CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 16 december 2004 (1)
Zaak C-347/03
Regione autonoma Friuli-Venezia Giulia
en
Agenzia regionale per lo sviluppo rurale (ERSA)
tegen
Ministero delle Politiche Agricole e Forestali
en
Regione Veneto
1. Deze zaak betreft in wezen de geldigheid van een in 2007 van kracht wordend verbod van het gebruik in Italië van de naam van het druivenras „Tocai friulano” en zijn synoniem „Tocai italico”(2) op wijnetiketten. Dit verbod vindt zijn oorsprong in een overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Hongarije en strekt ertoe de Hongaarse geografische aanduiding „Tokaj” te beschermen.
2. De Regione autonoma Friuli-Venezia Giulia (autonome regio Friuli-Venezia Giulia) en de Agenzia regionale per lo sviluppo rurale (ERSA) (regionaal agentschap voor plattelandsontwikkeling) (hierna: „verzoeksters”) hebben een procedure ingesteld voor het Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (administratief gerecht van Lazio), strekkend tot nietigverklaring van een nationale regeling(3) waarvan dit verbod deel uitmaakt. Verzoeksters voeren voornamelijk aan dat de Gemeenschap niet bevoegd was de overeenkomst met Hongarije te sluiten, dat het verbod in strijd is met andere bepalingen van de overeenkomst, dat de overeenkomst berust op een onjuiste weergave van de feiten zodat de betrokken bepaling krachtens het internationale recht nietig is, dat dit verbod bij de TRIPs-Overeenkomst(4) is afgeschaft en dat het onverenigbaar is met het door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden(5) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie beschermde eigendomsrecht.(6)
I – De Associatieovereenkomst
3. De Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Hongarije, anderzijds (hierna: „Associatieovereenkomst”), is op 16 december 1991 namens de Gemeenschap gesloten en goedgekeurd bij besluit 93/742/Euratom, EGKS, EG.(7)
4. De inhoud van de Associatieovereenkomst staat in de onderhavige zaak niet ter discussie. Toch is die overeenkomst relevant, omdat de verwijzende rechter vraagt of zij een geldige en toereikende rechtsgrondslag vormt voor een andere overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Hongarije, die rechtstreeks in geding is en hierna wordt onderzocht.(8) In dit verband verwijst de verwijzende rechter naar de volgende bepalingen van de Associatieovereenkomst.
5. Gemeenschappelijke verklaring nr. 13, gehecht aan de Slotakte van de Associatieovereenkomst, luidt als volgt(9):
„De partijen komen overeen dat, in de zin van deze Associatieovereenkomst, aan het begrip ‚intellectuele, industriële en commerciële eigendom’ een soortgelijke betekenis dient te worden gegeven als in artikel 36 van het EEG-Verdrag en dat dit in het bijzonder het volgende omvat: de bescherming [...] van geografische aanduidingen [...]”
6. Punt 5 van bijlage XIII bij de Associatieovereenkomst bepaalt:
„De bepalingen van deze bijlage en van artikel 74, lid 1, betreffende intellectuele eigendom doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Europese Economische Gemeenschap en haar lidstaten inzake industriële, intellectuele en commerciële eigendom.”
II – De overeenkomst betreffende de wijnbenamingen
7. De overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Hongarije betreffende de wederzijdse bescherming van en de controle op wijnbenamingen (hierna: „wijnovereenkomst”), namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 93/724/EG(10), werd op 29 november 1993 ondertekend.
A – Besluit 93/724
8. In de considerans van besluit 93/724 is bepaald:
„Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 113 [...]
Overwegende dat de door onderhandelingen tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Hongarije bereikte Overeenkomst betreffende de wederzijdse bescherming van en de controle op wijnbenamingen het mogelijk zal maken de oneerlijke concurrentie in de handel doeltreffender te bestrijden, de consument een betere bescherming te bieden en het handelsverkeer in wijn tussen beide overeenkomstsluitende partijen te bevorderen; dat het bijgevolg dienstig is deze Overeenkomst goed te keuren;
[...]
Overwegende dat de bepalingen van deze Overeenkomst rechtstreeks samenhangen met de maatregelen die onder het gemeenschappelijk handels‑ en landbouwbeleid vallen, en dat de Overeenkomst daarom op communautair niveau dient te worden gesloten.”
9. Artikel 1 van besluit 93/724 luidt als volgt:
„De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Hongarije betreffende de wederzijdse bescherming van en de controle op wijnbenamingen alsmede het Protocol en de verklaringen die daaraan zijn gehecht, worden namens de Gemeenschap goedgekeurd.”
B – De Overeenkomst
10. De considerans van de wijnovereenkomst luidt onder meer als volgt:
„Gelet op [de Associatieovereenkomst],
[...]
Gelet op het belang van beide overeenkomstsluitende partijen bij een wederzijdse bescherming van en controle op wijnbenamingen.”
11. Artikel 4 van de wijnovereenkomst luidt als volgt:
„1. De volgende benamingen worden beschermd:
[...]
b) voor de wijnen van oorsprong uit Hongarije:
[...]
– de in de bijlage vermelde geografische aanduidingen en traditionele benamingen […]
[...]
3. In de Gemeenschap mogen de beschermde Hongaarse benamingen:
– alleen worden gebruikt voor de wijnen van oorsprong uit Hongarije waarop zij van toepassing zijn,
en
– alleen worden gebruikt op de voorwaarden die zijn vastgesteld bij de wetten en voorschriften van Hongarije.
4. De in lid 1 bedoelde bescherming van de benamingen geldt ook wanneer de werkelijke oorsprong van de wijn is aangegeven of wanneer de geografische aanduiding of de traditionele benaming in vertaling wordt gebruikt of wordt gebruikt in combinatie met delokaliserende uitdrukkingen zoals ‚genre’, ‚type’, ‚wijze’, ‚imitatie’, ‚methode’, ‚merk’ of soortgelijke uitdrukkingen.
5. Bij gelijkluidende of identieke geografische aanduidingen:
a) wordt, wanneer een beschermde aanduiding van een overeenkomstsluitende partij gelijkluidend of identiek is aan een beschermde aanduiding van de andere overeenkomstsluitende partij, elk van deze aanduidingen beschermd, op voorwaarde dat
– de betrokken geografische benaming vanouds en constant is gebruikt om een wijn te omschrijven en aan te bieden die is geproduceerd in het geografisch gebied waarop de benaming betrekking heeft,
– de betrokken wijn niet valselijk aan de consumenten wordt aangeboden als zijnde van oorsprong uit het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij;
[...]”
12. De bijlage bij de wijnovereenkomst („Lijst van de beschermde wijnnamen bedoeld in artikel 4”) vermeldt „Tokaj” in deel B („Wijnen van oorsprong uit de Republiek Hongarije”), onder I („Geografische aanduidingen”), in punt 3.4. Deel A („Wijnen van oorsprong uit de Europese Gemeenschap”) van deze bijlage bevat geen van de benamingen „Tocai friulano” of „Tocai italico”.
C – De briefwisseling
13. De briefwisseling inzake artikel 4 van de op 29 november 1993 ondertekende wijnovereenkomst(11) (hierna: „briefwisseling”) vormt een van de in artikel 1 van besluit 93/724 bedoelde documenten.(12)
14. Na te hebben verwezen naar de wijnovereenkomst, luidt de briefwisseling:
„1. Gedurende een overgangsperiode van 13 jaar na de inwerkingtreding van genoemde Overeenkomst, vormt de toepassing van deze Overeenkomst geen beletsel voor het geoorloofd gebruik van de benaming ‚Tocai’ voor de omschrijving en de aanbieding van bepaalde Italiaanse v.q.p.r.d. voorzover aan de volgende voorwaarden wordt voldaan.
Onverminderd de bijzondere communautaire bepalingen, en, eventueel meer stringente nationale bepalingen, moet deze wijn:
– zijn verkregen uit druiven van het ras ‚Tocai friulano’;
– zijn bereid uit druiven die alle geoogst zijn in de Italiaanse regio’s Veneto of Friuli;
[...]
3. Er wordt overeengekomen dat de betrokken v.q.p.r.d. die zijn omschreven en worden aangeboden overeenkomstig de bepalingen die vóór het verstrijken van de in punt 1 bedoelde overgangsperiode, ter zake van toepassing waren, in het verkeer mogen worden gebracht totdat de voorraden uitgeput zijn.
4. Onverminderd het bepaalde in punt 3, loopt de mogelijkheid om de benaming ‚Tocai’ te gebruiken overeenkomstig de in punt 1 bepaalde voorwaarden, af aan het einde van de in datzelfde punt vermelde overgangsperiode.
[...]”
D – De gemeenschappelijke verklaring
15. De gemeenschappelijke verklaring betreffende artikel 4, lid 5, van de Overeenkomst(13) (hierna: „gemeenschappelijke verklaring”), die eveneens een van de in artikel 1 van besluit 93/724 bedoelde documenten is, luidt:
„De overeenkomstsluitende partijen verklaren in verband met artikel 4, lid 5, sub a), dat hun ten tijde van de onderhandelingen geen specifieke gevallen bekend waren waarop de bepalingen van dit artikel van toepassing waren [...]”
III – Ten tijde van het sluiten van de wijnovereenkomst toepasselijke communautaire regelgeving
A – Verordening (EEG) nr. 822/87
16. De basisverordening betreffende de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt was in 1993 verordening (EEG) nr. 822/87.(14)
17. Artikel 13 van verordening nr. 822/87 voorzag in de mogelijkheid voor de Commissie om gedetailleerde voorschriften voor te stellen voor de indeling van de wijnstokrassen in aanbevolen, toegestane en voorlopig toegestane wijnstokrassen.
18. Artikel 63 van verordening nr. 822/87 bepaalde:
„1. Ingevoerde wijn die voor rechtstreekse menselijke consumptie bestemd is en waarvoor een geografische aanduiding wordt gebruikt, kan, op voorwaarde van wederkerigheid, met het oog op het in de handel brengen in de Gemeenschap in aanmerking komen voor controle en bescherming als bedoeld in [artikel 15 van verordening (EEG) nr. 823/87] voor v.q.p.r.d.
2. Het bepaalde in lid 1 moet ten uitvoer worden gelegd door middel van overeenkomsten met de betrokken derde landen. Die overeenkomsten moeten tot stand komen volgens de procedure van artikel 113 van het Verdrag.”
B – Verordening (EEG) nr. 3800/81
19. De indeling van de wijnstokrassen was in 1993 geregeld bij verordening (EEG) nr. 3800/81 van de Commissie(15), die oorspronkelijk gebaseerd was op verordening (EEG) nr. 337/79 van de Raad van 5 februari 1979 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt.(16) Ofschoon verordening nr. 337/79 bij verordening nr. 822/87 is ingetrokken, werd de lijst die als bijlage was gehecht aan verordening nr. 3800/81 gehandhaafd, waarbij haar geldigheid voortaan werd ontleend aan artikel 13 van verordening nr. 822/87.
20. Tokay friulano komt voor op de lijst die als bijlage is gehecht aan verordening nr. 3800/81 van aanbevolen of toegelaten wijnstokrassen in de volgende provincies van Midden‑ en Noord-Italië: Brescia, Mantova, Varese, Padova, Rovigo, Treviso, Venezia, Verona, Vicenza, Gorizia, Pordenone, Udine, Bologna, Ferrara, Ravenna, Ascoli Piceno(17), Perugia, Terni(18), Viterbo, Chieti, Aquila, Pescara, Teramo en Sassari.
C – Verordening (EEG) nr. 823/87
21. Verordening (EEG) nr. 823/87(19) bevat bepalingen betreffende in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen („v.q.p.r.d.”). Wat een „bepaald gebied” is, werd gedefinieerd in artikel 3, lid 1, als:
„een wijngebied of een geheel van wijngebieden waar wijnen met bijzondere kwalitatieve kenmerken worden geproduceerd en waarvan de naam wordt gebruikt om [de v.q.p.r.d.] aan te duiden”.
22. Artikel 1, lid 3, van verordening nr. 823/87 verplichtte de lidstaten tot het doen toekomen aan de Commissie van een lijst van de v.q.p.r.d. die zij hadden erkend; de Commissie maakte deze lijsten bekend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. De lijst die in 1993 van toepassing was, vermeldde „Tocai friulano” noch „Tocai italico”.(20)
23. Artikel 15, lid 4, bepaalde:
„Onverminderd de communautaire bepalingen die specifiek betrekking hebben op bepaalde soorten v.q.p.r.d. mogen de lidstaten toestaan dat [...] de naam van een bepaald gebied wordt gecombineerd met een nadere aanduiding inzake de wijze van bereiding of het type van het product, of met de naam van een wijnstokras of het synoniem daarvan.”
D – Verordening (EEG) nr. 2392/89
24. Op grond van artikel 2, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2392/89 tot vaststelling van de algemene voorschriften voor de omschrijving en de aanbiedingsvorm van wijn en druivenmost(21), kon de omschrijving van tafelwijnen worden aangevuld met inzonderheid a) de naam van een kleinere geografische eenheid dan de lidstaat en i) de vermelding „vino typico” voor tafelwijn van oorsprong uit Italië.
25. Ten aanzien van ingevoerde wijn met een geografische aanduiding bepaalde artikel 26, lid 1, van verordening nr. 2392/89:
„Voor ingevoerde wijn, bestemd voor rechtstreekse menselijke consumptie die met een geografische aanduiding wordt omschreven en die op een nog vast te stellen lijst voorkomt, behelst de omschrijving op de etikettering:
a) de naam van een in het betrokken derde land gelegen geografische eenheid [...]”
E – Verordening (EEG) nr. 3201/90
26. Artikel 11 van verordening (EEG) nr. 3201/90 van de Commissie houdende uitvoeringsbepalingen voor de omschrijving en de aanbiedingsvorm van wijn en druivenmost(22), bepaalde:
„1. Elke producerende lidstaat deelt voor tafelwijn die is omschreven als [...] vino tipico [...] overeenkomstig artikel 2, lid 3, punt i), van verordening (EEG) nr. 2392/89, aan de Commissie het volgende mede:
– zo spoedig mogelijk nadat hij is opgesteld, de lijst met namen van de in [...] verordening (EEG) nr. 2392/89 bedoelde kleinere geografische eenheden dan de lidstaat [...].
De Commissie draagt ervoor zorg dat de namen van de geografische eenheden die haar krachtens het bepaalde in de eerste alinea worden meegedeeld, in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, C‑reeks, worden bekendgemaakt.
2. De in artikel 26, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2392/89 bedoelde lijst van met een geografische aanduiding omschreven ingevoerde wijnen is opgenomen in bijlage II.
[...]”
27. De lijst van de aan de Commissie meegedeelde geografische eenheden bevatte niet de namen Friuli of Friulano.(23)
28. De namen „Tokaj” of „Tokaji” waren opgenomen in de lijst van bijlage II bij verordening nr. 3201/90.
29. Artikel 12, lid 1, van deze verordening bepaalde:
„1. De lijst van synoniemen van de namen van wijnstokrassen die voor de omschrijving van tafelwijn en v.q.p.r.d. mogen worden gebruikt overeenkomstig artikel 5, lid 1, punt b), en artikel 14, lid 1, punt b) van verordening (EEG) nr. 2392/89, is opgenomen in bijlage III.”
30. De lijst in bijlage III bij verordening nr. 3201/90 bevatte de namen „Tocai friulano” en „Tocai italico”, en noemde de tweede een „aanvaard synoniem” van de eerste.
IV – De thans geldende communautaire en nationale regelgeving
31. Verordening nr. 1493/1999(24) houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt werd aangenomen, teneinde de oorspronkelijke regeling van de wijnsector te codificeren en te vereenvoudigen. Zij werd uitgevoerd bij verordening nr. 753/2002(25), die voorschriften voor de etikettering van wijn bevat.
32. Artikel 19 van verordening nr. 753/2002, getiteld „Vermelding van druivenrassen” bepaalt:
„1. Op de etikettering van tafelwijn met een geografische aanduiding of van v.q.p.r.d. mag de naam van de voor de bereiding van de betrokken wijnen gebruikte druivenrassen of hun synoniem worden vermeld op voorwaarde dat:
[...]
c) de naam van het druivenras of een synoniem ervan geen geografische aanduiding bevat die wordt gebruikt om een v.q.p.r.d., een tafelwijn of een ingevoerde wijn te omschrijven die voorkomt op de lijsten van de tussen de derde landen en de Gemeenschap gesloten overeenkomsten en, wanneer hij vergezeld gaat van een andere geografische term, op de etikettering voorkomt zonder deze geografische term;
[...]
2. In afwijking van het bepaalde in lid 1, onder c):
a) mag de naam van een druivenras die een geografische aanduiding bevat, of een van de synoniemen ervan, voorkomen op de etikettering van wijn met deze geografische aanduiding;
b) mogen de in bijlage II vermelde namen van druivenrassen en de synoniemen ervan worden gebruikt volgens de op de datum van inwerkingtreding van deze verordening geldende nationale en communautaire voorwaarden.
[...]”
33. In bijlage II bij verordening nr. 753/2002, getiteld „Namen van druivenrassen of synoniemen daarvan die een geografische aanduiding bevatten en die op grond van artikel 19, lid 2, op de etikettering van wijn mogen voorkomen”, waren oorspronkelijk de namen „Tocai friulano, Tocai italico” vermeld; de Italiaanse Republiek wordt genoemd als het land dat deze naam mag gebruiken. In een voetnoot wordt gepreciseerd: „De naam ‚Tocai friulano’ en zijn synoniem ‚Tocai italico’ mogen worden gebruikt gedurende een overgangsperiode die op 31 maart 2007 afloopt.” Deze bijlage is na de uitbreiding van 2004 vervangen door een lijst die thans 122 druivenrassen bevat(26), waaronder „Tocai friulano” en „Tocai italico”, maar met een voetnoot waarin wordt vermeld dat zij „uitsluitend kunnen worden gebruikt voor de v.q.p.r.d. afkomstig uit de regio’s Veneto en Friuli en voor een overgangsperiode die op 31 maart 2007 afloopt”.
34. De Italiaanse regeling ter zake(27) neemt de uitzondering van artikel 19, lid 2, met betrekking tot Tocai friulano en Tocai italico, over en verklaart dat deze beperking voortvloeit uit een overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Hongarije. Het betreft uiteraard de wijnovereenkomst.
V – Het hoofdgeding en de prejudiciële verwijzing
35. De wijnstokvariëteit Tocai friulano wordt van oudsher geteeld in de autonome regio Friuli-Venezia Giulia.
36. In deze regio is een aantal v.q.p.r.d. erkend, waaronder „Colli orientali del Friuli”, „Friuli aquilaea”, „Friuli grave”, „Friuli latisana” en „Isonzo” of „Isonzo del Friulio”. Deze wijnen mogen worden geproduceerd op basis van een groot aantal wijnstokvariëteiten, waaronder het ras Tocai friulano, dat een droge witte wijn oplevert.
37. Verzoeksters hebben voor de verwijzende rechter een procedure aanhangig gemaakt waarin zij de nationale regeling wraken voorzover de uitzondering met betrekking tot het gebruik van de namen Tocai friulano en Tocai italico na 31 maart 2007 niet langer geldt, overeenkomstig de wijnovereenkomst.
38. Verzoeksters voerden voor de verwijzende rechter aan, dat de wijnovereenkomst op diverse gronden onwettig is.
39. In verband hiermee heeft deze rechter besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
„1) Vormt de Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Hongarije, anderzijds, gedaan op 16 december 1991 […] een geldige en toereikende rechtsgrondslag om de Europese Gemeenschap de bevoegdheid te verlenen tot het goedkeuren van de op 29 november 1993 gesloten overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Hongarije betreffende de wederzijdse bescherming van wijnbenamingen […]; deze vraag rijst tevens tegen de achtergrond van artikel 65, lid 1, van de gemeenschappelijke verklaring nr. 13 en bijlage XIII (punten 3, 4, en 5) bij de Europa-Overeenkomst van 1991, omtrent het eventuele voorbehoud van soevereiniteit en bevoegdheid van de afzonderlijke staten met betrekking tot nationale geografische benamingen voor hun eigen landbouwproducten met inbegrip van wijnbouwproducten, dat op dit gebied elke overdracht van soevereiniteit en bevoegdheid aan de Europese Gemeenschap uitsluit?
2) Moet de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Hongarije betreffende de wederzijdse bescherming van wijnbenamingen, […], die de bescherming regelt van de geografische benamingen die tot het gebied van de industriële en commerciële eigendom behoren, nietig en van onwaarde voor de communautaire rechtsorde worden verklaard, nu deze overeenkomst niet door de afzonderlijke lidstaten van de Europese Gemeenschap is bekrachtigd, gelet, meer bepaald, op advies nr. 1/94 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen betreffende de uitsluitende bevoegdheid van de EG?
3) Ingeval de communautaire overeenkomst van 1993 […] in haar geheel als wettig en toepasselijk moet worden beschouwd, moet dan het verbod om in Italië na 2007 de benaming ‚Tocai’ te gebruiken, dat voortvloeit uit de briefwisseling die tussen de partijen bij de sluiting van deze overeenkomst is gevoerd (en hieraan is aangehecht), als nietig en van onwaarde worden beschouwd wegens tegenstrijdigheid met de door diezelfde overeenkomst van 1993 vastgestelde regeling voor gelijkluidende benamingen (zie artikel 4, lid 5, en Protocol bij de Overeenkomst)?
4) Moet de aan de overeenkomst van 1993 aangehechte tweede gezamenlijke verklaring […], volgens welke de overeenkomstsluitende partijen ten tijde van de onderhandelingen niet op de hoogte waren van het bestaan van gelijkluidende benamingen voor Europese en Hongaarse wijnen, worden beschouwd als een kennelijk onjuiste voorstelling van de werkelijkheid (aangezien de Italiaanse en Hongaarse benamingen voor ‚Tocai’-wijnen sinds eeuwen bestonden en naast elkaar bestonden, in 1948 officieel waren erkend in een overeenkomst tussen de Italiaanse Republiek en de Republiek Hongarije, en ten slotte in het communautaire normenstelsel waren opgenomen), die op grond van artikel 48 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht tot de nietigheid leidt van het onderdeel van de overeenkomst van 1993 waaruit het verbod voortvloeit om in Italië de benaming Tocai te gebruiken?
5) Moet, gelet op artikel 59 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom [TRIPs-Overeenkomst] […], gesloten in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en in werking getreden op 1 januari 1996, dus na de inwerkingtreding van de communautaire overeenkomst van 1993 […], aldus worden uitgelegd, dat haar bepalingen betreffende de regeling voor gelijkluidende wijnbenamingen worden toegepast in de plaats van die van de communautaire overeenkomst van 1993 in geval van onverenigbaarheid tussen beide, nu de twee overeenkomsten door dezelfde partijen zijn gesloten?
6) Moeten de artikelen 22 tot en met 24 van [deel II, titel 3, van bijlage 1 C] bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, namelijk de op 1 januari 1996 in werking getreden TRIPs-Overeenkomst […], in tegenwoordigheid van twee gelijkluidende benamingen voor wijnen, geproduceerd in twee landen die partij zijn bij de TRIPs-Overeenkomst (zowel wanneer de gelijkluidendheid betrekking heeft op twee geografische benamingen die worden gebruikt in de twee landen die partij zijn bij de Overeenkomst, als wanneer zij betrekking heeft op een geografische benaming van een land dat partij is bij de Overeenkomst en de gelijkluidende benaming voor een wijnstokvariëteit die traditioneel wordt geteeld in een ander land dat partij is bij de Overeenkomst), aldus worden uitgelegd, dat deze twee benamingen in de toekomst verder kunnen worden gebruikt, mits zij in het verleden door de respectieve producenten zijn gebruikt, hetzij te goeder trouw, hetzij gedurende minstens tien jaar vóór 15 april 1994 (artikel 24, lid 4, van de TRIPs-Overeenkomst), en iedere benaming duidelijk het land of het gebied of de zone aangeeft waaruit de beschermde wijn afkomstig is, om de consument niet te misleiden?
7) Betreft het eigendomsrecht van artikel 1 van het Aanvullend Protocol nr. 1 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden […], overgenomen in artikel 17 van het op 7 [december] 2000 te Nice afgekondigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, ook de intellectuele eigendom betreffende de benamingen van oorsprong van wijnen en de exploitatie daarvan, en staat de bescherming hiervan dus in de weg aan de toepassing van de bepalingen die zijn opgenomen in de briefwisseling, aangehecht aan de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Hongarije betreffende de wederzijdse bescherming van en de controle op wijnbenamingen […], maar niet in de overeenkomst zelf, op grond waarvan de wijnbouwers uit Friuli de benaming ‚Tocai friulano’ niet mogen gebruiken, gelet ook op het ontbreken van iedere vorm van schadeloosstelling ten gunste van de onteigende wijnbouwers uit Friuli, het ontbreken van een openbaar algemeen belang dat de onteigening rechtvaardigt en de niet-inachtneming van het evenredigheidsbeginsel?
8) Ingeval, in de in bovenstaande vragen aangegeven mate, de onwettigheid van de communautaire voorschriften van de tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Hongarije gesloten overeenkomst betreffende de wederzijdse bescherming van wijnbenamingen […] en/of van de daaraan aangehechte briefwisseling zou worden vastgesteld, moeten de bepalingen van verordening […] nr. 753/2002 […], op grond waarvan het gebruik van de benaming ‚Tocai friulano’ na 31 maart 2007 is uitgesloten (artikel 19, lid 2), dan als ongeldig of, althans, als niet van toepassing worden beschouwd?”
40. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door verzoeksters, de Italiaanse regering, de Raad en de Commissie, die allen, met inbegrip van de Hongaarse regering, ter terechtzitting vertegenwoordigd waren.
41. Bovendien hebben verzoeksters en de Italiaanse regering schriftelijk geantwoord op het verzoek van het Hof hun standpunt te bepalen ten aanzien van de stelling van de Raad en de Commissie, volgens welke de benaming „Tocai friulano” en haar synoniem „Tocai italico” geen geografische aanduidingen vormen en dit ook nooit zijn geweest, maar veeleer de naam zijn van een wijnstokvariëteit.
VI – De eerste vraag
42. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de Europa-Overeenkomst de Gemeenschap de bevoegdheid heeft verleend om de wijnovereenkomst te sluiten.
43. Het is vaste rechtspraak dat de bevoegdheid van de Gemeenschap tot het aangaan van internationale verbintenissen niet enkel op uitdrukkelijke bepalingen van het Verdrag berust, doch ook impliciet uit die bepalingen voortvloeit.(28)
44. Het moge derhalve duidelijk zijn, dat de bevoegdheid van de Gemeenschap om de wijnovereenkomst te sluiten, niet kan voortvloeien uit de Associatieovereenkomst.
45. Anderzijds verleent artikel 133 EG de Raad uitdrukkelijk de bevoegdheid om de gemeenschappelijke handelspolitiek uit te voeren. De considerans van besluit 93/724 van de Raad preciseert, dat dit besluit is gebaseerd op artikel 133 EG. Artikel 1 bepaalt dat de wijnovereenkomst alsmede het Protocol en de verklaringen die daaraan zijn gehecht „namens de Gemeenschap [worden] goedgekeurd”. Wat het gemeenschapsrecht betreft, is de wijnovereenkomst dus op geldige wijze goedgekeurd overeenkomstig het Verdrag. Zoals de Raad en de Commissie aanvoeren, wordt de rechtsgrondslag van een overeenkomst vermeld in de considerans van het besluit waarmee de Raad de betrokken overeenkomst sluit en goedkeurt. Het besluit noemt de Associatieovereenkomst niet als rechtsgrondslag. De Associatieovereenkomst wordt weliswaar in de preambule van de wijnovereenkomst genoemd, maar in de overwegingen van een internationale overeenkomst kan niet de rechtsgrondslag volgens het recht van de verdragsluitende partijen worden aangegeven. In de communautaire rechtsorde wordt deze grondslag bepaald nadat de tekst van de overeenkomst definitief is vastgesteld, in het licht van het doel en de inhoud daarvan. De verwijzing naar de Associatieovereenkomst in de preambule van de wijnovereenkomst strekt er alleen toe, deze overeenkomst in haar politieke en juridische context te plaatsen.
46. Verzoeksters en de Italiaanse regering voeren aan, dat geografische aanduidingen voor wijnen tot de intellectuele eigendom behoren en dat de lidstaten bij uitsluiting bevoegd waren voorzover de wijnovereenkomst op intellectuele eigendomsrechten betrekking had: zie bijlage XIII bij de Associatieovereenkomst.(29) Bijgevolg was de Gemeenschap niet bevoegd om de wijnovereenkomst te sluiten.
47. Op deze stelling zal ik nader ingaan in het kader van de tweede prejudiciële vraag.
VII – De tweede vraag
48. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, gelet op advies 1/94(30) van het Hof betreffende de uitsluitende bevoegdheid van de Europese Gemeenschap, de wijnovereenkomst in de communautaire rechtsorde nietig is en buiten toepassing dient te worden gelaten, aangezien zij niet door de lidstaten van de Europese Gemeenschap afzonderlijk is bekrachtigd. Anders gezegd, de verwijzende rechter wenst te vernemen of de Gemeenschap bij uitsluiting bevoegd was om de wijnovereenkomst te sluiten, dan wel of deze overeenkomst bij nadere beschouwing een gemengde overeenkomst was, waarbij zowel de Gemeenschap als de lidstaten partij hadden moeten zijn.
49. Vaststaat dat de Gemeenschap niet alleen over een uitsluitende bevoegdheid beschikt wanneer deze uitdrukkelijk in het Verdrag is toegekend, maar ook wanneer de Gemeenschap voor de uitvoering van een in het Verdrag voorzien gemeenschappelijk beleid, bepalingen heeft getroffen waarbij gemeenschappelijke regels worden ingevoerd.(31)
50. In zijn advies 1/94 kwam het Hof om twee redenen tot de conclusie dat de Gemeenschap en de lidstaten gezamenlijk bevoegd waren de TRIPs-Overeenkomst te sluiten. In de eerste plaats vallen de bepalingen van de TRIPs-overeenkomst, met uitzondering van die welke het in het vrije verkeer brengen van namaakartikelen verbieden, niet onder het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, waarvoor krachtens artikel 133 EG een uitsluitende bevoegdheid is toegekend. In de tweede plaats geldt voor sommige van de door de TRIPs-overeenkomst bestreken gebieden slechts een gedeeltelijke harmonisatie, terwijl voor andere gebieden nog geen enkele communautaire harmonisatiemaatregel is vastgesteld.(32)
51. Verzoeksters en de Italiaanse regering betogen dat het Verdrag geen enkele bepaling bevat waarin op het gebied van de intellectuele eigendom is voorzien in een uitsluitende bevoegdheid en dat er, toen over de wijnovereenkomst werd onderhandeld, geen enkele communautaire bepaling bestond ter zake van intellectuele eigendomsrechten betreffende nationaal geregelde geografische benamingen van wijnen: de communautaire regeling in de wijnsector beperkte zich tot de erkenning van de in de afzonderlijke lidstaten geregistreerde benamingen.
52. Deze partijen stellen voorts dat de Gemeenschap niet alleen geen uitsluitende bevoegdheid bezit doch dat het de lidstaten zijn die op het gebied van de intellectuele eigendom over een uitsluitende bevoegdheid beschikken. Ter onderbouwing van dit standpunt beroepen zij zich op bijlage XIII bij de Associatieovereenkomst, waarin staat dat de bepalingen van deze bijlage geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de Gemeenschap en haar lidstaten op het gebied van de intellectuele eigendom.
53. Ik geloof niet dat bijlage XIII bij de Associatieovereenkomst, waarop de Italiaanse regering zich beroept, ons verder helpt: aan het Hof zijn geen vragen gesteld over de status van de Associatieovereenkomst en in ieder geval roept de tekst van bijlage XIII vragen op.
54. Artikel 1 van de wijnovereenkomst bepaalt dat partijen overeenkomen om „op basis van wederkerigheid, benamingen van wijnen van oorsprong uit de Gemeenschap en uit Hongarije te beschermen en te controleren overeenkomstig de in deze Overeenkomst bepaalde voorwaarden”.
55. Zoals de Raad en de Commissie aanvoeren, lijkt het volstrekt duidelijk dat ten tijde van de sluiting van de wijnovereenkomst de bescherming en de controle van wijnbenamingen – het enige aspect van het intellectuele eigendomsrecht waarover het in het onderhavige geval zou kunnen gaan – voorwerp waren van een uitputtende communautaire regeling, waarvan de bepalingen, genoemd in de punten 16 tot en met 33 hiervoor, slechts het topje van de ijsberg vormden, en derhalve onder de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap vielen. Artikel 63 van verordening nr. 822/87 bepaalde immers uitdrukkelijk, dat ingevoerde wijn „op voorwaarde van wederkerigheid, met het oog op het in de handel brengen in de Gemeenschap in aanmerking [kan] komen voor controle en bescherming als bedoeld in [artikel 15 van verordening nr. 823/87] voor v.q.p.r.d.”.
56. Bovendien vermeldt de considerans van besluit 93/724 dat de wijnovereenkomst „het mogelijk zal maken de oneerlijke concurrentie in de handel doeltreffender te bestrijden, de consumenten een betere bescherming te bieden en het handelsverkeer in wijn tussen beide overeenkomstsluitende partijen te bevorderen”, alsmede dat „de bepalingen van deze overeenkomst rechtstreeks samenhangen met de maatregelen die onder het gemeenschappelijk handels‑ en landbouwbeleid vallen”.(33) In advies 1/94 bevestigde het Hof dat de wijnovereenkomsten die de Gemeenschap heeft gesloten met, respectievelijk, de Republiek Oostenrijk en de Commonwealth Australië – en die grotendeels gelijkluidend zijn aan de wijnovereenkomst waarom het in casu gaat – binnen de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap vielen en dus terecht op artikel 133 EG waren gebaseerd „omdat de bepalingen ervan rechtstreeks samenhangen met de maatregelen die onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid vallen, in casu onder de communautaire regeling in de wijnbouwsector”.(34)
57. Ten slotte wil ik er nog op wijzen dat de Italiaanse regering, in antwoord op een door het Hof gestelde vraag, heeft verklaard dat wat de Republiek Hongarije betreft de wijnsector sinds haar toetreding in mei 2004 uitsluitend wordt geregeld door het gemeenschapsrecht. Zoals ik echter al heb beklemtoond, impliceert een dergelijke exclusieve regeling een uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap op dit gebied. Aangezien de omvang van deze regeling vóór en na deze datum in wezen dezelfde was, lijkt een dergelijke stelling de erkenning in te houden dat de Gemeenschap eveneens uitsluitend bevoegd was toen de wijnovereenkomst werd gesloten.
VIII – De derde vraag
58. Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of, ingeval de wijnovereenkomst in haar geheel als wettig en toepasselijk moet worden beschouwd, het verbod om na 2007 in Italië de benaming „Tocai” te gebruiken, zoals dit voortvloeit uit de briefwisseling die aan de overeenkomst is gehecht, nietig is, en buiten toepassing dient te blijven, aangezien het in strijd is met de regeling voor gelijkluidende geografische benamingen van artikel 4, lid 5, van de overeenkomst.
59. Verzoeksters betogen dat de bepalingen in de bijlagen bij een overeenkomst geen afbreuk kunnen doen aan de bepalingen in de overeenkomst zelf. Wanneer deze twee dus tegenstrijdig zijn, zijn de bijlagen niet meer van toepassing.
60. Welke kracht dit argument in het algemeen ook moge hebben, het kan in het onderhavige geval alleen relevant zijn wanneer de betrokken bepalingen inderdaad tegenstrijdig zijn.
61. Artikel 4, lid 5, van de wijnovereenkomst regelt het geval van „gelijkluidende of identieke geografische aanduidingen”. Volgens artikel 2, lid 2, van deze overeenkomst wordt onder „geografische aanduiding” verstaan „een aanduiding, met inbegrip van een ‚oorsprongsbenaming’, die bij de wetten en voorschriften van een overeenkomstsluitende partij is erkend voor de omschrijving en de aanbiedingsvorm van een wijn van oorsprong uit het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij, of uit een regio of een district van dat grondgebied, en waarvan een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk van de wijn voornamelijk is toe te schrijven aan de geografische oorsprong ervan”.
62. Bijgevolg valt de benaming „Tocai friulano” alleen onder artikel 4, lid 5, van de wijnovereenkomst wanneer zij door het gemeenschapsrecht wordt erkend in de zin van het voorgaande punt.
63. Dit is duidelijk niet het geval. Ten tijde van de feiten werd deze benaming erkend als een wijnstokras en niet als een v.q.p.r.d. in de zin van verordening nr. 823/87(35), de communautaire equivalent van een geografische aanduiding voor wijn.(36) Er bestaat ook geen enkele aanwijzing dat een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk van de wijn die op basis van dit wijnstokras wordt geproduceerd voornamelijk kan worden toegeschreven aan de geografische oorsprong ervan.
64. Meer in het bijzonder is artikel 4, lid 5, sub a, van de wijnovereenkomst van toepassing op aanduidingen die op grond van de overeenkomst beschermd zijn. Artikel 4, lid 1, sub a, bepaalt met betrekking tot wijnen van oorsprong uit de Gemeenschap, dat „de in de bijlage vermelde geografische aanduidingen en traditionele benamingen” beschermd zijn. De lijst van wijnen van Italiaanse oorsprong in de bijlage bij de wijnovereenkomst vermeldt „Tocai friulano” noch „Tocai italico”.
65. In antwoord op het verzoek van het Hof een standpunt te bepalen inzake de vraag of de benaming „Tocai friulano” een geografische aanduiding vormt of een wijnstokras, verwijzen verzoeksters en de Italiaanse regering naar artikel 15, lid 4, van verordening nr. 823/87(37), op grond waarvan de lidstaten mogen toestaan dat de naam van een bepaald gebied wordt gecombineerd met de naam van een wijnstokras, en stellen zij dat dit ook is gebeurd met de benaming „Tocai friulano”.
66. Ik ben evenwel van mening dat de betekenis van artikel 15, lid 4, de formulering ervan niet overstijgt: de lidstaten mogen de combinatie van de naam van een bepaald gebied met een wijnstokras toestaan. In bepaalde wijnbouwgebieden is dit een gebruikelijke praktijk: bijvoorbeeld Alsace Pinot gris(38), Valle d’Aoste Pinot nero of Moselle luxembourgeoise Riesling. Dit maakt evenwel van de gecombineerde naam en het genoemde wijnstokras nog geen geografische aanduiding in de zin van de wijnovereenkomst.
67. Hieruit volgt dat van onverenigbaarheid tussen het uit de briefwisseling voortvloeiende verbod en de regeling van de gelijkluidende geografische aanduidingen in artikel 4, lid 5, van de wijnovereenkomst geen sprake is.
IX – De vierde vraag
68. Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de gemeenschappelijke verklaring die als bijlage aan de wijnovereenkomst is gehecht(39) en waaruit blijkt dat de overeenkomstsluitende partijen ten tijde van de onderhandelingen niet op de hoogte waren van het bestaan van gelijkluidende benamingen van wijnen van de Gemeenschap en Hongaarse wijnen, op een kennelijk onjuiste voorstelling van de werkelijkheid berust (aangezien de Italiaanse en Hongaarse benamingen voor de wijnen „Tocai” sinds eeuwenlang naast elkaar hebben bestaan, in 1948 officieel zijn erkend in een overeenkomst tussen de Italiaanse Republiek en de Republiek Hongarije, en onlangs in de communautaire regelgeving zijn opgenomen), zodat krachtens artikel 48 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht(40) het onderdeel van de wijnovereenkomst dat het gebruik in Italië van de benaming Tocai verbiedt, nietig is.
69. Artikel 48, lid 1, van het Verdrag van Wenen bepaalt:
„Een Staat mag zich teneinde zijn instemming door een verdrag gebonden te worden ongeldig te verklaren beroepen op een dwaling in het verdrag, indien de dwaling betrekking heeft op een feit of een situatie, door deze Staat beschouwd als te bestaan op het tijdstip van sluiting van het verdrag en indien dit feit of deze situatie een wezenlijke grond vormde voor de instemming van deze Staat door het verdrag gebonden te worden.”
70. Verzoeksters en de Italiaanse regering voeren aan dat de briefwisseling het gevolg is van een onjuiste voorstelling van de toenmalige feiten, te weten het onbetwistbaar, vreedzaam en voortgezet gebruik van de twee benamingen; krachtens artikel 48 van het Verdrag van Wenen zijn de bijlagen waarin het recht om deze benamingen te gebruiken is ingetrokken, dan ook niet van toepassing.
71. De eerste alinea van de gemeenschappelijke verklaring luidt als volgt:
„De overeenkomstsluitende partijen verklaren in verband met artikel 4, lid 5, sub a), dat hun ten tijde van de onderhandelingen geen specifieke gevallen bekend waren waarop de bepalingen van dit artikel van toepassing waren.”
72. In het kader van de derde prejudiciële vraag heb ik uiteengezet waarom ik van mening ben dat artikel 4, lid 5, niet van toepassing is op de feiten van de onderhavige zaak.(41)
73. Om dezelfde reden kan de gemeenschappelijke verklaring niet geacht worden op een kennelijk onjuiste voorstelling van de werkelijkheid te berusten.
74. Zoals de Hongaarse regering tijdens de terechtzitting heeft gesteld, kan artikel 48 van het Verdrag van Wenen hoe dan ook alleen worden ingeroepen door de partijen bij het betrokken verdrag.
X – De vijfde en de zesde vraag
75. Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of, gelet op artikel 59 van het Verdrag van Wenen, de bepalingen van de TRIPs-Overeenkomst(42) betreffende gelijkluidende wijnbenamingen van toepassing zijn in de plaats van de wijnovereenkomst in geval van onverenigbaarheid tussen deze overeenkomsten, nu zij beide door dezelfde partijen zijn gesloten en de TRIPs-Overeenkomst op 1 januari 1996 in werking is getreden, derhalve nadat de wijnovereenkomst was gesloten.
76. Artikel 59, lid 1, van het Verdrag van Wenen luidt als volgt:
„1. Een verdrag wordt als beëindigd beschouwd wanneer alle partijen bij dit verdrag een later verdrag sluiten betreffende hetzelfde onderwerp en:
a) uit het latere verdrag blijkt of anderszins vaststaat dat het de bedoeling van de partijen is de materie door dit verdrag te regelen; of
b) de bepalingen van het latere verdrag dermate onverenigbaar zijn met die van het eerdere verdrag, dat het onmogelijk is de beide verdragen tegelijkertijd toe te passen.”
77. Aangezien de vraag van de nationale rechter alleen is gesteld voor het geval dat de relevante bepalingen van de TRIPs-Overeenkomst onverenigbaar zijn met de wijnovereenkomst, lijkt het mij zinvol de aanpak van de Commissie te volgen en eerst dit punt te onderzoeken, dat het onderwerp is van de zesde prejudiciële vraag.
78. Met die vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of in het geval van twee gelijkluidende benamingen voor twee verschillende wijnen (in de omstandigheden die meer gedetailleerd in de vraag zijn vermeld, zoals hiervoor uiteengezet), uit de artikelen 22 tot en met 24 van de TRIPs-Overeenkomst volgt dat het gebruik van beide benamingen mag worden voortgezet, mits zij in het verleden door de respectieve producenten hetzij te goeder trouw hetzij gedurende minstens tien jaar vóór 15 april 1994 (artikel 24, lid 4) zijn gebruikt en elke benaming duidelijk het grondgebied, de regio of plaats op dat grondgebied aangeeft waaruit de wijn waarnaar zij verwijst afkomstig is, om de consument niet te misleiden.
79. De artikelen 22 tot en met 24 van de TRIPs-Overeenkomst vormen titel 3 („Geografische aanduidingen”) van deel II („Normen betreffende het bestaan, de reikwijdte en de gebruikmaking van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom”) van deze Overeenkomst.
80. Artikel 22, lid 1, van de TRIPs-Overeenkomst luidt als volgt:
„Voor de toepassing van deze Overeenkomst worden onder geografische aanduidingen verstaan aanduidingen die aangeven dat waren hun oorsprong hebben op het grondgebied van een lid, of een regio of plaats op dat grondgebied, waarbij een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk van de waren wezenlijk valt toe te schrijven aan zijn geografische oorsprong.”
81. Artikel 23 bepaalt:
„1. Elk lid voorziet in de wettelijke middelen om belanghebbenden in staat te stellen het gebruik te beletten van een geografische aanduiding ter benoeming van wijnen voor wijnen die niet hun oorsprong hebben in de door de geografische aanduiding in kwestie aangeduide plaats, [...] zelfs wanneer de werkelijke oorsprong van de waren is vermeld of de geografische aanduiding wordt gebruikt in vertaling of vergezeld gaat van uitdrukkingen zoals ‚soort’, ‚type’, ‚stijl’, ‚imitatie’ en dergelijke.
[...]
3. In het geval van gelijkluidende geografische aanduidingen voor wijnen wordt aan elke aanduiding bescherming verleend [...]. Elk lid stelt de praktische voorwaarden vast waaronder de gelijkluidende aanduidingen in kwestie van elkaar zullen worden onderscheiden, met inachtneming van de noodzaak een billijke behandeling van de betrokken producenten te waarborgen en de consumenten niet te misleiden.
[...]”
82. Artikel 24 luidt als volgt:
„1. De leden komen overeen onderhandelingen aan te gaan ter uitbreiding van de bescherming van afzonderlijke geografische aanduidingen krachtens artikel 23.
[...]
4. Geen enkele bepaling in deze titel verlangt van een lid dat dit het voortgezette en soortgelijke gebruik belet van een bepaalde geografische aanduiding van een ander lid ter benoeming van wijnen of spiritualiën in verband met waren of diensten door één van zijn onderdanen of ingezetenen die deze geografische aanduiding voortdurend heeft gebruikt voor dezelfde of aanverwante waren of diensten op het grondgebied van dat lid hetzij a) gedurende ten minste tien jaar vóór 15 april 1994, hetzij b) te goeder trouw vóór die datum.
[...]
6. [...] Geen enkele bepaling van deze titel verlangt van een lid dat dit de bepalingen hiervan toepast met betrekking tot een geografische aanduiding van een ander lid voor voortbrengselen van de wijnstok waarvan de desbetreffende aanduiding identiek is met de gangbare naam van een druivensoort die op het grondgebied van dat lid voorkomt op de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst.
[...]”
83. Verzoeksters en de Italiaanse regering betogen dat de TRIPs-Overeenkomst thans het geldende recht vormt voor de Gemeenschap, de lidstaten en de andere verdragsluitende partijen ter zake van de regeling van gelijkluidende wijnbenamingen en dat zij ertoe verplicht dergelijke benamingen te beschermen mits zij op een technisch juiste wijze en te goeder trouw worden gebruikt. Artikel 23 beschermt het recht van de betrokken partijen om gelijkluidende geografische aanduidingen te blijven gebruiken, terwijl artikel 24, lid 4, het aan de lidstaten overlaat het voortgezet gebruik te regelen van geografische aanduidingen die gedurende tien jaar vóór 15 april 1994 te goeder trouw zijn gebruikt. Deze bepalingen zijn onverenigbaar met het verbod de benaming „Tocai friulano” te gebruiken, zoals dat voortvloeit uit de bijlagen bij de wijnovereenkomst. Dit verbod kan derhalve niet worden gerechtvaardigd.
84. In hun antwoord op de desbetreffende vraag van het Hof hebben verzoeksters en de Italiaanse regering bovendien aangevoerd, dat artikel 24, lid 6, van de TRIPs-Overeenkomst duidelijk een parallel trekt tussen een „geografische aanduiding” en een „naam van een druivensoort” en dat het zich er bijgevolg tegen verzet dat de Republiek Hongarije zich beroept op de geografische aanduiding „Tokaj” om het gebruik van de naam „Tocai friulano” te verbieden.
85. Ik kan deze argumenten niet aanvaarden.
86. Artikel 23, lid 1, legt aan de lidstaten met zoveel woorden de verplichting op om geografische aanduidingen ter benoeming van wijnen te beschermen tegen elk gebruik voor wijnen die niet hun oorsprong hebben in de door die geografische aanduiding bestreken plaats; verwarringsgevaar of bedrog behoeft niet te worden aangetoond. Het staat vast dat „Tokaj” een geografische aanduiding is in de zin van de TRIPs-Overeenkomst. Bijgevolg verplicht artikel 23, lid 1, de lidstaten er op het eerste gezicht toe, deze aanduiding te beschermen tegen het gebruik ervan voor wijnen die niet hun oorsprong hebben in de Tokaj regio.
87. Artikel 23, lid 3, specificeert de in artikel 23, lid 1, voorgeschreven algemene bescherming voor het geval twee geografische aanduidingen gelijkluidend zijn.(43) In het kader van de TRIPs-Overeenkomst wordt onder „geografische aanduidingen” verstaan aanduidingen die aangeven dat waren hun oorsprong hebben op het nationale grondgebied, dan wel een regio of plaats op dat grondgebied, wanneer een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk van de waren wezenlijk valt toe te schrijven aan de geografische oorsprong ervan. Ook in dit opzicht bestaan er geen aanwijzingen dat een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk van de wijn gemaakt van druiven van het ras Tocai friulano in de betrokken regio wezenlijk aan de geografische oorsprong ervan kan worden toegeschreven. Bijgevolg is artikel 23, lid 3, mijns inziens niet van toepassing.
88. Om dezelfde reden kan artikel 24, lid 4, dat de lidstaten toestaat onder bepaalde omstandigheden het voortgezette gebruik te goeder trouw van geografische aanduidingen te regelen, niet worden toegepast op het voortgezette gebruik van de naam „Tocai friulano”.
89. Ten slotte verleent artikel 24, lid 6, de lidstaten slechts de bevoegdheid om het gebruik goed te keuren van de naam van een druivenras die gelijkluidend is aan een geografische aanduiding in een andere lidstaat, zonder hen daartoe te verplichten. Van deze mogelijkheid heeft de Gemeenschap vanaf eind maart 2007 kennelijk afgezien door een bilaterale overeenkomst met de Republiek Hongarije te sluiten, hetgeen uitdrukkelijk is voorzien in artikel 24, lid 1, en, zoals in het kader van de eerste twee vragen is besproken, tot de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap behoort.
90. Gelet op het bovenstaande acht ik de betrokken bepalingen van de TRIPs-Overeenkomst niet onverenigbaar met de wijnovereenkomst; bijgevolg bestaat er geen aanleiding artikel 59 van het Verdrag van Wenen toe te passen.
XI – De zevende vraag
91. Met zijn zevende vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van Aanvullend Protocol nr. 1 bij het EVRM(44), zoals overgenomen in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(45), ook de intellectuele eigendom betreffende benamingen van oorsprong van wijnen en de exploitatie daarvan omvat en dus de toepassing uitsluit van de overeenkomst in de briefwisseling, krachtens welke de wijnbouwers in de regio Friuli-Venezia Giulia de aanduiding „Tocai friulano” niet meer mogen gebruiken, met name gelet op het ontbreken van iedere vorm van schadeloosstelling ten gunste van de wijnbouwers, het ontbreken van een algemeen belang dat deze onteigening rechtvaardigt en de kennelijke niet-inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.
92. Artikel 1, lid 1, van Aanvullend Protocol nr. 1 bij het EVRM bepaalt:
„Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van het internationale recht.”
93. Ofschoon deze bepaling niet van een schadeloosstelling rept, wordt algemeen erkend dat de verplichting de algemene beginselen van internationaal recht in acht te nemen, in geval van onteigening een recht op schadeloosstelling impliceert.
94. Artikel 17 van het Handvest van de grondrechten, met de titel „Recht op eigendom”, bepaalt:
„1. Eenieder heeft het recht de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Aan niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits zijn verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan worden geregeld bij de wet voorzover het algemeen belang dit vereist.
2. Intellectuele eigendom is beschermd.”
95. Verzoeksters betogen dat het recht van de Italiaanse wijnbouwers om de aanduiding „Tocai friulano” te gebruiken, onder „eigendom” in de zin van het Protocol valt, hetgeen een autonoom begrip is dat niet is beperkt tot stoffelijke goederen; de Italiaanse regering heeft ter terechtzitting gesteld dat het recht om de naam van een bepaalde druivensoort te gebruiken van economische aard is. De Raad en de Commissie stellen dat het onderhavige geval geen betrekking heeft op eigendom in de zin van het EVRM of het Handvest, ook niet in de zin van intellectuele eigendom; de termen „Tocai friulano” en „Tocai italico” zijn geen geografische aanduidingen maar druivensoorten. Noch de Overeenkomst van Parijs(46) noch de TRIPs-Overeenkomst vermeldt de namen van druivensoorten als een categorie van intellectuele eigendom.
96. Verzoeksters stellen terecht dat het woord „eigendom” in de zin van het Protocol een autonoom begrip is dat eveneens geldt voor onstoffelijke goederen met economische waarde. Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft met name in het kader van de intrekking van een vergunning voor de verkoop van alcoholische dranken in een restaurant erkend, dat de economische belangen in verband met de exploitatie van het betrokken restaurant „eigendom” vormden in de zin van artikel 1 van het Protocol, aangezien het behoud van de vergunning een van de voornaamste voorwaarden was voor de voortzetting van de activiteit en de intrekking daarvan negatieve gevolgen had voor de goodwill en de waarde van het restaurant. Dienovereenkomstig kwam dit Hof tot de conclusie dat de intrekking in de omstandigheden van dat concrete geval een inmenging betekende in het recht van de beheerder van het restaurant op „het ongestoord genot van zijn eigendom” (ofschoon het deze inmenging gerechtvaardigd, evenredig en in het algemeen belang achtte).(47)
97. Ik ben evenwel van mening dat deze beslissing niet vergelijkbaar is met de onderhavige zaak. Er bestaat geen enkele aanwijzing dat het voortgezet gebruik van de benaming „Tocai friulano” voor de druivensoort die wordt gebruikt bij de productie van wijnen uit de Friuli-Venezia Giulia regio een van de wezenlijke voorwaarden is om de productie van dergelijke wijnen te kunnen voortzetten. Evenmin is er enig bewijs voor de stelling van de Italiaanse regering dat het verbod van een dergelijk gebruik negatieve gevolgen zou hebben voor de goodwill en de waarde van deze wijnbouwactiviteit. De getroffen wijnbouwers kunnen hun wijnen blijven verhandelen onder de diverse oorsprongsaanduidingen die voor die regio zijn geregistreerd. Indien zij de gebruikte druivensoort ook in de toekomst willen vermelden, bestaan er aanvaardbare synoniemen die door het Internationale Wijnstok‑ en Wijnbureau zijn erkend: de Commissie noemde ter terechtzitting „sauvignonasse” en „trebbianello”.
98. Ik voeg hier nog aan toe dat het twijfelachtig is of verzoeksters zich op schending van het eigendomsrecht krachtens het EVRM kunnen beroepen, aangezien zij geen wijnbouwers zijn en niet hebben aangetoond in welk opzicht zij schade zouden lijden.
99. Daarom ben ik er niet van overtuigd, althans niet in de omstandigheden van het onderhavige geval, dat het recht om de naam van een druivensoort te gebruiken voor de verkoop van een bepaalde wijn een eigendomsrecht vormt dat binnen de werkingssfeer van artikel 1 van Aanvullend Protocol nr. 1 valt. Nochtans zal ik beknopt de vraag onderzoeken of, ervan uitgaande dat een dergelijk recht bestaat, het zich verzet tegen het verbod om deze benaming te gebruiken.
100. In de eerste volzin van artikel 1 van Aanvullend Protocol nr. 1 wordt het recht op het ongestoord genot van zijn eigendom erkend; de tweede volzin bepaalt dat aan niemand zijn eigendom zal worden ontnomen „behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht”.
101. Aangaande ingrepen in het ongestoord genot die niet op een ontneming van eigendom neerkomen, heeft het Hof in een soortgelijke context enige algemene richtsnoeren gegeven, namelijk in het arrest SMW Winzersekt.(48) In deze zaak betwistten de Duitse producenten van mousserende wijnen een communautaire regeling(49) die, behoudens een overgangsperiode van vijf jaar, het gebruik van de uitdrukking „méthode champenoise” verbood voor mousserende wijnen die geen recht hadden op de herkomstaanduiding „Champagne”. De producenten voerden aan dat dit verbod inbreuk maakte op hun eigendomsrecht.
102. Het Hof was van oordeel dat de gemeenschapswetgever op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, zodat aan de wettigheid van een op dit gebied genomen maatregel slechts afbreuk wordt gedaan indien deze kennelijk ongeschikt is ter bereiking van zijn doel. Aangezien het eigendomsrecht geen absolute gelding heeft, kan de uitoefening ervan aan beperkingen worden onderworpen, met name in het kader van een gemeenschappelijke marktordening, voorzover dergelijke beperkingen werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die de Gemeenschap nastreeft en zij niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast. De vermelding „méthode champenoise” was een aanduiding die vóór de vaststelling van de betrokken regeling door alle producenten van mousserende wijnen kon worden gebruikt. Het verbod op het gebruik van deze vermelding kon dus niet als een aantasting van een vermeend eigendomsrecht van de verzoekende producenten worden gezien. Bovendien had de Raad met de situatie van de producenten rekening gehouden door overgangsbepalingen vast te stellen alsmede door hen toe te staan alternatieve vermeldingen (zoals „traditionele methode”) te gebruiken; in die omstandigheden kon de regeling niet als een onevenredige maatregel worden beschouwd.(50)
103. Ook in het onderhavige geval is het duidelijk dat zelfs wanneer sprake was van een ingreep in het genot van eigendom, het evenredigheidsbeginsel in acht is genomen: de Italiaanse wijnbouwers van „Tocai friulano” en de producenten van wijnen die van die druivensoort worden gemaakt, hebben een overgangsperiode van dertien jaar gehad om zich aan te passen aan de nieuwe situatie die door de wijnovereenkomst is ontstaan, terwijl er, zoals hiervoor is aangegeven(51), alternatieve wijnbenamingen beschikbaar zijn.
104. Aangaande de tweede volzin van artikel 1 van Aanvullend Protocol nr. 1 ben ik van mening, dat zelfs wanneer het verbod om de benaming „Tocai friulano” te gebruiken betekende dat aan de betrokken producenten hun eigendom wordt ontnomen, dit „in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht” zou zijn en dus zou zijn toegestaan volgens het EVRM.
105. In de eerste plaats is het door de Gemeenschap sluiten van wederkerige overeenkomsten voor de bescherming van wijnbenamingen duidelijk in het algemeen belang. In de tweede plaats bestaat er voor het verbod een duidelijke grondslag in het communautaire recht, te weten het wettelijke kader (dat ik niet gedetailleerd heb uiteengezet, omdat het omvangrijk is en niet wordt bestreden) voor de omschrijving van wijnen, in het kader waarvan het onderhavige verbod kennelijk ertoe strekt het risico van verwarring tussen de naam van een in een wijn gebruikte druivensoort en de naam van de geografische regio waar hij is geproduceerd te verminderen. Ten slotte bestaat er geen enkele aanwijzing dat het verbod in strijd is met enig beginsel van internationaal recht. Met name het effect van de lange overgangsperiode, de beperkte werking van het verbod (omdat het wél is toegestaan de productie van v.q.p.r.d. op basis van deze wijnstokvariëteit voort te zetten) en het bestaan van alternatieve wijnbenamingen leiden er mijns inziens toe dat geen recht op schadevergoeding bestaat.
106. Soortgelijke overwegingen als hier besproken gelden ten aanzien van artikel 17 van het Handvest.
XII – De achtste vraag
107. Met zijn achtste en laatste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of, ingeval de wijnovereenkomst en/of de briefwisseling onwettig zijn, artikel 19, lid 2, van verordening (EG) nr. 753/2002(52), op grond waarvan het gebruik van de benaming „Tocai friulano” na 31 maart 2007 is verboden, ongeldig of althans niet van toepassing is.
108. Verzoeksters stellen dat het verbod in de bijlage bij verordening nr. 753/2002 onwettig is, omdat het inbreuk maakt op het beginsel van non-discriminatie. Van de 106 druivensoorten die krachtens het gemeenschapsrecht in wijnbenamingen mogen worden gebruikt, geldt alleen voor „Tocai friulano” een beperking in de tijd. Bovendien is inbreuk gemaakt op het evenredigheidsbeginsel en de motiveringsplicht. Ten slotte is het in verordening nr. 753/2002 opgenomen verbod onwettig, omdat de TRIPs-Overeenkomst de WTO-leden geenszins ertoe verplicht, de wettelijke bescherming van gelijkluidende geografische aanduidingen af te schaffen.
109. In hun antwoord op de vraag van het Hof voeren verzoeksters en de Italiaanse regering voorts aan dat, aangezien de toetreding van Hongarije tot de Europese Unie het einde betekende van de wijnovereenkomst en aangezien het Toetredingsverdrag niets vermeldt over de wijnovereenkomst of het „Tocai”-probleem, de wijnsector in ieder geval wat Hongarije betreft uitsluitend wordt geregeld door het gemeenschapsrecht. Voor circa 122 wijnstokrassen wier namen een geografische aanduiding bevatten en die zich daarom in dezelfde situatie als „Tocai friulano” bevinden, bevat verordening nr. 753/2002 een regeling die diametraal verschilt van de voor „Tocai friulano” geldende regeling: deze 122 rassen mogen, in afwijking van artikel 19, lid 1, sub c, van deze verordening, vermeld worden in de etikettering van de wijnen.
110. Al deze argumenten vallen evenwel duidelijk buiten het bestek van de door de nationale rechter gestelde vraag, die uitdrukkelijk is gebaseerd op de hypothese dat de wijnovereenkomst en/of de briefwisseling onwettig is. De verwijzende rechter stelt daarom de geldigheid van verordening nr. 753/2002 (die de Italiaanse Republiek rechtstreeks op grond van artikel 230 EG had kunnen betwisten, hetgeen zij evenwel niet heeft gedaan) slechts indirect ter discussie, als een gevolg van de gestelde ongeldigheid van de wijnovereenkomst. Aangezien ik op grond van mijn onderzoek van de voorafgaande vragen van mening ben dat deze overeenkomst niet onwettig is, ben ik het met de Commissie eens dat de achtste vraag niet behoeft te worden beantwoord.
XIII – Conclusie
111. Gelet op het bovenstaande kom ik tot de volgende conclusies:
1) artikel 133 EG vormde een even juiste als passende rechtsgrondslag voor de wijnovereenkomst en het sluiten van deze overeenkomst viel binnen de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap;
2) in de zin van de wijnovereenkomst en de TRIPs-Overeenkomst vormt Tokaj een geografische aanduiding en Tocai friulano niet; bijgevolg:
– is er geen onverenigbaarheid tussen het verbod van het gebruik van de benaming „Tocai friulano” na 31 maart 2007 en de bepalingen betreffende geografische aanduidingen in de wijnovereenkomst,
– berust de gemeenschappelijke verklaring niet op een onjuiste voorstelling van de werkelijkheid, en
– is er geen sprake van tegenstrijdigheid tussen de wijnovereenkomst en de TRIPs-Overeenkomst;
3) het recht om voor de verkoop van wijn gebruik te maken van de naam van een druivensoort is geen eigendom in de zin van artikel 1 van Aanvullend Protocol nr. 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of van artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; hoe dan ook is in casu geen sprake van een met dit Verdrag of het Handvest strijdige onwettige ingreep.
112. Mitsdien ben ik van mening dat de vragen van het Tribunale amministrativo regionale per il Lazio moeten worden beantwoord als volgt:
„Bij het onderzoek van de gestelde vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Hongarije betreffende de wederzijdse bescherming en de controle van wijnbenamingen, gesloten en goedgekeurd in naam van de Gemeenschap bij besluit 93/724/EG van de Raad van 23 november 1993, en ondertekend op 29 november 1993, of van de briefwisseling betreffende artikel 4 van deze overeenkomst.”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Verzoeksters hebben verklaard dat de naam „Tocai italico” niet meer wordt gebruikt; ik zal derhalve alleen naar deze naam verwijzen voorzover dit relevant of nuttig lijkt.
3 – Ministerieel besluit van 26 september 2002 betreffende nationale voorwaarden voor het gebruik, in afwijking van artikel 19, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 753/2002, van de in bijlage II bij deze verordening opgesomde namen van druivenrassen en synoniemen daarvan die een geografische aanduiding bevatten en die op de etikettering van Italiaanse v.q.p.r.d. (in een bepaald gebied voortgebrachte kwaliteitswijnen) en wijnen met een typische geografische aanduiding mogen voorkomen.
4 – Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, die als bijlage I C aan de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie is gehecht, namens de Europese Gemeenschap, wat de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden betreft, goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336, blz. 1). De relevante bepalingen worden weergegeven in de punten 80‑82 hieronder.
5 – Verdrag van 4 november 1950 (hierna: „EVRM”); Aanvullend Protocol nr. 1 van 20 maart 1952. De relevante bepalingen worden weergegeven in punt 92 hieronder.
6 – Handvest van 7 december 2000 (PB C 364, blz. 1). De relevante bepaling wordt weergegeven in punt 94 hieronder.
7 – Besluit van de Raad en de Commissie van 13 december 1993 inzake de sluiting van de Europea-Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek, Hongarije anderzijds (PB L 347, blz. 1). De Associatieovereenkomst is aan het besluit gehecht.
8 – In de punten 7‑15.
9 – PB L 347, blz. 259.
10 – Besluit van de Raad van 23 november 1993 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Hongarije betreffende de wederzijdse bescherming van en de controle op wijnbenamingen (PB L 337, blz. 93); de wijnovereenkomst is aan dit besluit gehecht.
11 – Briefwisseling inzake artikel 4 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Hongarije betreffende de wederzijdse bescherming van en de controle op wijnbenamingen (PB L 337, blz. 169).
12 – Weergegeven in punt 9 hiervoor.
13 – PB 1993, L 337, blz. 171.
14 – Verordening van de Raad van 16 maart 1987 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB L 84, blz. 1), ingetrokken en vervangen bij verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB L 179, blz. 1).
15 – Verordening van de Commissie van 16 december 1981 tot vaststelling van de indeling van de wijnstokrassen (PB L 381, blz. 1), ingetrokken bij verordening (EG) nr. 1227/2000 van de Commissie van 31 mei 2000 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1493/99 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, inzonderheid met betrekking tot het productiepotentieel (PB L 143, blz. 1).
16 – PB L 54, blz. 1.
17 – Toegevoegd bij verordening (EEG) nr. 1543/89 van de Commissie van 2 juni 1989 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3800/81 tot vaststelling van de indeling van de wijnstokrassen (PB L 151, blz. 16).
18 – Toegevoegd bij verordening (EEG) nr. 3369/92 van de Commissie van 24 november 1992 houdende dertiende wijziging van verordening (EEG) nr. 3800/81 (PB L 342, blz. 11).
19 – Verordening van de Raad van 16 maart 1987 houdende vaststelling van bijzondere bepalingen betreffende in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen (PB L 84, blz. 59), zoals onder meer gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2043/89 van de Raad van 19 juni 1989 (PB L 202, blz. 1), die op haar beurt werd ingetrokken en vervangen bij verordening nr. 1493/1999.
20 – Wijziging van de lijst van de v.q.p.r.d. van de Gemeenschap (PB 1982, C 348, blz. 1). Dit document vervangt het volledige deel met betrekking tot de Italiaanse Republiek in de eerder gepubliceerde lijst. De lijst werd gepubliceerd overeenkomstig artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2247/73 van de Commissie van 16 augustus 1973 betreffende de controle op in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen (PB L 230, blz. 12).
21 – Verordening van de Raad van 24 juli 1989 (PB L 232, blz. 13), ingetrokken en vervangen bij verordening nr. 1493/1999.
22 – Verordening van 16 oktober 1990 (PB L 309, blz. 1), ingetrokken en vervangen bij verordening (EG) nr. 753/2002 van de Commissie van 29 april 2002 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad wat betreft de omschrijving, de aanduiding, de aanbiedingsvorm en de bescherming van bepaalde wijnbouwgebieden (PB L 118, blz. 1).
23 – Zie de lijst gepubliceerd in PB 1992, C 155, blz. 14, zoals gewijzigd bij de lijst gepubliceerd in PB 1993, C 203, blz. 4.
24 – Aangehaald in voetnoot 14.
25 – Aangehaald in voetnoot 22.
26 – Zie verordening (EG) nr. 1429/2004 van de Commissie van 9 augustus 2004 tot wijziging van verordening nr. 753/2002 (PB L 263, blz. 11).
27 – Aangehaald in voetnoot 3.
28 – Zie bijvoorbeeld advies 2/94 van 28 maart 1996 krachtens artikel 228, lid 6, EG‑Verdrag (Jurispr. blz. I‑1759, punt 26).
29 – Zie punt 6 hiervoor.
30 – Advies van 15 november 1994 krachtens artikel 228, lid 6, EG (Jurispr. blz. I‑5267).
31 – Arrest van 31 maart 1971, Commissie/Raad, het zogenoemde „AETR”-arrest (22/70, Jurispr. blz. 263, punten 16 en 17).
32 – Punten 71, 103 en 105 van advies 1/94.
33 – Eerste en derde overweging.
34 – Punten 69 en 70.
35 – Zie de punten 20, 22 en 27 hiervoor.
36 – Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 208, blz. 1) is niet van toepassing op wijn (zie artikel 1, lid 1, ervan).
37 – Weergegeven in punt 23 hiervoor.
38 – De „Tokay”, synoniem in de Elzas van het druivenras Pinot gris, is het voorwerp van een briefwisseling tussen de Gemeenschap en de Republiek Hongarije, waarin is voorzien in een soortgelijke voorlopige afwijking van het verbod deze term te gebruiken (PB 1993, L 337, blz. 167).
39 – Zie punt 15 hiervoor.
40 – Trb. 1977, 169. Het Verdrag van Wenen is aangenomen op 23 mei 1969 en op 27 januari 1980 in werking getreden.
41 – Zie punten 61‑64 hiervoor.
42 – Aangehaald in voetnoot 4.
43 – Een van de voorbeelden die in het kader van de onderhandelingen ter sprake zijn gekomen, was het gebied Rioja, dat zowel in Spanje als in Argentinië de naam van een wijngebied is: zie C. M. Correa, en A. A. Yusef, Intellectual Property and International Trade (1998), blz. 176.
44 – Aangehaald in voetnoot 5.
45 – Aangehaald in voetnoot 6.
46 – Overeenkomst van Parijs voor de bescherming van de industriële eigendom van 20 maart 1883.
47 – Zaak 4/1988/148/202, Tre Traktörer Aktiebolag/Zweden (1989) EHRR 309.
48 – Arrest van 13 december 1994 (C‑306/93, Jurispr. blz. I‑5555).
49 – Verordening (EEG) nr. 2333/92 van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de algemene voorschriften voor de omschrijving en de aanbiedingsvorm van mousserende wijn en mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd (PB L 231, blz. 9).
50 – Punten 21‑23 en 28 van het arrest.
51 – Zie punt 97.
52 – Aangehaald in voetnoot 22.
Full & Egal Universal Law Academy