887/92 maakt een duidelijk onderscheid tussen de verschillende steunregelingen afzonderlijk, echter deze bepaling trad pas op 1 januari 2000 in werking.
18. De Commissie heeft derhalve, aldus de Portugese regering, door in het concrete geval niet de ten tijde van de feiten geldende versie van artikel 6, lid 5, van verordening nr. 3887/92 toe te passen maar de nadien bij verordening nr. 2801/99 vastgestelde versie ervan, een nieuwe regel met terugwerkende kracht toegepast, waardoor algemene rechtsbeginselen zijn geschonden die de lidstaten gemeen hebben.
19. De Commissie is van mening dat het standpunt van de Portugese regering zowel naar de geest als naar de formulering van de voorschriften een onjuiste betekenis toekent aan artikel 6, leden 3 en 5, van verordening nr. 3887/92. Het standpunt van de Portugese regering staat diametraal tegenover het beoogde doel. In artikel 6, lid 1, van verordening nr. 3887/92 valt te lezen dat: „De administratieve controles en de controles ter plaatse worden uitgevoerd op zodanige wijze dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen en premies is gewaarborgd.” Indien het standpunt van de Portugese regering wordt overgenomen, zou het volstaan om 10 % van de steunaanvragen voor de premieregeling voor het aanhouden van het zoogkoeienbestand en 10 % van de steunaanvragen voor de premieregeling voor producenten van schapen- en geitenvlees, te controleren. Hiermee zou een controlepercentage van 6,66 % worden behaald, zonder dat één enkele steunaanvraag van de premieregeling met betrekking tot de sector rundvlees, zou zijn gecontroleerd.
20. Een dergelijke interpretatie druist volledig in tegen de bepaling van artikel 7 van verordening nr. 3508/92, die uitdrukkelijk stelt dat: „Het geïntegreerde controlesysteem heeft betrekking op alle ingediende steunaanvragen, met name wat betreft de administratieve controles, de controles ter plaatse en in voorkomend geval de verificaties met behulp van teledectie met vliegtuigen of via satellieten.”
21. Beoordeling
22. Artikel 6, lid 3, van verordening nr. 3887/92 luidt als volgt: „De controles ter plaatse betreffen ten minste een belangrijke steekproef uit de aanvragen. Deze steekproef moet bestaan uit ten minste: – 10 % van de steunaanvragen ‚dieren’ of van de deelnemingsverklaringen, […]”. Lid 5 van hetzelfde artikel heeft de volgende inhoud: „[…] Van het minimumaantal controles op dieren moet ten minste 50 % worden verricht gedurende de periode waarin deze dieren moeten worden aangehouden. […]” Uit deze bepalingen volgt dat het minimumaantal controles op dieren ten minste 5 % moet bedragen gedurende de periode waarin deze dieren moeten worden aangehouden.
23. Partijen zijn verdeeld over de invulling van „het minimumaantal controles op dieren”. De Portugese regering is van mening dat de controles op alle steunregelingen ten aanzien van dieren gezamenlijk in ogenschouw moeten worden genomen. Het gemiddelde aantal controles is vervolgens bepalend voor de vraag of voldaan is aan het minimumvereiste van 5 % zoals voorgeschreven door artikel 6, leden 3 en 5, van verordening nr. 3887/92. De Commissie staat een andere benadering voor. Volgens de Commissie moet bij elk van de regelingen afzonderlijk worden voldaan aan het minimumvereiste van 5 %.
24. Het komt mij voor, dat de invulling van „het minimumaantal controles op dieren” zo moeten worden uitgelegd, dat daarmee elke steunregeling afzonderlijk moet voldoen aan het minimumpercentage zoals voorgeschreven door artikel 6, leden 3 en 5 van verordening nr. 3887/92. Indien de redenering van de Portugese regering zou worden gevolgd, zou ernstig afbreuk worden gedaan aan het nuttig effect van deze bepaling. Elke andere lezing van artikel 6, leden 3 en 5 van verordening nr. 3887/92 dan die hierboven is uiteengezet, heeft tot gevolg dat de Portugese regering zou kunnen volstaan met enkel het controleren van de steunaanvragen voor de premieregeling voor het aanhouden van het zoogkoeienbestand en van de steunaanvragen voor de premieregeling voor producenten van schapen‑ en geitenvlees. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat geen enkele steunaanvraag van de premieregeling met betrekking tot de sector rundvlees, zou hoeven te worden gecontroleerd. Een dergelijke uitlegging van artikel 6, leden 3 en 5 van verordening nr. 3887/92 kan derhalve niet worden aanvaard.
25. Gezien het feit dat het controlepercentage voor de premieregeling met betrekking tot de sector rundvlees, gedurende de periode waarin deze dieren moeten worden aangehouden, 4,4 % bedroeg, tezamen met het feit dat er slechts één mogelijke uitleg aan artikel 6, leden 3 en 5 van verordening nr. 3887/92 kan worden gegeven, moet worden geconcludeerd dat de Portugese regering niet heeft voldaan aan de minimumeis van 5 % aan controles zoals voorgeschreven door verordening nr. 3887/92.
26. Het eerste middel van de Portugese regering treft naar mijn opvatting dan ook geen doel.
B – Tweede middel: Onjuiste beoordeling van de feiten in verband met de door de Portugese autoriteiten voor het kalenderjaar 1999 gedeclareerde uitgaven met betrekking tot de premie voor het aanhouden van het zoogkoeienbestand
27. Opmerkingen van partijen
28. Het tweede middel van de Portugese autoriteiten bevat drie onderdelen. Het eerste onderdeel heeft betrekking op de datum waarop de onregelmatigheden zijn geconstateerd. Het tweede onderdeel handelt over de gegrondheid van de constateringen en het derde onderdeel betreft de representativiteit van de steekproeftrekking.
29. De Portugese regering is ten aanzien van het eerste onderdeel van mening dat de gestelde onregelmatigheden bij de identificatie van de dieren, die de Commissie zegt te hebben geconstateerd tijdens verificaties bij bedrijven in de regio Alentejo in september 2000, niet kunnen dienen voor de toepassing van forfaitaire correcties op de uitgaven voor het kalenderjaar 1999. De Commissie heeft van 18 tot 22 september 2000 verschillende controles in Portugal verricht, derhalve zouden de resultaten van deze controles voor het verkoopseizoen van 2000 in acht moeten worden genomen en niet voor het verkoopseizoen van 1999.
30. De Commissie verwijst in haar verweerschrift naar artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zoals gewijzigd door verordening (EG) nr. 1287/95 van de Raad van 22 mei 1995 (16), waarin staat dat: „[…] Financiering kan niet worden geweigerd voor uitgaven die meer dan 24 maanden vóór de schriftelijke mededeling door de Commissie van de resultaten van die verificaties aan de betrokken lidstaat zijn gedaan. […]”
31. De Portugese autoriteiten bestrijden dit en wijzen erop dat de Commissie geen onderscheid maakt tussen twee afzonderlijke vragen. De eerste vraag betreft de tijdsduur waarin de consequenties van de resultaten van de verificaties moeten worden medegedeeld en de tweede vraag handelt over het begrotingsjaar waarop de verificaties betrekking hebben.
32. Met het tweede onderdeel bestrijdt de Portugese regering de deugdelijkheid van de door de Commissie gestelde onregelmatigheden. Portugal heeft voldaan en voldoet aan de regeling betreffende de identificatie van runderen(17), ook ten aanzien van de handgeschreven identificatienummers. De met de handgeschreven identificatienummers zijn slechts een tijdelijke maatregel. Deze tussenoplossing wordt gebruikt zodat de dieren met het officiële identificatienummer gemerkt zijn tot het moment dat de bevoegde instantie vervangende oormerken geplaatst heeft. De Portugese regering wijst erop dat de handgeschreven identificatienummers gelijk zijn aan de officiële identificatienummers zoals die voorkomen in het paspoort van de betreffende dieren zodat er geen enkel probleem ten aanzien van de identificatie van de dieren kan optreden.
33. De Commissie bestrijdt dit en wijst op het syntheseverslag waarin de gebreken ten aanzien van identificatie van de dieren staan opgesomd. Lokale controleurs zouden handgeschreven identificatienummers zonder problemen accepteren. Een dergelijke handelswijze stemt niet overeen met artikel 6, lid 1, van verordening nr. 3887/92(18) dat voorschrijft: „De administratieve controles en de controles ter plaatse worden uitgevoerd op zodanige wijze dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen en premies is gewaarborgd.”
34. Met het derde onderdeel verwijt de Portugese regering de Commissie dat zij een verkeerde beoordeling van de relevante feiten zou hebben gemaakt, doordat zij geen rekening heeft gehouden met concrete omstandigheden. Als grond voor de toepassing van de financiële correctie stelt de Commissie dat enkele dieren door de producent aangebrachte oormerken droegen en een door hem gebruikt identificatienummer hadden dat verschilde van het door de bevoegde autoriteiten toegekende nummer. Zij is van mening dat deze praktijk het risico vergroot dat meer dan één premie voor hetzelfde dier wordt betaald. Volgens de Portugese regering had de Commissie de omstandigheden waarin die praktijk zich voordeed, moeten laten meewegen. Het betrof slechts 6 producenten van dezelfde regio. Deze regio zou bepaalde karakteristieken hebben die zich onderscheiden van de rest van het land. De veehouderij in Alentejo is extensief waardoor het voor de producenten lastiger zou zijn de dieren te controleren. De steekproeftrekking zou derhalve niet representatief zijn.
35. De Commissie wijst erop dat een regio weliswaar bepaalde karakteristieken kan hebben maar dat communautaire voorschriften nog steeds moeten worden nageleefd.
36. Beoordeling
37. Met het eerste onderdeel van het tweede middel stelt de Portugese regering het jaar waarop de forfaitaire correcties betrekking hebben ter discussie. Volgens haar zouden de resultaten van de uitgevoerde controles voor het verkoopseizoen van 2000 in acht moeten worden genomen en niet voor het verkoopseizoen van 1999.
38. Artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70 geeft, in tegenstelling tot de bewering van de Portugese regering, de bevoegdheid aan de Commissie om financiering te weigeren voor uitgaven die binnen 24 maanden voor de schriftelijke mededeling door de Commissie van de resultaten van die verificaties aan de betrokken lidstaat zijn gedaan. Derhalve kon de Commissie de resultaten van de uitgevoerde controles voor het verkoopseizoen van 1999 in acht nemen.
39. Voorts heeft de Portugese regering in haar verzoekschrift en repliek niet weersproken dat verscheidene dieren enkel gemerkt waren door middel van handgeschreven identificatienummers. Dit is in strijd met artikel 4, lid 1, van verordening nr. 820/97. Deze bepaling schrijft voor dat „alle dieren op een bedrijf die na 1 januari 1998 zijn geboren of na 1 januari 1998 zijn bestemd voor het intracommunautaire handelsverkeer, worden geïdentificeerd met een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd merk in elk oor”. De rechtvaardiging die de Portugese regering aanvoert, namelijk dat een handgeschreven identificatienummer slechts een tussenoplossing is, acht ik niet overtuigend als bewijs dat de identificatie van de dieren wel voldoende verzekerd is.
40. Daarnaast stelt de Portugese regering dat de geconstateerde gebreken in de regio Alentejo slechts betrekking hebben op deze regio en niet kunnen worden geëxtrapoleerd naar andere regio´s.
41. Volgens vaste rechtspraak behoeft de Commissie, ten bewijze van een schending van de regels van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten, de ontoereikendheid van de door de nationale administraties verrichte controles of de onregelmatigheid van de door hen voorgelegde cijfers niet uitputtend aan te tonen, maar moet zij enkel een bewijs leveren voor de ernstige en redelijke twijfel die zij omtrent die controles en cijfers koestert. Deze verlichting van de bewijslast voor de Commissie is te verklaren door het feit dat de lidstaat zelf het best in staat is de voor de goedkeuring van de EOGFL‑rekeningen benodigde gegevens te verzamelen en te verifiëren, zodat dus de lidstaat gedetailleerd en volledig dient te bewijzen dat controles zijn verricht en dat zijn cijfers juist zijn en, in voorkomend geval, dat de beweringen van de Commissie onjuist zijn.(19)
42. De lidstaten zijn zelf verantwoordelijk voor schendingen van de regels inzake de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten, zoals blijkt uit artikel 8, lid 1, van verordening nr. 729/70, dat de lidstaten de algemene verplichting oplegt om de nodige maatregelen te treffen om zich ervan te vergewissen dat de door het EOGFL gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze werden uitgevoerd, om onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen, en om de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verlorengegane bedragen terug te vorderen.
43. Een extrapolatie van de gegevens van een bepaalde regio naar andere regio´s, is dus niet principieel verboden. Zij moet echter steeds haar rechtvaardiging vinden in de feiten.
44. Dienaangaande zij erop gewezen dat de Portugese regering de vaststellingen van de Commissie betreffende de gebrekkige identificatie van de dieren onvoldoende heeft bestreden. Volgens hierboven aangehaalde rechtspraak stond het dus aan de Portugese regering om te bewijzen dat de twijfels van de Commissie ongegrond waren, door een omstandig en volledig bewijs te leveren van de echtheid van haar controles en cijfers. De loutere verwijzing naar het feit dat de situatie in elke regio anders is, kan niet volstaan.
45. Op grond van bovenstaande overwegingen, behoren verzoeksters aangevoerde argumenten ter zake van de weigering van bepaalde uitgaven in het kader van de premie voor het aanhouden van het zoogkoeienbestand, mijns inziens dan ook niet te worden aanvaard.
C – Derde middel: Schending van de motiveringsplicht van artikel 253 EG
46. De Portugese regering verwijt de Commissie dat zij in haar beschikking niet heeft vermeld welke gedragingen van de Portugese autoriteiten als strijdig met het gemeenschapsrecht worden beschouwd en welke rechtsregels door het optreden van de Portugese autoriteiten waren geschonden. Aldus voldoet de beschikking niet aan de minimumvereisten die voor nakoming van de motiveringsverplichting noodzakelijk zijn, aldus de Portugese autoriteiten. Die minimumvereisten zijn nog dwingender, wanneer het gaat om besluiten die de toepassing van sancties inhouden of voor de geadresseerde(n) met name op financieel gebied tot negatieve gevolgen leiden, zoals in het concrete geval. In dergelijke situaties is nakoming van de motiveringsverplichting essentieel voor het waarborgen van de rechten van de verdediging van de persoon of het orgaan dat de negatieve gevolgen van de handeling ondervindt.
47. De uitgebreide correspondentie tussen de Portugese republiek en de Commissie toont volgens de Commissie aan dat de grief van de Portugese republiek ongegrond is. De bestreden beschikking geeft daarnaast een overzicht van de juridische gronden en motieven. Voorts kan worden gelezen in de zevende overweging dat: „Voor de gevallen waarop deze beschikking betrekking heeft, heeft de Commissie in het kader van een desbetreffend syntheseverslag aan de lidstaten opgave gedaan van de uitgaven die aan financiering moeten worden onttrokken omdat zij niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn verricht.” Het betreffende syntheseverslag geeft een uitgebreide weergave van de motieven van de Commissie voor het opleggen van de forfaitaire correcties.
48. Beoordeling
49. Het derde middel van de Portugese regering, ontleend aan ontoereikende motivering, kan ook niet worden aanvaard. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat: „In de speciale context waarin beschikkingen inzake de goedkeuring van de rekeningen tot stand komen, moet de motivering van een beschikking als toereikend worden beschouwd, wanneer de betrokken lidstaat nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding ervan en dus bekend was met de redenen waarom de Commissie meende het litigieuze bedrag niet ten laste van het EOGFL te moeten brengen.”(20)
50. De Portugese autoriteiten zijn nauw betrokken geweest bij de voorbereiding van de bestreden beschikking. De redenen voor haar vaststelling zijn zowel in correspondentie van de Commissie aan hen als in het syntheseverslag genoemd en zijn de Portugese regering ook duidelijk gemaakt in het kader van de bemiddeling. Het laatste middel moet mijns inziens daarom worden verworpen.
V – Conclusie
51. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
52. 1. het beroep te verwerpen;
53. 2. de Republiek Portugal in de kosten te verwijzen.
1 – Oorspronkelijke taal: Nederlands.
2 – PB L 124, blz. 45.
3 – Conclusie van advocaat‑generaal Jacobs van 22 januari 2004, Griekenland/Commissie (C‑332/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 4‑9 en 18‑22); arrest van 4 maart 2004, Duitsland/Commissie (C‑344/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 2‑14).
4 – Verordening (EG) nr. 1663/95 van de Commissie van 7 juli 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad aangaande de procedure inzake de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie, PB L 158, blz. 6.
5 – Verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, PB L 148, blz. 24, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2222/96 van de Raad van 18 november 1996 (PB L 296, blz. 50).
6 – Verordening (EEG) nr. 3886/92 van de Commissie van 23 december 1992 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de premieregelingen waarin is voorzien bij verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 1244/82 en (EEG) nr. 714/89, PB L 391, blz. 20, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2311/96 van de Commissie van 2 december 1996, PB L 313, blz. 9.
7 – Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, PB L 355, blz. 1.
8 – Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, PB L 391, blz. 36.
9 – Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, PB L 160, blz. 21.
10 – Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot de premieregelingen, PB L 281 blz. 30.
11 – Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, PB L 391, blz. 36.
12 – PB L 182, blz. 45.
13 – Verordening (EG) nr. 1678/98 van de Commissie van 29 juli 1998 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3887/92 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, PB L 212, blz. 23.
14 – De bepaling – in gewijzigde vorm – is van toepassing op steunaanvragen die op of na 1 januari 1999 worden ingediend.
15 – Verordening (EG) nr. 2801/1999 van de Commissie van 21 december 1999 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3887/92 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, PB L 340, blz. 29.
16 – PB L 125, blz. 1.
17 – Verordening (EG) nr. 2629/97 van de Commissie van 29 december 1997 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad inzake oormerken, bedrijfsregisters en paspoorten overeenkomstig de identificatie‑ en registratieregeling voor runderen, PB L 354, blz. 19.
18 – Aangehaald in voetnoot 8.
19 – Arresten van 19 september 2002, Duitsland/Commissie, (C‑377/99, Jurispr. blz. I‑7421, punt 95); van 6 maart 2001, Nederland/Commissie (C‑278/98, Jurispr. blz. I‑1501, punten 39‑41), en van 19 juni 2003, Spanje/Commissie (C‑329/00, Jurispr. blz. I‑6103, punt 68).
20 – Zie onder meer arrest van 1 oktober 1998, Nederland/Commissie (C‑27/94, Jurispr. blz. I‑5581, punt 36), en conclusie van advocaat‑generaal Mischo bij arrest van 6 juni 2002, Nederland/Commissie (C‑133/99, Jurispr. blz. I‑4943, punten 125‑127).
Full & Egal Universal Law Academy